Google This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project to make the world's books discoverablc onlinc. It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the publisher to a library and fmally to you. Usage guidelines Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. We also ask that you: + Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for personal, non-commercial purposes. + Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of public domain materials for these purposes and may be able to help. + Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. + Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. About Google Book Search Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web at |http: //books. google .com/l Google Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. Richtlijnen voor gebruik Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op automaüsch zoeken. Verder vragen we u het volgende: + Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden. + Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien hiermee van dienst zijn. + Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. + Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. Informatie over Zoeken naar boeken met Google Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken op het web via |http: //books .google .coml PROPERTY Of Mum. »•«? %K T I I ICIKNTIA VERITAS r ^}V^' .«.litjjpi 'W JACOH VAX MARia.ANTS ^ M E 1{ L IJ i\, NAiVK Rürr KeNI» IIKKItMIHt STEINFOllTRR H ANT)SOTI H I FT. CmiKtlKVRN IHMtll J. VAN VLOTEN. LEIDEN. - li. J. IIBILL. IrtM'? --^'"ttvt. üS JACOB VAN MAERLANTS MEELIJN, NAAR HET EENIG BEKENDE STEINFORTER HANDSCHRIFT. J AC o B VAN MAERLANKS \ M E R L U N, NAAR HET EENIQ BEKENDE STEINFORTER HANDSCHRIFT, UITGEGEVEN DOOR J. ^7'AJSf VLOTEN. LEIDEN. — E. J. BRILL. 1880. w \ ii ?. ^//,o25>^3^^ INLEIDING. Welkom eindel^k in 't daglicht! — zal men zich onwillekeurig al licht genegen vinden uit te roepen, bjj 't in druk verschenen van dit zooveel besproken en zoolang verholen gebleven handschrift, dat, na zyn eerste korte vermelding, vóór nu meer dan veertig jaar, door een paar leidsche geleerden, De Vries en Jonckbloet — om van dezen of genen hen nabauwenden >plucker van den stove'" niet te reppen — met zulk een neuswijze kortzichtigheid bejegend werd. Blykens den toen er van meêgedeelden aanhef, gaf het den maker als een » koster'* aan, en was in plat- om niet te zeggen broddel-Duitsch geschreven; een taaieigen, als die nederlandsche maker zelf natuurlyk nooit had kunnen bezigen. Een en ander volstond, naar hun bekrompen inzicht , om er noch dien maker noch het door hem bergmde boek van Merl§n in te herkennen. » Sommigen beweren'', schreef Jonckbloet^), 3» dat onze Jacob koster te Maer- lant zou geweest z^n; het stuk waarop dit gevoelen rust, komt m^ echter steeds zooapokrief voor, dat ik het ongaarne tot grondslag zou zien bezigen, om er eenige coigectuur op te bouwen. Van dat kosterschap", zoo ging hy voort, » vindt men nergens elders gewaagd, en zoo men onzen dichter voor een burger, een onadel^ke moet houden, dan is het zelfs niet waarschijnlijk, dat hg dit ampt bekleed heeft, dat tot de aanzienlgkste (!!) betrekkingen behoorde , en veelal aan edelen geschonken werd *)". De Vries drukte zich eenige jaren later reeds wat minder kras uit, en schreef toen: »of de dichter het ampt van koster heeft be- kleed, laten w^j hier in het midden" *). Toch had daaromtrent juist bg hem, al sedert een kleine twintig jaar , geen tw^fel meer behoeven te bestaan. H|j zelf toch had in 1844 reeds een door Prof. Kist opgedoken brokstuk eener onderhoudend bergmde samenspraak tnsschen een 1) OetehiedenU der Middennederlandsehe Diehtkuntt III Vu SO. 2) Deze firaaye bewering grondde hij dan nog wel op de wanhopige pogingen, door wijlen den onden Be Vries ten gerieve van zijn Laarens Janaz. in 't werk gesteld, om dezen een deftige herkomst te verschaffen! (Zie de aanhaling in aant. *, t. pi.) Juist omgekeerd vond de jonge De Vries terzelfder tyd het nedrig ampt van «dorpspastoor" niet verheven genoeg, om den bekleeder — gelijk dien van Velthem — met den titel van «Heer" te begroeten ; altK)f niet juist dit de naam was, steeds door ieder dier kerk-heeren — vanwaar nog ons heeroom — ge- dragen! Zie zijne opmerkingen over «selc persone, Alse die heer Lodewijc es gebeten van Velthem'* in zyn In- leiding op den Spieghel Hütoriatfl, bl. LXXVIII, en verg. die van Jonckbloet in geleken zin t. pi. bl. 192; men ziet: «alse die blinde den blinden leet, l/een volget den anderen, daer hi geef* {Tortfc v. 1614). 3) Inleiding op genoemden Spieghel , bl LV, aant. 2. "VI IKLEIDIKG. Klerk en een Schalk met taalkundige toelichting uitgegeven, uit ieder van welker versregelen voor elk, die oogen had om te zien en ooren om te hooren, de taal en geest van Maerlant sprak, en waarin deze op het verlies zgner skostery^* zinspeelde, dat hg zich door zyn zelf- standigheid van karakter op den hals had gehaald '). Men kon daaruit tevens dus verklaren , hoe hg, in vervolg van tgd, van Maerlant naar Damme was verzeild geraakt. Voor 't een als voor 't ander bleef echter de Vries blind *), en al zeide hg reeds in 1861 de » echtheid'' van 't steiniorter handschrift te erkennen, hg ging er eerst in 1872 toe over, ook het kosterschap van Maerlant voor goed aan te nemen '), zonder daarom evenwel nog van zgne aanspraak , als dichter, op die Samenspraak te reppen. Toch had ik daar, eerst zeven en daarna, meer uit- voerig, drie jaar vroeger al opmerkzaam op gemaakt, en het belang der zaak voor onze nadere kennis van Maerlants leven en streven doen uitkomen ^). Ook wie zich verder nog met Maerlant en zgne werken ten onzent onledig hielden, gelijk met name de HH. Verdam en Te Winkel *), bleken dat , uit misplaatsten schroom voor den leidschen Hooggeleerde , als on- geschreven te beschouwen, en maakten onder 's dichters verzen van dit toch zoo kenschet- sende en karaktervolle stulpen geen gewag, het dus aan mg overlatend, er nogmaals de aan- dacht op te vestigen. Jonckbloet , die eerst 's dichters woonplaats overal had loopen zoeken waar ze niet te vinden was , lel zich , na Snellaerts uitgave van den Alexander^ eindelgk bg 't zoo voor de hand liggende brielsche Maerlant neer , doch bleef nu nog altoos met den dichter zelf rondsollen, van wien hg een notarisklerk en schrgver of griffier van den roomsch-koning Willem en Floris den Voogd wilde maken , en daaruit zgne betrekking tot Heer Nikolaas van Cats en den jongen Graaf Floris V verklaren!!! •) Toch had hg — gelgk ik, doch voor hem zonder baat — deed opmerken, de » privilegiën" in de overbekende Beschrgving van den Briel en 't Land van Voome maar behoeven op te slaan, om er, in verband met Maerlants woon- plaats en beroep en de Heeren van zgn land. Graaf Floris en Heer Nikolaas als hun goede vrienden en bekenden vermeld te vinden, met welke dus ook die dichter, en koster hunner kerk in 't Maerlant, zoo op de ongezochtste wgs in kennis raakte. Aan een dier Heeren, Albrecht, die van 1260 tot 1287 regeerde, droeg hij, blgkens de voorafspraak van 't boek, zgn dietsche bergming van den Merlijn op, welk — naar De Vries' uitdrukking ^) — •geheim- zinnig werk ons" thans eindelgk vzgn raadsels zal gaan openbaren". Die >»geheimzinnigheid" en » raadsels" zaten trouwens, als ons ten overvloede reeds bleek , voor een goed deel meer in zgn en zgner geestverwanten kamergeleerde kortzichtigheid, dan in dat jarenlang zoo noode verbeide, en toch eigenlgk zoo licht toegankelgke boek zelf, dat hun slechts een persoonlgk uitstapjen naar Steinfort had behoeven te kosten. Hadden zg — zoo goed 1) 'Snldy van Heren bate ont&en, Ende awe cotterie sal bliven staen, Gy moet te tyde seggen Amen". Zie voorts het geheel, ter nadere kennisneming, hierachter, bl. xi. 3) Naar de juiste opmerking van Maerlant in zQn Torec: «Nadien dat elc hevet sin, So gaet hem die wyaheit in'*. 8) Zie de fvangchaalde Inleiding t. pi., en verg. den Taal- en Letterbode III. 159: «Thans is alle twijfel opgeheven: de Mcrlyn is wel degelijk een werk van z^n hand, en h^ geeft daarin zich zelven den naam van Jaoob de Coster van Maerlant; wel denkel^k" (dus ook na nog niet eens zeker!!) «omdat hij daar het koe- terambt bekleedde". ^ 4) Beknopte Gvsckiedenis der Nederlandtche Letteren 1866 en 1871, en Taal- en Letterbode 1 bl. 87 v.; veig. ook Jonckbloets Zoogenoemde OescAiedenit der Ned. Letterkunde getoetst^ bl. 63 en w. 5) Bltem, dit aint de boke , de Joncher Ëverw^n van Guterswick , Greve to Benthem , hevet : Ten ersten dit boeck Afer- /ifn; itenit twe nyo boke van Lantslotte unde eyn olt boek van Lantslotte, nnde item de olde vermoeide Cronike, ande Josaphat^ unde Sunte Georgtus leygende , unde dat Schac?istaffelsboeck , van SufUe Christoffers passye. Hem van Alexander, item de markgreve Willem , item Percevale*\ Deze letterlievende Jonker Everw^jn was de opvolger van z{jn kinderloos gebleven oudoom , den op z^n ouden dag vroom geworden Graaf Bemard I, in 't begin der 15e eeuw '). Steinfort behoorde toen nog niet tot het Graafschap, en werd er eerst na den dood van zgn kleinzoon, Graaf Everw^jn U, met diens opvolger Amold I (van Steinfort), mee verbonden. Op den Merl^ na , zgn al de bovenvermelde handschriften in den loop der jaren gevlogen en ver- stoven ; de vraag is evenwel, of die van den Lancelot en den Alexander niet dezelfde z^n , die in deze eeuw door Jonckbloet en Snellaert werden uitgegeven ; waar de Pereevael mag schuilen, blgft dan echter nog onbekend. Het afschrift van den Merl^, gelijk het bewaard bleef, werd, biykens de slotregelen van den afschryver, in 1326 genomen: In 't jaer ons Heren, wena wondert. Do men screeff dmtteen hondert Unde xxvi, op den witten donredach. De in der weke vor Paeschen gelich , Do was dit boëck geënd, Dar men schone iesten in vint. Gelgk men uit het taaieigen dezer aanhaling ziet, en door *t fac-simile der eerste bladzgde nader bevestigd wordt, ging die afschrijver daarbij geheel naar eigen willekeur te werk, en verbroddelde Maerlants Nederlandsch tot z^n brabbel-Duitsch. Een zuiveren Duitschen tong- val toch geeft ons dit niet; het eenige haast, waarin hij zich bg zgn veronnederlandsching gelgk is gebleven, is het gebruik van unde voor ende^ en de vorm der persoonlgke en bezit- teiyke voornaamwoorden. In nagenoeg al de overige woorden laat hy óf enkele óf meer malen den oorspronkelgken vorm staan, soms doordien hg sich in 't rgmen niet te helpen wist, soms echter keonelgk ook door achteloosheid. Gelgk dat faC'Simüe mede toont, schreef hg intusschen een zoo al niet sierlgke dan toch zeer vaste en duidelgke hand , en blgft zich daarin van den beginne tot den einde gelgk , zoodat men — hoe hg den zin hier en daar , tot onver- staanbaarwordens toe, verhaspelde* — nooit behoeft te vragen, wat hg schreef. Voor de uit- gave geeft dit een groot gemak, on viel het des te lichter, er Maerlants oorspronkelgken text , zooveel doenlgk , weer uit te herstellen. Ik had daartoe zgne verondietschte woordvormen slechts tot de nederlandsche weer te herleiden, met aangifte natuurlgk van die eerste in de aantee- keningen, opdat ieder zich van den juisten stand van zaken vergewissen kon. Ik oordeelde 't echter niet noodig , om , na de eerste bladzgde, al de tot ende herleide unde 's verder aan te geven , noch overal steeds te vermelden, waar een vrouwelgk of mannelgk 't zg persoonlgk of bezittelgk voornaamwoord van den platduitschen weer in den nederlandschen vorm is overgebracht. Weet men eenmaal, dat er in 't handschrift nagenoeg altoos he en ze voor hy en zy , or of er 1) Waarscmniyk reeds ^ ztjn le%etl. 2) In dat opzicht mag ten volle Maerlants bekende verznchting in den Rijmbijbel van hem gelden: Scrivers oec die 't sullen acriven. God gheve, dat s\jt goet laten bliven. Want meneghen ne roect , hoe hi verdalt tFolc, op dat hi die plaetse vult. INLEIDING. IX ▼oor hoer of haer , ene voor hein of nc, enz. staat , dan behoefde dat niet voortdurend op nieuw aangegeven te worden. Dat hg voorts «/, ee, en e voor t€ en a, o voor oc bezigt — waar hg 't niet hier en daar door onachtzaamheid naliet — zal ieder bg 't lezen en vergeleken van text en aantt. blgken. Wie kennis heeft genomen van het onlangs in de Beitrüge van Paul en Braune (VII , 1 ) door Tümpel gegeven overzicht der tongvallen van 't oude Nedersaksen , zal daarin dien van dezen afschrgver, voor zoover hy er in zgn verbroddeling zelf niet ontrouw aan werd, terugvinden, en er wellicht nog deze en gene opmerking tot nadere bevestiging van 't daar aangeteekende uit putten. Ook van die zgde is dus de uitgave van dit AferZ^'n-afschrift niet van alle belang ontbloot. Van veel meer belang intusschen is het, dat wg nu eindelgk dit herhaaldelijk door Maer- lant vermelde boek van Merli^i in de reeks zgner werken niet langer derven, en ons van zgn bewerking en inhoud rekenschap kunnen geven. Blgkens de opdracht aan Heer Albrecht moet hg 't omstreeks 1260 voleind hebben, daar deze in dat jaar zgn vader opvolgde, en men 't moeilgk later dan dit jaar stellen kan, wanneer men nagaat, dat hg in 't jaar 1246 het 7e boek van den Alexander bergmde, en de Merl^ na dezen door hem op 't getouw werd gezet. Naar hg ons in v. 1879 meedeelt volgde hg dien Merlgn naar 't Fransche ondicht van Borron : M\jnheer Robrecht van Borroen, Die in dat Walach soreef ai dit doen, £nde Bonder rime algader dichte. Daaruit blgkt, dat hg 't Fransche proza- verhaal , dat hg voor zich had en vertalend be- rgmde, voor 't oorspronkelgke maaksel van Borron hield. Ondertusschen was dit niet het geval , en schreef Borron werkelgk in rgm , dat in het door Maerlant gevolgde onrgm eerst later was overgebracht. Vóór twee of drie jaar is dit, tegenover Hucher's beweren van het tegen- deel, helder in 't licht gesteld in de doorwrochte studie, door Dr. Birch-Hirschfeld op Zam- cke's voetspoor aan de Graal-sage gewgd, waar tevens over het gansche samenstel van Borron s werk, in verband met latere bewerkingen der Graal- en Artur-legenden , even doeltreffend als scherpzinnig gehandeld is '). Omstreeks 1180 — het juiste jaar laat zich moeilgk bepa- len — bergmde Heer Robert, naar eigen vinding, in ouderlingen samenhang de legenden van Jozef van Arimathea, Merlijn , en Perceoal; van de eerste bleef die, door Michel uitgegeven, bewerking in rgm, met het begin van die der tweede bewaard; van alle drie daarentegen hebben wg nog in meer dan één handschrifb, de wat latere overbrenging in Fransch onrgm naar welke Maerlant rgmde. Van de eerste en derde werd die overbrenging door Eugène Hucher uitgegeven *) ; van de tweede , de eigenlgke legende van Merlyn , niet. Zg is intusschen in een Fransch handschrift der 13" eeuw (N®. 748 der Bibliothèque Nationale te Pargs] voor- handen, dat, ter vergelgking met Maerlants bergming, bg deze uitgave van zgn Merlijn ge- bezigd is. Een oud-engelsche proza-bewerking van omstreeks 1450 werd daarentegen door Wheatly voor de Early English Text-society (London 1865 en 1875) in 't licht gegeven , en kon hier dus mede met die bergming vergeleken worden. Omtrent den persoon van den oorspronkelg- 1) Die Sage vom Oral, ihne Enttoicklung vnd diehterieehe A%tbildung in Frankreich uud Deuttchland im \2ten vnd l^ten Jahrhunderf. Leipzig, Verlag von F. C. W. Vogel, 1877. In verband met Zameke'a opstel zur Qeschichte dar OraUage iu de aangehaalde Beitrage ^ III. 2) Le Saint'Oraal ou Ie Joseph d'Arimathée, première branche dei roman» de la lahle ronde, pubUé tCaprU dei iextee et dea documents inédits par Eugène Hucher. Tomé I (Au Mans et k Parid, IS75). b X IKLEIDIKO. ken bergmer zelf heerscht intusschen nog altoos eenige onzekerheid. Hucher meende hem in zeke- ren Robert te herkennen, die ten Zuiden van Fontainebleau gegoed was, en in 1164 een schen- king deed , door zyn zoon Simon de Bouron of Boron v^f jaar later bevestigd. Birch-Hirsch- feld heeft echter de onwaarschiJDiykheid daarvan aangetoond , en eer een anders onbekenden broeder van dien Simon in hem ¥rillen zien. Zeker is slechts, dat h^ in dienst was van Heer Wouter tot Montbéliard (aan den Bovenr|jn) vóór den dood zyns vaders Amadeus, die in 1183 stierf en hem , als jonger zoon — zgn broeder Richard erfde Montbéliard — Montfaucon naliet. Bg en voor hem schreef Borron z^n rgmwerk , waarvoor hg echter niet , als men veelal meent , b^ Wouter Map ter markt ging ^), noch dat hg uit een vermeende lat^nsche bron vertaalde *), maar naar eigen inzicht en vinding samenstelde. Birch-Hirschfeld heeft dit, tegenover alle vroegere voorstellingen eener herkomst der Graal-legende uit Brittanje , Spanje , of Provence , duideiyk doen uitkomen. Borron putte z^jne eerste opvatting blikbaar uit Matth. XXIY: 23 en het 15* hoofdstuk der Handelingen van PUatus, waar de verschoning van Eristus aan Jozef in den kerker door dezen herdacht wordt, en h^ bracht die in verband met de Legende van Veronica en het Evangelie van Nikodemus , met hetwelk h^ vooral omtrent de Hellevaart van Eristus te rade ging '). Daaraan knoopte h^ vervolgens de Britsche legende van den profeet en too venaar Merlyn , wien hg , b)j zgne zienersgave in de toekomst, ook die der kennis van *t voorleden geeft. H{j verwast zelf voor die legende op een anders nergens vermelden Meester Marty n van Rochcster , die — naar z^n zeggen — de met den keltischcn naam van BrtU beti- telde Geschiedenis van Brittanje uit het Latijn in 't Romaansch vertaalde ^). Hoofdbron voor die legende waren, als men weet, de fantastische geschiedverhalen van Gal f ried van Monmouth, den sprookr^ken bisschop van Sint Asaf, die vóór zgn zoogenoemde Geschiedenis der Britten Merlyns Leven reeds in Lat^nsche verzen beschreven had , en vervolgens ook z^n Voorspellingen nog te boek stelde. Z^jn wonderdadige geboorte uit een non en een luchtgeest komt daarin reeds voor, evenals als z^n tooverdiensten aan koning Artur bewezen; terw^l de zoogenoemde Nennius daarvan nog niets heeft, maar op die wgs door Galfried, naar de sedert in omloop geraakte volkssproolijens en z^n eigen vruchtbare verbeelding, werd uitgebreid en opgesierd. Hg zelf gaf voor, alles aan een Britsch handschrift; ontleend te hebben, dat hem een aarts- diaken uit Oxford , zekere Wouter , uit Armorica — het Fransche Brittanje — had meegebracht. Naar aanleiding van den oud-Engelschen Merlyn-tezt is , in de laatste jaren, door StuartGlennie uitvoerig over het eigenlgke tooneel van Merljjns werkzaamheid, in verband met het optreden 1) Van Wouter Map kan — en zelft dat is zeer de vraag — hoogstens slechts de Lancelot wezen, diebe- trekkel^fk spoedig na z^n dood aan hem werd toegeschreven. Mag men echter aan het vrQ uitvoerig bericht ▼an Girald geloof slaan, dan betuigde hem Wouter slechts verba eo dicta ten beste gegeven te hebben, en geen «cr^a, S^ltj^ Girald (zie de aanhaling b^ Birch Hirschfeld S. 22S)8chnjft. Hiermede zou h\j dan op z^n boek de Nugit CurialtMm gedoeld kunnen hebben (over *t welk üt Morlej*s Engiish Writert I. 2. p. 667, f), doch zeker niet, als P. Paris (Bomania I. p. 472) wil, op de hem later ten onrechte toegedachte bewerking der Graal- en Artur-legenden. 2) Deze bron bestond niet, of laat zich hoogstens van het luttel, dat Nennius geeft, verstaan, 't welk later eerst door Galfried van Monmouth en Willem van Malmesbury zoo romantisch werd uitgebreid. 8) Verg. Dat Ev. Nieodemi t» der Ahendlandiechen Uteratur von Dr. R. F. Wülcke (Paderbom 1872) S. 24 f. 4) Zie de plaats aangehaald b|j Birch-Hirschfeld, en verg. v. 4606 en vv. b|) Maerlant, waar door den a&chrfj- ver het waarschijnlijk door hem saamgetrokkeu Roehester tot JRore verhaspeld is. Ook Wheatley, dien ik er opzettelyk omtreut liet raadplegen, wist van dien, als Mr. Martijn in zyn oud-Engelschen text vermelden vertaler verder niets af. Borron kan er toch Wace en zyn Brut wel niet mede op het oog gehad hebben. 1NLEIT>I>'G XI van koning Artur gehandeld , en dit met veel waarschijnlijkheid in het Noorden van Engeland en 't Zuiden van Schotland gevonden ^). Ons hehoeft dit hier echter niet langer hezig te honden , maar gaat de vraag meer aan , op welke w^ze zich Maerlant van z^n taak als dietsch ber|jmer van Borron's Merlijn gekweten heeft , en in welke verhouding hij zich tot dezen stelde. Opmerkelijk mag het daarb^ dan zeker heeten, hoe de latere schrijver van den Rijm- b§bel en den Geschiedspiegel zich hier al aanstonds als oordeelkundig mispqjzer van de onjuiste voorstellingen openbaart, door zijn «walschen" zegsman op verschillende punten gegeven (zie byv. V. 230 en w. , v. 412, 613, enz.). Ook verder laschte hy enkele opmerkingen, waar hy 't voor 't goed verstand der zaken noodig achtte, in, of bekortte het ook een enkele maal; doch volgde anders het hem voorliggende Fransch nagenoeg op den voet. Slechts bg den overgang tot Merl^ns wonderbare geboortegeschiedenis , voegde h^ er de vier hoofdstukken van 't pleitgeding tusschen den Spotduivel — Masc^roen — en de Moeder-Gods aan toe. Terwgl hg het verhaal van Jozefs omzwerving en dood v. 1872 en vv. met het zeggen besluit 9daer menech scoene woert sedert af vertellet was*\ enz , om dau zijn eigen bron te noemen, en een en ander over den arbeid van Heer Robrecht van Borrou te zeggen, gaat dat Fransch wat meer omstandig aldus voort: »dont maintes paroles furent puis en la grant Bretaigne; et easinc remest Josephs et fina en la terre et au pais ou il fu envoiez de par Jhu Crist. Ët Messires Boberz de Borron qui eest conté mist en autorite par Ion congie de sainte eglise et par la proiere au preu conté de Montbeliard oucui servise il estoit, si dist que qui voldra bien savoir eest livre si saura dire et conter que Alains li groz li filz Bron devint et ou il est alez et quel vie il mcna et quex oirs issi de lui et quel vie li oir menerent; et si li covendra savoir la vie Perron et ou il sera trovez; et si li covendra qnil sache dire que Moys devint et que il lou retruist par raison de paroles , et que cil qui lou trovera sache oü li riches peschierres san ala, et que il sache mener celui qui aler i doit par raison de paroles et duevre. Et totes ces iiij parties covient ansamble assambler chascune partie par soi, si com eles sont devisees; et ce ne puet nus hom faire se il na veu et oi conter Ion livre del Graal de ceste estoire; et autens que Messires Roberz de Borron lou retraist a mon seigneur Gautier, lou preu conté de Monbeliart, ele navoit onques esto escripte par nul home fors el grant livre; et ge voil bien que tuit cil sachent qui eest livre verront que se Dex me done santé et vie et memoire ge rasamblerai totes ces iiii parties par paroles a nne seule. Ensinc con ge les ai par raison dune seule partie traites ce alst Dex li pnissanz de totes choses et si covendra a conter ce meismes et ces iiij laissier; mais ancors me covendra a conter dune ligniee de Bretaigne eest la cinquoisme et des aventures qui i avin- drent; et puis revendrei a ceste oevre et la reconterai chascune ligniee par soi. Car se ges laissoie atant et la cinquoisme ligniee ni estoit meslee, nus ne sauroit que ces choses seroient devenues, ne por quel senefiance les auroie desevrees lune de lantre". — Daarop volgt dan, als aanvang van 't volgende hoofdstuk en overgang tot Merlyns geboorte: »0r dit li contes que Messires Roberz de Borron commence dela cinquoisme ligniee que moult fu iriez anemis quant nostres sires ot este en anfer et il en ot gite Adan et Evain et les autres tant come lui plot, et quant li anemi virent ce si en orent moult grant merveille et sasamblerent et distrent. qni est eist hom qui si nos a efforciez, que noz fermetez nos a brisees, ne riens que noseus- siens ne pot dedanz encontre lui estre gardee que il ni feist quant que lui plenst ne ne qui- dons mie que nus hom qui poist naistre de fame morist en terre qui ne fust nostres , et eist 1) Zie cyn Etêay on Arthnriath LocaUties, met een kaartjen van het Arthurian. Scotland^ in Part III Tta den Merlyn (London, 1869). XII * INLEIDING. no8 destraist einsinc; coment est il nez quant il ui a eu nul delit dome certien, ensinc coni nos avons eu dautres homes. Lors respont uns des autres anemiz'\ enz. Zie by Maerlant v. 1950 w. tot 2012. Terwijl daar dan echter in 't volgende hoofdstuk een procureur gekozen wordt, en deze aan 't werk t^jgt, doch tegenover Maria het onderspit delft, gaat in 't oor- spronkelijke de beraadslaging eenvoudig door: >Lor8 parolent entraux de rechief et dient: cil qui plus nos ont neu, ce sont cil qui distrent noveles de sa venue en terre; i ce sont i cil dont li granz domages nos est venuz quant il plus lou disoient et nos plus les tormentiens. Si nos est avis quil se hasta de venir por aus aidier et por secorre les tormenz que nos lor foisons ; mais coment porriens nos avoir un home qui parlast et deist noz sanz et nos proieres et seust nos affeires si oom nos avons pooir de savoir totes les choses feites et dites et celees. Et se nos aviens l home qui de ceu eust pooir et il seust ces choses et il fust avoc les autres homes en terre , si nos en porroit moult bien aidier a engignier , einsinc com li prophete disoient et lor anseignoient sa venne et quant nos lor oiens dire ceste mervoille, nos nes creiens mie, car nos nc quidiens pas questre poist. Einsinc diroit cil les choses qui seroient feites et dites pres et loig; si seroit moult creuz par ce de maint home. Lors dient tuit ansamble: moult auroit bien esplottie qui tel maniere dome porroit faire ne avoir, car moult seroit creuz. Lors dist li uns: ge nai mie pooir de concevoir ne de faire semance en fame, mais se ge en avoie pooir ge lou porroie bien faire que ge ai une fame qui fait et dit a ma devise quant que ge vols; et li autres dient: il ia tel de nos qui pueent bien prandre sam- blance dome et abiter a fame , mais il covient que ii i voist au plus celeement que il porra'\ Zie verder bjj Maerlant v. 2938 en vv. Gelyk men weet, werd er eene andere bewerking van het door hem hier ingelaschte tusschenspel vóór eenige jaren door Snellaert , naar een oxfordsch handschrift, uitgegeven *). De daar opgeworpen twyfel omtrent de > echtheid" van Maorlanta inlassching vervalt natuurlyk by de nadere kennisneming der w^jze, waarop deze daarin te werk ging, en hoe hg het ingelaschte spel ~ als men 't zoo noemen mag — met Borrons verhaal wist te doen samensmelten. Tevens blykt daaruit echter, hoe het stuk reeds in Maerlants tgd op zich zelf bestond, en dus het door Snellaert ter vergelijking aangehaalde mysteriespel der veerste bliscap van Maria" even lang voorafging, als het Wagenspel, in Marieken van Nymegen vertoond *), en dat eerst uit de Rederij ksdagen herkomstig is. Maerlant^ eigen bergming nam voorts, met het naar Borron gevolgde proza-verhaal , by de kroning van Artur, na den dood van Üter-Pandragoen , op een derde omstreeks van het ons voorliggende handschrift, v. 10452, een einde. Al het verdere werd er door den ook als voortzetter van zjjn Geschiedspiegel bekenden Lodew^jk van Velthem , mede naar 't Fransch , by- gerymd, gelyk deze dat, oGod en zyne moeder om verstand en wijsheid by zyn voltooying van Maerlants arbeid" biddende, (v. 10464 en v.) zelf getuigt: Nu wil H^r Lodewijk , sijt seker das, Van Velthem dit werck wtgeven Na dat in 't Walac es bescreven. Want na ierst gaet an die dinck Van Merline ende den koninck, Hoe dat Artar begonste regneren Al te male by Merl^jns leren. Zoo voegde hy echter niet minder dan 58 hoofdstukken aan de door Maerlant berymde eerste 26 toe, en bracht op deze wys het geheel tot stand. In dit afschrift daarvan , in 228 bladen. 1) NederlamUche Gedichten uit de veertiende eeuw, enz. Brussel, Hayez, 1869. 2) Zie mijne uitgave «met inleiding, woordverklaring en aantt.'\ 's Cravenhage , M. Nijhoff 1854, bl. SI v. INLEIDING. xin dooreengenomen elk van 160 versregels, en een regel of wat, op de eerste zg van het 229*, ver- vat, vormt het er omstreeks 36000. Hun korten inhoud geeft de reeks der opschriften van de achtervolgende 84 hoofdstukken aan, uit welk» zich de belangstellende lezer hier dus al aanstonds vergewissen kan van *t geen hem het rymwerk, in z^n, naar den aard der tgden, breednitgesponnen verhaal, al zoo zal opdisschen. sYoert'^ z^ ik, wat deze eindel^k tot stand gebrachte uitgave betreft, ten slotte met Maerlant: Voert 80 wil ick hen vermanen. Of zi iet vinden hierbinnen Te verbeteme, of sjjt kinnen , Dat sfjt doen; hena onder der aonnen Menscelec werc, dat weet al bloei, Hen heeft wel verbetrens noet In dank zal ik ieder doeltreffende opmerking aannemen , en slechts alle deemisipfaarde kwade trouw daarb^, uit gekrenkte eigenmin en letterkundigen wrevel, die voor geen godgeleerden onderdoet, geboren, laten voor 't geen z|j is. »Met valse te scrivene si daden sonde** is al wat er, met Maerlants trouwhartig verwyt, van te zeggen valt, en men dus ook hier wie er, vroeger of later, aan schuldig bleek of blgken mocht, eensvooral voor gezegd houde. Haarlem, 20 Mei 1880. v. Vl. SCALC ENDE CLERC. (tweespbaak). 1. Sc. Die hem bi heren aal gheneren. Die moet loghene connen veren, £nde achten gheen verspreken. Horende doef gheberen, Siende blint, al8\jt begheren, Ende en achten niemens bleken. 2. Dit canic wel tallen dagen; Ie can vex beiden grote vlagen, Den winden volgen alae die riede; Blixen ende donreslagen Canic verdoken ende verdragen; — Clerc, ventaet wat ie bediede. 8. Cl. Her Scalc, her Scalc, wes doestu dit. Dat valsceit das d^n herte besit? Wes bedriechsta dos die Heren? Want spraecstu hem die waerheit, wit, Sine groeven dicw^l geen onderspit, Ende hem sonde haer ere meeren. Want men den doren wel mach leeren S(jnre dorheit wel ontberen, Bi menechfout der vroeder wisen; Also machmen Heren in eren Sterken, dat si ter doget keren, Die mesdaet' hem wel* mesprizen. 6. Mer ghi prijst, wat dat zi doen. Heren, Vrouwen, ende Baroen. Ende peinsdi niet wat n neect Int lest, ende wat blijft u loen? Men siet waer sijn dat sermoen: #6od wrect ende niet en spreect". *HS. mistaet »HS. wil. XIV INLEIDING. 6. Of heren tiju sondur ghenade, Vau hem scWen of bi nule. Wie aal dat vor wonder tellen, Datse God so neder trade. Dat ai vergaugen vroe cnde spade, Ëndü hacr leven in siecten qucllen? 7. 6hi, Scalc, nu laet u liegen staen, Doet heren doget anevaen; Of si daer af ontweghen, Sterctsc vast in rechtegaen'. Want si vergangen, also die maen. Die der valsceit meest gheplegen. 8. Ghi, Scalc, comt al met baten voert. Het si van dieftc of van moert. Of hoe dattet gewonnen si; (Ghi spreect so menich lose woert)* Waer mede ghi Heren herte bccocrt. Al eest dattet onredech si daer bi. 9. Wapen over dat Icede woert. Dat Heren also seere verdoert. Dat si alle na al gripen, Daer edelheit haer in versmoort, Ende set haer selven op een oort, In also qoaden stripen. 10. Eest al ghewonnen, dat men telt, Daer die ziele haer in bedwelt, Daer si met comt in dat torment, £nde Heren eerc mede neder velt. Want al haer jagen is om gewelt? Neen 't, her Scalc, diet *twel bekent. 11. Ghi, Scalc, ghi comt onderstaen Heren, dat si u ontgaen En connen, no ontwiken; So dat si moeten aldaer saen U beffuwen', Scalc, ontfaen, Die ghi met valsceit hem doet bliken. 12. Och! edel Heren, hoech van moe jniuM, T^ux- til J«<»( fc- cofh»- ««K -MMvÊim- ^ 9» >i » iiiii| )tF "Jy*ilm ■]«f(«i^ ^PM- óJ'Mknltt- Jc^ixl{M|t>i>. Siifcfh; -«lir «« watrtK ttmtn/ •in- * «« K^MM, gtMmAc *iiiM-&4«r-«4i<(rii» iAm» tu^ Ct»«t- '\vn4« AJvUi .^a-4 -w«f _y^i| <«i «WtatM 4(miv*af4M' Si^isiwnB' ft»-3»* Ir I I I «li ju iii- *•'*»■ (%*» w»^ 9«t«i*^ %M> ai^iA ^ «1^ <«&»' i^if&- ««Ju»»/ ** ■»»*Plr«*efc'«l- f i» r^ it ^31» nwuntn' Vnj^ m*»v « fc"* ©» iinnv ^ u» jte^ -«{«(ij «tv f (Prologhe.) Alle de gene die dese^ tale Horen willen van den Grale, Wanen* dat bi' eersten^ quam, Als ick in den Walsche vernam 5 So zal ickt dichten in dietsche' woert; Ick en zalt niet* laten doer hoer' voert Die^ benyden m^jn gedichte; Want* doch alle qnade wichte Toter* doghet dragen^* altoes ngt. 10 Hier omme^^ so wil ick** in aller t^t Dat doen dat si*' my benyden Dus sullen** si** vele te** min verblyden Alse si** van my dan horen tale. Dese* historie van den Grale 15 Dichte ick ter»* eren Heren** Alabrechte, Den Heer van Vorne, wael met*' rechte; Want hoge liede** met hoger historie Menechfouden** zoecken*® hoer' glorie . Ende** korten daer** mede hoer' tjjt. 20 Ick wille dat gy des zeker zyt, Dat ick die** historie vele valsch Gevonden hebbe in dat Walsch, Daer** si van Gode, Onsen Here, sprack Datten** dat volck van Rome wrack; 25 Daer ombe** merket dese* zake: Een** dichte van Onses Heren wrake Leset men, dat is wyde becant, Ende** makede een pape in Vlaendcrlant; Dat seghet*' dat boeck in sijn beginne; 30 Maer** ick wane*» in mynen sinne, Dat (een) pai>e dat niet*" en dichte, Want men mochte** gescriven lichte Hoe vollick** dat gelogen zjj ; * HS de dcsse *waDnen 'he ^eirsten *duesche 'nicht 'dorch er 'wante 'to der * •tragen **umine '*ich **8e **8olen **de **to.hcm *'wal mit **lude * 'niAnichfolden * *zulifn * * ünde * *de * 'dar * Mat cue ••dar ambo **Eyn *'8aget **mer **wcnc **nichl Ende** dat sal ick iu proven waer by 35 In der historie die** koemt hier** naer. Ende** nu biddick, dat is waer, Jacob, die** coster van Maerlant**, Dien** gy te*' voren hebbet bccant In des konincx** Alexandera Jeesten, 40 Dat gy biddet**, dat hi* volleesten Moete dat hi* hevet begonnen, Ende hi* den ghenen moete onnen In des ere hi* dit began. Dat hi* moete werden alsulck een man, 45 Dat des al dat volck ende** Onse Heer Moete hebben loff ende** eer, Ende** wy met hem** moeten komen In die** eere die** men genomen Noch gescriven niet** en mach, 50 Daer 't sonder nacht es** altocs dach. Waer omhe** Onse'** Here wart geboren, Beyde vrouwen ende** man Die** horen zin zetten daeran, Dat zi die** waerheit willen weten, Ende proeven**, dat God die** propheten 55 Hier in eertrike vorsende, Die vorseiden** met genende Onses** Heren komst in eertrike. In dien** tyden sekerlike, Daer wy nu hier af tellen, 60 So voer dat volck al toter* Hellen, Alle propheten ende** patriarchen; Hieran moghen wy alle merckcn Dat die** Duvele alle twaren Waenden*' hebben wael** gevaren. 65 Dat zi die** menschen hadden bedrogen; **moclite nicht •*we vallich **koinct hijr **de **Mcrlant **Den *'to **Coningcs **biddcn **em **de oren **is **un8e **de zin loopt hier niet juist af; de franschc text heeft eenvoudig: Ce doivviU savoir iuU U pccheor, **8egedcu **Un»cs * 'wanden **wal. 1 Maer die goede ^ mochten hem verhogen, Want zi Onses Heren komst ontbeiden. Onse* Here ontfarmede hoer* droefheiden Ende quam in dit arme ellende; 70 An Marien die nye man en kende Ontfinck hi* menschelike gedane; Grote minne leide hi* daer ane: Omme te verlosene den sondaer* So nam hi an hem* vleesch an haer* 75 Sine dochter wart z^n moeder* ; Aldus wart hi onse broeder*. Dat was recht, want dat ierste* w|jf Makede den mensche keytgf; Hier ombe moste by den wive 80 Die mcDsche weder werden te live; Yerstaet wael, dat God hevet gesent Tot ons zyn enege kint; Dat hebbewy dicke wael vereest*'. Maria, by den heilghen** gheest** 85 Ontfincken met heilicheden; Aldus rastede binnen horen leden Allegader die Drievoudicheit, Dat is eene volmaeckte Godheit. Aldus wart geboren van Marien 90 Die Godes sone, des moetwy lien; Sonder smette ende sonder zonde Wart hi mensche, als hi wael konde; Dat was herde** grote oetmoet, Dat hi storten woude** zgn bloet 95 Ombe dat hantgewerck zgns vader, So wart die Drivoudicheit alle gader. Hi makede Adame den iersten man, Die by des Duvels rade began, Dat hi die eerste** sonde dede 100 Ende by Even rade oeck mede. Ende doe** si sonde hadden gedaeo, Quam hem een lust van vleesche saen , Ende worden, van groten goede, Greworpen in die armoede, 105 In dit arme krancke leven, Daer groet geslachte** af is gebleven; Ende wat van hem wart geboren Voer toter Hellen ende wart verloren; Toter tyt, dat Godes sone quam, 110 Ende hi zyn hantgewercke annam üte Lucifers quader gewelt. *Mer de gaeden *ünsen, er *legede he *Ontfenck ho *8onder "sich 'er 'moder, broder 'eirste *®gevcrescht, gheist **hilgen ** harde "wolde **eerde8che **do, to * •geslechte **vroder **der Ifiw.-a **Suiite ** weren AIb ons dat Ewangelium telt, Wart hi te Betlehem geboren, Dat Effrata hiet daer te** voren, 115 Van Marien zynre moeder; Hier af es die historie te vroeder*» Die wt den Ewangelien** spreket; Hier ombe es 't dat hiet gebreket. Onse Here wanderde achter lande twaren , 120 Ende was te zinen dertich iaren Gedopet hier in eertrike In der Jordane geweldelike Van Sinte*' Johanne Baptisten; Aldus wart Onse Here een cristen. 125 Dat alle die hem doepen deden In die ere der Drivoudicheden , Ende hem dan hoeden wouden van zonden, Dat zi den Duvelen waren** ontfonden — 130 Dese macht gaf God den clerken Die meester zyn** der heiliger** kerken. Aldus dwoech hi Adames souden, Ende dus verloes te dien** stonden Lucifer al zyn gewelt, 135 Daer hi den mensche mede helt. En waer** of hi zonde dade; Ende God, die altoes Zijne genade Toten mensche keert tot allen stonden, Want hi gheerne valt ia souden, 140 So hevet Hi een ander dope geset. Opdat hi in souden niet** ne let, Maer hi ga te biechten** ghereet, Eude doe*^ dat hem zyn priester** heet; Dus mach hi in desen eertrike 145 Gewinnen wael dat Hemel rike. Oeck is dat kont hem** sonder waen. Die die** Ewangelien nu verstaen, Doe Jhesus Grist ginck achter lande. Dat die van Rome ginck in** hande 150 Altemale die werelt ront; Hier ombe zo was ter selver** stout Der Joden lant in hoer gewelt; Daer woende een die»* dat gerechte helt Te** Jherusalem, ende hiet** Pilaet, 155 Ende eest*^ alset in den Walsche staet, So hadde hi in ziner meisenien** Enen ridder, daer*' wy af lien Ju zullen*' herde** vele hier** na, ** mester zin **hilgcn **to den **wecr ** nicht **bychten *^do *'iireestcr **kunt cm allen *"de de ** gengen in **to der zelver **Tc, heet **i8 dat **ma89enicn **dar * 'zolen **hyr. Ende heet Josep van Aromathia. 160 Maer dat hi zijn ridder iet was En zegge ick niet dat ick nye las In ander historiën dan in dese; Die waerste die ick daeraf lese Seghet, dat Pilatus was heidyn', 165 Ende oeck alle die ridder zgn, Die doe waren van ziner meisenieden Waren* onbesnedene liede. Joseph was Jode ende herde rike, Hi zach Jhesom sekerlike 170 Doen menege tekene* goet; Des minde hi hem^ in zinen moet, Maer hi en dorste dat niet openbaren Van den anderen Joden t' waren. Onse Here hadde viande vele, 175 Ende luttel die hem jonden wele, Want ziner jongeren daer af een Hatede hem, alset wael sceen; Maer Jhesus wiste dat wael te voren, Wat doet dat hi zoude* becoren, 180 Alse God, dien alle dinck was kont. Dat was oeck vorgeseght lange stont; Ende Judas was ziner jongeren een , Onses Heren drossate, alset wael sceen, Ende plach te dragene dat men hem gaf. 185 Sin te Johan hi screef daer aff, Dat dese zake waer was al, Ende hi des den jongeren vele stal; Maer dat Walsch zeghet, ende niet Latgn, Dat die tiende* daer af was z^n 190 Yan allen, dat men gaf onsen Heer; Daer af quam hem grote onneer, Alse iu dat boeck wael zeggen sal. Dat hierna nu volget al. Hoe Judas Jhesum verkochte', Thomaes zeghet waer bj dat was, 195 Dat die verrader^ Judas Sinen Here omme dertich penninge gaf; Die Ewangeliste zeghet hier af; 'Doe Jhesus^ Gristus zat ende at Ende Sancta Maria wiste dat, 200 Die was geheten Magdalene, Si kochte* diere zalve rene Ende storte ze op Onses Heren hovet. * heiden * weren 'manege teikene *ene *zolde 'tende *dc verreder •koffie 'segede * ®Wo is dit • *icht • ^leeff". Judaes toemde daerombe, des gelovet, Ende woude hebben zinen tiende, 205 Daer hi die Helle an verdiende. Hi seide» , alse Sancte Johan bescrivet: >Hoe eest*", dat men dese cost nudrivet? Waer ombe is dese salve verloren? Hadde mense verkocht te voren, [nomen, 210 Ende hadde daermede dertich penninge ge- So waert den armen te hulpe komen". Dit sprack hi, seide sancte Johan, Niet dat hi zin leide daeran. Dat hi die armen iet** hadde lief»», 215 Maer omdat hi was een dief**, Ende hi die alemosen droech, Daer hi te stelene af plach genoech. Thomaes zeghet, dat hi*' was gram, Dat men hem zinen tiende nam, 220 Die doe dertich penninge was waert**; Hier omme verkochte hi daer ter vaert** Sinen schepper ende zinen here Om dertich penninge te siner onneren**. Darombe zeghet dat Walsche van der 225 Eene zeer logentlike zake, [Wrake Dat die penninge zonderlingen Waren** van goudenen** ringen. Die redene zi es al gelogen, Ende die des gelovet, hi es bedrogen. 230 Hier latick oeck van den Walsche bliven, Dat ick niet en wil bescriven Judaes' gedinge, die hem verkochte. Denselven Here, die hem gewrochte, Wanten docht** my niet waer; 235 Maer dat zegge ick wael openbaer, Hi was verkocht opten Goensdach**; Des andren dages, die daema gelach, Des avendes was hi spade gegaen. In Romans zach ick oeck staen, 240 Dat God met zinen jongeren sat, Opten»* witten Donredach, ende at. Te Symons hues, die lazarus was; Maer dat es logene ende gedwas: Symon woende»* in Bethania. 245 Oeck scrivet ons dat Walsch hierna, Dat hi aldaer wart gevaen; Want die 't dichte, hi haddet verstaon Ende meende wael»* geweten dat, Dat Symon woende»* in der stat. deeff *»hye ** weert, veert **unneren ** weren *'giil- denen **dachte *»0p den Gadensd. »"wal »> wonede. 250 Symon was, dat mogewy lesen, Van syner laserheit genesen, Lange eer Onse Here was gevaen; Maer ick late die historie staen Van den Romanse, ende telle iu voert 255 Der waren Ewangelien woert. Eens* witten donrednges sat Onse Here tener tafelen ende at, Te sinen jongeren sprack hi met staden: >Juwer een sal my verraden". 260 Doe waren si droevich , ende elck riep* zeer: »Bin ick dat? bin ick dat, lieve Heer?'' Doe sprack Judaes: »bin ick dat, rabbi?" »Dat seghestii!" antworde hi. Daer leerde hi mede den apostelen sine, 265 Van water, van brode, ende van wino Synen lichaem' maken ende z^n bloet, Ende seyde: »zo wanneer gy dit doet, So zult gy ember* mijns» gedinken". Doe hi hem hadde gegeven drinken 270 Sïjn bloet, ende doe si hadden gegeten, Doe gingen zi* ten berge tOliveten, In enen wael schonen hof ^n, Daer hi met den jongeren' zgn Dicke wile wanderde ende was. 275 Hoe wel wiste dat Judas; Hi quam aldaer met ener schaer. Die jongeren worden zeer in vaer, Want Judas daer, ter zelver stont, Jhesum cussede an zinen mont; 280 Dus verriet* hi den Here z^n, Dat cussen was dat littek^jn; Te dier stede wart, sonder waen, Onse Here al te hant gevaen Van den Joden lasterlike , 285 Ende si leiden' hem dorperlike; Dat was so spade, dat zi te samen Met^° vackelen ende lanternen qiiamen, Ende leiden* hem in dat gedinge, Daer die Joden saten tot eenen" ringe, 290 Die alle rieden an synen hals; Daer was mencge*' logeno valsch. Des morgens brachten sine Pilaten, Ende dageden over hem w termaten. Pylatus zeyde: »gy nemeten bet, 295 Ende ordelten na uwer wet". 'eynes *re3r]) 'licham ^umLcr *myr 'gengcn se 'jim- gereu "verreit "ledden *«Aldarmyt **einea ** manege «•neman dot **lasta *»vTent nicht al **wo *'Byden >Neen , wy en mogen nieman doet' * slaen", Spraken si. »So laet ickeo gaen", Sprack Pilatus, »willick dan?" »Neen, laetstn'^ gaen desen man, 300 So en bistu des Keysers vrint niet wael'*, Want hi seyde dese tael, Dat hi der Joden koninck waer; Dus wederseyde hi openbaer 305 Tiberius, sines zelves Heer". Dit woert ontsach Pilatus zeer; Al wasset hem leet, hi moeste nochtan Jhesum, den onsculdegen man, Doen gheselen, ende crucen mede, 310 Toten berge Calvarien ter stede. Hotf** God gecrucet wart^ ende hoe^* die Helle tebrack. Nu waren fel ende quaet die Joden Ende onreine valsche roden : Sine verrieden mede onsen Here, Bydien*' meenden zi metten*" kere 315 Van synen dode onsculdech wesen. Dor al dat wi van hem lesen. Dat Pilatus was wael leet, Riepenzi daer tegen*" gereet, Beide meerre ende minder: 320 »Sijn bloet moete op onse kinder Ende op ons allen gewroken z^jn!" Te dien tiden liet die zonne horen scyn , Ende wert donker** alse die nacht, Ende die aerde bevede met groter kracht , 325 Ende die doden die verresen. Die steene scheurden**; ende binnen desen Sprack een ridder die daer stont: >Dit wert** alder werelt»» kont, »Dat dit die Godes Zone es"*^. 330 Die Jode dien** zere duchte des»*. Die hiet Joseph van Aramathia; Hi ginck tot Pilate daema. Want hi was ryke ende milde Ende hadde onder hem tien schilde. 335 Hi was een jonger van Jhesu Griste, Al wast*' dat des die Joden en"* wisten, Hi hopede, datten** God dancken sonde**, Ende bat Pilatuse also houde**, * "myt den * "Uegen » •donkert * *8teyne achorden * *irirt ""werlde **wa8, das **den *"was dat "^nicht *"dat em » "holde •• solde. Dat hi hem den doden gaf. 840 Pilatos daer oeck zeghet af Dat Romans, dat hi hem gaf Eenen nap, daer ick in af Hierna zal tellen wonder groet; Dat was daer, vor sine' doet, 845 Jhesns die eerste misse in sanck; Dien gaf Pilatus daer ombe danck Een Jode, diene* aldaer gewan, Daer Jhesus, die onnosel man, Met zinen lieven jongeren sat, 850 Ten lesten etene, ende met hem at. Eer hi te syner passiên ginck. Joseph was blide yan desen dinck; Hi quam, ende Nycodemus mede, Daer Jhesns hinck terselver stede; 355 Si dadenen van den crnce zachte. Een diere cleet, dat Joseph brachte. Spreiden si vor hem aldaer. Dat seghe' ick iu al openbaer, Daer men Jhesum sachte in want; 860 Een steenen graf hadden si te hant, Dat Joseph hadde doen maken, Daer groeven zi en, dit zgn waer zaken, Jhesus, in een hof daerby. Maer dat Romans seghet mi, 865 Dat Joseph nam Onses^ Heren bloet, Dat wt synen wonden vloet, Ende dat hi dat in dien nap dede, Ende hieldet* met groter werdichede. Die Joden quamen toten* rechter» doe, 370 Ende zeiden': »Here, hoert ons toe*: Dese mare sprack dese drogenare, Doe hi levede al openbare. Dat hi sonde sonder saghe Yerrgsen in den derden daghe; 375 Hier ombe doet hoeden z^jn graf". Pilatus zeide: 9 nu doet daeraf Al dat iu dunket wesen goet'\ Mettien** hebben si dat graf behoet Alombe met gewapenden lieden'*, 380 Nochtan mochtet hem luttel dieden**. Ende Otod voer hierna ter Hellen, Daer hi verloste** sine gesellen, Die hem lieflick hadden gedient, Adame ende ander sine vrient*' *syiier *dene 'saghe ^unses •heldet 'to den 'rich- ter *zegeden 'na * ** Metden * * laden, daden * 'verlosede **vrent *^£ngele **de enehoden **mytdien * 'geseen 885 Hi stont op an den derden dach, So datten nymant en sach Van den genen diene** wachten;- Die Ingele quamen daer met crachten, Ende diene** hoeden** worden in vaer; 890 Ende doe dat dach was openbaer, Liepen si alle enwech mettien* * , Ende zeiden wat si hadden gesien*'. Doe die Joden dat vernamen*" Waren si droevich; te samene zi quamen** 395 Ende sochten te hant nuwen** raet. Nu hoert wat in den Walsche staet; Daer staet gescreven, dat zi zeiden*. Dat zise wouden*** vangen beide, Joseph ende Nicodemus; 400 Ofte ieman vragedo: »waer es Jhesus?" So zouden** zi antworden dan: Gevet ons die selve** man, Diene leiden in dat graf. Wy zeggen iu noch daer af, 405 Zi woudent doen aldaer met liste, Dat men daer nemmer af en wiste; Maer Nicodemus hi ontliep", [diep**. Ende Joseph moeste in den kerker** Dat zeght dat Romans, dat hi daer ynne 410 Tot an denselven dach [lagh. Datten *^ Vaspasianus wt dede; Maer dat es altemale logene mede: So zoude hi daerinne xl^ iaer Hebben gelegen, dat is waer; 415 Oeck zeghet dat Romans hier af. Dat hi hem in den kerker** gaf Sinen nap, dien hi te voren Ene stonde hadde verloren, Ende leerde hem daer heimelike'* woert, 420 Die hi niet en woude brengen voert. Dat Walsch scrivet, na mynen wane, So z^n** die woert daer noch ane, Daer dat heilege** sacrament an leghet, Dat men in der** stille zeghet; 425 Yan den nappe mochtet waer wesen Ende van den woerden; nu moetwy** Yan den personen die waerheit al, [lesen Daer ick iu niet an liegen en sal, Hoe*» gram dat joedsche** volck doe was, 430 Beide Annas ende Cayfas, * •vernemen quemen **neuwen '•wolden, zolden ** den- selven "ontleep, deep "kerkener •* dat ene ••heme- like '«sint "hiUige *«den **mote wy ••Wo»*iode8che. Doe Joseph Jhesam hadde begraven, Rikelike met diere haven, Zi vingenen*, zeghet die ware lesse, Ende leiden hem in gevancknesee. 435 Daer lach hi tot in Paescbedach nachte, Dat God opstont met z^nre cracbte; Doe quam hi aldaer Joseph lach Ende tallereerst* dat hi hem sach, Meende hi dattet* Elias waer; 440 Maer Jhesus dede al openbaer Josepe daer die waerheit veretaen, Dat hi dat was, al zonder waen, Dien* hi van den cruee dede; Hi voerdene danen, dat es waerhede, 445 Wt den kerker beslotener dueren; En wondert* iu niet der aventueren, Want God mach doen al dat Hi willo; Hi voerdene wt den kerker stille Al tote Aramathia; 450 Ende doe die Joden quamen daema, Ende zi hem doe niet en vonden, Twivelden zi ten zei ven stonden. Doe quamen die wachters* openbaer, Ende zeiden, dat Jhesus verresen waer; 455 Die Joden zeiden: »gy zulten^ ons geven So waer dat hi iu es onthieven. Of zo wat gy daermede hebbet gedaen". Die wachters* antworden saen: ^ Gevet ons Josepe, dien gy vinget', 460 Wy geven iu Jhesum, dien gy hinget'; Maer gy ne kondet en niet gewachten, Hi ontginck iu by Godes krachten; Wy en kondent Jhesum verbieden niet, Hi stont op al sonder verdriet, 465 Als hi woude, van dode te live". Doe antworden die kaytive: >Segget dat hi iu was verstolen Van sinen jongeren, so blivet* verholen; Wy zullen iu geren groten scat". 470 Si namen 't ghelt ende loveden dat; Nochtan zeiden si dat openbaer Filatns, dat Jhesus verresen waer. In den tiden, dat dit gesciede aldus. Was een Keyser, die hiet Tiberius, 475 Die daer die Eeiser (was) van beginne; Es dat als ick 't bescreven kinne***, So lach die Eeiser ende qual, 'vengen ene *to iilre eirst 'datdat *den *wuiidert 'wcchtcn ^znlene * vengen, hengen *blivet dat '^'kenne Ende die fisiciene daden al Daertoe, dat hem gehelpen mochte; 480 Nochtan hielten dat oevel onsochte, Ende die fisike en hielp** hem niet. Doe was daer een, die hem riet, Dat hi zoude al te hant Senden in der Joden lant 485 Ombe Jhesum van Nazarene, Die alle oevele»* gemene Met zinen woerden kan genesen, Entie*' menschen gesont doet wesen Sonder ienege arcedie; 490 Ende Tiberius, die Keiser vrie Belovede wael al te hant das. Eenen, die hem heimelic was, Biep hi tot hem al te hant, Daer hi hem van verren was bekant; 495 Diegene ginck tot hem aldaer, Hi sendene in der Joden lant vorwaer Ombe Jhesum, onsen scepper fijn; Die bode gereide hem mettien** Ende voer doe tot in Syriën 500 Ombe Jhesum den vriën. Dat hi quame yan Jherusalem. Pilatus was blide met hem, Ende makede met hem grote gome. Doe zeide die bode van Rome, 505 Waerombe hi dae komen waer'*. Pilatus wart zere in vjier**, Ende zeide: > Jhesus, die es doet". Des hadde den bode wonder groet, Ende groten rouwe daerombe dreef, 510 Doe hi vereeste»^ hoe dat hi doet bleef, Ende datten Pilatus verdede; Met groter overmoedichede Leide hi op hem al den moert, Dat hi zonder des Eeysers woert, 515 Ende zonder recht der Senaet, Hadde gedaen dese oyerdaet; Want zulck een man mochte vele vromen An dat keyserike van Romen. Pilatus zeghet, ende hevet gesworen, 520 Dat hi des gerne hadde ontberen**, Maer dat die Joden met horen tongen Op hem verriepen* • ende daertoe dwongen. Dus claerde hi hem van den moert, Ende gaf dat op die Joden voert. **halp **ovele **ünde den **niitteen **wecr **in vrachten scer * 'vereyschede **enboren * •verrepen. 525 Indien' vertelde men daer den bode Vele tekene groet van Gode, Ende men zeide hem, zonder waen, Dat hi die doden op dede staen. Doe sprack die bode: »men mach wel zien 530 Dat dit ne was geen visicien, Maer hi was een geweldich God, Die over den doet hadde gebot". Den Joden teech hi daer al bloet, Dat zi Gode hadden gedoet, 535 Ende zi en mochten hem niet ontsculden*, Ende hi zwoer, by der roemscher hulden, Dat zi haer goet zonden verliesen Ende quaden doet alle kiesen. Die Joden waren (zere) in vaer, 540 Want zi hem kenden openbaer Schuldech zere van der sonde; Zi namen verste ene stonde, Want zi hem beraden wouden, Hoe zi hem ontsculden* zouden. 545 Kinder, dit was ember* waer. Dat die Joden hadden vaer, Hoe zi hem ontsculden* mochten. Hier binnen des boden vriende zochten, Of zi van Jhesus iet* mochten vinden 550 Onder degene die hem minden. Doe vernamen zj van ener vrouwen. Die onsen Here was getrouwe*. Want hi hadde dat wjf genesen Van der bloetsucht, daer wy af lesen 555 Dat* zi xvi^ iaer ane qual; Si hadde een heelde^, dat zi al Gewonden te zamen hadde in een* clcot. Dat leet, nadat men weet. Van gedane na onsen Here; 560 Daer ombe p^nde die bode zere, Eer hi dat van der vrouwen ge wan. Hierenbinnen hebben die joedsche man Hen beraden in haer gedochte, Ende zeiden, dat niet wesen en mochte, 565 Dat men mochte doden Gode. Dus latewy dat bliven van den bode Ende van den Joden al den pleit; Want dat waer my, God weet, Te lanc te tellen hier ter stede. 570 Die bode voer enwech , ende voerde mede Ende brachte te Rome dat beelde'. * Inden 'ontscaldigen "omber *icht *getruwe 'Dar ^belde 'ein 'selde ^ ^ongemach ' ' leet he voer em ' ^nicht Daer quam den Eeyser af grote weelde*; Want eerst dat hi dat heelde sach, 575 Vloe van hem al zjjn ongemack**; Doe liet hi'^ halen al den Senaet, Ende hiet hem, dat zi hoer toeverlaet Alle souden zetten an dien God; Maer zi ontseiden zgn gebot. 580 Des dade hi ze doden ende versenden In verren landen ende in ellenden ; Nochtun en was hi kersten niet'' Want die eerste kerstene keiser** hief* Philippus, ende dat was oeck daernaer 585 Over herde menech jaer. Ombe dese dinck quam eerst die ngt Op die Joden van langer t^t Dat stont, eer God gewroken wart. Nu lieget** vele van deser** vaert 590 Dat Dietsch van Onses Heren Wrake; Want dat seghet, in ware sake. Dat Titus diegene was, Die by den heelde daer genas, Ende dat Vaspasianus waer** 595 Van Aquitanigen die koninck maer*^, Ende dat Herodes, zonder waen. Die die kinder doet dede slaen. Leefde** doe die roemsche*» Heren Die Joden begonden onteren, 600 Ende hi hemselvenoeck versloech , Ende Archelaus crone droech , Doe men wan die heilege stat; Maer dat gelogen es al dat. Wil ick proeven hier vorwaer: [jaer 605 Na des Heren *°geboerte myn dan drie** Leefde** Herodes diene woude verslaen; Achte jaer oeck mede, zonder waen, Ofte min droech Archelaus krone , Na zinen vader te lone, 610 Ende hi starf** oeck in ellenden; Dus mach ment in Josephus vinden. Oeck en es dat Romans In die redene niet wel gans, Dat zeghet, dat Vaspasiaen 615 Van lazerscepe hadde ontfaen By den heelde zine gesonde, Ende hi daerna in korter stonde Onsen Here wrack algader, Ende dat Titus was z^n vader. **zyt bericht **Hett« »*legct **derre *'weer, meer **levede **rome8che "'keysers '"dre **Oflfte **8tarp. 8 620 Hieme sal ik in proeven ter stede, Dat dit algader gelogen ee mede. Hoe God gewroken wart van Tytua erule van Vaspasianus, Die ayenture zeghet hier naer, Dat leet wael xljj jaer, Yan dat gemarteret was Jliesus, 625 AldoB bescrivet Josephus, Die was doe binnen Jlierusalem , Dat Titus lach, ende met hem Dat roemsche^ heer, Toer der stede, Eer God die wrake komen dede. 630 Hi gaf den Joden tyt ende stonde, Dat si beteren mochten hoer sonde, Die si an Jhesnm hadden gedaen; Maer zi en wouden, zonder waen. Hier ombe dade Onse Here wreken 635 Over hem hoer valsche treken Ende al der heileger liede bloet. Dat joedsche volck was al verwoet. Want si alle versamelt waren Op den Paeschen, zonder sparen, 640 Tot Jherusalem in der stede; Want zi wouden , na haren sede — Hier zijn twee bladen (5 en 6), elk van 156 versregels f uitgescheurd. Na de wraakoefening verzamelde — zegt defiranaclie text — Jozef de zfjnen, en trok met hen in verre lan- den, kon veel schoone woorden van Onzen Heer zeg- gende; hij beval hen te arbeiden, en langen t\jd ging alles goed, doch daarna voortdurend kwaad, zoodat z^ 't eindelijk niet langer wisten te harden. Z^' gin- gen dos tot Jorefs schoonbroer Broen, om door hem Jozef te laten vragen, door wiens schuld dat was, de hunne of de z^ne. En Jozef, door Broen gevraagd, ging bidden voor zQn nap, en de stem des heili- gen Geestes sprak toen tot hem, hem aanmanende, niet te vreezen, daar hy er zelf geen deel aan heeft; •duld dan*', bidt hy nu, «dat ik uit mijn omgeving die banne, die er schuld aan z^n". En de stem antwoordt: •Stel m\jn bloed en mij tot een proef voor ivie mis- deden. Gedenk, hoe ik verkocht en verraden werd, en dat wel wist, doch er niemand van sprak, zoo lang ik op aarde was, totter t^d dat ik by Symon aanlag, en tiet: dat met mij at Die my verkochte ombe goet, 955 Ende hi met mj ter tafelen zat; "romeschc *hen 'zaltu *do *uppe •bekennen 'wi- sest 'rivccr 'dccke ene **nym * 'zette, deckc **rope Doe g^ck hy heen* zinen pat, Ende nembermeer was hi met my. Mine apostelen doe deden zy Eenen anderen in sine stede. 960 Nu zalstu* gedencken mede Der tafelen, daer ick toe sat; Dor die ere, dat^ ick daer op* at, So zalstu* ene ander tafel zetten, Ende roepet Broen sonder letten, 965 Dinen zwager, die een goetman es, Ende zine kinder, des z^t gewes, Sgn goet ende oeck ander mede Sal hi winnen hier ter stede. Die men goet zal bekinnen*; 970 Sech hem, dat hi ga met mynnen Daer du hem wises* een rivier*, Ende vange enen visch wael scier, Ende dat hi brenge den eersten visch; Als hi enwech es, gerede dinen disch, 975 Ende decken* ende neem*** dit vat, Ende in midden der tafelen zet'^ dat, Ende deck'' dat met enen clede; Dan so neem den visch gerede, Ende leggen den vate by; 980 Dan roep** djjn volck, waer dat sy, Ende zech , zi zullen weten saen , Wie van hem allen hevet mesdaen; Dan zalstu' in mynen name" zitten Alzo als ick opten'^ witten 985 Donredage ter tafelen zat. Neem'** Broen ende merke dat Wie hem daer achter trecken zal; Als dat volck es'* geseten al, Sal daer bliven een idele stat, 990 Ende die zal bedieden dat. Dat Judaes zine stat verloes; Die stat zal idol bliven altoes, Tote dat Broens zone hevet een kint. Die die stat met rechte wint; 995 Ende alse dan Broen gegeten es'*, So doe dan kondich" dinen volke des, Wat manne dat hi es'* die gone Die an den Vader ende an den Zone Gelovet ende an den Heilghen" Geest; 1000 Ende die dan gedaen hevet meest, Dat ick met di met'* mynen monde ' *namen • *up de * *is ' «do - kundich ' 'bilgcn * 'mTtdy myt. Franscb: qtte ie favoie anseignies et tn a eU I commende. Hem geboet, hi come ter stonde Ende zitte ende neme die gracie Totter tafelen sonder tribnlacie. 1005 Recht alse hem Onse Here hiet* Dede Joeeph ende andere niet* ; Hi zat ter tafelen ende Broen; Ende alzo biet bi den anderen doen. Een groot deel zat daer neder, 1010 Maer vele meer keerde» daer weder, Die totter tafelen niet» en quamen. Doe zi vervnllet was altezamen Sonder die stat die idel bleef, Daer ick iu te voren af screef, 1015 Die tusschen Broen ende Josepe lach* Die 80 idel bleef wel menegen dach. Doe die liede, die daer zaten* Te Josepes tafelen ende aten* , Vernamen der groter soetecheit, 1020 Ende si worden vervullet gereit Van al dat baer berte woude Ende hadden al vergeten boude Der anderen , die daer niet en zaten» ; Doe sprack een van dien die daer aten* 1025 Tot dengenen die daer stonden; Hi vraechde hem of zj iet konden Gevoelen des si hadden daer; Si zeiden: »neen wy, niet een baer". Peter biet hi, die des vraechde; 1030 Hoe wel hem des woerdes bebaechde, Hi zeide doe: »na moochdy* verstaen. Dat gj die zonde hebbet gedaen, Daer gy Josepe ombe vraget; Herde' oevele hem dat woert behaget; 1035 Si scaemdeu hem ende gingen wt Haerder een" meende noch overluet Noch wel gebeteren zgn leven; Ende diegene es noch daer gebleven Hi en woude nergen gaan. 1040 Doe die dienst was al gedaen, Doe biet Joseph daer eiken bi namen, Dat zi daer alle dage quamen Ombe die gracie te ontfane. Doe gingen zi allegader dane, 1045 Daer die ander liede waren. Dus kende Joseph die sondaren By der kracht* van Onsen Heer, 'zecht »nich1r »kierde *wa9 »zcten, eien •moge gy 'gar «Er cyn "krafFt *»Dat »>zin *»weelke >»que- men, Tememen *^alzoe **8prach **kerkener *'ze- Ende dit was noch min noch meer Dan* "van den vate die eerste proevinge ; 1050 Dit zjjn** doch wonderlike dinge. Ende welke** tjjt dat was die getyde Gingen zi daer in alle wel blyde, Ende degene die daerin niet quamen** Vraechden, wat zi daer vernamen**; 1055 Si zeiden: »dat en mach tonge vertellen , Noch herte gedichten noch verspellen Onse grote bljtscap, dat es waer, Die wile dat wi sitten daer, Ende alse wy opstaen dueret soe** 1060 Tote des anderen morgens vroe". Si vraechden : > wanen mach dat iu komen Die gracie, die men genomen Noch vulprysen niet en kan?" Peter sprack**, die goede man: 1065 »Die Here gevet ons gevoech. Die Josepe wt den kerker** droech". Si zeiden: 9 wat mach z^jn dat vat? Wy en zagen* ^ nie te voren dat". Peter sprack**: »dat hevet verscheiden** 1070 Die gezelscap van ons beiden**; Want dat en laet in z^n covent Negenen sonder ongescent; Dat moget gy** nu wel bekinnen; Maer** zeggetwat gy (voeldet) van binnen 1075 Doe Joseph iu daerin sitten biet?" Ende zeiden si** en wistens niet. Degene zeide: »gy moget mede Merken wel wie sonde dede Daer wi die pine af ontfaenV. 1080 Die ander zeide: »wy moeten** gaen, Ende rumen dat lant geleek keytiven; Maer waer latewi iu bliven? Wat zulwy** zeggen, of men ons vraget, »Segget, dat ghy ons achterst zaget, 1085 Ende lyet mede in der genaden Der Drivoudicheit , die ons beraden Ende helpen zal wt alre scout** Ende in dengelove** dat Joseph hout"**. Die qnade zeiden: »vri gaen onser strate ; 1090 Wat mogewy zeggen van den vate? Hoe zulwy** dat heten waer wy gaen?" Hi zeide: »dat vat, daer wy af ontfaen Hebben gracie ende joye**, gen * •verscheden, beden **ir *'men **gy **moten **w)le wy **8colt, holt **geloven * 'glorie. 2 10 Ende dat wy leven sonder vernoye, 1095 Daer wy af eten dat soete mael, Dat sal van genaden bieten die Grael, Dat het dengenen so wel gereit Die hem in sine geaelscap meit. So grote bl^tscap hebbewy te discho 1100 Dat ons te moede ^ es alse vische Die in enen groten yloet saen Des menschen handen zgn* ontgaen'\ Die quade geiden: »met rechte ende wale Heyet dat den name van den Grale; 1105 Dos zulwi dat bieten waer wy gaen*\ Ende die daer bleven , sonder waen, Seiden Josepe dat hiete also. Des was Joseph berde yro; Ende welke tyt dat tercietyt was 1110 So plagen die goode das, Dat zi dan seiden sonder hale: »6awy totten dienste van den Grale". Dns was die Grael dat selve vat, Daer God z^n leste mael wt at 1115 Vor dat hi zine pine doecbde, Daer hi ons allen mede verhoechde, Ende bier ombe zo beet altemale Dit boek die Historie van den Grale. Van Moyses ende van der ydeler stat die tuschen Josep ende Brone toas. Totten tiden dat zi verschieden' 1120 Die quade van den goeden lieden*, Was tlaer een die Moyses biet, Ende hi en woude altoes niet Dat geselscap laten van den Grale. Hi was geraket in zine tale 1125 Ende ter werelt berde vroet Ende van buten sceen hi goet; Hi zeide: i^ic en scheide niet^ ben Want ie in den wille ben Te wesene met desen volke goet, 1130 Dat God met Sgnre genaden voet". Hi weende ende dreef misbaer, Alse of dat hem wel leet waer , Ende bleef daer met Josepes lieden' , Ende die ander doe danen schieden, 1135 Welker tjt dat hi der eenen» zach, Riep hi ember*: »owi, o wach! 'mode 'zint 'verscbeden, laden * schede nicht ^eynen * amber 'vrent •genedich 'gebeer, weer * •laden • 'umbe Soete vrint', bidde vor my Dat mi Joseph genadech* zy Dat ik die g^racie hebben moete 1140 Die ia aldus zere is zoete". Dit riep hi in dier gebaer* Oftet hem in ernste waer* So lange bat hi des den lieden'* Dat zi hem daerop berieden 1145 Te biddene Josepe ombe" Moyses, So zere ontfermede hem dos, Zi namen Moyses met hem allen Ende gingen tote Josepe vallen, Ende genade bidden altezamen. 1150 Josepe wonderde waerombe zi quamen, Ende zeide: >zegget, wat gy begert*^. 2U zeiden: hoert, here, herwert: Een groot deel van onsen lieden' , Die met ons van den Joden schieden , 1155 Zgn'* gegaen hoerre" strate Seder dat wi van dinen vate Die gracie eerstwerf ontfingen; Nu es hier een, in waren dingen. Die hetet Moyses, ab wy scouwen, 1160 Dien zere zine sonden'^ rouwen; Hi en wille ons nu niet" laten, Hi biddet ons allen wtermaten. Dat dgn covent tot dy gae Ende bidde, dat hi mede ont&e 1165 Die gracie, die ons gevet dgn vat; Here, nu biddewy iu alle dat Dit dgn wille moete*' wesen". Josep antwoerde tot desen: »Die gracie en es niet" myn; 1170 Maer die bemelsche drechtyn" Gevet ze", daer *t Hem dunket"goet, Dat es»* dengenen, die boeren" moet Totten dog^den zetten altoes; Maer es dese in dat herte loes 1175 Ende hi hem buten maket scone So vruchte ick dat hi my hone; Hierombe ben ick een deel gevreest, Maer hi boent hem zelven meest, Es dat hi ons wil bedriegen". 1180 >Neen", zeiden zi, »kan dese man liegen Zone gelovewy man nimmermeer, Maer doet" dat doer'» God, lieve Heer, Ende laeten in der genaden wesen !" »»2iDt >»erre >*tundcn »»mcht ••motc »nrerht8n »«ze em '•donket '•daer **ereii **dot, dor. 11 Joseph sprack: 9provet an desen, 1185 Of hi zulck zy als hi ons toent. Dat hi hemselven niet* en hoent; lek sal vor hem ende vor iu Onsen Here bidden nu'\ Syne gesellen ende Mojes 1190 Seiden: »Here, God loen ia desT Vor die scotele, die men heet* den Ginck Joseph allene staen, [Grael, Totter erden zeech hi neder zaen Op ellenbogen ende op knien* 1195 Ende bat onsen Here met dien, Dat Hi hem daer makede openbaer Ofte Moyses al zulck* waer Alse hy buten togede wale? Doe sprack van den heilgen Orale 1200 Eene stemme ende zeide: >Nu is komen die waerheide, Daer ick iu af zeide hier te voren Du zals* zien' die stede koren Die tusschen Broen es ende dy: 1205 Ombe Moyses biddes du my; Menestu, dat hi is zulck man Als hi buten togen kan, Gy ende uwe gesellen gaet Ter tafelen zitten, dat is mgn raet, 1210 Wan dat is tercietgt; Doet Moyses komen, daer gy zgt, Ende zegget oft hi mynnet alremeest Die gracie van den heilgen Gheest, Gelgck dat ghy hebbet verstaen, 1215 8o ga hi dan zitten zonder* waen In die idele stede beneven dy, Daer zalstu* zien* wael wat hi zg'". Also alzet hem Onse Here hiet, Dede Joseph, ende anders niet. 1220 Hi quam weder te zinen gesellen, Ende zeide: >moget gy my vertellen, Of Moyses es zulck van binnen , Dat hi die gracie mach gewinnen, Nyeman en mach ze hem ontseggen; 1225 Maer wil hi ons te voren leggen Ander sake dan al waer. Dat zal hem selven wesen zwaer". Zi zeiden dit tot Moyses alzo. ffi antwoerde daer ende was vro: 1230 >Ick ne ontsie* lude noch stille 'nieht *het 'kneoii, zeen ^alsolich *salt, zaltn *siiiider ^onttoe *wene 'hevest, doest, salst , machst , Negene dinge, die Joseph wille. Ick wane* wel waerdich zyn daerof". Zi zeiden: »du heves* den orlof Sie*" dattu does* zinen wille''. 1235 Hy zeide, hy en lietes lude noch stille. Met hem waren** zi alle blyde Ende gingen tott«n getyde. Al daer men diende van den Grale. Joseph sprack ten zelven male: 1240 » Moyses, dn zals* niet** genaken Eneger dinck ofb eneger zaken Daer du af onwerdich zijs; Want dune machs* , in gener wfis , Nyeman honen alzo wel 1245 Alse dy selven, bistu fel, Sie** dattu zys* alzo goet, Alse dit volck; want in zgnen moet Moyses sprack: »oft ick goet ben Sone late my God nimmer hen 15i50 Van iu scheiden"; — »nu kornet voert", Sprack Joseph: 9zeggestu waer woert. Dat zuUewy alle nu wel zien". Joseph sat weder met dien Totter tafelen, ende sgn zwager Broen; 1255 Ende alzo begonsten** die anderen doen Elkerlyck op zine stat, Daer hi plach zittene vor dat; Ende alse zi waren geseten daer, Stout Moyses ende hadde vaer. 1260 Die tafele ginck hi al ontrent, Hi ne zach onder al dat covent Negene** stat te zinen doene** Dan tusschen Joseph ende Broene**; Ten eersten*^ dat hi was zitten gaen, 1265 Daer sanck hi neder alzo saen. Men mochte niet gemerken dat, Dat hi totter stede ie sat; Ende Joseph was t*' ongemake Entie ander** van der sake, 1270 Ende haddens alle groten toren. Dat Moyses dus was verloren. Alse die dienst was gedaen, Ende zi op waren** gestaen Sprack in groten rouwen ende leide 1275 Een die hiet Peter, ende seide Tot Josepe: ^wy zgn t** ongemake, Wy bidden iu, Here, ombe ene zake ïflst , * • ie * * weren * *niclit * *Se * *begondcn ' 'Bngene * •donc, Brone * 'Ton einten * "to * •Uude de anderen. 12 Doer Hem|, daer wy an geloven, Dat is Onse Here yan hier boven , 1280 Dat gj ons zegget zonder sparen*, Waer Moyses nu es gevaren'" Josepb sprack: »de3 en wetick niet, Maer ick bidde Hem die dat al beziet, Of dat Zgn wille nu zjj 1285 Dat Hi dat doch vertoge my". Josepb quam ten heilgen Grale Octmoedelike , ende rechte wale Kniede* hy neder, ende zere bat: »IIere God, die in meneger* stat 1290 Menege' scone miracule tones, Daer Du DJjn volck mede verscones; Al dat Du does, Here, dat es goet, Want Du ware vleesch ende bloet Ontfinges an Sancta Maryen, 1295 Ende wy des oeck wael gelyen Dat zi, maget, van iu genas, Ende Gy geheugen woudet* das Doer ons te dogene menech* leet, Ende Gy tot my quamet gereet, 1300 Ende my voerdet in myne stat Ende my mede geloefdet dat. Wat dat ick iu bade hier voren. Dat Gy my des soudet* geboren; Ombe dese zaken so bid ick iu, 1305 Dat Gy rechte desen lachter* nu Van my doet van desen wane, Ende Gy my brenget die waerheyt ane , Waer dese man gebleven zg; Alzoe dat dat volck an my, 1310 Die met mi die gracie ontfaen. Die waerheit mogen verstaen". [aerde' Binnen dien*, dat Josepb lach opter Antwoerde hem die stemme waerde^ ; » Josepb, dat ick iu voerseide" 1315 Dat es nu wonder waerheide, Doe du die tafele makedes eerst Dine wysheit is daerby gemeerst. Want die stat, die idel was. Die bediedet, dat Judas 1820 S)jn erve verloes ende zine stat; Doch zeide ick dy te voren dat. Dat die stat soude idel staen Totten vierden, sonder waen, *8parn , gevaern ^kneede *maneger, en * wolden, enz. 'laster 'Binnenden 'eerde, weerde "vor zegede •In 't oorspronkelijke Enygeus * '11011)6 nicht **wolde Van Eugenien* ende Broene, 1325 Die sal s^n waert van desen doene. Die in deser stat sal wesen, Ende negeen ander na desen Geset sal zgn in deser eer, Ende daer du ombe vrages so zeer 1330 Die by dy zat, ick salt dy tellen: Alze enwech gingen zine gesellen, So en bleef hy ombe niet»» el Dan hy dy woude** honen wel; Want hy nye gelovede niet, 1335 Dat gy levet sonder verdi*iet; Hier ombe ginck hy alzo liegen Ombe dat hy dy woude*' bedriegen, Ende es versoncken in abisse; Van hem, des zgt wel gewisse, 1340 Ne werdet nimmermeer'^ tale gemaket Eer diegene tot hem geraket Die dese stat vervullen sal, Ende hy hem'' vint in dat diepe '^ dal Want hy sal leven sonder macht 1345 Tote dien, dat dit toe es'* gebracht. Dus eret Onse Here sine steden. Van Moyses is die tale geleden, Tote dattene vint die selve mede. Die zitten sal in dese stede; 1350 Ende dat volck, dat dan zal zyn In zine geselschap ende in die dyn Sulne" heten lichame Moyses. Doe kondech dinen volcke des. Nu siet, oft iu wel behaget 1355 Wat gy hebbet ane my bejaget'"'. Dus makede kondech Onse Here Josepe Moyses van valschen kere, Ende Josepb zeidet Broene voert, Ende Peter mede dese woert, 1360 Ende sinen jongeren alle gader. Doe seiden zi alle: »Here Vader! Hy is dul, die dor dit cranke leven Juwen dienst" wil begeven. Van Broene ende van sinen xy zonen ^ ende wat daer af komen zal. Dus waren lange in dit doen 1365 Eugenie ende hoer'* man Broen '*numbermecr »*ene '*deipe '•tois "Solen ene '^be- laget (Fr. conquii et gaaignic» vert motf) ' *denst ' *er. k ld ^ Ende zi hadden twalef' sonen, Die njeman en mochte versconen , Daer si mede waren verladen, So dat die vrouwe begonste' raden 1870 Broene hoeren manne, ende zeide: »Here, wy z{jn verladen beide Met onsen kinderen herde zeer; Vraget Josepe, onsen Heer, Want hy is myn lieve broeder*, 1375 Wat wy* mogen doen; hi es vroeder* Dan wy , ende wy en zullen niet doen Dan sinen raet, Here Broen; Dat hi zeghet, dat loven wy al". >»Dunket iu goet, ick wane, ick zal 1380 Te Josepe gaen ende zoecken* raet"". Die Vrouwe zeide: »Here, jae t". Doe ginck Broen al t« hant Daer hi Heren Josepe vant, Ende zeide: » lieve Here myn, 1385 Hier moet iu goede raet toe zyn: Iu suster, Here, ende oeck ick Hebben te samene gesjjn dick*, Ende wy hebben twalef* sonen. Die schoenste die in den* lande wonen, 1390 Daer bidden wy iu ombe raet". Joseph sprack: »daer dat al aen staet Hi moetse te^ sinen dienste staden, Ende ick willes my oeck beraden". Dit lieten* zi staen tot den dage, 1395 Dat Joseph in stilre lage Allene by zinen vate stoet, Ende hem quam in sinen moet Yan sinen neven, ende hi bat Onsen Here voer sjn vat; 1400 Al wenende zeide hi: » lieve Heer! Waer dat DJjn wille , ende doer* Dyn eer, So bidde ick geme vor myne neven Dat Iu hem gracie woudest geven, Ende doet my, Here, nu te' verstane, 1405 Ofte daer iet** geleghet ane". Doe Josepes bede was gedaen, Quam die IngeP* daer gegaen, Ende zeide: 9 ick ben hier gesent, Dine bede die es vollent**; 1410 Dat du biddes vor dine neven 'tficlff 'begomie •broder, vroder,zoken *Wy dar- mede * lange tijt •dessen 'to •leten 'dur *"icht**de E&gel * "vollen ent * * ünde dat ze * *8al. Frauscb : dl qui nen voldront mules avoir si seront dcciple a son Hevet dy God al gegeven: Hi wil dat zi totten dienste horen, Ende** Sine jongeren z^'n verkoren, Ende zi sonder meester leven; 1415 Ende men hem w^f sal geven, Dengenen, die ze willen ontfaen, Ende dengenen, die daer weder staen, Die sullen** hoer aller meester bliven Van dengenen metten wiven; 1420 Ende alsi** wgf hebben die broeder, So bidde vader ende moeder Dat zi dy dengenen geven, Die zonder wgf daer es gebleven; Ende als du hem heves , kom ten Grale , 1425 Daer suldy horen Onses Heren tal e. Die zal van dinen neven zeggen". Die Ingel** liet die tale leggen Ende voer weder danen hi quam; Ende alse Joseph dat vernam, 1430 Was hi des utermaten vro, Dat dat komen soude*' also. Te Broene quam hi ende zeide: Ombe raet badet gy*' my beide Van uwen kinderen , minen neven ; 1435 Ick rade, dat men hem w^f zal geven. Die ziillen zi houden met trouwen** Ende winnen kinder entie* * werlt bouwen. Dien gy niet daertoc konnot dwingen Dien zuldy tot*" my bringen". 1440 Broen zeide: »al uwen wille Willen wy doen lude ende stille". Doe zeide Broen zinen wive voert Josepes tale ende zyne woert, Ende zi sprack doe met sinne: 1445 »Hae8tet daertoe, lieve mynne". Broen sprack sinen kinderen toe, Ende zeide: »nu zeghet my, hoe** Dat gy iu leven nu wilt** leiden". Si zeiden: »wat duncket goet iu beiden, 1450 Onser moeder ende oeck iu, Ende onsen ome, dat doewy** nu, Op dat zg die wille Onses Heren". Broen zeide: » ick willet** daertoe keren , Dat ghy huweleck alle doet 1455 Dien daertoe staet zyn moet, servUe faire et maiêtre tvr sainie eglite **al8e zi * •solde *^bede gy **truwen **unde de *®zule gy to **wo **willen **dowv **wille. 14 Ende gy dat hout* met trouwen*, Also ick doe met myner vrouwen". Doe zi dit hoerden, waren* zi blide, Ende zeiden doe: »ta11en* tide 1460 Willen wy doen dat gy gebiet, Ende des en willen wy laten niet". Ende mettien dat Broen vernam, Waerheen dat hoer* wille quam, Bejaechde hi dat zi hadden wyf, 1465 Ende beval hem, op hoer* Igf, Voert te hondene als die kerke gebiet, Entie twelfste en wonde niet In gener w^s huweleck doen Ombe al dat mochte bidden Broen , 1470 Ende die hiet* Alein die* Groes Ende aldus bleef hi wiveloes. Des wonderde zere den vader, Ende zeide doe dat allegader Sine broeder hadden w^f , 1475 »Waerombe makestn des een blgf? Hoene doedy* als uwe broeder doen?" »Ick en mach, lieve vader Broen, Negene van desen joncfrouwen". Aldus dade* Broen daer trouwen 1480 Wgf sine elve kinder; Die twelfste bleef doe ginder. Des loech* Joseph, ende zeide: »ditkint Willick dat men my toe sent, Ende gy my dat gevet ende iu wjf \ 1485 Broen zeide: »wy doen zonder bljf'. Dus gaven" zi Josepe hoer kint; Ende alse Alein dat hadde bekint'*, Dat men hem Josepe gaf also, Was hi des utermaten vro, 1490 Ende zeide dattet hem waer lief. Joseph nam hem — seget die brief — In zinen arm ter zelver^^ stont Ende kasten an synen mont, Ende zeide: »ick minne dy zeer". 1495 Doe zeide hy te zinen Heer Ende te ziner zuster mede: >Gaet te huys**, deze blivet ter stede**. Zi gingen^* ewech, dat kint bleef daer; Joseph zeide doe, dat is waer: 1500 > Lieve neve, iu aal groet eer 'holden 'truwcn 'weren *tot allen *er 'de heet *wone do gy 'dede '''lachgede * 'geven '*l)ekent * 'breeff * * iel ven * •to liaes * • gengen • *krafft * 'alleine, ïcgrne **werlt ••verkochte **were8t » "omber **8inen Gescien, dat iu Onse Heer • Te Zinen dienste hevet verkoren; Ende ghy sult oeck als te voren Boven iu -broeder wesen man ; 1505 Hierombe blivet met my dan, Ghy zult horen Onses Heren kracht**, Ende bidden Hem, doer Zine macht Dat Hi my Zine stemme sende, Ende Hi my zegge van iu dat ende, 1510 Hoe gy leiden znlt iu leven**. Doe hi der tale hadde begeven, Antworde hem een stemme allene**: »Dgn neve is sempel ende rene*' Ende van wael goeden sinne, 1515 Wat zo du hem makes inne. Des gelovet hi wael te voren; Telle hem hoe ick was geboren, Ende hoe ick eerst die werelt'* sochte, Ende hoe dat men my verkochte**, 1520 Ende an den cnice was verheven, Ende hoe ick dy was gegeven Ende hoe du my leides in dat graf, Ende ick dy myne scotele gaf, Ende hoe du waers** gevaen, 1525 Ende ick dy dede ontgaen, Ende wat gave ick dy gaf, Ende wat dy quam daer af, Ende ember** meer sal komen Die my sal dienen te siner** vromen, 1530 Ende dat ick dy hebbe gegeven Eerdeschen wille in dit leven, Ende oeck allen *^ dinen gesellen, Ende allen* ^ dengenen die daer aftellen Volmakelike zullen*' konnen, 1535 Dien** sal ick myner graciSn gonnen, Ende behouden haer erve. Noch zi*' en zullen'* in gener werve In hogen hoven vor landesheren Ontwiset zgn van zyner eren; 1540 Hoeren lichaem sal ick bevreden, Qelonen der Dryvondicheden**; Ende als du hem heves** geseit, So toeg** hem mgn vat gereit, Ende sech'* hem, dat mgn bloet 1545 Daer inne es ende oeck stoet; **alle ••zulen ••Den ''se ••Fransch: et lor guMr- derez lor cort de vergoigne et lor droite* ehoset dont êoerewiens soit fait en num non **hevefit '*toghe, xegge. 15 Des' aal hi dy geloven ie* bet; Wgs* hem hoe* die Duvel let Die geme willen dienen my; Sech hem dat hi hem wael besie, 1550 Ende van quaetheden wael wachte, Ende hi merke ende achte Ombo die saken die hem oeck leren Hoe quade gedachten* van hem keren; Hevet hi dit in hem gevest, 1555 Dit z^n zaken, die hem best Van den Duvelen sullen vreden; Ende dat hy van onsuverheden Sinen lichame wael wachte 6y dage ende oeck by nachte; 1560 Logene sech hem, dat hi scuwe Ende die waerheit* vemuwe Van my tot sinen gesellen; Waer dat zi henen willen, Ofb in wat lande dat hi se leet 1565 Dat hi van mi spreke gereet; Als hi van my spreken begint. Es dat sake dat hi mi mint, So hi meer te sprekene viut. Sech dat hi winnen sal een kint, 1570 Dat m^n vat sal achterwaron; Dub saltu hem dit openbaren, Hoe hi sal leren n^jn co vent ^ Ende als hi dit al hevet bekent, Sech hem dat hi wcse hoeder* 1575 Siner snater ende siner broeder', Ende ten Westen ga te hant In dat alre woeste lant, Ende dat hi tot eiker stede Minen name* verhoge mede, 1580 Ende heten geven sinen vader Aleine sine gracie alle gader**. Morgen, als dat is teroietyt Ende ghy alle versamelt zgt, So zult gy ene claerheit zien, 1585 Een brief sal komen met dien. Die iu die claerheit brengen sal, He sal - verluchten iu covent al; Dien brief salstn Peter geven Vor dgn convent vor dynen neven, 1590 Ende heten hem, dat hi gaet Daer hem dat herte meest toe staet, •Dus "de 'wiae ^wo 'gedanken *waerheide ^ Min juist; Fr. «li anseigneraa et mosterras nostre compagnie". Ende dat hi hem niet ontziet; lek en" begeve hem niet. Vraget hem, waer hi begaert, 1600 Hy salt dy zeggen ter vaert, Dat es in dat lant van Avaroen, Ten westen waert draget dat doen, Daer sal hy beiden Aleyns kint* * ; Die doet en wert hem niet gesent 1605 Eer hy hevet denselven man. Die hem den brief bedieden kan; Die zal hem zeggen al wt ende wt Van den vate die virtuet, Ende van Moyses al die maer*', 1610 Als hy dit weet openbaer Sal hy sterven ende komen my; Sech dynen neve, dat hetick dy, Si zullen te** bet ten dogeden staen Ende des te** meer gracien ontfaen*\ 1615 Ene stemme sprack alzo; Des was Joseph herde vro Ende zeidet synen neve Aleyne** Dat hy wiste, groet ende cleyne. Robrecht zeide van Borroen*', 1620 Die in dat Walsche screef dit doen: Die dat bescriven soude al. Dat hy hem leerde groet ende smal, Dat daer alzoe vele an waer twewerf Alse nu t* al den boeke bederf; 1625 Maer elck man merke , die dat bevroet. Dat hy hem leerde menech goet, Ende als hy hem hadde geleert, Seide hy: »neve, ziet** dat gy keert Iu te Gode al dat gy levet, 1630 Die iu zoe vele graciën gevet". Hy leidene weder tot den vader, Ende Joseph zeide hem algader. Beide den susteren ende den broeder: »S^ns vaders kynt ende sgnre moeder 1635 Sullen alle wesen onder desen; Secht hem dat zi onderhorech wesen Hem, alsof hy waer hoer vader; God sal hem helpen allegader, Es dat zi goeder zeden plien**; 1640 Daer zi alle toe zullen zien**. Geef** dyne gracie Aleyne, Zi zullen hem al gemeine pere Bron que il U doint »a grace. '*ene *"D. i. Perceval **meer '^zolende **eyne ^"Alaan ia hier met 'Beide zoo gelaten *namen '^Fransch: et ti die torn \ den neef één *'Borioen "leet **plegeB '*seen **gifi. 16 - Geloven daema vele te* bet, Ende houden oeck sine wet. 1645 Hy sal ze wel mede behoeden Alzo lange als si bevroeden Dat si sinen wille doen". Dit sprack Joseph tote Broen. Des anderen dages te tercietyde 1650 Quamen^ zy tot den dienste blyde, Daer zaghen* si eene claerheit, Die een brief brachte gereit; Ende alssine op hadden genomen, Soe is Joseph daertoe gekomen, 1655 Ende nam den brief in syne hant; Peter riep hy al te hant, Ende zeide: »wel lieve vrient, Jhesus, dien ghy hebbet* gedient Die iu kochte* met synen bloede* 1660 Dat is onze Vader die goede, Daertoe hevet hy verkoren iu Dat ghy dese boetscap nu Sullet* doen die' hy gebiet". Peter sprack: vick en meende niet 1665 Waerdich zyn van desen rade, Dat ick dese boetscap dade"". »God", zeide hy, ^kent bet iu doget Dan gy iu selven kennen moget; Maer ick bidde iu ombe Gode 1670 Die iu coes te Sinen gebode Dat ghy ons zegget , waer ghy zult gaen". Peter die antworde saen: »Nie en zach men man in stede Noch messelgier so scier gerede, 1675 Ick sal mgne boetscap doen In dat lant van Avaroen; In eene herde woeste stat, Ten westen waert so lecbt dat, Ende ontbeiden daer der Godes genaden 1680 Ick bidde iu of ghy des s^t beraden, Dat ghy biddei», dat ick volbringe Ende ick altoes in genen dinge Onses Heren wille en moete** begeven, Alzoe lange als ick sal leven, 1685 Ende my die Duvel niet en verriese**. Dat ick die minne Godes verliese Want dat waer my een groet verlies**. Si zeiden alle: «God gonne iu dies**!" *de *quemen, zegen "hebben *lco£rte •blode 'salen 'den 'dede •bidden *"mote * 'wijse **verloe9, des **Orre ** moten **\Vil ^•dar "berichten *'dc groa Haer" aller sprake was alsoe, 1690 Ende gingen te samen doe Beide meerre ende mynder, Ende Broen ende syne kynder. Broen seide: »ick ben iu vader Ende ghy myne kynder alle gader, 1695 Ghy moet** onderhorich sgn, Wilt** ghy komen daer der sonnen sch^n Ewelike is sonder nacht; Des ejjt alle wel bedacht. Hier is Aleyn die groes, iu broeder, 1700 Doet sinen raet, hy is vroeder; Ick geve hem , al daer* * ick sta beneven , Al de gracie die ick mach geven , Ende ick bidde hem , naest Onsen Heer , Dat hy iu hoede ende beheer, 1705 Ende z^t hem alle onderdaen Alse uwen Here , dat is wel gedaen ; Soecket synen raet in alre t^t Daer'* ghy af in twyfel zjt. Want hy sals iu wel berechten*': 1710 Doet gelike goeden knechten Ende werket vroe ende spade Altoes by synen rade". Zi zeiden: » lieve vader Broen, Wy zullen dat herde gerne doen". 1715 Aldus verscbieden si alle ginder Die Here Broen ende sine kinder. Aleyn die groes**, haer** broeder. Al was hy jonger hy was vroeder, Ende was haer** meester; Joseph** hiet 1720 Dat zi alle en lieten niet, Zi en daden dat hy gebode. Aldus leide hy ze, naest Gode, In vremden lande Aleyn die grote Sine broeder, sine genote; 1725 Ende in wat lande dat zi quamen*', Daer si goede liede vernamen**, Sprack hy van Onses Heren doet, Ende hadde** die genade so groet, Dat men** gaeme hoerde spreken. 1730 Aldus s^n die kynder enwech gestreken, Ende nemmer** en werden zi hier ge- Eer die* • redene weder koemt* *; [noemt* * Hier moet daeraf die tale bliven , Ende moet van anderen dingen scriven. * 'er * "ende J. " 'quemen, vernemen " "hc hadde * *men ene "*number **genomet, kornet *'de. 17 Van den riken vischeTf ende van den Grale; tcaer dat hy quam, 1735 Die aventure zeghet, doe dese kinder Van daer schieden alle g^der, Riep Peter Josepe ende alle die ander, Ende zeide: >dat is tgt, dat ick wander Daer dat Onsen Here duncket goet*\ 1740 Doe qnam in haer^ alre moet Dat si baden*, dat hj noch bleve Totter' tyt dat hem God gracie geve. Peter sprack: *xaj en lustes niet, Maer ombe dat ghj dat gaeme ziet, 1745 So blive ick hier hudenmeer Ende moigen zoe en schelde* ick niet* eer Dan die dienst* es al gedaen". Dns bleef Peter, sonder waen, Ende God, die dat al te voren wiste, 1750 Eer dat gesciede met zgnre liste, Zende hy tot Josepe enen bode, Die hem zeide daer yan Gode, Ende sprack: >ick kome hier te dy stille, God wil dattu does^ sinen wille. 1755 Weetstu wanen quam dese moet, Dat men Peter bliven doet. Dat was ombe dat Onse Here woude, Dat hy waerheit zeggen soude Tot hem, die enwech gaen hoerre* strate; 1760 Al dat koemt van dinen vate Ende daertoe van anderen saken, Die ick ia wael condech sal maken; Want alle die saken die beginnen, Si moeten emmer ende gewinnen. 1765 Onse Here weet wel, dat Broen Een'* volmaeckt man es in z^n doen. Want hy moet den visch noch vaen, Die tot uwen dienst* sal staen. Ick wille, dat hy al te male 1770 Die hoede hebbe van den Grale; D^n leven salta hem dan leren Hoe*' hy hem sal te Gode keren, Ende hoe'* dy God minde entn'* Gode, Ende hoe'' hy dy sende sine gebode. 1775 Geboetscapet was hy an ene maget Ende al dat dgn herte draget An wgsheden, dat lere hem al, Ende hoe dat hy geloeven zal; 'ore *beden 'toder ^schiede 'nicht *denftt 'da doest •erro 'omber' •Byn' *wo* »cnde du' "wt den' *giff' »wen Tel hem, hoe dat God tot dy quom 1780 Ende hy dy wten'* kerker nam, Ende hy dy gaf zyn heiige vat; Ende daertoe leer hem al dat Dat dy God leerde in stiller hale Dat Sacrament van den Grale; 1785 Eenlecke leer hem al dat, Ende dan gef* hem dgn vat, Dat moet hy houden ende dragen Ende wie** dat hy hoert vragen, Siüne'* den riken vischer nomen, 1790 Ombe dat noch die t^t sal comen Dat hy eenen visch zal vaen; Ende dit moet wesen sonder waen. Recht alse die werelt yaert Van beginne ten eynde waert, 1795 Dan moeten dine liede west Daer hem dat herte draget best, Ende tot ener stat daer Broen sal tyen" Moet hy zgns kindes kint ontbyen" Ende die. hoede van den vate, 1800 Die hem komen es ter bate, Sal hy dan al opgeven Die van sinou zone es gebleven. Dus wert** by iu drien" gereit Beteekent'* ene Dryvoudecheit; 1805 Als hy dat vat hevet ontfaen, Ende dyne leringe mede verstaen, Ende du daeraf bist ontset, So mach Peter seggen bet, Overwaer ende sonder waen, 1810 So waer hy dan sal hene*' gaen, Dat" hy den Grael besitten zach Den rgcken vischer op enen dach. Hier ombe bleef hy tot morgen vroe. Ende als den vischer daer alsoe 1815 Beset es die heilige Grael, Over berch ende over dael, Over zee ende over lant, Sal hy gaen dan al te hant, Ende den Grael dragen te zgnre z^den , 1820 Entie Here, die tot allen t^den Ende altoes es metten goeden, Die sal hem herde wel behoeden. Ende alstu dit heves gedaen, Saltu die werelt wisselen saen, 1825 Ende komen totten Paradyse, '•Sule "tydcn, ontbieden '«wirt '•Jrcn »*Bcteikeiit ' 'hinne ' 'Ende; Yt.Hforra bien dire queÜena peu, enz. 8 T8 Ende dat geslechte van Eagenise, Dat ember' meer daer af sal komen, Sal ick te mynre bliscap nomen, Ende wie* so hier af spreken kan 1830 Sal zijn een geminnet man. Ende met al den lieden lief; Dus tellet die historie ende die brief". Langer en sprack die Ingel niet, Ende Joseph was die niet^ en liet 1835 Algader dat hy hem beval. Des morgens quamen si ten dienste al, Ende Joseph zeide hem gereit* Al dat die Ingel hadde geseit* ' Sonder die heymelike woert, 1840 Daer gy nu af hebbet gehoert; Den rgcken vischer hevet hy die* gegeven Alsoe als mense hem gaf bescreven, Ende hy leerde se hem heimelike. Doe si hoerden gemeenlike, 1845 Dat si van Josepe zouden varen, Bedroeveden zi hem des twaren; Ende ten^ eersten dat Peter sach dat, Dat Joseph opgaf sgn vat, Daer God sijn leste mael wt at, 1850 Ende zine gracie mede ombe dat, So stont hy op ende nam oerlof, Ende rumede doe Josephs hof; Te dien gescheede was groet geween, Ende versuchten mede over een, 1855 Ende oetmoedecheit ende bede; Ende Joseph bleef noch toter stede Met den riken vischer drie* dage. Ten vierden*, dat en es gene sage, Seide hy tot Josepe: > lieve Heer, 1860 My lustet nu te wandeme zeer Es dat iu lief?" Hy zeide: »]aet. Nadien*" dat es Ons Heren raet; Ende wetegy wat gy draget daer, Ende wat iu sal volgen naer? 1865 Nyeman en weet dat also wel'* Als gy ende ick ende nyeman el. Nu gaet alset iu duncket goet Ick ben, die** hier blyven moet". Aldus schieden zi ginder beide. 1870 Die rgcke vischer ginck enwech gerede Ende hoer** covent hoerre** straten, * amber *wc *breyff *de nicht * gerecht, gesecht •he de 'ton •doe «Ton veirden **Naden **wal »»de **er **erre **Borioea * •nicht *'de grotze ^•genotze Daer menech scone woert wtermaten Seder af vertellet was; Ende Joseph, zyt zeker daa, 1875 Die bleef dus in vremden lande. Ick wane, men nye man bekande No wyf , die dat lant genomen konde. Dus scrivet Robrecht wt zinen monde, Mgn Heer Robrecht van Borroen**, 1880 Die in dat Walsch screef al dit doeo, Ende sonder rime algader dichte; Die seghet , dat men niet* * mach lichte Al verstaen dese aventure, Hy en moet dat weten wel ter cure 1885 Waerheen ginck Aleyn die grote**, Broens zone, ende sine genote'*, En wat geslechte van hem quam, Ende wat levene hi an nam, Ende wat daer oeck afkomen sal 1890 Van Peter ende sjjn leven al, Ende in wat steden men hem vant, Ende waer Moyses was bewant; Want hy die den Grael ontfinck** Van Broene, dat es ware dinck, 1895 Hi vant Moyses onverscheiden**. Hiertoe sal ons Robrecht leiden**, So dat wy dat sullen** verstaen. Oeck moet hy weten sonder waen: Waer die rycke vischer ginck, 1900 Dese** redene ende dese** dinck Hevet hy al in viven gedeelt, Ende t*^ enen boke al verheelt, Ende eu** mach nyeman, zeghet hy, Geweten hy en ware** daerby, 1905 Dat hy overleze dan al te male Dat grote boeck van den Qrale. Ende eer dat van hem wert geopenbaert, Wetick wel, datter** pinen waert**, Ende zo ne wiste nyeman twint die tale , 1910 Dan in dat grote boeck van den Grale. Aldus hevet hy ze een deel bescreven Des dankede hy Gode die dat al mach geven. Hier laet hy dat blyven van desen vieren Toter wilen dat hy by manieren 1915 Weder sal komen an die tale. Dan sal hy dat openbaren wale** Ende liete hy dat, en waer nye man** **ontfenck * •onverscheden '* leden *'xolen **des8e **to **ne **wcre *'to **wart "'wal ••weer neen man. .ld Die dat wel geopenbaerde dan Waer heen al dat yolck qaam; 1920 Ende Jacob, die te dichtene nam, Secht, yint hy dat also veer in dat Walsch, Dat hy dat in ryme sonder valsch Also yerre occk dichten zal, Dat dit boeck wert yersamelt al, 1925 Want hem det pinen nie verdroet. Aldus 80 endet dat ierste boeck. Hier begint dat boeck van Merlyne. Ende hoe die Duvele benyden , dat God die Helle tébrackj ende syne vrieni daerwt verlosede. Nu hoert, gy Heren, al bysonder Van onsen üere een groet wonder Want na ziner pine ende ziner doet 1930 Voer Onse Here totter* Hellen oeck; Hieraf spreket dit boeck voertmeer. Hy dade den Duvelen groet onneer; Want hy hem hoer* zielen nam, Des worden zi wonderlike gram, 1935 Ende hadden des wonder herde groet; Doe makeden zi onder haer* genoet Ene sameninge, des gelovet; Zi zeiden: »wie^ hevet ons berovet, Ende onse veste aldus tebroken, 1940 Wy en meenden niet*, al was dat voer- Dat hy van wive mochte komen, [sproken, Die onse macht hevet genomen; Wy meenden hebben alle die liede*-; Maer dese, daer ons dat af gesciede, 1945 Hoe es hy ter werelt^ komen, Wy en hebben niet* vernomen, Dat sgn moeder nie gewan Wille of lust t'ienigen man, Alse daer vrouwen kint af ontfiEien*\ 1950 Doe antworde daer een Duvel saen: »Dat wy tot onser vromen daden Is ons komen al te* scaden; Gedenket iu niet, dat die Fropheten Lange wüe hebben beheten, 1955 Dat God sal zgn geboren Ende verlosen dat oeck verloren Hevet gewesen menech jaer; Die dit zeiden, vorwaer Dien dadewy alremeest verdriet; 1960 Maer zi en achfcent met alle niet, *to der *em or *er *we •nicht •lude 'wcrldc *to .'omjier ftolde '^eren "nicht '*den ^'mochten, Ende zi troesteden die sondaren, Ende zeiden , al sonder sparen , Dat hi emmer zoude* komen Dese Here, tot hoerder** vromen. 1965 So lange zeiden zi dat es gesciet, Ende hevet ons alle, als gy wel ziet, Berovet al met sinen listen; Hoe quam dat wy des niet en wisten? Nu doet hi die sondaren dwaen 1970 In een water, sonder waen, Als zi komen van vrouwen leden, In die ere der Drievoudicheden ; Dus hebbewy die kinder verloren. Die onse waren hier te voren, 1975 Dat en z^, dat zy in souden vallen. Noch heeft hy meer ontrecket ons allen , Want hy hevet papen gelaten Die ze gewisen ter rechter straten, Zi en mogen niet** zoe vele sneven, 1980 Maer willen zi der souden begeven Ende doen dat zi castien horen Wy en hebben ze al verloren; Seer hadde hi die** menschen lief Dat hine vaen liet als een dief 1985 Ombe te quitene den man, Ende menschenforme dade an Sonder man van eener maget; lek wane, gy dat provet ende saget, In al dien, dat gy proven mochtet'*; 1990 Gy wetet** wel, dat gy besochtet 'Sine manier in menigen stonden, Ende ghy en vondeten ^^ nye in souden; Maer dor die** man koes hi die^* doet. Als hi woude ende geboet. 1995 O wi!" (zeiden die viande dan) >Nu hadde hi herde lief die** man Nadien*^ dat hi dat dor hem dede; Wy mogen gerne pinen mede Ombe die** menschen te" hebbene echt. 2000 Hy zeghet dat hi geen onrecht Ons an den menschen en doet; Wy moeten setten onsen moet Ombe den mensche te* werpen neder Zo dat hi nemmer** meer weder 2005 Van onsen dienste** moge keren Noch gespreken die** kercheren. Die*" hem raden van den souden". weten, lc8ochton ** vonden ene **dcn ' "le^ff *^nadett **nttmbcr **den8te ""de. 20 Doe spraken^ ander die daer stonden: vMaclimen lieden aldus vergeven 2010 Hoer misdaet als zi sneven 6y rade van der heilger kercken, So verliesen wy al onse wercken". Hoe die Duvele aüe vergaderden ^ ende kosen enen procureere, Doe die Duvele zagen* daemaren Dat zy aldus bespottet waren, 2015 Doe riepen zi te samene goreede Alle die hellesche quaethede, Ende koren onder hem allen daer Enen procureere scalck ende zwaer, Die was geheten Masceroen; 2020 Dien wart bevolen al hoer* doen Ende dat hi soude^ varen mede In Onses Heren jegenwordichede , Gelyck dat procureere plegen. Nu mochte ieman zeggen daer tegen, 2025 Hoe een verdoemde hem mochte togen In die jegenwordicheit des Scheppers ogen, Daerop antworde ick in tween* saken: Dat eerste mach zgn met spraken By gelgcken in enigen dingen, 2030 Dat wy mogen zeggen zonderlingen, Alse van boven tote beneden, Es* dat al in ons Heren jegenwordicheden. Die ander es*, zgt zeker des, Die pine, die in den Duvelen es, 2035 Dat die van hem niet gaet in sc^n Sy en blivet met hem waer zi z^'n Gelgck dat die zieke ^ niet hevet baet' Al waer hy in koninckleker* staet* Sine pine en waer des minre niet; 2040 Aldus es dat met den Duvele, nu ziet Waer dat ze Qod gehenget te syne, Altoes volget hem na hoer pyne. Ende dit was die eerste procureere met. Dien die Duvele nu hebben geset, [den 2045 Die vor niet en was , maer na desen ston- Hevet men procureere altoes gevonden. - Dese procureere treckede sonder beiden In die jegenwordicheit Godes , ende zeide' • » O schepper, ende aller dinge gerechtecheit, 2050 Ick ben procureere alre quaetheit 'spreken "zegen 'er *8e solden 'twen 'is 'zeke *bat, stat *enen k. *■ *zegede ' 'de bene ' "sint. In de be- werking bg Snellaert {NederlandscJie Gedichten mt de Yan der Hellen, dy moet genoegen des, Want dy van der G^rechticheit angeboieo My te hoeren , alse bode der Hellen**, [es* Onse Here antworde den feilen: 2055 »Bistu procureere, toge dine brieve na*^. Masceroen zeide: >ick wille eer iu Bevroeden op een punte wel hoge, Die roert die gene" al onse vermoge Die in der Hellen z^n'*, ende op dat 2060 Beziet onse procuracie nu ter stat*'. Onse Here sprack: »hier vormaels wal So kende ick djme scalcheit al, Ende onderwint iu nu niet, gy, Met uwen woerden te leidene my; 2065 Want du en heves hier gene perty Jegen my, dat duncket my; Nu toge dyne procuracie al hier, Of men sal dy wtwerpen scier". Dese ontsach den rechter doer das 2070 Ombe dat hy des onwillech was; Dus toende hy die procuracie, zgn teken' ' Daer wy af gemeenleke sproken, Dat berde wel gedichtet was dan, Dat daer niet te beteme was an. 2075 Doe zeide Onse Here : » wiltu iet' ^ spieken, So spreeck vaste op dgn teken". Die viant clagede ende antworde mede Als een procureere van zgnre heerlichede : »Want ick, ende degene daer ick voer 2080 Hebben gehat wel ende stilleke' *, [spreke , Ja, by ongeëndeden tyden, sonder verlaten, Ende alle gescrevene achter gelaten, Alse in rasten te hebbene mede Te pinene ende te tormenten gerede 2085 Ende te berechtene , al onse Helle daere , Alle menschelike creatuere; Ende nu niewinge es achtergelaten Alle rechte ende alle baten Ende negene * * partye es geropen daertoe* * , 2090 Ende wy z^n berovet , wie en wéten hoe* ', Met crachte van onser hebbinge nu; Dat clagewy wenende voor iu; Waerby of dy genoege onse dage, Ende du beriepea tenen zekeren dage, 2095 Dat menscheleke geslechte te komene zaen, Tantwordene hierop sonder ontgaen; 14tf eeuw, enz. bl. 493 en w) korter en daidel^kert *een point, dat al onse Helle cuert*' (feei: niert) ' 'telken **wiiltu icht '•ontelliko '•en geyne »*to, wo. êl Want ick eerst toge, dat men ons es Scnldech te doene resteer van des, Yan den zielen yolcomeleke mede, 2t00 Die in den Hemele z^n, ende gerede, Die in Furgatorien nu zgn genomen Entie ^ voer hem waren, ende na hem komen, Ende hoer kinder, ende tot desen Al dat yan hem geboren sal we8en*\ 2105 Onse Here sprack: »ick hore wel dy, Dn bègeres enen dach daer by*\ Die procnreere antworde daemaer: >Die zake is groete ende anxtlike* zwaer , Ende oeck ontfermelike in allen hoye, 2110 G^l^ck ener sake yan groten roye; Ende ombe dit begeer ick dy haeste daertoe Men legge den dach morgene yroe'\ Doe sprack Onse Here ende zeide': >Sone des yiants ende alre qnaetheide, 2115 Yerdomede scalck, al yallende onwaerde Heyestn gemeten tusscen hemel ende aerde, Ick legge dy dach alse procureere gerede , Ende den menscheliken geslechte te komene Yor mi als tot enen zekeren dage [mede 2120 Alse in den heilgen yrydage, Op den welcken ick gecrucet was'\ Masceroen antworde te hant na das: >Dien dach ick niet ontf&ngen sal Want dien dach yiert men oyerar\ 2125 Onse Here sprack: » ick makede dat recht Ende ick latet hierop nn ende echt; O, Oabriel, roep des menschen diet Dat zi komen tesen dage ; en komen si^ niet, Men sal yoert dat recht doen scinen'\ 2180 Doe keerde die yiant te hant totten sinen, Ende toende sinen gesellen dese dinge, Dat zi hem bedroeyeden onderlinge, Want zi zagen wel in dat*, Dat hem die rechter was gehat* 2135 Doe sprack Lncifer te dier stat: >En ontsiet ia niet dor dat Men zecht Cristns Gerechticheit wesen, Dat yalsch is, dnncket my in desen; Want hi es gerecht, zo snllen wy dan 2140 Onse sake behouden, ende proeyen yoertan Wt sgns selyes monde, zgt seker des, Dat hy niet Gerechticheit en es, Ende dn zals weder ten dage yaren^. 'TJnde de 'engeatlike 'legede ^kometse *daz 'nicht ontsenldich was; doch verg. bg Snellaert, y. 198 Masceroen zeide: >ick hadde lieyer twaren 2145 Hier met ia werden gepynet yoerwaer, Dan weder te gane yoer hem daer, Daer alle blgtscap is yan yroaden^ , Ende daer ick niet af mach yeryrouden^ , Maer meer my bedroeyen hierby 2150 Ombe hoer bl^tscap die niet* mach in my ; Maer ick moet gehoersaem wesen, Ende oeck doen dat staet te desen. Op den dage, die daer geset was, Qaam Mascheroen, sgt zeker das, 2155 Recht in den dageraet, ende ginck In eenen winkel na die dinck In dat pleidoen, want hi wiste dat Wel, dat des eyschers stat Eerst ende gestadiger moet wesen, 2160 Dan die men eyschet tot desen; Ende daerombe qaam hi yroe , God weet , Ende hadde beide sine oren gereet Ende sine ogen opgedaen oeck wyde, Ombe te hoeme ende ziene* in elke zyde; 2165 Ende doe t den middage begonste^ * naken Qaam Masceroen yoert met sinen saken In die jegenwordicheit Godes, ende zeide : » Heiige yader ! ick quam yoer ende nae * ' beide ; Na doe my recht, ick beide te lanck*\ 2170 Doe zeide Cristas: »Dayel, nu ganck, Want al dese dach ten rechte staet'\ Doe keerde hy weder ten'* winckel, die Ontrent * * Yespertyde gaf hy doe wt [quaet. Enen yreesliken, graweliken gelnet, [hede ?'" 2175 Ende sprack : » God, waer es Dyne gerechtic* Onse Here antworde hem ter stede: >Ja, en zeide ick dy niet, ynle qoaet, Dat al dese dach ten rechte gaet?*' Doe keerde hy weder in den winckel daer, 2180 Ende wachtede bet der nacht wel naer; Doe riep hy: >waeresdiegerechtichede? Si gebreket my in den Hemel mede^\ Onse Here daden '^ doe roepen yoert; Doe sprack Masceroen dese woert: 2185 >A1 desen dach heb ick gebeit In dat rike der Gerechticheyt , Ende en yonde gene gerechtichede**. Onse Here antworde daer ter stede Masceroene, ende zeide: >na zie, 2190 Wat da eyschende bist hierby". ^vroyden, yenrroawen *de nicht *to zene '*begunde >'ttnde noch '*ia«ineii ''omtrint '^dede ene. £2 Masceroen zeide: »die sitacie siet, Want al dat menschelike diet Hier is gedaget tantwordene mj Alse procareere, merket waciby, 2195 Is hier ieman die daertoe hoert , [voert?** Dat hi vor alle menschen komen wil Ënde njeman en quam te desen doene. Doe sprack Onse Here tot Masceroene: >Wat wilstu dat men nu doe echt?*' 2200 »Ick b^eer, Here, een gemene recht, Dat men elcken sciüdech to doene ea, Ënde ick begeer oeck letteren' dos, Dat alle menschen waren voer dy Gedaget, hier tantwordene my, 2205 Ende ick hebbe den dach al wt gewacht , Ënde nyemanen quam hiervan hoere* macht, Ende onibe dit begeer ick vorwaert nu we- Ënde eysche myne letter van desen". [sen, Doe woude' Onse Here met desen dingen 2210 Meer voertgaen met effeningen, Dan hy woude met gerechticheden ; Hy wiste wel Masceroens doen ende zeden. »Du", zeide hy,»die vele weets^ende heves Du weets* wel, dat bewilen voert [gehoert, 2215 Een recht gaet tusscen tween partien, Ende bewilen in effeningen belien, Also alset hem duncket best; Want ick nu wille, dat z^ gevest Alle dese stucke in effeningen, 2220 Ende wil den dach tot morgen verlengen In denselven punte, dat huden was, Tot primetgt durende, z^t seker das'*. Dus stont op Onse Here daer naer, Ende Masceroen ginck totten sinen daer, 2225 Ende vertellede dit sinen geselien, Die dat zwaerlicke verdroegen in der Hellen ; Ende Lucifer sprack tot hem saen: >Du zals morgen weder gaen Totter rechter uren"; ende also houde* 2^30 Leerde hy wat hy zeggen zoude*. Hoe Onse Vrouwe wart een vorsprake van al Kerstenheit tegen den viant, Alse dese beroepinge* quam te voren Der reyner maget wtverkoren^ Bedroevede zi hoer ombe dien pleit 'litteren *ore *wolde *wee8t •holde, zolde 'beropinge Met moederliker* ontférmicheit; 2235 Ënde doe si vernam dat verlenget waer* Die dach, sprack zi doe openbaer'* Totter' ' menscheit: >nu laet iu sorgen Want opten'* dach van morgen Sal ick uwer aller vorsprake we8en*\ 2240 Dat hemelsche volck verblide' * van desen. Des morgens es Onse Here geseten Met zinen Ingelen, met zinen propheten, Met ener geselscap ongetelt. Doe quam z^jn moeder met gewelt[triarchen, 2245 Van * * Engelen, van ' * propheten, van " * pa- Die songen met luder stemmen ttarcken : »Qod groete dy, des Hemels koninginne , God groete dy, der Ingelen minne**. Dus quam zi gegaen alsoe vermogen, 2250 Daer zi aensach met wreden ogen Hoeren'* wedersaken in hoeren rike. Doe ginck zi zitten verweendelike By hoeren'* zone tot" hoeren** wille Ende zeide' ^: >nu zwiget al stiBeP 2255 Nu zuldy hier hoeren bedieden'* Hoe zi een vorsprake wart allen lieden'* In een gedinge van iamerheden Overmyds haer grote ontfermicheden ; Want des Duvels naradicheit 2260 Hadde die'* menschen zere beleit; . Dat wederstont onse Vrouwe scone Ende sprack aldus tot'* haren tone: >Ick hore zeggen, sone m|jn, Dat geslechte, daer wy afkomen zgn, 2265 Gy ende ick, dat menscheleke diet, Wert hier angesproken, nu siet, Van eenen verdomeden verrader qnaet, Ende enen .valschen , die hier staet In minen rike; ende dit ongevoech 2270 Geroert minen liohaem, die dy droech; Want alzulcke en plegen nyet Hier te komene; maer dat du gebiet. Want in dy alle gerechticheit zg, Soe kome hy ende segge sine tale daerby". 2275 Ende hieraf verblide die Hemel al, Dat zi een vorsprake** wesen sal, Ende riepen den verdomeden totter* ' stede: » Coemt, verwysede ende verbannen mede. Du vindea** hier wedersake in ditdoen^\ 2^80 Aldus zo quam daer vorwaert Masceroen, den "wart verblidet '*But '•oren '•to '^«cgedc "'be- 'irkoren *oetinodelikcr *wa8 '*da8 "Toder '*op | duden, laden '*dcn **voer»prcker *'todcr **Tiiidsst. 23 Ende en dorst niet, sonder waen, Sine ogen op on se yorsprake^ slaen. Doe sprack Onse Here : » Wan antwerstn?"' Ende hi antworde: » aldus zegge ick iu, 2285 O, ongeloeflike gerechtichede ! O, waerheit ende sonder valschede, Hoer mj armen, in desen dage, Wes ick raj voer in beklage, En laet dj' vleesch no bloet niet roeren' 2290 lek bidde te sprekene sonder verboeren*". Ende Onse Here sprack tot hem doen: 'Spreket als dat betamet, Masceroen"'. Doe sprack hi: >ick wil dat elck Terstaet Dat in elcken rechte Toertgaet: 2295 Drie persene heb ick vereest^ Die vader, die zone, die heiige geest ^ ; Den rechter sie* ick, al set behoevet, Dat ick eyscher ben isser geproevet By mynen brieven, als men ziet', 2300 Den sculdegen persoen en zie ick niet*. Sonder wien^ dat recht es twint". Onse voersprekerse antworde ontrint* Den rechter, maer niet den viant: >Sone n4jn'\ zeide zi te hant, 2305 Siet* my bereit, tantwordene hier'. Doe zeide Masceroen, dat quade dier: «Heiige Vader, nu toge ick dy des. Dat diJn moeder niet en es Scnldech te komene dor dese sake 2310 Noch dor negene met hoere sprake; Want ombe dat zi es dyn moeder, So waer zi my een zwaer stuerroeder^", Partye te dragene tegen my; Want zi mochte lichte getrecken dy 2315 Te haerwaert^^ al waer dat onrecht, Ende voert oeck want zi es echt Een wgf, entie^* gemene loep van desen Verbiedet" wiven voersprake tewesen''. Dus sprack die quade Masceroen. 2320 Doe wort gestoert ombe dat doen [voert: Onse Vrouwe , ende sprack tot haren zone vDese verbannene die my dus stoert, Ende minen rike verkeert dat recht, Hy zecht my d|jn moeder wesende echt, 2325 Ende yersmaet my, lieve sone, Da weets dat wel, al ben ick degone Die dy droech ende een wgf nochtan 'vortpreke 'dyn 'woren, verboren ^rcreyst, geyst 'rich^ ter ie 'zicht, nicht ^wea 'omtrint 'seet, berodo ^ ''stoer Ende my berispet tonrechte Toertan, Sone ben ick niet moeder, als ander wQf, 2330 Daer ick wart drachtich, was een bl^jf Van alre smette der menschlichede ; Ick wert zwaer, sonder pine mede Ende sonder rouwe kint brengende voert ; Waer is dat recht, dat my verboert 2335 Degene die zjjn** beroepen vor iu En mach ick hoer tale niet spreken nu, Ende voer hem staen als eene persene, Ende bier tantwordene Mascerone, AA waer ick ongelovich of te banne, 2340 Des niet** en is an my nochtanne, So zoude ick te rechte hier toe gaen Als die daertoe gedaget ben zonder waen , Du weets dat wel, zone, in dinen zin. Dat ick van allen ordenen bin , 2345 Want al die werelt oft die daer in es Die es van huweleke, z^jt zeker des, Oft van mageden oft voertanne Onthouden van wive of van manne; Ick was van allen ordenen gerede, 2350 Ick was Josepe gegeven mede, Ende bleef daema oeck wel geacht, Ende wert by hem dragende dracht, Ende bleef by hem onthouden daer. Dat ick nye gekreech een haer 2355 Begeerte te genen manne waert; Ombe dit wert*' hier wel gcopenbaert. Dat ick ben sculdech te zyne vorsprake Vor den menschen van alre zake; Ende dat die viant oeck nu zeghet, 2360 Dat wiven es dit ambacht' ' ontweghet Dat gebreket oeck in desen doene, Want elck mach over arme persoene Spreken, als over weduwen ende wesen Die dese bose viant in vresen 2365 Te brengeue staet" ende te blivene Te sinen dienste, die zielen** t'ontlivene Ende eweleke sonder einde verdoemen; Hierombe eysche ick ende ben komen. Dat men dit ambacht my late 2370 Voertan** te zine advocate. Want my en lettet niet* * an dit ambacht. Dat hy op my voert hevet gebracht". Doe antworde hierop Masceroen: Binterloquitorie wil ick doen, roder * *To erwert * 'imdede * *verbedet * ^ de zin * * nicht *'wirt *'ambot *'8teet ^'densto de zeilen **Vortiiin. 24 2375 Dit bediedet, als wy dat ontknopen, AIb enen dat recht te na zonde lopen, Di^t hj enen wech dan vinden moge Te proevene mede dat hem toge'\ Doe sprack Onse Here te deser' zake: 2380 »M7ne moeder laet ick z^n een voersprake, Want* haer niet mach letten in dit doen Dat hier getoent hevet Masceroen. Nu heyestu partie'\ sprack Onse Here Wilta iet' spreken, spreeck hieran mere". 2885 Masceroen sprack: »te spreken ick behoeve lek hebbe partie, des ben ick droeve; Want my dnncket, dat myne sake Geveert es by hoere^ sprake; Nochtan zegge ick na desen gelike 2390 Dat kenl^ck genoech es in desen rgcke, Dat die Duvele, daer ick ben vorkomen Ende al hoer* sake hebbe an genomen, Waren in rasten van hebbinge Van zo menegen* iaren sonderlinge, 2395 Dat des nyman gedencket nu ter wilen , Te* pinene ende te* tormenten die zielen Ja, alse van beginne, alle die sterven Ny en wort* er een ontboigen Ende nu zyn alle ordene* van rechte 2400 Achtergelaten als in enen verplechte, Ende met enen wille ende ere delinge Zgn wy berovet van onser hebbinge; Ende want den wgsen toebehoort Eerstwerf restoor** te eyschene voert, 2405 So eysche ick eerst restoor'* voerwaer Van onsen verliese*', ende daemaer Sal men in dese sake gaen voert , Want wy die bloet zyn, als men hoert, Ende berovet, wy en mogen ons niet 2410 Setten tegen gewapende diet". Doe sprack die zone ter moeder waert: > Antwort hier op" ; ende ter vaert [baraet Sprack zy ten zone: >en ziedy** niet dat Ende die ombegange des viants qnaet, 2415 Aldus te verslitene den dach mede Met woerden met groter valschede; Dat en doech niet, hy eibchet restoor** Als of hy berovet waer hiervoor; Ende hieran lieget hy echt, 2420 Want ierstwerf so spreket dat recht *dei8er *er *icht ^orre *or 'manigen *to *wart •ordine * "reitor * ^verluse * 'zeegy* 'dengenen* ^begenck * *o?ennidde8 * 'haddest * *noch * *gewolt , holt * 'raste- Den beroveden te verstoeme wesen; Dat es in negene** gelike deaen , Die berovet es, die en ey schot niet; Nu es hy eyscher, als men ziet, 2425 Ende aldus verkeert hy dat recht Alzo als hy valsch es echt; Aldus hy eerstwerf valscheit begint** Want nye zo en wart bekint. Dat du ende die dine in t schouwen 2430 Nye besat met goeder trouwen Ander liede erven; want dat es kont Hem allen scone, dattu ter stont Met diner wjjsheit makedes den man Na diner gelike, ende nochtan 2435 Al hebben die Duvele gepinet daer Lange tgt die zielen voerwaer, [niet. Dat en deden si vanhoers** selves rechte Maer als knapen der Hellen, nu ziet, En overmids** d|jn gebot mede 2440 Die Duvel en hadde nye stede Noch die zielen , maer du haddes* *, Heer 1 Want alle dinck es min no** meer In des namen, in des ge wout**, Daer menee af ontfaet ende hout**, 2445 Hoe mochten die Duvele rustelike** Besitten eens anders goet ende rike? Want die propheten zeiden** te voren Dat wt ere sterren* * sonde* * zgn geboren Die zone", die Godes zone boude**, 2450 Die zyn volck verlossen zoude**; Hier ombe wondert my, zone, dat So vele loeshede** nu ter stat In uwen rike wert** wt getrecket". Masceroen antworde, ende hevet gemecket, 2455 Die gemene** sprake te hebbene mede. Die hy echt eischede ter stede. Die moeder antworde : »zone, ick wel vact* * Dat alle rechte, na dat staet**, Dy** in den Hemel gegeven sgn 2460 Ende an der aerden, ende in den name Bogen alle knién myner dracht; [Dgn Dese en merket niet op Dyne macht, Die Du heves, ende bespottet nu Dyne mogentheit, dat hy eischet in 2465 So vele wtgange tegen my^\ Doe sprack God: «ick ontzegge dy like **zegheden **eyner sternen **8olde, bolde, solde *»w)nne » Moesheide *»wirt **gemevneii '^weet.steet »*De. 25 Hier af reatoer nu te doene". Doe sprack die moeder tot haren zone: >Vraget hem of hy wil zeggen meer". 2470 Doe sprack die vyant ongehier* : sTote noch heb ick niet gezeit; lek aal noch zeggen wonder , God weet". Dit woert wonde* onse vrouwe ter stede Ombe die minne der menschelechede ; 2475 Doe zeide die rechter totten viant: »Doe dine sake sonder schelden te hant". Die viant track die Bible wt Wt enen sacke ende sprack overluet, Met ener groter stemmen: »nu hoert, 2480 Gy Hemele, wat ick sal seggen voert"; Ende zy zwegen alle nadat; Doe keerde hy ombe daer een blat, In den aenbeginne der werelt voert, Dat God tot Adame sprack dit woert 2485 Ende tot Eva mede: «dat zult gy weten: Van aller vrucht* zult gy eten Sonder van deser, ende op wat uren Gy daervan etet, zuldy* dat besuren Ende sterven van dode te dode". 2490 Doe sprack hy voert tote Gode: >Here, eerstwerf so vrage ick iu, Of dese woerde d^n zgn nu?" Doe sprack Maria: »nu zech* voert". Hy zeide, hy en wille niet een woert 2495 >Want ick ben in dat rike der waerheit Ende voer dengene die zeghet gereit, Dat hy waerheit is geheten; Ende daer ombe wil ick eerst weten, Dat dese woerde zgn die waerhede". 2500 Ende zy zwegen alle ter stede. [myn". Doe sprack Onse Here: >dese woerde zgn Die viant antworde: »des wil ick zgn In den gelove, ende in desen Wil ick dat sy besloten wesen; 2505 Want Adam ende Eva allene Waren in den Paradyse gemene, Ende altemale ongehoersaem gingen Tegen dgn gebot dus sonderlingen , So eysche ick , dat dyne woerde ombe dat 2510 Staende blyven in hore stat, Ende zy, ende die na hen komen dan Ewelike sullen sterven voertan; Ende wiltu dine woert verwandelen iet" ^onghehaer *wondcdc *frucbt *zole gy * zegge *icht, nicht ^Levc •wennen •Pinscn ^"onseligen So es dat proeflicke, dattu niet* 2515 En bist die waerheit, lude noch stille; Ende hierop antworde die spreken wille !" Doe sprack Maria tot haren zone: >Lieve' kint, wanen* es dese hone Ende dese scalckheit den Duvelen komen , 2520 Dat zy so vele scalcheit om dit verdomen Pensen*, om verderven desmenschen diet? Maer die Duvele, als men hier ziet. Weten wael dat den onsaligen' * troest es Gesellen thebbene , duncket my , dor des 2525 In hoere armoede , om hem dat wreken ; Sone, nu wil ick hier tegen spreken; Want dat waer es, dat du vor nu Dese woerde sprakes**, zegge ik iu; Maer een ander letter" spreket voert, 2530 Ende** hierop aldus antwoert. Die zeghet, dat loesheit ende scalchede Nyeman mogen bescudden mede, Daer men met rechte voert sal gaen; Want die Duvele, sonder waen, 2535 Daer dese voer komet , die rieden Adamen Ende Even mede, dat zy namen Den appel, die verboden was Want in den boke staet na das, Daer hy dese woerde wttrack, 2540 Dat een serpent tot*^ Even sprack Ende tot' ^ Adame , die deze dief Dese procureere in sinen brief*' Valscelike verzwiget vor dy, Ende dit waren die woerden, nu zie**, 2545 Die hy** Even dede*' verstaen: Eetdy** dese vrucht, gy siüt saen Alse iu meester wesen gescapen mede. Van deser loghene ende valschede Dat dit (serpent) doe dede den man, 2550 Al by des Duvels rade dan, [gen; So willen die viande den mensche wroe- Maer overmids dcsen ongevoegen [stede Ende oeck ombe dit poent* * zo wil ick ter Den mensche te rechte bescudden mede". 2555 Die viant zach hem bespottet zeer Van zulcker antworde , ende zeide : »Heer, Heer rechter, dese voersprekeresse** Menet aldus ontgaen mjjnre lesse; Maer niet aldus ; want , Vader , daer staet 2560 Bescreven: daer een openbaer mesdaet* * * »8prekest * *litter * *ünde de * *to * •brcyflf » *nu zy * ^86 deden **Ete gy **pont **voer8preker8che **my8daet. 4 c-.. 25 Geaciet , die gerechte rechter nochtan , Al en wroeget nyeman den sculdegen man, Hy es sculdech voert te vfierne Met ziner heerlecheit, ende niet te spaerne 2565 Metter mesdaet ende metter pinen mede Al es dat sake , dat die voorsprake zcide , Dat men mj niet sculdech Vhoeme es, Dat ick nochtan niet en lye des, Men sal my antworden van desen, 2570 Ende al waer des niet, nochtan zonde Sculdech die rechter voert te gane [wesen Met syner heerlicheit , na mynen wane ; Waerombe, want du bist gerecht, Des wil ick dan zien, nu ende echt, 2575 Of dyn name is volgende dien' , Want ick wil zwygen ende an zien* Dine heerlecheit hier an vorwaer; Want die mesdaet es openbaer Ende en behoevet gen er proeve dan 2580 Ende daer en es geen twivel an, Die mensche en brack dat gebot gereit; Nu zal ick zien dyne heerlecheit, Ende mede dat ick negene partien Houden en mach tegen Marien, 2585 So an roepe ick alhier ter stede Dine edele heerlechede". Nu wart versagot die moeder Godes Want zi ontzach haer des gcbodes. Dat die Gerechtecheit zoude gaen 2590 Hoers lieven sones overdwers saen Alse van heerlicheit van gerechtecheit niet*, Ende wort wenende over dat menschlecko Ende scoerde hoer cleder ten borsten* [diet* >Zie"*, sprack si den zone nu an, [dan 2595 »Den lichaem, die dy droech gerede, Ende die borste', die du zoges mede, Nu zie die* dy schenden degene Ende bespoegen* ende cruceden gemene, Hy anroepet dine heerlecheit hier; 2600 Also alse zeghet deze ongehier So sal dat by dinen willen wtgaen Niet by den sinen, sonder waen; Ende bidde oeck mede daertegen dy Ofte doe af wt den boke my 2605 Des levens; want negeen recht En wiset dattu nu ende echt Voert sals* gaen met heerlecheden Men, 'oert sals* gaen met heerlecheden zen * nicht » borsten, bmste *Se 'ic de 'be- Maer alse dat aenhoert diner rechtecheden- Nu zal ick zien wien du te voren 2610 Bet sals^ geloven ende horen Ofte diner moeder ofte den verrader". Dus wert die Sone wt den Vader Beroert, daer hy sine moeder sach an So wyflecke wenen, ende sprack dan 2615 Den viant an in dat pleit: » Ick ontsegge dy te hant myne heerlecheit'*. Die viant sprack doe: »vlee8ch ende bloet Hevet dy geraden, dat gy dit doet Ende niet die hemelsche gerechtecheit; 2620 Ick hadde dat wel te voren geseit, Dat my herde zwaer sonde wesen, T hebbeno des rechters moeder te desen Tegen my nu tenen advocaet". Doe sprack Maria: »du vule quaet, 2625 Wiltu iet meer hier toe versinnen ?" Hy sprack: »ick wil nu ierst beginnen Wter* Evangeliën oeck met Ende wter Scrifturen van der Wet Ende zal der rede volgen mede 2630 Overmids alle gerechtechede. lerstwerf zegge ick, dat dat recht, Dat godlicke her es komen echt, Dat zi daerinne leren die rechter* dan Als hem een twist riset an, 2635 Tusschen personen in erflecheden , Ende van anderen dingen , in dat scheden , Die gerechte rechter sal scheiden al i^eheel Gemene dinck ende geven syn deel Elcken; want gemene dinge 2640 Brenget groet twist in sonderlinge, Want die Scrifture der Waerheit fijn Orcondet my enten** gesellen uign, Dat wy syn Vorsten der werelt vry; Nochtan en zegge ick dat niet* bedj, 2645 Du en heves daer wel een deleken an , Du, almachtige'* God, nochtan, Ja, een deleken alsoe groet gesecht Als een sennep* * saet in een mudde gelecht; Ende daerombe dat, om dese twee* * woerde 2650 Myn ende Dyn, als ment hoerde. Een twist dagelekes risen mochte Xusschen dy ende my onsochte**, Almachtich God ende dine moeder met, Die voersprake der werlt es geset, spegen ^salst *l3nde op de * richters *^ande den *'fdmechtige **zenep **de88e twe *^0D8achte. 2? 2655 So begeer ick, overmids dine gerechtichede, Dat mijn deel werde gescheiden* mede , Ende alzo dat dan die mine, Dat zyn die sonden te mijnre pine Ende te mynen rechte horen toe, 2660 Ende die weldaet blyve dijn alsoe; Dit en mach ontzeggen rechter geen, Ick late wegen nu dit alleen Die al recht hevet gemaket dan". Die Sone sprack die moeder an: 2665 »Voer8prekerae der werlt, antwoert". Doe zeide Onse Vrouwe dese woert: »Dat hy eyschet hevet hy enweghe, Hy eyschet gerechte van gewege Dat lange vor nn gedaen es; 2670 En gedencket iu niet, sone, des Dat ghy dat al hebbet verdinget Al daer gy an den cruce hinget* , Alse doget der werlt in die wage Ende optie* anderside, optie ander vlage, 2675 Hinck die moerdener, hoe so dat gaet, Als zondo der werelt; dat verstaet, Sone, dat ick dy doe aensach Met droeviger* herten, op dien dach, Ende met wenenden ogen mede; 2680 Daer was gewoegen ter selver stede Met ener effener schalen die doget, Ende die quaetheit onverhoget, Ende du, die waers* die doget gereit Verwonnes* daer alle quaetheit, 2685 AIbo dattu nedervoeres* daer Totter Hellen ombe die zielen vorwaer, Ende treckedes daerwt die keytive; Ende of dan zulcke wage blive , Die vor alle die werelt feestelike 2690 Gedaen was, ende oeck hogelike, Opten'berch van Galvariën eer, So en wil ick wegen nember* meer; Maer ik houde my an dat allene , Ende en wil ander gewichte negene". 2695 Die procureere wert versaget daer zeer, Ende gaf wt een vreeslyck gebeer, Ende sprack: »tot noch so hebbe wy Biesen gestrouwet, ende daerby So wil ick trecken ten herdesten saen; 2700 Ick zie my nu allene hier staen, Als een procureere ick nu begeer» 'gescheden 'henget *op de *drovegen •de weest 'ver o — ^-o — "r — o — — — —J — — - c wonnest, nedervorcst ^op den ■nuinber •Leger, wer [ **unde den "wart * 'zunncr '"aTiscca. Van rechtes wegen iü myne weer. Enen advocaet ofte twee, desen dach, Die men my niet weigeren en mach; 2705 Ende daertoe so kenne ick dese beide Gerechtecheit ende Waerhede". Onse Vrouwe sprack: » neem ' "die gy wout" * * Hierombe wonderde** meuechfout Die Ingele, ende ontsagen** mede 2710 Sine ecalcheit, ende zeiden ter stede: »Coninginne van Hemelrike Ende oeck mede van aertrike. Met groter eren so moechdy** nu Advocate nemen tot iu". 2715 Ende zy gehoerde rades daerby; Zy zeide doe: »so kiese ick tot my Ontfermherticheit ende** Vrede". Dus wart hier een gedinge ter stede. Hot Gerechtecheit ende Waerheit degedingeden tegen Ont/emiecheit ende Vrede, Nu wort hier voert een gedinge 2720 Onder desen vieren sonderlinge; Want doe zy dus waren ontfaen , So es Ontfermhertecheit opgestaen Alse te helpene der menscheit; Ende daertegen stont op Gerechtecheit 2725 Ende Waerheit mede, ende toende ende zei- Dat men den sondaer zonder* ^ beiden [den Doemen soude al ongespaert. Ontfermhertecheit antworde ter vaert: »Ende of zi goet werden mochten 1730 Ende hem namaels dan bedochten , So zouden zy geroepen werden dan?" Gerechtecheit antworde nochtan: x'So en zal se God niet ontfaen Noch en mach; want sonder waen 2735 Die quade en soude hy sparen niet". Ontfermhertecheit sprack: »Nu besiet, Ende ofte God spaerde nyemanne dan, So en haddehyneraber'meer goeden man". Gerechtecheit antworde: >ick niet en mach, 2740 Noch en mach op genen dach, Aensicn** die boesheit van aertrike". Ontfermhertecheit antworde desen gelike, Die gracie Godes soude overvloyen Te verhevene allo venioyeu. *®nyin *'du wolt **woldendc ^'ontscgen ** moge gij 28 2745 Doe God sach dese menechfoude dingen Es hy geseten te desen gedinge; Want dese twee niet overeen En mogen comen, als dat wel sceen; Hy sprack: »het es gescreven overal 2750 Dat God (die) Ontfermechede sal Entie Gerechtecheit te gader minnen; Gerechtecheit wil dat in allen zinnen , Dat men alle sonden wreke (gelike), Ende Ontfermecheit oeck zekerlike 2755 Wil, dat alle dingo s^jn vergeven, Ende dese twee en mogen te gader niet Hierombe in enen deele die sonden [leven ; Yan den menschen zullen ter stonden, Overmids der gerechtichede , 2760 Some gedocmet werden mede; Ende overmids die grote Ontfermecheit Sal die sonde oeck weder' gereit In enen dele werden verlaten; Gerechtecheit wil eer niet maten , 2765 Si en comet in des menschen herte, Ende roepet hem' met groter begerte Ende wroeget hem" al dat zy mach'\ Doe Ontfermhertecheit dit gesach, Wederstont zy dit wel zeer, 2770 Ende zeide aldus voer Onsen Heer: » Vader, du dades' ons verstaen, Doe du die menscheit haddes' ontfaen, Wie dat gedoept* ende gelovech waer* , Ende gebichtet oeck daemaer* , 2775 Dat die behouden souden bliven; Wildy dat nu wederscryvenV" Onse Here sprack : »noch laet ik dat also"'. Des was Ontfermhertecheit wel vro, Ende sprack tegen die Gerechtecheit, 2780 Ende mede tegen die Waerheit. Dat waer onrecht, zeide onse voersprake , Dat al 80 edele creature gebrake, Entie gemaket waren na den live Hoers scheppers , dat die verloren bliven; 2785 Want daerombe makede hy hem* van minnen Ombe dat hy Hem soude leeren kinnen^, Ende als hy Hem kende soude hy dan Hem' mynnen , ende daema voertan Zoude hy Zjjns vry* gebrukech wesen. 2790 Al was dat die Inglen voerdesen Mesdaden, die hadden gebot negene *werdcu *dcde8t , haddeêt 'gedopet *weer •weer meer •cue ^kvnnen 'Eue •vryens ' "vcrdeinte * *he* * darombe Nochtan mesdaden zy met allen gemene Daerombe hebben zy haer verdiente** Maer die mensche, al verbrack hy * ' [daerbj 2795 Dat gebot, ende** wort hy sterflijck iet , Daerombe en sal sekerlyck niet Achter bliven diat die prophete Zeghet aldus in enen behete: Die sone en zal niet dragen 2800 Die quaetheit des vaders noch gewagen, Ende God en sal oeck niet vergeten Terbarmene"; dat is beheten. Oeck spreket een prophete meer. Op wat uren dat die sondaer 2805 Versuchtet ombe sgn sonden zere, lek en wil haer gedenken nembermere; Ende David doet oeck mede gewis, Want die tgt van ontfermecheden is Gekomen nu totten menschen in scine, 2810 Ende hy hevet gedoget menege pine Vor sine sonde; want in dat sweet Van sinen ansichte moest hy gereet S^n broet eten sonder waen'\ Na desen woerden es opgestaen 2815 Die Vrede, ende sprack, alse die fiere ^^, Sine suster an in deser maniere'^, Gerechtichede ende Wacrhede mede Ende'* die Ontfermhertechede : » Hoert, myne suster, hierover al 2820 Wat ick hiertoe zeggen sal, Ende gelovet my, die es een bant Der enecheden, ende niet den viant, Den verrader, zgt seker ende gewis, Die een bant alre quaetheit is; 2825 Want gelovet gy my, ick sal iu saen Proeven , dat el eken es genoech gedaen ; Want myn suster, die Gerechtichede, Die eyschet , ombe dat die man mesdede Ongeêndet, dat hy daerby 2830 Sonder ende gepinet oeck sy. Ende dit es gesciet**, want diegone'* Onse behouder'*, die Godes sone, Die'* doet anginck overmids dan Die menscheit, die hy daer nam an, 2835 Ende hem selven daer offerde mede, Over al die menschelechede Alse te losene die ewige** doet Der menscheit; ende ombe dese noet * *To irbarmene * *de fyr, manier ' • ünde ook mede' •ge- scheen '^degone "beholden '*dcn '*dcn ewigen. 2d So hadde mogelgck gewesen in *t behoeven, 2840 Dat die Ingele, die niet mogen droeven Daerombe hadden geloset mede Want die ongeënde dogedichede, God ende mensche, gepineget zyn an, Ombe die ongeêndeden sonden dan 2845 Dat iammer es te zeggen in; Ombe dit so laet dy genoegen uu, Lieve suster Grerechticheit ! Myne ander suster, die Waerheit, Eyschet dWoert Godes ende cracht, 2850 Die te blivene in hoere macht; Die dus ztjn: op wat uren gy etet' Van desen houte so suldy, wetet*, Sterven ; ende hieraf es genoech gedaen ; Want die mensche, sonder waen, 2855 Voer der souden so en hadde hy niet Den lichame sterflyck (iet) , Ende overmids die sonde so wart hy Sterflyck ende mede daerby So wart hy tot asschen, als wy zien' 2860 Dagelekes overal gescien'; Want sonde men pinen nu ten stonden Twivoudelick van hoeren sonden Dat waer, suster, tegen dy* mede; Want du hetes* Waerhede. 2865 Nu moet haer oeck genoegen laten Mgn suster Ontfermecheit ende gematen ; Want God hem hevet ontfermelike Laten pinen ende oetmoedelike Ombe te behoudene den mensche voerwaer, 2870 Ende hierombe, of elk daer naer Van iu drien hier hevet ontfaen, Ende hem van rechte aen sal gaen, Dat^ te sinen name dan beheert, lek, die Vrede ben, rade dan voert 2875 Wel, dat Vrede werde ter stede, Ende hierop spreket David mede, Dat die Ontfermecheit ter stat Entie^ Waerheit, die was tegen dat Een wedersake* haer* genomen, 2380 Z^jn aldus te samen komen Ende droegen overeen aldaer, Ende die Gerechticheit oeck daernaer, Ende die Vrede, op dit beheet, Ende onderkusseden hem al gereet; 2885 Ende om desen ^* vrede oeck mede ^eten * moten 'teen, gescheen ^men ene *de * hei- test ^Uade 'tegen *er '"dessen * 'geschieden ' 'althenne Die procureere aller quaethede Is omblyde van daer gescheden^\ Ende bleef altoes voertan in veden Op onsen getrouwen advocaet; 2890 Ende noch al tenen'* die vede staet Ombe ons te brengene te haren ^* slike; Ende hierombe souden wy gemeenlike Wy, Even kinder, aenroepen'* haer, Die zo krachtelike in der weer 2895 Was, ombe onse misdaet groet; Zy es onse voersprake ter noet; Ende ombe dit, edele maget vry, Dat negeen dinck so groet en sy, Gy en hebbet daer een verdingen an, 2900 So moety'* ons allen verdingen dan. Hoe tUe DuveU vUierden^ hoe zy enen man Mochten maken, Alse Masceroen t^er Hellen komen es, Ende zy die waerheit weten des, Dat hy den pleit hevet verloren. Hadden zy des alle groten toren 2905 Ende visierden enen anderen raet. Doe zeide een Duvel herde quaet: » Mochten wy enen man gemaken, Ende hy dan konde al onse zaken, Also alse wy macht hebben des, 2910 Dat wy wel weten dat geleden es'^; Hadden wy dergelycke enen man, Ende die metten lieden waer dan, Ende die dan zeide sonder liegen Dat gesciet" es, hy zoude bedriegen 2915 Vele liede ende verraden, Als ons die propheten daden, Doe zy spraken van Onsen Heer, Ende wy des en wisten min no meer; Aldus zonde diegone** weten 2920 Alle die dinge die zgn vergeten, Ende waer dat hy dit vertelde, Menech waer die hem daeran helde'*. »Proevet", zeiden zy * •, » wat groter vromen Ons van hem mochte komen 2925 Die sulken man mochte maken, Men zoude geloven al zynre zaken Ware t** dat hy waer**, sonder waen". Doe sprack een ander Duvel saen: 1 a to eren '*anropen '•mote ''myt den laden '*is ''gescheen ' 'degene "zegeden ze "weret, weer. 30 >Ick hebbe* die macht van deaen zaken, 2930 Dat ick wiven mach genaken; Had ick se te mincn wille Ick weet ene, die lude ende stille Gaerne doet al mijn gevocch". »A1 waerdy niet, men vinter genoech 2935 Die nemen kónnen mans gelijcke Ende wandelen met vrouwen bemelike Macr men moet bemelike konnen'\ Aldus hebben zy des nu begonnen Enen man te makene, die al 2940 Hoer' behcndecheit leren sal Ander lieden* achter lande. Sj meenden , dat dit God niet en kande. Aldus 80 quam die Duvel an, Te maken alsoe enen man 2945 Die zynen zin ende sine natuer Weten zoude wel totter kuer* Ombe* krigene Godes hantgewerke. Nu proeve ick wel ende merke, Dat zj waren berde zot, 2950 Zy en dachten niet dat God Haer saken al vernam. Nu mogewy zijn berde gram Dat dus krancke dinck ons boent. Alse die Duvele dus hadden gecroent, » 2955 Leiden zy daeran hoer gedochte». Die gone die zeide, dat hy mochte Met wyven doen al zynen wille, Makede hem enwech berde stille, Ende quam daer by ene vrouwe vant 2960 Te sinen wille al te bant; Van allen dingen die zy helt. Gaf zy den Duvele die ene helt»; Hoer man die en was niet daer, Die like was, dat es emmer waer, 2965 Van lande ende van groter have Was hy riker dan menich Grave; Drie dochter hadde hy ende enen sone; By der vrouwen hadde hy degone, Daer Sathanas an hadde syn deel, 2970 Sathanas (en) pensede ombe geen heel Maer ombe der vrouwen scade. Doe* quam hi te haren rade, Ende vragede, hoe hy honen mochte Haren man. Ene wile zy dochte*, "Fransch: ge nai muf pooir; doch Maerlant keerde dit blijkbaar om; zie 2966 en v. *er 'laden *to der kur •Oxnb€ to "gedarhte 'hclfiFt •Doch •dachte **ver- 2975 Doe zeide hy: »du zalten vererren**, Dat zaltu wel doen sondcr merren*', Hy en sals hem niewet** hoeden, Hy en sal hem moyen ende verwoeden, Nemestu dat ick dy op gaff". 2980 Doe keerde Sathanas daer af, Ende ginck aen des mannes quickgenoet , Ende sloeges hem berde vele doet Alse die berden** dat versagen**, Hoe hoer beesten doet lagen**, [heer; 2985 Hadden zy des wonder, ende zeident den Doe wart by hem** m oy ende berde zeer , Ende hadde wonder wat hem waer; Den herden** vragede hy des aldaer Wat den beesten waer geschiet. 2990 Zy zeiden, zy en wistens niet; Ovele behaget den manne das. Ten iersten dat dit wiste Sathanas, Dat die man dus was vererret. Was hem dat lief, endo hy en merret 2995 Niet langer, hy en dade hem scade An sinen vee, vro ende spade, Dat hy hem moyen zoude te meer, Ende hy hem tot zynen wille keer. Doe sloech by hem tien paerde doet; 3000 Des hadde die man den rouwe so groet, Omdat z^n goet dus wert testoert. Dat hy sprack een verdomet woert, Daer hem die quaetheit toe dreef: Hy gaf den Duvele al dat daer bleef. 3005 Ten** iersten doe dat die Duvel wiste, Was hy des blyde, ende en reste Hy en dreef hem noch te meerre noet: Hy sloech al zine beesten doet. Dus dede hy zine quaetheit vervullen, 3310 Ende den man wel zeer verdullen. Doe Sathanas wist dese dinck Dat hy buten allen lieden*^ ginck, Wist hy wel dat hy volbrengen mochte Al dat hy te hemwaert dochte*; 3015 Doe doede** hy hem zinen zone, Daer allene sliep** diegone; Des morgens als men hem vant doet Hadde die man den rouwe** so groet. Dat hy al sonder hopene was, 3020 Ende z^n gelove, zp zeker das, viren **myrren **nuwet * 'heerden **ver8egen, legen **8ich **ton * 'laden **dodede ** sleep * •rouwen. 31 Wart hem zere gekrencket also. Des wart die Duvel herde vro, Want hy den man hadde gevangen, Dat hy hem niet en konste^ ontgangen. 3025 Bechte doe dit al was gesciet, Ginck hy tot haer die dat al gerief, Ende dadeze staen op ene kiste; Ene line dade hy haer, met liste, Aan den balken vaste knopen, 3030 Enen strick, die toe mochte lopen, Dade hy aen haer kele dwingen, Ende dadese van der kisten springen. Aldns soe bleef dat w^f verdaen. Doe die man dit hadde verstaen, 3035 Ende hy verloren hadde zijn goet, Wjjf, ende kint, doe wart zjn moet So bedroevet ende so gram. Dat hem toe een ziecheit quam, Daer hy af starf van rouwen. 3040 Aldus, 80 moget gy my vertrouwen, Hevet die Duvel man ende kint. Die hy te sinen dienste* vint. Sathanas was blyde van der daet. Doe visierde hy enen nyen raet, 3045 Want daer waren dochteren drie*, Hoe hy geroven mochte die* ; Hy wiste wel, zoude hy se honen, Hy moste se waer mede sconen, Ende mede oeck hoers* willen doen. 3050 Daer was een scone gartsoen Die vele zines willen dede, Dien leide Sathanas totter stede, Aldaer die joncfrouwen doe saten. Die ene vryede hy wtermaten 3055 Ende bat haer vele ende loech, So lange dat hy se bedroech, Ende sy dede dat hy haer bat; Entie^ Duvel was vro om"be dat; Ende als hy enige dinck voldrivet, 3060 Hy en wil niet dat verholen blivet; Opdat hy des te* boven zij , Hy wil verre ende oeck by. Dat dat werde maer* achterlande Ombe te merene des menschen scande. 3065 Dus openbaerde hy daer hoer zonden. Dat was zode in dien stonden, ^konde *gereet 'denste *dre, do •waer 'orea 'Unde de "de •meer *®er **ïon eirsten **wart * ■gerichte **Doe **de *• kenden *'zeet **vromde So wat wyve so misdede, Sy en waer gemene in eiker stede, Dat zy verboert hadde hoer»" lyf. [wgf 3070 Ten iersten» » wort» * dat kondech onder die So lange dat dat quam vor dat gerechte» •; Doe so»* quamen des rechters knechte, Eüde hebben dat jonge wjjf gevangen, Maer die knape es hem ontgangen; 3075 Doe wort»*sy brocht vor die»* man; Sere hem des erbarmen began, Want zy hoeren vader kinden»* Dien zy alle sere minden, Ende zeiden : »ziet» ' hier vremde» * dinck , 3085 Hoe dat desen goeden manne mesginck. Die des iongen wives vader was, Niet vorlanck en was noch das. Dat men binnen desen lande Negenen rikeren man en kande; 3085 Nu hevetsy verboert dat leven; Maer doer»* haer goede neven Sal mense graven hemelike. Dat hem God bezwike Sathanas den Duvel! Hy onteert 3090 Aldus diegene die hy verkeert. Nu was een heilich man in dat lant Die dese dinck al ondervant, Hy troestede die joncfrouwen. Die hy vant in groten rouwen , 3095 Ombe hoer sonderlinge mesval. Hy ondervragede die saken al Beide van vader ende van moeder*» Ende oeck van hoeren broeder*», Ende hoer** suster ongeval. 3100 Zy zeiden: »Wy en konnen dat al Gemerken, hoe** dat ons gevalt". >Dat es rechte dulleke gekalt*', Antworde daerop die goede man, »Want God nyeman haten en kan; 3105 Hem es leet, dat ieman hemselven slaet**, Ende zjjt des seker, dat dit quaet** Van groten sondon es gesciet; Ende van uwer suster dat verdriet Wiste gy iet** dat gesciede also''? 3110 »Also make ons Jhesus vro Alse wy des en wisten min no meer". Doe antworde die goede heer: »*dorch *®hillich *»moder, broder **erre *"we **sleit '•de quaetheit **icht. 32 >Hoedet iu van zondeleken daden*, Zy brengen den mensche in Bcaden 3115 Ende doen hem lasterleke sterven; Want die altoes ombe zonden werven, Sterven gaeme quader doet". Die goede man zeide hem ende geboet Menech* goet woert, sonder waen, 3120 Opdat zj dat wei wonden veretaen. Die oudste' zuster hoerde daer wel naer; Entie goede man, dat is waer, Sprack hem vele van Onsen Heer, Entie oudste' pgnde hoer zeer 3125 Ombe te doene dat hy haer vraechde^. Hy sprack: »wildy geloven, maechde^, Daeraen, dat ick iu sal leren, lek sal iu minnen tot uwer' eren, Noch iu en geschiet nemmer* die noet, 3130 Noch te ^ zake gene zo groet. Nu en mistroestet iu niet so zeer 6y der hulpen van Onsen Heer, Ick sal iu berde wel beraden, Doet dit, dat en sal iu niet scaden 3135 Want ick en wone hier niet verre' Doet, gy en werdet des nemmer erre'\ Ten iersten dat hy ze hadde gewiset Enten* gelove aldus gepriset, So ginck die goede man van daen. 3140 Die oudste' hilt haer vast daer aen; Zy hielt haer aen den predicaer** Al zgn doen bequam wael baer^^ Ende als die Duvel dit vernam Wort hy des wtermaten gram 3145 Want hy meende se*' hebben verloren; Al leide*' hy hoer iet te voren, Hy ontsach dat dat niet en diede, Dat en waer of dat enech wyf beriede ; Nu hadde hy ene, die zine sagen 3150 Dicke wile hadden gedragen* \ Dier zeide hy dit te gener stede. Nu hoert wat die quene dede: Si nam die ionge tenen rade Ende vragede haer wat zy dade, 3155 Ende of zy der suster iet hadde waert. Si antworde doe ter vaert: »Ick wane, ick goedes rades behoeve, M|jn suster is altenen droeve, ^saken ^Manich 'oldeste ^zegede, megede ^touwen 'nomber 'Noch de •vere •Undeden *®prediker **wal er ^'desse **legede '^Het Fransch heeft: ilenavoit Ende so gram ende so zuer 3160 Ombe onse quade aventner. Dat ick des hebbe groet ongemack. Een man, die tot haer sprack Van Gode, die hevetse soe bekeert, Dat zy doet dat hy haer leert". 3165 Die quene sprack: »also lange Als ghy z^t in hoeren bedwange, So en gesciet iu nimmermeer vrome Van lichame, hoe dat kome; Maer mochty * * die lustecheit bekinnen* *, 3170 Die die vrouwen hebben als zy minnen, Gy zoudet*' luttel prysen dat goet; Hadde gy die lustecheit in uwen moet, Die komet van mannen, zegge ick iu, Gy zoudet** daerby vervrouwen nu. 3175 Wat es scoenre ende soeter dan minne? Dit zegge ick doer iu, vriendinne. Al hadde gy aldus dese werelt groet, Nochtan voerdy*' bet waerdy*' doet, Gy en wetet niet wat blyscap zg , 3180 Ende ick sal iu seggen waerby: Iu suster es onder dan gy zjt, Ende zy sal t eerst doen hoer deiyt, Aldus zy dat iu verbieden sal , Ende sal uwes vergeten al; 3185 Dus ziildy van uwen sconen live Die blyscap verliesen, keytive!" Si zeide doe: »ick en dorst niet ane gaen Dat gy my hier nu doet verstaen, Mjjn suster bleve daerombe doet". 3190 »Tu suster doet nu domheit groet Ende zi hevet nu quaden raet; Gy Bult doen dat daertoe staet, Ende doen al dat iu l^jf begeert, Ende zjjt der doet al onverveert". [treken , 3195 »Ick en weet niet", zeide zy, »vande8cn Ende en dar iu nu niet meer spreken Ombe myne suster; nu gaet henen", Zeide die maget totter** quenen, »Maer anderwerf als gy hier komet, 3200 So moochdy * * my spreken dat iu vromet". Alse dit wiste die Duvel al, Was hy vro ende wiste wal Te zinen wille hebben diegene; Als en wech was die quene /. qui avoit fait mamtet foU a sa volente et ftites seê oeurei', ^'mochte gy ''bekennen ^'zolden '•voer gy, weer gy *»daer »®tot der **moge gy. 33 8205 Pensede hy ombe hoer tale; Die Duvel merkede dat gene wale, Dat zy beroert was te zinen wille; Ende daer zy allene was stille , Sprack zy daeraf in hoeren zin; 8210 Ende doe stack hy.dat hoer noch vaster in. Te hant daerna, eens avents spade, Zat zy in boere kemenade Ende besach hoer scone lede, Ende zeide: »ia, es dat waerhede 8215 Dat my zeide dat vroede w^f , Verloren is mijn schone l^f'. Dat oude wgf «dede zy halen Zy zeide te hant: >van uwer talen Weet ick die waerheit al gemene; 8220 M^n suster gevet ombe my wel clene'\ Die qnene zeide: »dat wiste ick wal, Zy zoude iu noch haten al, Hadde zy hoers willen bet een deel, Wy en zgn^ gemaket ombe geen heeP 8225 Dan ombe te hebbene man". Die ander zeide: »ick quame' daer an Maer dat ick'ontsie die* doet". Die quene zeide: »cleine no groet En dorret* gy die* doet onteien*, 3230 Maer wildy^ uwe suster vlien*, Wildy^, ick zegge iu wat gy doet". Die ander zeide: >wat iu dunket goet Wil ick doen, groet ende clene". Die quene sprack: >so z^jt gemene 8235 Allen mannen zonder merre Ende vliet dan uwer suster verre*; Dus moechdy* doen dat gy begeert, Ende niet en zjjt der doet verveert, Dat men iu daerombe doet enige ande, 8240 Dus zgt gy buyten* uwer suster bande Nochtan sal wel na desen Een goet man blyde wesen Iu te trouwene*® doer iu goet. Lieve minne, aldus soe doet, 8245 So hebdy** uwen wille al". Die ander zeide: >ende ick sal", Ende vloe van hoere suster dan** Ende wort gemene allen man** By den rade van der quene. 8250 Vro was die Duvel ombe datgene *8int *heyl 'qneme ^ontsee den *dorvei 'wille gy •vlecn, ontseen •verc, moge gj •buten *®trawene >>hebbegy "daDucn, mannen ^ 'oldestc suster *^dro- Dat zy aldus was gevaen. Alse dit die oudste*' hevet verstaen Ginck sy te hant totteu goeden man. Die ze te voren leren began, 3255 Sere droevich**. Doe hy ze sach, Vragede hy wat hoer wesen mach*'. Hem ontfermede van hoeren rouwe Ende sprack: » zegent u, jon cf rouwe, Ende bevelet iu Onsen Heer, 3260 Gy zgt beweget berde zeer". >Dat es recht, dat ick hebbe toren", Zeide zy, »want ick hebbe verloren Mine suster, want zy es gemene Allen mannen, groet ende clene". 3265 Doe zy dit sprack, doe wort hy erre**, Hy zeide: >ick wane, die Duyvel merre Noch onder iu, dat doncket my, Ende hy en laet iu nemmer*' vry Eer gy gehoent zijt alle gader, 3270 Ons en helpe Jhesus, Onse Vader!" »Ach, Here!" zeide zy*', » heipet mybe- Hoe dane wy s ick my sal hoeden : [vroeden Van den Duyvelehebbick** groten vaer". Die Here zeide: >ick zegge dy waer, 3275 Wiltu volgen al mjjnre tale, Ick sal dy behoeden wale". »Ta ick",- zeide zy, » altenen" gader". a^Gelovestu dan aen den Vader, Aen den Sone, aen den heilgenG^eest**, 3280 Ende daeraen oeck alre meest'*, Dat één God zjjn dese drie**, Ende dat die zone ombe dy, Ende ombe ons allen gemeenlike, Hier neder quam op aertrike 3285 Ombe dat hy ons soude behouden*', Ende alle die hem dienen wouden**, Ende an die gebode der heilger keiken. Ende dat hy papen ende clerken In aertrike hevet gelaten 3290 Die ons wisen ter rechter Wiltu hieran geloven al?" »Ia ick, Here, groet eode Alzo gewaerlick als ick Bidde ick Gode, dat hj 3295 Van Satbanas befaendccè Die Here sprack: xiü m wil gaat !• vich **wat er * 'hebbe ick*»» "beholden »» i« sa xs in 34 Ende ick bidde iu tot alre hoede Dat gy iu hoedet van tomen moede, Ende gy niet gram slapen en gaet; 3300 Want dat es dinck, daer sjjn baraet Die Duyvele vele in gewint, Alse hy die liede toemech vint. Hierombe boededy alstu bist erre, Dattu my zoekes, ick en ben niet verre 3305 So wat moyenesse dattu hevos Zie, dattu dy sculdecb goves Gode ende sinen vrinden toe Ende my priester, ende dan doe Alstu gaes* slapen ende opstaes 3310 Dattu* een cruce vordy slaes In die ere der Drievoudecheit , In die ere des cruces, daer Cristus menscheit Ane starf omb onse noet, Ombe ons te losene van der doet; 3315 Doestu dit, in gener staden So en macbdy die Duyvel niet scaden; Daer du sals slapen, daer bout lecht. Die Duyvel hatet dat , ick zegge t dy echt , Want hy scuwet die claerbeit zeer. 3320 Doe dese dinck, wat zuldy* meer?" Aldus leerdese die goede man; Herde sorge leide hy' daran, Datse die Duyvel niet en soude scenden ; Doe liet hy haer des genenden 3325 Dat zy te huys doch dorste keren; Zy zette haer totten dienste Onses Heren. Oetmoedech* was zy jegen die armen. Goeden lieden* began des ontbarmen , Ende zeiden aldus totter joncfrouwe: 3330 »Dat gy drivet dus groten rouwe Omb uwen vader, omb uwe moeder, Omb uwe suster, omb uwen broeder. Die gj oevele hebbet verloren; God late iu goeden raet verhoren: 3335 Gy hebbet noch so scone goet, Menich goet* man set sinen moet Ombe iu te wive te ontfane; God brenge iu ten besten daer ane". Aldus twesten zy zo menich werf. 3340 »God geve my dat my bederf I" Sprack die joncfrouw dan daer naer. Aldus was zy wel twe iaer, Datze die Duyvel niet mochte scenden 'Als du gaest, dat du *8aldy 'Erde sorge legede *Octmodicli •gueden ludcn •manich guct 'er or Noch in genen sonden venden; 3345 Dat was hem wtermaten leet, Hy wiste oeck dat wel gereet. Dat hy ze daer af oeck niet en keerde Van dat haer hoer biechter' leerde. Hy en mochte se gemaken gram. 3350 Met dien hy haer suster nam, Ende bracht ze op enen saterdach Daer die ander toe gesach, Ombe dat hy se woudc toemen doen; Haer volghede menich quaet gartsoen, 3355 Dat en was den avende niet verre. Als sy' ze sacb, wort zy erre; Zy sprack: »al80 lange als gy dit leven, Suster, niet en willet begeven, So en kornet niet meer te deser* stede, 3360 Gy doet my daer laster mede, Des ick wael ontberen mochte". Die ander zeide, dat zy dochte, Alse daer die Duyvel rastede in: »Gy zijt erger dan ick bin; 3365 Iu confessoer es iu poytier, Wistet*' dat volck dat wonet hier, Gy zout** daerombe ontlivet wcsen''. Die ander wart toenich van desen , Alszy haer zeide desen orlof. 3370 » Suster'*, zeide zy, »rumet minen hof!" »Ick en rumet niet , also wel es dat mgn", Sprack die ander du, »al8e dpn". Doe woude zy se wtstoten met cracht^ Die ander wort haer herde onsacbte, 3375 Ende die portier sprongen se ane Ende meshandeldense met slane ; Die ionckfrouwe, eer zy hem ontbrack; Hier af quam haer groet ongemack. Ombe dit was die Duyvel vroe. 3380 Ten iersten*' dat die ioncf rouwe on tfloe , Liepsy in die kamer vaste, Ende sloet die dore tegen die gaste. Haer cnape ende haer ioncwijf, zy twe, Waren in den huis ende niet mee; 3385 Doer hen en lieten die ander*' niet, Zy en daden* ^ ze dat hem riet Die Duyvel, hoer leidsman**. Die hem al quaetheit brachte an. Oeck en liet die ioncfrouwe niet, 3395 Zy en dogede allcne haer verdriet , bychter "Alse so 'to desser * 'Wiste dat ** holden **To eirst **audercn ** deden **er leydes man. 35 Ënde lach op haer bedde in haeren clede | Ënde wenede zere, ende gerede Alsse die Duyvel dus sach allene Sere vererret ende in wone, 3395 Ende nacht was, doe sprack syn raet Datsy waer wel begaet; Zy gedachte hoerre* moeder Ende hoers* vader ende hoera* broeder Ende daertoe hoerre' snater beide; 3400 Zy weende ?an rouwe ende van leide, Sodat zy al te male vergat Te doene, dat haer die here bat, Hoer confessoer, dat hi hoer beval. Dit soe merkede die Duyvel al 3405 Ende was wtermaten blyde; Hy sprack: »nu en leest' zy hoer gctyde, Zy es buyten der hoede van onsen Heer Ende buyten hoeres* meesters leer'". In deser quaetbeit wort zi in slape al soe , 3410 Dat zy haer niet en zegende doe; Doe zeide die Duyvel: »nu mach men Herde wael maken onsen man*\ [daeran Hoe Merlijn gewonnen wart, ende daema hoe hy geboren wart. Nu hoert voert die aventure. Die Duyvel die eerst zeide ter ure, 3415 Dat hy met wiven wesen mochte, Doe men hem dese bodescap brochte, Was hy wel gereet tot haer* daer, Ende daer si sliep lach hy met haer Ende wan een kint aen haer saen; 3420 Zy wart in wake, sonder waen, Ende dachte ombe hoers meesters tale, Mittien zegende zy haer wale, Ende zy riep: »Sancta Marie, Wat is my gesciet, ach ende wi»! 3425 My doncket, ick bin in arger dinck Dan doe ick te bedde ginck! Heipet, Maria, moeder Onses Heren Biddet uwen sone, dat hy weren Myne ziele moet t^r goeder stede, 3480 Ende hy mynen lichaem bevrede Van den quaden bosen viant!" Doe stont si op al te hant, *orre "ores 'lest. Het Fransch heeft alleen: or ed cette bicn afomee et fors de la garde ^ enz *to er ^achestefie * mende ene 'vant ene 'geen man •woert *®ute den huse ^'Fransch: sitost com il fu tor Dtna- Ende zochte den genen die haer dat dede , Zy meendene' vinden teneger stede; 3435 Die dore, dat was wonder groet, Vantsi besloten als si ze besloet. Doe ginck si in allen hoecken Beide tasten ende zoecken Ombe dien, daer haer dat was af gesciet; 3440 Maer zy en vanten' altoes niet. Doe dachte zy wel, datse Sathan Hadde gehoent ende anders nieman* ; Zy wort* droevich ende riep zeer: •Genade", sprack zy, » lieve Heerl 3445 Dat ghy den Duyvel niet moetet gehengen. Dat hy my te dier scanden moet brengen !" Die nacht ginck heen , ende dat wort* dach, Sathanas die zjjn beiach Met hoere suster hadde voldaen, 3450 Dadese nu wten»« huyse gaen Ende haer portier alte male. Die hem gedient hadden wale**. Ende doe zy enwech waren gegaen, Die ioncf rouwe quam also saen 3455 Wt hoer** kameren, ende tehant Riep zy daer doe haren*' seriant, Ende hieten ombe twe vrouwen zinden Datsy daer quamen se** ge vinden, Haer te soeckene den goeden heer. 3460 Doch quam zy daer met groten seer. Doe se die goede man versach Vraeghde hy, wat haer wesen mach*', Want hy sach horen sin verseert: »Here", zeide zy, >ick bin onteert; 3465 Met rechte es my dat herte seer, My es gesciet**, dat nie eer Wive en gesciede dan my! Ombe raet kome ick nu te dy.' 6y zegget, dat so groete zonde 3470 Geen mensche gedoen en konde. Spreke hy des biechte ende waer t bem leet, Ende hy dan daermee dede gereet Den raet van zynen confcssuer. God vergevet hem op die uer; 3475 Here, ick hebbe zere mesdaen, Ende dat zuldy wel verstaen, Dat my gehoent hevet die viant". Doe zeide zy hem al te hant bles en remena sa fame quant ele ot bien fait ce pourquoi illot amenee. **ore **eren **qnemen wol- den ze **wat er was *'geschieu. ^6 Van hoerre auster, hoe zy daer quam, 3480 Ende hoe zy daer ombe wort gram , Ende oeck hoe zy was teblouwen , Ende hoe zy van groten rouwen Ongesegent sloet die dore, »EndQ vergat al dore ende dore 3485 Die leringe die gy my tonet; Des hevet my die viant gehonet Ende genomen myne reinechede. lek doerzochte tot eiker stede Mine kamer, ick en vant daerin 3490 Man nochte W)jf, meer nochte min; Die dore was besloten wal, Ende ick en wiste niet al Wat dinge dat my quam te scaden; Here, des biddick uwer genaden 3495 Of ick die doet daerombe kiese Dat ick die ziele niet en verlicHe". Die goede man, die hoerde haer zeer. Hem verwonderde des ie lanc ie meer, Ende hy en geloefde des niet een woert; 8500 Want hy en hadde des nie gehoert, Ende hy sprack: »die Duyvel es in dy Entu bist des^ vol, dat doncket my: Wat penitencien zaltu ontfaen Dattu my logene does verstaen; 3505 Nie en was in der werelt* wyf Dan met manne, sonder bl^jf, Zy en hadden getastet of gesien Den man daer haer dat mochte af geselen ; Hoe wiltu my gelovich maken 3510 Dat dy gesciet z^jn dese saken"? Doe antwoerde dat truerige wijf: >Al8o behoede my God mjjn Ijjf, Als ick iu waerheit doe verstaen". Die goede man antworde saen; 3515 »Es dat waer, dat wert ons beiden kont, Macr du heves dy zere besont, Dattu niet en dades dat ick dy hiet' ; Hierombe en saltu dat laten niet. Du en sals vasten des vrydachs^ 3520 Also lange alse du leven machs, Ende van den kevesdome doe* dan, Des ick geloven niet en kan Dat dy dat also gesciede, *der 'werlde "heet *den vryedach »do •Fransch: d€ ce que ge ne te eroi mie que tu dia de la lujture me coHVumt il que ge te doigne penitance si tu la viaus prandre. ''hiet 'komest 'to der hilgen Penitencie, die ick dy gebiede 3525 Es dat sake dattu machs"'. Zy zeide doe: »na m^ure macht Wil ick doen, dat gy my heet^'\. Hy sprack: »God helpes dy gereet! Du komes* hier Gode te genaden 3530 Ende totter heilger* kerken te raden, Die God kochte met sinen bloede, Dat was met enen dueren goede. Dat es** gewarege bichte, Was dat by dage was dat by lichte", 3535 Also alse die dinck gevel Dattu also seides ende niet el, Ende du does dat men dy raet*\ i>Here'\ sprack si, val dat daertoe staet Wil ick doen al dat ick kan'*. 3540 »God helpes dy , lieve !"" sprack die man, »Es dat waer, dattu my does verstaen, Ick hope du zaldes" wel ontgaen'\ »Also gewaerlyc**, sprack echt dat wgf, »So moet my God behoeden dat l^f, 3545 Als ick iu waerheit doe*^ verstaen. Die goede man antworde saen: >Du sals doen al mynen raet Ende scuwen meer voert al quaet". >Here'', zeide zy , »dit es al waerhede**. 3550 »So vertye'* dan voert unkneshede'^ Sprack die man, »ende des en laat niet, Sonder dat slapende gesciet". ]>Ick doe, Here", sprack die ioncf rouwe , >»Nu weset mjjn borge getrouwe, 3555 Of ick doe dat gy my heet*', Also wel alse ieman die men weet, Dat my God vergeven sal, Here, hieraf myne mesdaet aV'. Ene discipline gaf hy haer daer, 3560 Ende sette haer penitencie zwaer. Die nam zy wenende ende met trouwen Als een*', dien zine souden rouwen. Hy zegende se met goeden zinne Ende leerde haer Onses Heren minne. 3565 Hy dachte, hoe*' dat wesen mochte, Dat zy hem te voren brochte; Hy dachte, dattet** die Duyvel dede. Doe leide hy se tener*' stede, 10 was; in *t Fransch: ce eet voire confeêtiom *«hict **nachte *'leve * 'zoldes **do **vortye *'enen **wo **dat dat **to ener. 37 Daer hy ze drinken dede wywater. 8570 >Nu moet dy zegenen", zeide hy, *Pater Et Jüius et sanctum flamen^; Nu drinck in dien name. Amen\ »Nu denck", zeide hy, »pmb die gebode Die ick dy geleert hebbe van Gode, 3575 Ende alse du moet hevea, kom tot my'\ Hy zegende se, ende doe zeide hy: >Gaet tot Gode, ende al dat goet Ende die aelmissen, die gy doet, Sette ick iu voer uwe zonden". 3580 Dus ginck zy, ten' zei ven stonden, Ende leide een heilich' leven. Die yiant sach, dat zy begeven S^n doen (hadde), in dien^ gebaer Alse of zy sonder zonde waer. 3585 Des wort hy wtermaten gram. Metiien die tgt so verre quam Dattie vrucht in hoer wies* Ende die lichaem hoer opblies, Sodat dat volck wort gewaer 8590 Ende zeiden doe tot haer: »Joncfrouwe, gy dicket nu zeer*'; Zy sprack: »danck hebbe Onse Heer"! Zy zeiden: »lieve*, by wat man' Hebdy* dat kint ontfiuigen dan'?*' 3595 So helpe my God wt aller noet Also ick des en weet cl ene no groet!" »Hevet dat volck gewesen met iu alle gader Dat gy niet en kennet den vader'*? Zy zeide : »so moet my die Godes kracht^ * 3600 Nember*' van deser** dracht My verlosen, of ick ie man , Met tastene ofte met ziene, gewan My 80 na met zulken zaken, Dat hy my met kinde mochte maken"! 3605 Zy zeiden haer doe ende spraken: » Lieve minne, met desen saken Ën gesciede dit nie^' vrouwen; Wie sal iu des getrouwen? Goet es dat te ziene'^, dat ghine^* mint 3610 Dien^*, daer gy af draget dat kint, Dat gy des niet en wilt openbaren Maer dat es^' scade twaren, ^Fransch: la moine la ou leiue beneaite estoU, ii fan fail boiofe en non dou F era et tlou fil et dou saint eeperit. 'ton *billich ^in dene, Fransch: et quant DeiabUê vit quillot perdtte et quil ne savoit que ele Jaitoit ne que ele ditoit f ie qtie te ele eui nul or CMtc tien *wes 'leve 'manne *Heb gy 'daniie Dat daer iu ombe te^* stervene steet Ten ieraten alse dat die rechter* • weet". 1615 ^Faiae de moi Deus son plaiair"**, Sprack die ioncfrou, »hy vint my hier, Maer also behoude my God m^n leven Als ick en weet wien** dat kint geven*\ Die vrouwen hielden dies hoer spot, 3620 Ende achiedendane ende zeiden: »weteGod, Iu scoenheit ende iu acone gelaet Ende iu simpelheit ea worden quaet, Want gy hebbet dat nu al verloren". Dat atont haer so , zy moest** dat horen; 3625 Des was hoer herde wee*' te moede, Zy zochte raet alse die vroede, Ende ginck te haren confessuer, Ende tellede hem hoer aventuer. Wat die vrouwen tot haer zeiden daer. 3630 Die goede man wort wel gewaer, Dat zy droech levendich kint; Hy sprack: »ia, en hebdy *^ niet sint Gelaten van dat ick iu hiet"? j>Here", sprack zy, sneen, ick niet". 3635 »Gesciedet", zeide hy, »iu niet meer Dat wonder dat iu gesciede eer"? »Here", zeide zy, sdat en es mygesciet Maer eens , daer my af koemt dit verdriet. Des wonderde den goeden man; 8640 Ende zy bescreef die wise dan Ende die nacht, dattet hoer gesciede**. Hy sprack: »van den quaden diede Laet die tale algader gaen, Ende weest*' des zonder vraen; 3645 Zegdy*' my waer, wetet dat te voren Alse dat kint wert** geboren. Zal ick die waerheit weten wel** Hope ick an Gode, anders ny man el**; Es dat waer, dat gy my doet verstaeu 3650 Gy zult'* der doet wel ontgaen; Wat wonder es dat, al hebdy'* vaer, Alset" vor dat gerechte wert opeubaer , Zullen'* zy u willen ontliven Ombedat iu goet hem zoude bliven; 3655 Maer ten iersten dat gy zgt gevaen, So doet my dat met enen bode verstaen , *®crafil **namber ^'desser *'iiy **to zene **eiie «il '•Den *^i8 **to **de richter '•omplaaier •*wcn **moste "'harde we **hebgy **schert verdrcet "er geschede *^weset "seggegy **wirt ••wal, al '"xoleu ** hebbe sy "Alse dat ■* Solen. 38 lek sal iu helpen, eude geven iu troest ; lek weet wel, gy werdet verloest Van Gode; ja, zyt* gy zulck van binnen 3660 Als gy my buyten doet bekinnen; Gaet te hiiys ende weest zonder sorge, Doet wel, ick ben hieraf iu borge; Een goet leven doet sterven wal**. Zy ginck te huys ende dede al 3665 Dat beste dat zy moehte. Met dien qnam daer gerochte Vor den reehter van den dinck . Schiere hy die ioncfrouwe vinck. Men brochte ze vor die sehepene dan* 3670 Ende zy ontboet dat den goeden man* Die hoer te radene plach. Hy quam daer op ten* selven daeh; Met dien quam daer die rechter na ; Die liede zeiden*: »Here, hoert ons na; 3675 Dese vrouwe zeght, dat zy van man Nie negene seult gewan". Hy zeide doe: »e8 dat iu waen, Dat vrouwe kint mach ontfia^n Sonder gemeenscap van man*'? 3680 Hoer confessoer antworde dan: >Ick en segge iu niet al dat ick weet, Maer dat zegge ick iu gereet: Doet mynen raet, dat es iu goet, Dat gy daer geen gerecbteover en doet, 3685 Eer zy van den kinde es genesen, Want dat en duncket my geen recht wesen. Dat kint en hevet gener doet verdient". Doe zeide die rechter: »lieve vrient*, So willewy des doen al uwen wille". 3690 sHoert, Here'\ zeide hy, '»ende zwiget stille, Doe ze in enen torn besluyten Ende wachters* genoech daer buyten, Ende met hoer twe vrouwen, die se verhoe- Ende in die' pine gehelpen mogen, [gen 3695 Dus moesten zy besloten wesen, Tote dien dat zy was genesen, Ende dat kint mach allene eten; Mach men dan daer anders iet* af weten, So rechtet daerover, heer baliu! 8700 Dese dinck rade ick iu nu; Dit is dat beste, dat ick daer af weet; 'zint *daniie, manne 'op den * zegeden 'vrent •wech- ters 'de •icht 'Do gy *®ducbte ** weren **vrode8teii * *lconde * *opwert * •zegcdc ' "kristcnhede * 'is* "machst * •richten *®Het Pransch is hier geheel verhaspeld: maii illavoit fait folement que nret stres avoit U Doedy* iet anders, dat es my leeV. Die goede man gaf desen raet; Hy en dochte*" den rechtser niet quaet. 3705 Hy dade ze doen in enen steen , Daer en was an dore negeen Zy en waren vaste verhameit; Twe vrouwen waren*' met hoer geleit Die vroedeste**, die men vinden waande** 3710 Een venster dat bleef open staende Daer men in trecken moehte Sulke sake als hem dochte. Die goede man die dit genet, Uy sprack opwaert** ende hiet 3715 Der ioncfrouwen ende zeide**: Geef den kinde sine Eerstenhede** Ten iersten als dat geboren es*'; Alse du machs** gemerken des. Dat men over dy sal rechten**, 3720 Sende na my met dinen knechten'*. »Geeme , here", riep zy naer. Dus bleef die ioncfrouwe daer In den toerne , die dat zwaer verdroech, Ende dat gerechte gaf hoer genoech. 3725 Doe quam die t^jt, dat zy genas; Ende doe dat kint geboren was, Zoudet hebben gehad des Duyvels zin Wantet was Duyvels gevdn; Maer hy haddet oevele verboet 3730 Ende Jhcsus starf dor groete oetmoet**, Ende hy hoende die ioncfrouwe In den slape, des zy hadde rouwe; Doe zy gehoent was ende verraden, Sy riep ten alre eersten vgenaden" 3735 An Onsen Here herde sterke**, Ende beval haer der heilger kerken Ende hem allen, die met God z^n; Hierombe so woude Onse Here ^n Dat die Duyvele daer ane vonden 3740 Die dinck daer zy dat ombe bestonden**. Zy wonden dat, zeghet die hystorie. Dat dat kint hadde hoer** memorie Van nllen dingen die wareu gesciet** Des en gebrack hem niets niet**. 3745 Maer God kende der vrouwen zin. Dat hoer leet was zulck gewin; pardone hu pechie por sa veraie repantance. ** harde starke ^*Por ce ne vost pas Diex que Déiables i perdist chose * 'hebben zolde er ** weren geschicht **nichte8 nicht. 39 Des woude hi dat der moeder zondo Den kinde niet gescaden konde, Ende gaf hem, dattet konde vorsien 3750 Alle die dinge die souden gescien. Dus had de hi van den viant Die vorgeledene dinge bekant; Ende dat gescien* soude embermeer Wiste dat kint van Onsen Heer. 3755 Dus mochtet hem keren daer het wonde*, Wilt oeck dat, (het) mochte boude* Onsen Here geven zgn recht Ende den Duvele zjjn deel echt* ; Want dat vleesch quam van den viant, 3760 Ende God hadder die ziele in gesant, Ombedat die lieden zouden daerin Proeven mogen des Duvels zin, Hi gaf hem meer sins dan enen anderen : Hi hevet des noet, himach daer wanderon*. 3765 Wes dat kint sal plegen moechdy* hoeren, Maer aldus so wasset geboren. Ende die vrouwen waren vervaert Ombedattet' was also gehaert; Zy lietent der moeder schouwen daer zy lach; 3770 Si zegende haer aLfte ziet zach >Dat kint vervaert my!'* sprack die vrouwe »So doetet* oeck ons, by mjjnre trouwe !** Ant worden die andere* wgf, »Dat wy wanen verliesen dat Ijjf^. 3775 Die moeder sprack: »nu doetet*" doepen; Men zalt an ene line knopen, Ende latent wter** venster neder". Die wjf antwoerden hoer weder: »Hoe sal ment heten* *, wete gy des iet*'? 3780 Si zeide: »alse myn vader hiet". Si lietent neder met goeder stade Ende hieten, dat ment kerstenen dade, Ende dat ment hiete na den oudervader. »Geeme'M riepen si alle te gader, 3785 »Dat moete ter goeder tijt zyn. Doe hictment naden manne Merlijn, Merlyn wasset kersten*' gedaen. Men gaffet der moeder weder saen Wantet nieman aoders dorste sogen; 3790 Die moeder hieltet , si moestet gedogen Totdien dattet hadde maende tiene. 'gescbeen 'id wolde 'bolde ^Fransch: sil vost il pai randre as deiables leur droit et a nre Seignor km tien *Het Fransch uitvoeriger en duideliiker: et il en a acestvy done plus que autruy parceqtut graindres mestiers U estoit porce quil vost quil seust Die vrouwen zeiden: »zo onsiene Kint en zagen** wy nie eer'M Des wonderde hem ie*' lanck ie*' meer. 3795 Doe het tien*' maent was out*' twaren Dochtet hem wesen van tween iaren, Doe het was van anderhalven iaer Zeiden die vrouwen openbaer: » Vrouwe, wy willen. hene gaen 3800 Al daer onse woninge staen, Tot onsen vrienden, want dat es tjf'. Si zeide: »Als gy hene z|jt Sal men my te hant ontlivenf' »Wat mogewy des? wy en mogen bli ven 3805 Met iu hier niet embermeer**. Die ander weende doe herde zeer. Want zi was zere vervaert, Ende zi gingen ter vensterwaert*' ; Ende die moeder nam hoer kint 3810 In haren arm, ende zi begint Maken een groet hantgeslach: » Lieve kint!" sprack si, »o wi, o wach! Dordy moet ick die** doet ontfaen, Nochtan en hebbick luet mesdaen, 3815 Ick en weet hoe my dat es gesciet, Ende men wildes my geloeven niet. Dus moet ick sterven met onrechte!" Doe sprack si dus te genen knechte'* Ende zi zeide : » of God dat hevet gekoren, 3820 Dattu werdes van my geboren!*' Dus claechde zi hoer grote leet; Dat kint sach op haer, ende sprack gereet : » Lieve moeder, en bedroevet** iu niet Ombedat iu noch es gesciet, 3825 So en werdestu niet verdaen**. Doe dat die moeder hadde verstaen, Besweeck' ' haer dat herte ende al die lede; Hoer arme** ontgingen hoer mede Ende dat kint viel'* neder ende scree; 3830 Doe quamen die ander vrouwen twe Die totter" venster waren gestaen, Ende zeiden: >wildy" dat kint verslaen? Waerombe lietdy dat ter aerde vallen* ? Die moeder zeide vor hem allen, 3835 Ende antworde, als die blode: i>Dat zoude ick doen herde node, anql il se devoit tenir. *moget gy ^dat et 'doedet •anderen * "doet et **ut den ** bieten '* et kristen **zeghc **io *'Tijn *'old ^'to den vinstcrwert **den *° Fransch: com rele se dolosoitasonfih **bc- drovet **Bezweecb *'arme **vel **detoden **wilgy. 40 Maer dor een woert, dattet my zeide, Ontvielet* my". Doe spraken zi beide: >Wat wonder zeidet iu hier toe?" 3840 »Twaren", zeide zy, »dat zeide zoe, Dat men my hierombe niet verdede". »Het zonde noch spreken, haddet stede'\ Antworden die wjf , ende met dien Namen siet* ende hebben 't besien, 8845 Ende bezochten offet' wilde sproken voert; Maer dat en zeide niet' een woert. Die moeder sprack: »nu zegget sciere Dat men nn zal in enen viere Verbemen mi dor sinen wille, 3850 Hi en sal niet lange zwigen 8tille*^ In horen arm nam het metdien Die moeder, die geeme hadde gesien Dat dat kint nu hadde iet geseet^. Die wjjf zeiden doe: »God weet, 3855 Dat es scade, dat in scone lyf, Ombe desen leliken keytyff, So jamerlike wert verloren ; Hi waer bat gebleven ongeboren". >Gy lieget", antworde Merl^jn, 3860 »Al hiet in die moeder mgn".* Doe worden die w^jf in vare, Ende zeiden, dattet die Dnvcl ware, Dat en waer geen kint, dat spreken konde, Ende hoer tale so wael verstonde. 3865 Doe spraken zi hem an die twee, Ende hi en antworde doe niet mee Dan »laet my in vreden staen; Gy hebbet zelven meer misdaen, Dat zegge ick iu , dan m^n moedor doet*'. 3870 Dit wonderde hem in hoeren moet, Ende zeiden: »dit grote wonder Moet dat volck weten hier onder, Wy en sullen dat niet verhelen". T'ierst* dat zy dat mochten geleien, 3875 Quamen si neder', ende zeiden Van Merline die vromecheide Sodat die rechter wiste die zake ; [sprake* Dat dochte* hem wonder, dat dit kint Ende zeide: »spreket hi nu, die knecht, 3880 So es dat tgt, dat men over haer recht ^Ontvellet ^se id, offid *zegede nicht ^geseghet ieet *Fransch: vos mentez et ce vos a fait ma met e (Ure. 'To cirst 'In *t Pransch daarentegen: lors vindreiU a la ftnestre por apeUr les geus , die 't dan verder vertellen, •duclite •spreke **brengc **hete "■▼ierticb '*genaclitc **Fran8cli: entine remest ttne Ende mense voertbringe'* Vor die scepene in dat gedinge. Hoe Mer fijns moetler vor gerechte quaniy ende hoese Merltjn quijt makede. Die rechter hiet^ ^ dat die scepene quamen Binnen veertich^* dagen te samen, 3885 Ende hoer recht geven wt. Doe men haer dat zeide overluet, Ende zi wiste haer leste uer, Doe ontboet zi dat haren confeasner. So lange Ieet oeck dat die tyt genaeckte* * 3890 Dat der dagen en bleven maer achte^^, Dat mense brengen zoude te viere. Doe hoer des gedochte wart zi sciere Seer wenende ombe dat doen. Merlijn ginck doe achter den prisoen 3895 Ende sach hoe zyn moeder screide'* leer; Doe maeckte^* hy speilecheide meer. Die vrouwen zeiden algemene: >Nu denket dit kint wael clene, Dat men binnen der naester^' weke 3900 Zine moeder sal hemen zekerleke^*; Die stonde moete God verdomen, Dat hi ter werelt zoude komen". Mettien dat kint toter moeder gaat, Ende zeide: »moeder, nu verstaet: 3905 Also lange als ick sal leven, So en sal nyeman gerechte geven'*, Sonder God, over iu Igf". Dit hoerde die moeder ende die ander w^f : »Dit kint^\ zeiden zi, »kan zo wael spreken 3910 Het** zal noch konnen vele treken, Want kcyser no koninck no ammirale En spraken*' nie zo scone tale Alse Merljjn sprack ; dit en es gene sage". Hierbinnen quam dat toten dage, 3915 Dat men die vrouwe afkomen dede, Ende zi brachte Merlyne mede. Die scepene vraghcden den .vrouwen Of dat waer waer in goeder** trouwen. Dat dit kint wael spreken konde! 3920 Zi zeiden beide terselver stonde, graiU piece, tant que il nest pas plus de vij iors a ve- nir , V. SS71 luidde dos oorspronkelijk zeker anders dan hier, om met een r^mwoord op ac^te te sluiten. **8crce **makede '^naestcn **zikerlikc **ger. over iu geven **Et * 'spreken **goeden. 41 Wat tale dat zi van hem hoerden. Hem' wonderde van zulcken woerden Ende zeiden: «zo moet hi voertbringen Menech* woert, sal hi ze ontdingen'\ 3925 Doe dat die scepene hadden gesecht, Quam die goede man echt, Die altoes was der vroawen raet. Nu zeide een scepene die daer staet: » Vrouwe, hebdy iet te* doene el* 3930 Keert iu ombe, gy wetet* wel* Gy moet* liden deze pine". Zy zeide doe, al stillekine: »Ick wil hebben des mans raet'\ Zi zeiden: >haeBtet iu ende gaet". 3935 In ene kamer zise sluyten, Ende Merlyn bleef daer buyten: Tot hem so spraken vele liede* Dat hem herde luttel diede*. Die moeder zeide al dat zi weet, 3940 Met wenenden ogen gereet. Doe zi gebichtet hadde aldaer, Vraeghde die man, of dat waer waer, Dat hoer kint wael* spreken konde. Zi zeide: »ia'\ Doe sprack hi ter stonde : 3945 »Hier sal groet wonder af gescien'\ Doe qnamen si voert mettien ^ ; Maer die vrouwe was ontcleet, In enen hemde brachte men se geleet Ende enen mantel over haer; 3950 Si vant hoer kint aldaer, Ende brachtet gedragen voer dat gedinge. Si zeiden tot haer: »zegget zonderlinge, Wie van den kinde die vader zg". Si zeide: »ick zie wael, dat men my 3955 Verbemen sal, maer nembermeer Ontferme m^ns God, onse Heer, Of ick den vader ie gesach, Ende of oeck ie by my lach In genen dingen eertsche* man; 3960 lek en weet, boe* ick dat kint gewan'\ Die scepene zeiden: >wy en mogen niet Geloven, dattet** dus es gesciet; Wy zullen des vragen ander** vrouwen Entie** wys mogen getrouwen; 3965 Want wy nye daer en quamen**, Daer wy sulck wonder vernamen**! *Ejn *manich 'heb gy icht to *al, wal *wetcn, moten •lude, dude 'myt den •erdescb 'wo *'dat et '* anderen **de ^'qaemen, vememen ^^geacheen Die scepene riepen nu daertoc Alle die andere w^jf alsoe , Ende leiden se wten ring 3970 Ende zeiden hem: >dusdane ding Gesciede nie vrouwen negene. Dat men weet, groet of clene, Dat ie vrouwe sonder man Kint droech o/te wan". 3975 Si zeiden: »dat en mach niet gescien**, Die vrouwe en moet mans plien. Die kint zal dragen ofte winnen'*. Alse die scepene dat bekinnen**, Quamen si daer die vrouwe was, 3980 Ende zeiden, dat waer** gedwas, Dat zi hem dede verstaen, Ende hietense toten viere*' gaen. Van haren arme spranck Merl^n neder, Ende sprack toter moeder weder: 3985 »Gy en hebbet gene noet, zgt onvervaert". Doe keerde hy hem ten scepenen waert, Hy sprack : »dat en wert* * niet dus sciere , Dat myn moeder sal gaen ten viere*'. Want si en hevet des niet verdient, 3990 Ende zoudy** al uwen vrient*' Beide man ende oeck wgf, Die mesdaen** hebben, nemen dat Igf, Buyten horen beddegenoet. Die twe deel soude blyven doet 3995 Van dengenen, die hier staen. Dat weet ick wel* al zonder waen, Also wel* alse si dat selve weten; Des dar** ick my wel vermoten, Dat ick des lyckteken weet openbaer, 4000 Ende die vrouwen, die spraken** daer, Sijn sculdeger dan m^jn moeder es; Want si gene scult en hevet des, Ende dat si hieran hevet mesdaen** Hevet hi op hem ontfaen» 4(>05 Dese goede man , die hier staet Ende die weet al hoer misdaet; Des moechdy** hem wel vragen". Als die scepene dat gesagen. Riepen si den goeden man daer 4010 Ende vraeghden, of dat waer waer? Die goede man zeide**: >jaet, Al dat van der moeder mesdaet** ** bekennen *'wecr *^to den vucre ^'wirt **zolde gy *®vrent '*mysdaen **daer * "spreken **moge gy **zegede **moder mysdaet. 6 42 Hl hevet geseclit , es waerheit al , Ende es' dat men hoer recht doen sal, 4015 üesciede alsi my heeft doen verstaen , So en hevet si niet mesdaen Noch iegen Gode noch tegen iu; Sal men hoer recht doen nu , Si zeide my in ware dinck, 4020 Dat zi slapende dit kint ontfinck, Ende zi en wiste niet , wie hoer dat dede ; Si ginck te bichte ende dade mede Die penitencie. die men hoer hiet; Maer ick en hoerde nie* niet, 4025 Dat dese dinck mochten gevallen, Ende ick en gelovedes niet met' allen**. Merl^n zeide voer alle die liede: »Die wile, dat hoer dit gesciede, Hebdy gescreven ende den dach ; 4030 Qy wetet wael welcke tyt si gelach Haer leven es* iu wael oponbaor". Die goede man zeide: >du zegges waer; Ick en weet wie dit dy dade verstaen". Doe haclde men die twe vrouwen saen, 4035 Die waren daer dat kint was geboren, Ombe dat zi die waerheit zouden horen. Zi zeiden welke t^jt dat si genas, Eüde doe^ die t^t gerekent was , Hoe^ dat was geboren ende ontfaen. 4040 Die scepene antworden saen: >Dat en doncket ons geen recht daerby, Dat deze vrouwe qugt zjj; Want wy des niet geloven konnen, Hy en zegge ons , hoe hy wart gewonnen". 4045 Merlijn hy wart herde* gram, Doe hy dese dinck vernam. Hy zeide: »twaren, heer baliu. Vele bat zo kenne ick nu Mynen vader dan gy doet den uwen, 4050 Gy en dorvet myne moder* niet verspuwen; Iu moeder kennet bet uwen vader, Dan die myne den mgnen". Algader Hoerden zi dit, die waren aldaer. Die rechter antworde daer mver: 4055 »Sech op myne moeder echt, Weetstu daer iet af, ick doe dy recht". >Ja, ick", antworde dat kint, »Ick hebbe van hoer bekint^, *i8 *ne "nicht al myt *do, wo •harde 'raoder *er beleent •schijr, vuer 'de ***harile reync * * Üezo 5 Tersre^cls zijn door Maerlant ingclai-f hl ; Jict Fr.';ii»ch Dat si der doet hevet bet verdient, 4060 Dan die myne, lieve vrient! Laet myne moeder in vreden wesen, Si en heeft niet mesdaen in desen, Ende si en lieget iu niet een twint". Die rechter wart tomich op dat kint , 4065 Ende sprack : » doetstu my dat bekennen Du quites dyne moeder van den vier; [scier' Beliegestu oeck myne moeder, Sodafc ick des bon te* vroede r, Ick sal dy doen bernen ende die dine'*. 4070 »Dat en sal niet syn, dat die mine", Sprack Merlyn, »sal syn verbrant, Also lange als men my levendich vant. Somelyc maket hem vroed ende herde Hy ende syn moeder gemene [rene**, 4075 Waren beter van den live**". Men nam verste der dagen vive. Die rechter dade sine moeder halen, Ende hi geboet in korter talen Lieden, dien** hi dorste betrouwen, 4080 Dat kint te houdene ende zine vrouwen ; Oeck wachte hize selve wale*'. Vor Merlyne was menege tale Van ziner moeder daer binnen vertrecket, Ende oeck ander dinck ontdeckot; 4085 Maer zi en mochten hem niet doen spreken In vyf dagen, met genen treken, Vor dat des rechters moeder quam. Ende alse Merlyn dat vernam. Dat zi was komen , dade men hem saen 4090 Ende zyne moeder wten prisone gaen , Ende komen doen vor dat gerechte. Die rechter sprack toten kuechte: »Wat zeggeatuV dit es myn moeder"*. Merlyn sprack: »gy menet vroeder 4095 Vele wesen dan gy zyt**, Leidetse enwech in corter tyt, Daer dat heymelick es**, ende uwen raet, Ende mijne moeder, die hier staet, Ende hoeren raet sal ick daer bringen, 4100 Dat is God, die weet van allen dingen, Ende daerto(ï dese goede man. Sere hem wondeme began , Doe hy dese tale brachtc voert; Si dorsten kumo spreken een woert. gaat zonder hen door: t/e anlrai voi avoc ii ; lors mis- trtrtit fernnt a** c'iucoUmc tor **ludcii, den * 'wal '*/.ijd '"^Fransch: va auc mvison priccaMenf . 43 4105 Die rechter kende* wael aldaer, Dat hem dat kiot zeide waer. Merlyn zeide: »mach ick nu Mine moeder q uiten tegen den baliu, Darf* zi ontsien dinck andi^rs negene?" 4110 »Ne€n", riepen zi algemene', • Ontgaet zi nu van desen man, Hoer en spreket nieman an". Das gingen zi in die kemenade Die rechter met sinen rade, 4115 Dat es z^n moeder ende zi twe. Merl^n quam, ende nieman mee^ Met hem, dan die goede man, Ende zyne moeder, daer dat om began. Ende doe die baliu was beraden, 4120 Sprack hi tot* Merlyne met staden: Segget op mjne moeder, dattu wonts* Ende hoe du die dine quiten zouts*". Merlyn zeide: »op die dine En zegge ik niet waerby die. mine 4125 Qu^t van dy zoude gaen, Waer dat zi iet' hadde mesdaen; Want tegen recht wil ik niet spreken, Godes recht laet ick node breken , Want wetet vorwaer, datzi der doet 4130 Verdient en hevet clene no groet; Gy lietetse' qugt, dadet» gy weP' [eP"". Ende en vraeght van der uwer vorder niet «Neen", sprack die baliu, »Bonderwaen, Aldus en zuldy** niet ontgaen, 4135 Gy moet** ander zaken togen". Merlgn sprack vor zinen ogen: »Gy zont* • myne moeder laten gehermen", Dat zeide hy mochte hy se bescermen, »Ende optie** uwe dit proven nu". 4140 i-Dat es wael", zeide die baliu, »Want wy comen horen ende scouwen Wattu wils** zeggen op myne vrouwe". Merl^jn sprack: »ia en houdy niet dan Mine moeder, omdat zi my wan 4145 In kevesdome ende niet in echte: Wie m^jn vader was met rechte Zi zoude dat bet weten , woude ick dan. Wie hy was, die my wan. Dan du dinen vader kinnes**, 'Zcgede; Ynnach: conauf *darff *algemeyne *meer •to •wolt, zült 'ieet •lieten ze 'dede ^'wal, al > *zolc gy * ^moten * *zolt * *op de * 'Wat du wilt * •ken- nest ■ 'nomen * •geven ' •motegy *"woldedat * ^Fransch: 4150 Ende d^n moeder, die du so minnes, Zoude bet noemen*' dan die mine Dinen vader al stillekine". Die rechter zeide: » lieve vrouwe, Den manne dien gy ga vet** trouwe 4155 Was dat degene niet, die my wan?" » Lieve zone, wie zoude dat wesen dan Dan myn here, die daer is doet?" Merlyn zeide: » Vrouwe, al bloet Moety** die waerbeit doen verstaan, 4160 Sal men ons qujjt laten gaen, Ick lietet aldus, woudet* * uw zone gedo- Die rechter zeide: »gy moet togen [gen". Van m^jne moeder die waerheit". Merlyn zeide: »al dit gepleit, 4165 Dat gy daeran winnet, hout al bloet: Gy menet, dat iu vader es doet, Hy levet noch , orkonde uwer vrouwen* '" Den anderen wonderde des die dat scouwen, Ende Merlyn sprack: »zegget uwen zone 4170 Vrouwe, wie hy was diegone"? Zi zegende haer, als die gram was: »Wat zegdy''? zeide zy, »8athana8, Je weet ick dat wel**"? Merlyn zeide >Gy wetet*' wel vor waerheide, 4175 Dat hem uw** man niet en wan". Die vrouwe zeide: >zech, wie dan"? >Dat was die pape zonder gyle. Te lycktekenc dat ter** selver wyle Doe hi ten eersten met iu was, 4180 Dat gy zeidet**, gy vruchtet das Dat gy wan et een kint ontfaen. . Ui zeide: Vrouwe, laet dit staen. Van my en werdy niet bezwaert*'; Want hy was altoos vervaert, 4185 Dat iu een ander zoude bezwaren, Hier ombe bescreef hi dat twaren. Welke tijt dat hy met iu was; Ick en liege iu niet, zyt zeker das, Ende gy waert** ovele met uwen man, 4190 Doe men desen sone aen iu wan. Dat gy niet vele doe by hem en laget* • Ende gy over hem doe claget Ende zeidet, gy droeget by hem kint, Dit en es logene niet een twint. vos i gaaigtieroiz ia tant que vos froveroiz vrejaere tot vif, par lou tesmoig de vre mere. * * Fransch : Deiables Sathenas ne U aige donques dit? * * weten * * de * • teder * •zegeden *'werde gy, l)ezweert ••weren **leget. 44 4195 Endo geloefdy* des niet hiermede, lek zegges iu meer alhier ter* stede". O wi, hoe gram was die baliul Zjjn moeder sprack: »gelocfdy* nu Lieve Zone, desen viant'*? 4200 Merl^n sprack al te hant: »En geloefdy* des niet by desen saken, lek sal iu des herde wel vroet maken". Die vrouwe , zi antwoerde saen : »Ick weet wael , wat ick hebbe gedaen". 4205 >So doe ick oeck, nu hoert daer naer: Doe gy dit kint droeget, haddy* vaer Ende badet* den pape, dat hy den vrede Gestadelike* wesen dede Tusschen iu ende uwen here 4210 Ombe te decken iu onnere ; Ende doe hy den vrede hadde bejaget, Dade hy, dat gy te samene laget; Dus dady^ iuwen manne verstaen, Dat gy dat kint van hem haddet ontfaen ; 4215 Aldus meenden dat alle die liede sint, Ende waenden desen' wol wesen z^n kint. Dit leven hebdy* lange geleet*" Ende noch doedyt*; hoert wat ick des weet : Des nachtes doe gy her sout tyden, 4220 Doe lach hy by uwer zyden, Des morgens ginck hy met iu een stick , Ende wat hy zeide, dat weet ick: Al lachende sprack hy , lude ende stille , Doet al dat mjn zone wille; 4225 Want hi weet wael , dat hi es zjjn zone By zynen geacrifte. Doe zy dat gone Hoerde dat hy zeide waer, Viel** zi neder ende hadde vaer; Zy wiste wael, zy moeste gien**. 4230 Die rechter hevet dit gesien**, Ende zeide: » moeder, ick ben iu kint, So wat vader gj my toesint, Goet kint blive ick iu embermeer". » Genade*', zeide zi, »omb onsen Heer! 4235 Ick en mach des gelochenen niet*', Also hi dat zeghet es dat gesciet*'". »Pardeu"! zeide die baliu, »Dit kint zeide die waerheit nu: Het wiste zinen vader bet 4240 Dan ick den minen; dat en is gene wet, 'gelovet gy "to der * hadde gy 'beden 'Gestc- delikc 'dede gy 'desse weende 'hebbe gy "geleit nvel »>geen, geseen "geen, gescheen. **to den 1 **gehvet "•flgnipedes; Fransch: saeAes gtte cele ma- ' Dat ick zine moeder wise ten** viere, Ick en verbeme die myne oeck aciere". Hy zeide toten kinde: »nu biddick dy, Dattu my zeggca wie dijn vader zy, 4245 Om bc dat ick dy mach daerby ontschulden Vor den lieden". »Omb dine hulde Doe ick dat meer dan dor bedwanck", Sprack Merlyn, »al sonder wanck So was mijn vader e<*n viant; 4250 Daer hi myne moeder slapende vant. Was hi met haer, geloeft** my de«, Ende zulke heten equipedes^*; Dese Duvele , des mach men my geloven , Wonen in der lucht hierboven ; 4255 Ende om dat my een Duvel wan , So gedogcde onse Here daeran , Dat ick hebbe haren zin Ende haer listo, meer no min, Ende ick weet dat geleden es; 42C0 Ende van myner moeder , zjjt zeker des , Dor die doget , die an haer was gevonden Ectie** berouwnesse van haren zonden, Ende ombe den aflaet, dien haer dede Dese goede man oeck mede, 42C5 Ombe der heilger kerken gebodc. Die zy hielt ende geloefde an Gode, So hevet my God gejont al*' Dat ick weet wat daer gescien sal** ; Dit machstu proven nu te tyde". 4270 Hi nam den baliu over ene zyde Ende zeide: »dyn moeder die zal gaan Ende zeggen dinen vader saen Allegader , dat hier ea gesciet** ter stont, Ende als hi weet, dattet dy es kont, 4275 Sal hy van herten syn versaecht, Ende vlien** of hi waer geiaecht. Die Duvel, dien hy hevet gedient, Sal hem leiden alze zinen vrient**, Daer hy hem verdrenken sal. 4280 Hierby merke, dat ick weet al Die zaken die zullen** gescien*"'*. Die baliu antwoerde mettien**; »E8 dit waer, ick saldy, bymynrewet, Embermeer** geloven te** bet". 4285 Quyt scout die rechter*' Merlyne Ende daertoe die moeder** zyne. niere danemi oni non equibedes '^Undede **gegond de8 **sal des *°gescheen **vleen **7rent **xolcn '*mytdien ** Omber ••de * 'scolt de richter **moder. 45 Die mare^ was voer den volke verbaelt ; Dese zeide*: »hi heyet wael vertaelt Met schoner rede zine moeder; 4290 Ende weet oeck wael, dat daergeen vroeder lu nembermeer te ziene steet, Nadien dat ick die waerheit weet*'. Dat volck riep al met viyte: »(jod hebbe dee danck , dat zi es qu^te*' ! 4295 Die rechter zende sine moeder bene Ende boden mede, die al datgene Proveden, dat dat kint dade^ verstaen. Doe zi was komen alzoe saen Zeide zi den pape al die woerde; 4300 Hi wart versaget doe hi dat boerde, Ende vlo van groter scame; Ui dacbte, alse die recbter quame Dat hine zoude* doen veralaen. Alse hi was wter* poerten gegaen, 4305 Quam hi te bant op ene rivier^, Ende zeide: »my is beter, dat ick scier Verdrinke, dan hi my doden zal Te lachter* deser werelt al". Dus leidene die Duvel eer iet* lanck 4310 Dat hi hem'*^ zelven verdranck. Die met der vrouwen waren gesentdaer Stonden ende zagen' ^ al dat vorwaer. Dit boeck zecht' * : al is een erre , Dat hi den lieden niet ontferre. 4315 Ende alse die boden weder quamen Zeiden zi dat zi vernamen, Ende dat die pape verdronken was. Den rechter hadde groet wonder das Ende Merlgn loech'^ doe, ende zeide: 4320 »Merke, en zeidick dy niet waerheide? Nu biddick, dattu dat zegges dan Blasise, den goeden man*\ Blasys biet hi, die altoes hoeder Hadde ges^jn van Merl^ns moeder. 4325 Hi vertelde'* hoe dat was gesciet Met den pape ende anders niet.' Blasys ginck ' * te huys metter vrouwen , Die quiit was van groten rouwen; Ende Merlgn ginck" metten'* baliu. 4330 (Dese Blasys, zeggick iu, Was een herde dier clerck ^rnere 'Fransch: ce dist Ujuges 'steet, weet ^dede •ene solde 'ut der 'riveer 'To laster 'ieet *"em **ïegen '*Fransch: ftor ce deffant eitt coniet '*wa8, das '*lachgede **vortelde **gcnck * ^myt den *• Deze drie regels komen in 't Franach niet voor "olt Ende hi bescreef ons eerst dit werck'*). Dese redene merkede Blasys wale,- Ende vernam al Merl^ns tale, 4335 Die maer derdehalf jaer was out**; Wonder haddi*" des menechfout* * , Wanen hem quam die grote zin. Hi proefdene** sere in dat begin, So lange dat hem Merlyn biet: 4340 » Blasys, en proevot mi niet, Dy saldes wonderen ie*' lanck ie** meer, Maer doe dat ick dy leer; Ick sal dy wisen, lichtelike Te gewinnen dat Hemelrike". 4345 Blasys zeide: »ia en zeidestu*^ niet dan Te my, dat dy die Duvel wan? Ende dat dincket my wesen waer, Hierombe hebbick grote vaer, Dattu my eneger** wijs wils honen". 4350 Merlijn sprack: ^ Al dus zo kronen Quade liede, ende hebben hoede Meer vor dat quade dan vor dat goede. Ene hoepe hebbick dy gerecht**: Also als ick hebbe gesecht, 4355 Dat die Duvel was mijn vader , So zegge ick, dat my God algader Gaf, dat ick mach vorzien** Alle dinge, die zullen gescien*'; Ende bistu wys, proef ende merke 4360 Na welken levene ick meest werke, Ende werke daeran , doe my God jonde Dat ick zulke zaken konde, Dat ick den Duvelen bin ontgaen, Nochtan wetick, zonder waen, 4365 Horen zin, ende ick boude Van hem, dat ick honden zoude; Dat en zal hem niet gehelpen konnen, Dat zi my an myne moeder wonnen. Waren zi dol; want dat vat, 4370 Dat zi meenden hebben gebat, Dat es al verloren bleven**, Dor myner moeder reine leven; Maer hadden zi my an ene quade Gewonnen, zo zoude groet scade 4375 Ende hoer wille hebben gesciet, Ende zo en wistick van Gode niet. • ■•hadde he ■*menichfolt **provede ene **jo **ze- gedes du **ienige * •gesecht "vorzeen, gescheen **dal; Fransch: il ne furctU mie ioge que tl me mistrent en tel vaissel qni n^ devait mie lor estre. 4G Van hem quam al leet myner moeder Van horen zustren, van horen broeder, Van hoerre moeder, van horen vader; 4380 Maer houtdy* an my algader lek zal dy zeggen, dat nieman en weet, Sonder God, daer dat al aen steet, Ende scrivet ons in ene hystorie; Die daeran leggen haer memorie, 4385 Zi zullen vele te bet gevroeden Ende hen te meer van zonden hoedeu; Dus zetdy* toter bester wjjs*'. »Dat doe ick geme'\ zeide Blasjjs, > Maer by den Vader mane ick dy , 4390 Ende by den Sone oeck daerby Ende by den Heilgen Geeste gereet, Also waerlike alsick wael weet, Dat één God zyn deze dry*, Ende by der Vrouwen, mane ick dy, 4395 Daer Jhesus Kerst af es geboren, Ende daertoe by den negen koren Der Inglen die met Gode resten , By den Apostelen , by den Evangelisten, By mertelaren, by confessoren, 4400 By allen mageden* verkoren, By allen Santen ende Santinnen, Ende by hem allen die Gode minnen, Ende by den meesters* dor heilger kerken, Ende by leken ende by clerken 4405 Ende by al onses Heren creaturen , Dattu' my niet* en hones ter uren Ende my niet* en does in genen rade Sake, die ick jegen Gode dade'\ Merlijn zeide: »al die woert, 4410 Die ick van dy nu hebbe gehoert Alhier toter stede nu nomen , Moeten my embermeer verdomen Of ick dy rade voert embermeer Dinge, die zyn jegen onsen Heer". 4415 Hi zeide: »zo zech dat dy goet dinket» Merl^n zeide: >gewinne ons inket*, Ende zet ons in dat perkement Die zaken, die nyeman en bekent". Sciere so was dat gedaen, 4420 Ende Merl^n hietene*" scriven zaen Die mynne van der schoen re Marien *Mcr helt dy 'zette dy *dre •megeden •mea- ters ^Dat du •nicht 'donket, enket *®hcte em **Fran8ch: les amors de Ihu CrUt et de Joseph tof ensinc come les avoient cste **Deze, Masceroen be treffende, vier versregels z\jn Datuurl^k door Maer- Ende van Josepe van Aramathien , Also men hier vor hoerde tallen**, Ende van Aleyne ende sinen gesell^n, 4425 Hoe datse die vader liet, Ende hoe Peter danen sciet, Ende hoe Joseph besitte den Grael, Ende dat bloet mede in dat vremde vael, Ende hoe die Du vele waren bedacht, 4430 Datsi verloren hadden hoer cracht , Die zi hadden over den man, Ende van den gedinge oeck voertan. Dat zy hadden met groten rouwen Tegen Marien onser zoeter Vrouwen 4435 Ombe die zielen, die hem waren beheten* *, Ende hoe zi claeghden over die propheten. »Ombe dit wouden si enen man visieren Die konnen zoude hoer mEinieren*', Sprack Merlijn, »ende makeden my 4440 Alse myne moeder vertelde dy, Zi deden hoer menech leet qnaet, Maer by der dolheit, die hem bestaat. Verloren zi my ende al vervaren". Dus visierde Merljjn twaren 4445 Dit werck ende dade daerombe onderzoeck; Daerombe zo hetet Merlijns hoeck. Blasys hadde des wonder in sinen moet Idoch 80 dochtetem wesen goet, Ende zette daeran sine memorie. 4450 Doe zi visiert** hadden deze historie, Sprack Merl^jn vor sinen ogen: »Du moest grote pine dogen Hier af, ende ick sal te mere dragen". BUsys die begonste hem vragen: 4455 »Waerby ende hoe"? Doe sprack Merlyn : >Tck zal van Westen gesocht zyn, Ende die my zullen zoecken zeer, Hebben gelovet horen** Heer, Datzi my nemen zullen** dat 4jf, 4460 Ende brengen myn bloet, sonder blyf , Hem*'; maer Vierst** dat zi my zien** Ende spreken, zo en zal des niet gescien' *, Ick zal met hem henevaren, Ende du zals hene gaen, twaren, 4465 Daer dat volck es van den Grale Ende dyn boeck sal telken male lant ingelascht. * 'Fransch : par la foUe dont il toni plain. **gevi8iert **oren * •zolen ''Em **to eirst **zeen **ge8chien. 't Fransch heeft hier- wiau quant il me verroni et il mairomi parier , il nam awront ja talant. 47 Lief z^n, die daer meer af visiert, Ende hy en wert niet gecalengiert*; Want niet en zjjn der Apostele woert, 4470 Zi en scriven dat zi hadden gehoert, Ende datzi zagen ende anders niet; Maer dat en es my niet gesciet Anders, dan ick dy hebbe vertrecket; AIbo als ick ben bedecket 4475 Daer ick wille, telker ste'de, Also wert deze hystorie mede Ende luttel ieman sal hoer' gewagen. Alsi volmaket es zalstn ze dragen In dat lant daer da hene zals' tydon, 4480 Ende ick moet met dengenen ryden, Die scire zullen zoecken my, Ende dan kome ick weder te dy. Ende alse du dit heves volent Zalstn zijn in hoer convent 4485 Ende samelen dinen boeck in den haren ^ ; Dus wert onze pine groet, twaren. Alsi dit hebben , zullen zi te meere* Vor ons bidden onsen Here'. Twe boecken zjjn er nu met desen , 4490 Dit zal een scone boeck wesen; Ende beide spreken van euer zaken; Ku moet ick ander ieesten maken. Hoe Vertegier'' koninck woude werden; ende hier begint dat derde boeck. In desen boecke zuldy* verstacn Van groten stryde, sonder waen, 4495 Want Engelant hadde menich iaer Gestaen, dat leest* men ons voerwacr, Eer die koninge worden kersten*". Maer al die koniuge, die hebben gesijn, En staet my niet te brengene voert, 4500 Sonder die toter hystorien behoert. Die alle die koninge wille weten, Die dat lant te voren hadden beseten, Ende hoer verlies** ende hoer waengen. Die lese die hystorien van Britaengen, 4505 Die Brutus boeck geheten es; ^Fransch: mes il ne serapoienanctorite 'er 'salst ^oren *merre 'herre 'ütegier, kennel\jk verschreven uit V'tcgier; Fransch Vtsrtufiers. "zulc gy 'lest '•kristin **verlue9 **ut den *'Dc voorgaande 7 versregels komen niet in 't Fransch voor; daarentegen geeft ook de engelsche text: he thtif tvill knowe the fyf of kyngts lohiche ware in the gratc Brctayne bc fora Meester Martyn, z^t zeker des. Van Rore dichte dat wten** Latyne In dat Romans met zyner pine; Daerinne vindy dese hystorie gans**. 4510 Een kouiuck was ende heet Constans, Hi was liinge koninck, leest* men my, Hi hadde sconer zone dry**; Hi dat Ie den outsten heten doen Moynes , den anderen Pandragoen , 4515 Ende Uter was die derde gênant. Daer was een man in Constaus' lant. Die was geheten Vertegier', Een stout ridder ende een fier, Ende wiste der werelt wijsheit wel**. 4520 Constans was out ende veH* In eene ziecheit* * ende bleef* * doet ; Mettien was daer die twivel groet, Wien datmen koninck maken zoude. Doe droegen overeen die oude, 4525 Ombe dat Moynes die outste waor. Dat men hem koninck koes aldaer, Alwas hi ionck , dat en waer niet scone. Gave*' men ieman anders die krone. Dit lovede mede Vertegier'. 4580 Men wyede hem* * koninck, leset men hier, Ende makede Vertegier' drossate. Nu was daer stout volck wtermate Heiden, ende die bieten Sennes** Ende zi plegen dickewile des 4535 Dat zi optie Kerstene** vochten Enten** koninck in scaden brochten. Ende Vertegier' dade mot den rike Sinen wille, want zekerlike Die koninck Moynes was niet out** 4540 Ende dat volk was Vertegier' hout* * ; Hi wist wael , dat men hem hielt vroet , Des verhief** hi hem in zinen moet, Ende sprack eens met zinen monde. Dat hi hem strides niet onderwonde, 4545 Want hi wael oeck wiste mede, Dat nyeman hem mochte doen dat hi dede. Dus dade hi hem wten** twisten. Als die heidene dit wisten, that Cristendom come^ heholde the story of Bretons; that is a boke that May ster Martin trauwtUUed out of LatyHy but heire rested this ma tere. **dre ** wal, vol ^•zQeke, bleiff *^Geve **wysede ene * •Fransch: li Saisne (Saksen) *'*cri8tenen **Unde den ** nicht olt, holt **vcrhoeff **'ut den. 48 Dat hl den strgt hadde gelaten, 4550 Namen* zi groet volck wtermaten Ende quamen opten* koninck sciere. Die koninck clagede dat Vertegiere, Ende zeide: » helpt ons honden dat lant, Wy hebben menes^en viant; 4555 Dit lant staet al tot uwen gebode'*. Vertegier sprack: >by (ïode, lek vaer heen myner straten, Die anderen helpen iu, die my haten, Want my nyeman gebidden en kan, 4560 Dat ick my iet kere daeran". Vertegier die antworde also, Des was die koninck herde onvro Entie ander die daer hoerden toe. Die coninck nam s\jn heer doe 4565 Ende quam tegen die heidine; Die Sennes verwonnen die sine. Des hadden die Kersten e toren*, Ende zeiden: »wy hebben vele verloren ; Dit en waer ons niet gesciet^ alhier, 4570 Hadde met ons ges^n* Vertegier'*. Dus begonsten si den koninck haten; Lange stont dit wtermaten So dat zi zeiden: »die koninck esquuet Wy en gelyden niet, dat dit dusgaet'\ 4575 So quamen si toten drossate, Ende zeiden: > lange wtermate Hebbewy gesyn (als) sonder Heer*, (Want) dese en doech min noch meer, Weest onse Here, daer en es geen man 4580 Die dat bet volbrengen kan''! Hi zeide: »dat ne mach niet z|jn Also lange alse levet die Here m|jn^". Zi zeiden: » beter waer ons vele Verliepe hem die doet zinc kele"! 4585 Vertegier zeide: vwaer hi doet, Ende wonden dan die genoet, Ick woude dan koninck wesen". Zi hoerden wael spreken desen Ende dachten wat dat mochte bedieden*. 4590 Mittien zi alle danen schieden Sciere zi te lande quamen Ende berieden hem te samen. Een was daer die die tal e zeide. Die hem Vertegier te voren leide; * nemen *qaemen op den 'cristenfn torn ^ nicht geschien ^gewesen *Fran8ch: nos tomtê autretinê eome umz roi et sanz seiguor ^Zi zeiden; Fransch: carciêt ne mms eti preuz, enz. * beduden 'wy ene **dat he 4595 Doe zeide daer een te hant saen: »Dat es best dat wine* doet slaen, So mach die drossate merken des, Datti'* by ons dan koninck es'*; Dan sal hi hem an ons keren; 4600 Dus mogewy werden grote heren". Doe namen si hen twelve saen. Die horen koninck doet zouden slaen. Dese twelve zgn nu komen, Daer zi horen koninck hebben vernomen ; 4605 Beide met zwerden endo met kniven Liepen zi horen here ontliven, Ende zi haddenc te hant versiegen'* Want daer nyeman en street tegen. Tot Vertegier quamen zi mettien, 4610 Ende zeiden: >nu zalt gescien, Dat gy zult wesen here groet, Want wi hebben den koninck doet\ Alse dit Vertegier vernam, Doe liet hi, of hi ware'* gram, 4615 Ende zeide: »gy dadet'^ quaetheit groet , Dat gy sloecht'* uwen here'* doet; Vliet henen , dat es m^n raet , Dat iu dat gerechte niet en verslaet; My es leet dat gy hier zyt". 4620 Zi rum eden dat hues ter zei ver'* tgt. Dus bleef die koninck Moynes doet. Doe versameiden hem die genoet Ombe te kiesene enen Heer. Vertegier, als ick zeide eer, 4625 Hadder'* meest die hem toe horen; Dus wart hi koninck daer gekoren. Twe goede man waren'* ginder. Die bilden die twe ander kinder, Uter ende Pendragoene, 4630 Doe si vernamen van dezen doene'*, Dat men Vertegier koninck koes. Si gedachten dat Moynes verloes Syn lyf by sinen valscen rade ; Elck vraeghde ander** wat hi best dade. 4635 » Nadien*', sprack die ene, »dat hine* ' ver- Ende als hi machtech es* * genoech, [sloech, Sal hi dese doden beide gader: »Wy minden** Constante, horen vader, Hi goedede ons met sconen lene, 4640 Wy minnen die kinder, al zyn zielene; »»i8 **verslagen **were '*deden, slogen **kerea **to derselven * 'hadde er * 'weren ''done ** ander **he ene **mechtich is **mynneden. 49 Dat es quaet latewy ze doet slaen, Alse wyze in hoede hebben ontfaen". Overeen droegen zi beide doen, Dat zi wten^ lande ontfloen, 4645 £nde die kinder met hem beide Ten Oestewert voeren* zi gereide, Want danen waren zi geboren. Dub z^n zi gevloen te voren, Ende nembermeer en spreke ick daervan 4650 Eer my die historie bringet daeran ; Maer dat seggic iu zonder sparen, Zi waren geyloen twaren Tote At^ns in ene poert. Die men Borges noemen hoert; 4655 Daer waren zi lange inne gevoedet; Eick man mercke, die dat gevroedet. Dat men niet verliesen en kan Dat men doet dor goede* man. By deser tale proevet metter* vart 4660 Dat Vertegier doe koninck wart. Doe hi gewyet* was koninck met vreden, Quamen tot hem* die gene die deden Van den koninck Moynes die^ moert. Hi dade ze vaen ende bringen voert, 4665 Maer hi makede eerst samblant Of hi ze niet en hadde bekant: »Dor ons", zeiden zi, >hebdy dese* eer, Dor iu sloegewy onzen heer'*. Hi zeide: »gy hebbet iu zei ven bedragen* 4670 Dat gy den koninck hebbet geslagen; Zo zoude gy my oeck haddy ^ * des macht ; Ick zal my des hoeden, heb ick geacht". »Here**, zeiden zi, >dor uwer** vromen Z^n wy te deser scaden komen". 4675 Die koninck sprack: >ick sal iu leren, Hoe men zal eeren dusdane** heren". Hi nam ze alle twelve te samen, Ende bontse an perde by den hamen, Ende sleepte ze* * in so menegen sticken* ^, 4680 Dat mense niet en konde gemicken. Die hi verdede aldus met** crachtc Lieten een herde groet geslachte**. Die quamen te Vertegier daerachter Ende zeiden: 9 koninck, groten lachter*' 4685 Hebdy** ons gedaen hiermede. *ut den * voren 'dorch goeden *myt der *gewy- get 'to em ^den 'heb gy desse 'bedrogen * "hadde gy **awen **dusgedane ^'slepede ze ^^stuclcen **myt * 'geslechte * 'laster **hebbe gy **Al»e se Dat men onze mage aldus verdede, Wi en dienen iu geme nembermeer". Alsi hem dregheden** aldus zeer. Wart Vertegier vererret** daertegen, 4690 Ende zeide, dat en waer dat zi zwegen Dat zelve dede hi hem gereet. Zi spraken** alse die hem hadden leet: >Du zals ons dreghen** Vertegier, Also vele als dy voeget** hier; 4695 Maer opdat onse vriende** ende onze mage Geduren, du zals alle dage Stqjts genoech hebben ende rouwen; Wy wten ons hier diner trouwen; Want du en bist niet die gerechte heer, 4700 Ende dat lant en bestaet dy min noch meer. Du houds* ^ dat tegen recht ende tegenGode; Ende weet oeck wael al zulker dode Zalstu sterven als onze vrient**. Want du heves des wael verdient". 4705 Zi gingen danen. Als hi vernam Dat dreghen**, wart hi gram; Hi en mochte daer niet ombe doen een haer; Want hi en hadde die macht niet daer. Constans lant, dus leest men hier, 4710 Hilt dus lange Vertegier; Maer hier af quam, dat die baroene Tegen hem waren in allen doene, Ende oeck tegen hem vochten, Wantzi groet volck tegen hem brochten , 4715 Ende veroerlogeden z^n rgcke Ende roveden dat geweldelike. Dus hielt hi** lange stont die lande Ende vacht tegen sine viande So lange, datti*^ ze alle verwan. 4720 Doe wart hi quaet op sine man Ende op sine gemene** diet. Doe en condenzi dat langer liden niet, Ende streden tegen hem gemeonlike** Ende namen** hem vele van sinen rike 4725 Ende zetten hem an met alder kracht; Ende Vertegier hevet hem gedacht, Dat hi scade zoude hebben des, Ende ontboet doe** an die Sennes, Dat hi woude** maken vrede; 4730 Si waren** blide, dat men dat dede, em droweden **verirret ** spreken **voget *'vrende, vrent **holde8 **drouwcn * •hilt de *'dathe **ge- meyne * •gemeynlike * "nemen '^tot ""wolde •■Se weren. 7 so Een Senne waa daer, die hete Angwes* Die metten koninck* ontfangen ea, Die diende den koninck* lange tjjt Dien maeckte hi here over den str^jt. 4735 Hi zeide: »Here, ick zegget dy gereet, Dat dy d^n volck hev^t leet"; Ende oeck zeide hi hem een ander tale, Die men niet en kan vertrecken wale* ; Ende oeck zeide hi hem daertoe 4740 Waerby dat waer ende oeck hoe; Ende Vertegier nam Angwes dochter Des waren hem die Sennes te sochter^, Ende wat Angwes noch meer dede, En vertoUe ick al niet hier ter stede; 4745 Maer die Kerstene waren des gram, Dat Vertegier sine dochter nam , Ende vele liede zeiden daeraf, Dat hi ziner eer vele begaf Ombe dat zyn wjjf heiden was. 4750 Vertegier proefde wel das, Datten e zine liede niet en minden, Hi gedachte van Constans kinden, Al waren zi verre wech gehouden. Dat zi noch weder komen zouden; 4755 Hi wiste wael, quamen zi te lande, Dattet waer ombe sine scande, Ende dachte, dat hi maken woude Enen torre te* zinen behoude, Den nyeman gewinnen m och te, 4760 Ende dat men steenmeester brochte. Die maken zouden zulke stene, Dattene wonne man negene. Hoe Vertegier enen torre* dede malen ^ ende hoe men Merline voer zoecken. Nu dede Vertegier alte hant In ene stede bringen kalck ende sant, 4765 Ende dede morter maken saen, Ende hiet dat werck bestaen; Maer boven der aerden en quamen zi nie* Meer dan vier vademe ofte drie*, Die aertbeve was daer alzo groet, *Fran8ch: Hanguit *koninge "Het Fransch heeft* ne vos ne poez mie eintine garir longueme^nt ; et vos navez mie moult grant lignage et feit es loit biertf ge vos aim et amerai a toz tors; mats ge ai une moult bele file qui moult vos pense et aime , et vos navez point de f ome , etc. pretiez la a famc et lors si se^rons plus ami *sachter *torn to *ne, dra 'makeden dat | •de torn 'weer, veer *®gerede **lüde **eren **keii- ' 4770 Dat die torre al neder scoet Alsof hi al gader zinken zonde. Des en lieten zi niet also houde , Alse dat scudden was vergaan, Zi en hebben dat werck weder bestaen, 4775 Zi maeckten t^ dicke, maer die torre brack Vertegier die sach dat wal, [al; Dat die torre* dus moeste glyden; Hi zeide, hi en konde niet verblyden, Eer hi wiste waerby dat waer* , 4780 Ende dade ontbieden harentaer*, Sine wyze liede al byzonder, Ende zeide hem al dat wonder; Hi bat dat men hem geriede'*. Doe zeiden alle zine liede ^* : 4785 »Here, dat en mach nyeman weten, Hi en zy goet clerck vermeten . Want in horen** boecken staet Dat ons te kinnene** waer quaet*'. Die koninck zeide: »gy zegget waer**; 4790 Die wiseste clercke ontboet hi daer, Ende zeide hem van den torre al bloet ; Des hadde hem allen wonder groet. Hi nam die wyseste daer allene* ^, Ende zeide: »weetdy** dinck negene**, 4795 Waerby mjjn torre niet en staet; Ick bidde iu, dat gy gevet raet, Ende zegget my wat den torre let; En zegdy** des niet, ick blive ontset". Doe hem die koninck dit hadde bediet**, 4800 Zi zeiden zi en wisten des niet**, Maer hier zijn zulcke, die konnen zien* ^ Aen den sterren** waerby dat mach ge- Hi zeide: »zoecket onderin lieden* *[8cien* '. (Sulcke) die dit konnen bedieden** 4805 Dat myn torre niet** en staet, Ende geeft my den besten raet". Elck vragede den ander of hiiet** wiste Enege dinck van gener liste; Ende twe die treckeden hem daer voert**, 4810 Ende zeiden: »wy bobben gehoort Genoech, wanewy**, van deser aert"; So lange datter zeveuo waert**. nen **alleyne, engejne **wetegy, leggcgy '*ge«echt, nicht *'8een, gescheen **8tcrneii **iuden, beduden * *toem nicht * * icht * * Fransch : lors en tut deus qtd se traistrent aeaat " wene we * * Het Fransch duideifjker: si avont ei de tex clers avec uos qui assez en scotmt ; et li rois dist : qucrvz vos compaignons , etc. hrs q ui- rent tunt li dui clerc quil Jurettt vij. 51 Den koninck togedc men die zevene; Hi vraeghde hen bj horen levene 4815 Ofte zi zouden weten wel, Waerby die torre so dicke vel? ^Ja, wy", zeiden zi, »zoudet iemant weten'*. Die koninck hevet hem venneten Horen willen al te gevene. 4820 Die raet sciet' , maer die zevene Bleven daer metten koninge, Ende p^'nden om dese dinge, Ënde studeerden sA gemene; Maer zi en vonden ziike maer ene; 4825 Ende zi en was, groet noch clene, Niet een twint van genen stene; Des waren zi alle tongemake. Vertegier hiet haesten die zake, Ende dade die clercke vor hem komen, 4830 Ende zeide: >wat hebdy vernomen?" Zi zeiden: 9 dat es een grote dinck Dattu aen ons zoecks*, here koninck! Beide noch achte da^e , wy en willen niet Die koninck sprack: » dat doe ick eer, [raeer'\ 4885 Siet dat gj my dat zegget dan'\ Te rade gingen die zeven man; Die ene zeide: »wetegy, heren, Waer hen die zaken mogen keren?" Die wyseste sprack: »koemt alle gemene 4840 Elck na den anderen te my allene , Ëode zegget my, wat gy hier af diet', Ick en openbaer iu anders niet*, Gy en willet dat dan alle raden". Zi zeiden, dat zi dat gerne daden. 4845 Elck ginck allene toten clerck, Ende hi vraeghde ombe dat werck; Alle spraken si gemene: ^Wy en weten niet van den stene; Een ander dinck, zien^ wy, twaren, 4850 Dat een kint van zeven jaren Geboren es sonder eertschen vader*'. Dit zeiden die zesse allegader. Ende alsi dit hadde geho^rt, >Eoemt alle zesse", zeide hi voert. 4855 Si quamen, ende hi sprack ter* stonde: »Gy spreket alle wt enen monde, Want gy zegget alle gemene Dat gy niet en wetet van den stene ^Bchiede *zoke9t 'wist, nicht *ze; verg. echter *t FranBch: que il voient un anfant de vij an, etc. ^tor •is nicht 'xegget •bcholdel 'wo ^''donket ** geseen. Al met alle niet een twint, 4860 Ende dat geboren es een kint Van zeven jaren zonder eertscen vader; Dat es*, dat gy zegget alle gader. Maer ick zegge iu', gelovet des my. Dat hier nyeman en zy, 4865 Ui en sach dat hem, zonder blijf. Dat kint zoude nemen dat lijf; Oeck zeggick dat zelve alse gy, Ende dit hebdy gezwegen my". Doe zeide die ene: »doet mynen raet, 4870 Gy behoudet* dat lyf, hoe* dat gaet, Ende dat duncket** my wesen goet". »Nu zegget wat men dan best doet, Gy hebbet ge&ien** al dat wy zagen** Heipet ons onse IJjf ontdragen**'. 4875 Degone sprack: >verstaet my wale**, Laet ons zeggen al ene tale. Dat die torre'* niet en mach staen, In dat fondament en zy gedaen Dat bloet van den kinde ierst* * te voren , 4880 Dat zonder eertscen** vader es geboren, 'Ende waer dat daerinne, so stonde hiscier. Laet ons dit zeggen Vertegier Al over een, dat es best gedaen; Dus mogewy metten live ontgaen, 4885 Ende doden daer onse doet an staet; Den koninck zullen*' wy geven raet, Dat hi dat levendich niet zien** en moet Maer die dat ierst* * ziet,hi bringe dat bloet". Dus hebben zi den raet geslcchtet, 4890 Ende hebben den koninck zo berechtet. Die ene zeide: » wy en zagen* * niet te samen Die wijsheit, die wy vernamen. Maer elck zal zeggen dat hi sach, Dat men dat beste kiesen mach". 4895 Dus daden zi tverstaen met liste. Dat die een van den anderen niet en wiste. Die koninck hoerde elcken byzonder, Ende doe zi zeiden dat wonder, Zeide hi : »mach z^n een kint zonder vader, 4900 So mach dese dinck allegader. Dat gy zegget, wesen wale; Want gy zegget al ene tale". » Here", zeiden zi, » nu zegget ons dat woert". Die koninck zeide: »dat gy hebbet gehoert, ** zegen, ontdregen *'wel **tonie * 'de dat eirst * 'er- deschen *'lconinge zolen ** nicht seen **zegede ze. 52 4905 Dat es al eens dat gj hebbet gesechf'. Doe antworden die cierke echt: »Here, nu doet onsen raet hiemaer**. »Ja*^, zeide hi, »mochte dat wesen waer, Dat een kint waer zonder vader?" 4910 >Jaet'\ zeiden zi allegader. Hi hete ze hoeden toter stonden, Dat men dit hadde ondervonden. Zi zeiden: >en ziet noch enspreketdatkint Maer alre ierst dat men dat vint, 4915 Sal men dat doden ende bringen dat bloet; Die torre' salstaen, eest dat men dat doet** Quaetheit was dat, al dat zi dachten. Vertegier hi dade ze wachten; Men gaf hem des zi hadden noet. 4920 Die koninck hem twelve doe ontboet, Dat zi voeren twe ende twe te zamen. Dat zi zalck een kint vernamen* , Ende dade hem zweren terstonden, Datsi dat doden, alsi dat vonden. 4925 Na merket, hoe hi dat zoeken doet: Zi voeren enwech , tors ende te* voet, Die boden in vremdcn lande, Ende ember twe ende twe in hande; So lange dat twe messelgiere 4930 Gemoeten tween^, doe wasser viere. Die vier voeren zo lang te samen. Dat zi tenen dorpe quamen, Daer liepen herde vele kinder In enen mersche, meer ende minder, 4935 Ende sloegen daer enen* bal. Merlgn, die dit wiste al, Sach die boden, want hi was daer, Ende hi trat een deel daer naêr, Ende gaf den rikesten enen slach 4940 Yan den dorpe, dat hi lach, Met ener kolven vor sine scène. Om datten scelden zoude degene. Dat kint sprack* te Merlgne waert: » Onreine, vaderloze bastoert^M 4945 Die boden hoerden dat allegader. Dat dat kint waer^ zonder vader. Si quamen toten kinde, dat* weende, Ende vrageden hem, wat dat meende? Hi zeide: >dit es enes wives zone, ^toem *yomemen *io ors ande to ^anderen tween •evnen 'weende ende sprack 'weer 'dat dar *De nicht *"we **to **dan "zworen ** wannen **wiltu **wilgy *»woldeick "«hen '•toem *»twinck »*icht **Fran8ch: v9t venroiz Aifrberffier la ou ma mere at. I 4950 Die niet* en weet wie** waa degone, Die dat kint an hacr wan. Alst* Morlyn hoerde spreken den man, Sprack hi te*' hant te** hem waert : »Ick ben, dien** gy zoecken vaert; 4955 Gy zwoert*' my te'* dodene teler, Ende myn bloet te" bringene Vertegier Zi z(?iden: » wanen * ^ quam dy dat te voren' > lek weet wel, dat gy dat hebbet gezworen Antworde Merlyn daer twaren. 49G0 Zi zeiden: Bwilstu'* met ons varen**? Hi sprack: »ick vruchte mgn leven, Maer wildy** my des zekerheit geven, Zo woudick*^ met iu heen'* met allen Ende zegge wat den torre** doet vallen 4965 Daer gy m;jn bloet willet brAgen onder*' Doe zi dit hoerden , haddet hem wonde Ende zeiden: » wonder zeget dit kint; Wy en doen hem niet een twint**'\ Elck zeide: »ick zal my eer verz weren 4970 Eer ick den kinde iet*' zal deren". Merlyn sprack: »gy zult, met troawei Herbergen met myner vrouwen**, Ick moet hebben horen orlof [hor Ende des mans, die woent met haer in de 4975 » Wy zullen daer* '**, zeiden zi, »gemeg^i Merlyn Icidese vor hem zaen Te ziner moeder, die was begeven Nonne, ende leide een heilech*^ leven Ende Merlyn ontfinck se wel gereet**. 4980 Alse'* doe alle waren geheet, Leide hi ze te Blasise zaen, Ende zeide: «dese zochten myombevei Hi zeide toten boden:» zegget hem nu [slaex Hieraf die waerheit, des biddick in; 4985 Ick zoude dat wel weten , lieget gy iet* Zi zeiden: »du en lieges niet, Maer ick zie*' wel , dattu zegges** waer" Merlyn zeide: »nu hoert daer naer: ^7 ^9^ gesent van Westen hier 4990 Van enen koninck**, heet** Vertegier, Die maeckto*' enen borch wel fier; Alzi es drie vademe ofte vier Hoge, valt zi neder zonder merren; Dit doet Vertegier vererren, **zolen dar *^hellicli ««Fransch: quant UerVmM vim en la mauon si rommenda aeelz de Inanz que /an/ipiM aê meitage» moult bel ottel e f aliee ekiere. **alBe a **ze ■•zegc«t * •koning **die heet *'maket 53 4995 Sodat hi ombe clerke zende, Doe en was daer nieman' die bekende Waerby hy vel; doe worpen zi lot, Nochtan bleven zi des even zot* ; Doe vonden zi dat ick was geboren 5000 Ende hem duchte, datzi verloren Alle by my zonden wesen , Ende droegen' overeen binnen desen , Datzi my doet zonden doen slaen, Ende zeiden, dat die torre ^ zoude staen 5005 Als m^n bloet waer daeronder. Vertegier dien hadde des wonder, Ende meende dat dat waer* waer, Ende dade my zoecken daemaer. Die clercke bieten hem enten* boden, 5010 Dat zi my ember zouden doden Tierst dat zi my vinden mochten, Ende'm^n bloet met hem brochten. Doe nam twelf boden die koninck, Ende dade hem zweren dese dinck, 5015 Dat zi mgn bloet brengen zouden, Zo zonde die torre vaste houden; Van den twelven zgn dit die' viere, Zi qnamen nu gereden sciere Daer gene kinder speelden* al 5020 Ende ick , die weet hoe dat komen zal , Daer zi mi zochten , ick sloech een kint Omdattet my zoude scelden gint, Ende verwaten my myner moeder zonden ; Ick woude dat my dese boden vonden; 5025 Blasys , vraget hem , of ick zegge waer". Hi vragede des hem, si liedent* daer. Zi zeiden: »a1so laet'* ons keren God te lande waert met eren , Als hi en lieget niet een woert'\ 5030 Blasys zeide, als hi dit hoert: >Hi zal noch wesen herde vroet. Dat waer^^ scade dat gine verdoet'*. >Wy breken liever onsen eet. Dan wy hem daden ienech leet; 5035 Hi kan zovele, hi wale verstaet** Of wy tot hem oeck dragen haet*'". Blasys zeide: >gy zegget waer Ende ick sal hem roepen ^^ naer, Ende vragen hem dit ende ander saken, 'neman 'zod 'drogen ^tom *weer 'oude den *dc *8peleden 'lieden **late 'Ms. Fransch: mouU êeroU gromt domages se voz locieiez ^^weet dat wal ^*haet al **ropcn **er '•vrage, za^;e *'i8 et **zolt da '*gerect, leel "geacheen, geseen "^wnltu **wo 5040 Des hi my wel vroet sal maken**. Hi riep Merlyne, die was daer wt, Ombe dat zi woudene overluet Te samene hebben hoer^* tale. Blasys sprack, al zonder hale, 5045 ^Si willen, dat ick dy vragen sal****. »Wat eest»'?'* zeide Merlgn,>zegdatal****. Hi zeide: »zalstu** met hem varen*'? »Ja, ick*', antworde Merlgn, »t waren, Willen zi my geloven gereit* , 5050 Dat men my vor den koninck leit**, Ende my en laten geen quaetgescien** Eer icken spreke ende hebbe gesien****. Si geloveden hem zgn leven. Blasys sprack: »wilstn** my begeven, 5055 Hoe** zal ick my gehelpen konnen Mettien** dat ick hebbe begonnen**? Hi zeide: >ick en zegge dy min noch meer. Want du zies**, dat onze Heer My die genade gevet to voren, 5060 Dat my (die) gene hebben verkoren, Die my meenden hebben thoren gebode ; Verkoren ben ick oeck van Gode Te zinen dienste**, ick zegge dy hoe: Dat en doet nieman dat ick doe, 5065 Want dat en weet nieman also gereet Dat gescien** zal, als ick dat weet; Want ick weet bet dat zal gescien** Dan alle die in der werelt zyn, Ende ick moet in dat lant wesen gebrocht* * 5070 Daer men my wte hevet gesocht, Ende daer men my sal geloven, Naest Gode, onsen Here*' hierboven. Bet dan dat je dade*' man; Ende du zals** mi helpen dan 5075 Maken dat werck van desen boecken, Ende ick sal dy somwyle soecken; Ende vrage ombe Northomberlant'* Dat es*» woeste ende onbekant. Want die** twe deel van den lande 5080 Seggick dat nieman en kande; Daer zalstu** wonen, ende ick sal dy Beraden dat d^n orber zy. Tot algader desen boecken; Ende dn en zals*^ my niet zoecken, **mitden »*zel8t '•denste » •gebracht * 'Heren **dede **zalt "omber omb merlant. Fransch: demanderaz une terrè qui a anon Humberlande; Engelsch jaister: and axe af ter a londe that is cleped NortAtmbirlande ' ' ia "de "laltu »*zalt. 54 5085 Dy zal daer af komen groet geval ; Weetstu wat ick dy geven zal Ende goeden eynde na dit leven*. Men zal d^n werck geme hoeren Ende van Joseph , dien hier te voren 5090 God, onse Here, gracie gaf, Alstu* gepijnt heves hieraf Dor hem ende dor zjjn geslechte. Dat God te zinen dienste^ echte' , Salstu* zo vele hebben verdient, 5095 Dattu zals s^n met Josep vrieut* Ende oeck in die geselscap myn; Ick zal dy wysen v^acr zi zyn, Daer salstu* zien^ die scone gave Die Joseph ontfinck* daer ave, 5100 Dat hi Jhesum van den cmce dede; Ende wees* zeker oeck daermede, Dat ick in dat rijke , daer ick zal varen, Die goede liede*" zal, twaren, Doen arbeiden by dage ende by nachte , 5005 lek kenue enen van Josephs geslachte' Die grote pine en sal niet komen. Eer men den vierden* ' koninck sal nomen , Die sal Artur zgn gênant. Du zals^' henegaen al te hant, 5110 lek sal dy zoeken daer du zals*' bliven Ende zeggen wat du zals" bescriven; Wetet oeck wel, dat iu gewerke Prysen zullen*' leke ende clerke*'. »^Ja'\ sprack Merlgn, »oeck daerna 5115 Alse dat gescreven es, zo ga In dat geselscap daer ick sprack ave, Daer salstu* zien die scone gave; Dinen boeck zalstn met dy dragen, Gene hystorien ne gene sagen 5120 Ne werden zo wel gepryset ter kuer** Alse van den koninck Artuer**, Ende die dan zal wesen heer. Dan hevestu verdient die eer. Die zi hebben al te male, 5125 Die behoren toten Grale. D^n boeck sal daeraf ontfaen zijn woert Ende hi wert geme oeck gehoert; Want luttel woerde zullen zyn in desen Si en zullen ie prysene wesen; *Hier is blikbaar een versregel in de pen gebleven ; Fransch: fu en auras a ta vie acomplUsement de tom den dorper metten'* scoen, Proevot wat hi wil metten** leder doen, Hi wil die scoe daermede maken; **de gucden "veirden "ralt "zolen "kur, Artur "Alze ene "geen *^cr, dar "nicht **werde gy **icht **de88er ■* sparden '"tocyner **vorsach **8ohoe **starke *'wolde ■•mytden. 5S 5175 lek zegge iu dat in waren zaken: Eer hi te hues koemt* sal hi zijn doet; Volget hem ende ziet* wonder groet". Hem wonderde des doe zyt* hoerden daer. > Wy zullen weten of dat mach z^jn waer !" 5180 Zi vraeghden den manne metten scoen, Wat hi metten leder zoude doen. Hi zeide: »ick salt nu orbaren, lek zal pelgrim asy e varen". Eenlick wonder dochtet hem' wesen, 5185 Hoe dat Merl^n wiste van desen, Ende zi zeiden ter* selver stont: «Dese man duncket ons gesont, Wy twe zullen hem volgen naer, Ende zien*, of dit mach wesen waer". 5190 Die twe volgcden hem eene wyle; Si en gingen* niet ene myle, Dat die man doet vor hen lach ; Si keerden opten' selven dach, Ende zeiden wat zi hadden gesien*; 5195 Die ander antwordeu mittien* : ^Dul waren die clerke zonder waen, Die ons hieten desen doetslaen; Liever waer ons dat ons mesquame* Dan men hem zijn leven name*". 5200 Dit zeiden zi heimelike ende met liste, Si en waenden niet dattet Merl^n wiste ; Ende doe zi quamen bet voert, Dankede hem Merlgn der woert. »Waeraf dankdy*** ons"V zeiden zi, 5205 ^Van dat gy zoidet", antworde hi. Hem wonderde zere ombe dat woert, Ende zeiden: »wi en mogen niet woert Gespreken, du en wetes dat al". Dus voeren si** hene, berch ende dal, 5210 Ende quamen in Vertegiers koninckrycke Eens dages gereden gemeenlyke Dor ene stat, daer gesciede Dat zi zagen** vele armer liede**; Want men droech daer een kinttegrave. 5215 Die maghe weenden sere daer ave, Die papen zongen entie** clerke. Merlgn begonde lachen sterke; . » Waerom lachdy" ? zeiden die gezellen ; Merlyn begonste hem vertellen , 5220 Ende zeide: »ziedy*' genen man *komet, zeet 'zcdat *em allen *to(ler *zeen •gengen 'op den 'geseen , raetdeen *my8 queme . neme ' "dankc gy ** zegeden ** voren ze ** zegen de **lachget gy *'ze gy **wonet »'ludc »*tó et ^*unde »*2olde Die ginder woent**"? - >Ja, wy; wat eest** »Ende den pape, die daer zinget [dan"? Vor den doden, dien men daerbringet? Die pape zoude** met rechte wenen; 5225 Nu merket , hoe ick dit mach menen : Dien dat niet en bestaet , sine handen wrin- Des dat kint es, lude hi zinget". [get; Si zeiden: »hoe zullen wy dit weten"? »Gaet, ick dar my wel vermeten, 5230 Toter'* moeder, ende vraget haer wes** Dat hoer man zo droevich es**? Soe** zal zeggen: »ombe zyn kint". Segget dan: »dat en bestaet hem twint, Also wel wetewy dat, alze gy, 5235 Dat dat met rechte des papen zy Die ginder zinget alzo hoe, Ende hi weet wael zelve** alzoe'* Dus vraeghden** diegene der vrouwen, Ombe hoers mannes trouwen, 5240 Also als hem Merl^n haddo geraden. Soe*' zeide te hant: » genade, Ende dat iu God wyse van der Hellen , Ick zal iu die waerheit vertellen , En latet mynen here niet verstaen, 5245 Want hi zoude** ray doet slaen". Doe si dit hoerden , gingen zi wanderen, Ende die ene zeide den anderen: »Wy en zagen nie**", zeiden die vier, • Waersager van deser manier". 5250 Dus voeren zi henen roetter vaert**, Totdat zi quamen, in ener dachvaert, Daer Vertegier, hoer here, was, Ende zi vraeghden Merline das Wat hi hem tantwordene riede , 5255 Vor den koninck ende zine liede**. »Wy zullen**", zeiden zi, »8enden hem Die zeggen zullen overeen, [tween. Wat ons te voren komen zy; Wat wilstu** dat men zegge van dy"? 5260 »Laet des my gebruken", sprack Merlyn, Dat zal tuwer alre vromen zgn; Want gy zegget dat dor mjjn goet, lek zegge iu dan wat gy doet, [den**". Ende gy en werdet oeck nember gescou- 5265 Si zeiden: » zegget ons, wy zullen dat hou- >Vaert", zeide hi, »tot Vertegier, [den**". **To der *'we ''zij **Se **zelven **vrageden *'se **zolde * 'zegen ne "*myt der vart ** lude ** zolen **wiütu '*gescolden **liolden. 56 Ende zegget, dat gy my hebbet al hier, Ende dat ick hem, al sonder waen, Sal zeggen, hoe z^jn torre ^ zal staen 5270 Ombe dat hi my dan alzo rechte* Over die quade, vule* knechte, Die my wouden doen verslaen; Ende ick zal hem, zonder waen, Seggen waerombe zi hem dat rieden. 5275 Dit zegget hem vor al^ zinen lieden* Ende dan doet dat hi iu heet*". Die boden voeren enwech gereet, Ende quamen tot Vertegier. Doe hi ze sach, verblyde hi scier, 5280 Ende vraeghde , hoe hem dat es' gegaen ? Zi zeiden »waer*, ende beeten saen, Ende hoe zi vonden Merline, Ende al by den wille zine, Ende dat hi geme met hem quam*. 5285 Doe die coninck dat vernam, Hi zeide: »wat zegdy* allegader? En zochtdy* niet dat kint Bonder vader Ombedat gy brengen zout*" zjjnbloet"? Si zeiden: »daer en es geen zo vroet 5290 Waersager alse es dat kint; Die clerke en weten niet een twint Waerby die torre niet en mach staen; Maer hi zal iu dat zeggen zaen , Es dat hi vor iu komt met talen ; 5295 Wildy, wy dodene eer wyne balen; Hem hoeden onser gesellen twe**. Die koninck sprack : »ick en wil niet mee, Dordy** dat nemen op iu allen. Dat hi zegge wat den torre doet vallen , 5300 Ende op iu IJjf , ick latene leven". Si zeiden: »ja wy, dat waerquaet gebleven". Hoe Merlijn Vertegier zeide ^ waerby zijn torre vel^*f ende van den roden draken ende van den witten draken. Nu voeren* * dese boden om Merlgn saen , Ende Vertegier volghde hem sonder waen ; Alse Merlgn die boden hevet vernomen, 5305 Hi zeide te bant: »gy hebbet genomen My op iu Igf'. >Dat es waer", zeiden zi: *toni *rychte 'qaaden, vulen *alle *ludeii •hict ^is 'Fransch: et ti U dittrent que êe il wssistilnel trovtutent tames; il vient nuMtU volantien a tot * zegge gy, zochte gy ^^'zolden **dor gy **vol * 'voren 9Wy hebben dat liever, dan gy Doet blevet**, dat wy ons aventueren". Ick sal iu losen wel ter kueren", 5310 Sprack Merlyn, ende voer met hen scier* *. Doe gemoeten zi Vertegier. Merlyn groetene by liever stade, Ende nam hem buten tenen** rade: >Gy dadet*^ my zoecken", zeide hi, »Heer 5315 Ombe uwen torre, die iu moyet zeer, Ende hiet* ^ dat men my zoude doet slaan Ombedat met mynen bloede* * zoude* * ataen Iu torre**, dat was iu bediet**; Hi loegh, die dat was die iu dat riet; 5320 Maer zeiden zi dat hi met my Sonde staen, zo seiden zi waerheitdj". Vertegier sprack tot hem** gereet: »Seghstu my hieraf die waerheit, Ick sal met hen doen al uwen wille**. 5325 9 Nu g^wy*\ zeide Merlijn stille, » Totten clercken, ick sal hem allen Vragen wat den torre** doet vallen, Si en zullen dat niet konnen geseggen". Aldus gingen zi daer leggen 5330 Die stene*' van den groeten werke , Aldus ontboden zi die clerke; Ende doe zi quamen vor Vertegier Vraeghde hem Merljn berde scier: ^Gy heren, hoe valt deze** steen"? 5335 Zi zeiden: »wy en weten dinck negeen Dan -wy zeiden den koninck**". Vertegier zeide: >vremde dinck** Was dat gy my zeidet*' allegader, Dat ick zoude doen zoecken** zonder vader 5340 Een kint; ick en weet hoe dat is vonden**. Merl^n sprack tenselven** stonden: >Over dul houdet** gy den koninck. Dat gy dadet zoecken** zulken** kint. Dat en was niet te ziner vromen. 5345 Gy vondet, dat ter erden was komen Een kint zonder eertschen vader. Dat doden zoude iu alte** gader, Ende dadet den koninge dat verstaen, Dat hi dat kint dade doet slaen, 5350 Ende leide in dat fondament zgn bloet, Die torre zoude dan wesen goet. **blevcn *»8ch^r **toeynen » Meden, hieten » «blode **zolde »»tom **beduet »*to cm *»De stcyne **we vellet dessen **koninge, dinge * 'zegeden ***okcn **to den zelven * 'holden ''zolkcn ■*allcn. 57 Dit» zeidy om te lengene iu V^f\ Elck wart vervaert als een kejtijf , Alse die sterven waenden doe. 5355 Merlgn sprack den koninck toe: » Here nu moechdy wael verstaen , Dat zi my niet en willen verslaen Omb uwen torre , maer omb hoor leven ; Vrage des hem daer ick zjj* beneven 5360 Si en zullen des loochenen niet een haer''\ Die koninck zeide : »zeghet hi my waer'*V 9 Ja hi*', zeiden zi alle gereet, »Maer wy en weten niet , hoe hi dat weet, Ende wy bidden iu, here goet, 5365 Dat gy ons niet^ en verdoet, Eer wy dan zien*, sonder waen, Hoe die torre* by hem sal staen". Merlgn sprack: »gy en stervet niet Eer gy dat metten' ogen ziet". 5370 Doe sprack Merlgn tot Vertegier: »Gy zoudet geme weten scier. Wat dit werck dus vallen doet; Wilstu* doen wat my duncket goet, Gy zult die waerheit weten scier: 5375 Onder den torre* es* een rivier** Ende onder den wat re** zgntwe steen**; Twe draken, die no groot noch cleen** En zien**, zgn daeronder groet, Die ene es wit, die ander roet. 5380 Die ene weet wael, dat die ander es' daer; Alse hem die last dan wert te zwaer Maken zi zo groet baraet, Dat al vallet dat op hem staet. Doe dat bezoecken, duzals*^ dat vinden, 5385 Ende doet my hangen ende binden Ne vindestu dat niet* , ende oeck verworgen; Ende vindestu dat, laet gaen myne bor> Die koninck zeide: » zegstu my waer,[gen * *'*. So en is nergen, verde** noch naer, 5390 Man zo wgs noch zo vroet; Maer zech , hoe men dit best doet'\ Merlgn sprack: »met meneger kerre** Sal men die erde nemen verre**". Te hant die koninck dat doen dede, 5395 Dit dochte*' den lieden** dullechede *zegiïdegy *zal 'Fransch: mai» il ne serotit ia si hardi gue il dtnwnf moi nns osont mentir * nicht *zeen •torn 'mit den ■Wultu 'is * *ri veer * 'water **steyne cleyne ** Ne zegen Fransch: qul ne voümt gott \ Eng tkói ste no tight **zalt **Fran8ch: si soiifnt mi plege qmU. * *keer, veer. In *t Fransch echter : MerUn Merlgn", sprack hi, >vrient**, nu zech 5415 Hoe* * zal men dat water bringen enwech"? »Met groten grachten zal men dat al** Leiden in dat diepe dal". Die grachten zijn**' begonnen scier, Ende Merl^jn sprack tot Vertegier: 5420 )>Die draken , die daer onder wanderen , Tierst* *, dat die ene koemt ten* * anderen, Sal die ene den anderen doet slaen; Ontbiedet iu hoge liede saen. Die scouwen mogen desen w^ch, 5425 Want dat hoerre tweer** kr^ch Grote dinck zal bedieden**". Die koninck sprack: »ick zalse ontbieden". Over dach ende over nacht Ontboet hi al** zine macht, 5430 Bidders, clerke, ende baroene** Ende zeide hem van Merl^ns doene**, Ende hoe die draken zouden striden. Zi zeiden: »vraechdy** hem niet siden Welck anderen doet zoude slaen'*? 5435 »Neen ick", zeide hi, zonder waen. Doe dat water ute was al rene* * , Bleken daer die grote stene**. Merl^n zeide: ^ziedy** gene saken"? o Ja wy , wael". »Daer zjjn die draken" a chevax et a charrctes et a homes a cox et porter loig a holes \ en in 't Eng. in cartcs and on mennes nekkes *^duchte * "Inden **Unde de * "de, zin **vrent WO **wal ""To eirst **ton **ore twiier **be- 11 daden **alle **barone, done *®vragede gy '^rcyne, steyne **ze g^. 8 58 5440 Sprack Merlyn, al overluet. >Hoe* zal mense best bringen wf'? Zeide Vertegier; ende Merlgn sprack: »Zi en doen nieman' ongemack, Eer die ene koemt an den anderen al; 5445 Dan zullen zi yechten alzo wal Tote dien' dat die ene ondergaet'\ Die koninck vragede ende zgn raet, Welck haerre* daer* te stervene steet. Merlyn zeide: » nadat ick dat weet 5450 Ende sculdech ben te zeggene dan , Seggick dy dat geme vor drie* man". Die koninck riep daer wt drie*, Ende vor diegene zeide hi, Wat Merljjn sprack. Doe zeidensi &V : 5455 »Vraget, welck drake verwinnen sal". Merlyn zeide: sdese drie man* Zgm van dinen rade dan*'*? >Ja si, bet dan ieman el*'\ »So mach ick hen dat zeggen wel**^ 5460 Sprack Merl^n al openbaer. Die koninck sprack: odat es waer'\ Hi zeide: »ick wil dat gy wetot** ditte, Dat (ver)winnen zal die witte; Ili zal tierst** grote pine dogen. 5465 Groet Igckteken sal dit togen Die konde geweten, wat dit bediet**, Maer nieman^ * en zeggickt eer t* * gesciet". Hi biet**, dat men den steen op trake; Doe quam daerwt een wit drake 5470 Tierst** datten die liede** zagen, Begonden zi daeraf versagen ; Hi was eyslick ende groet. Den anderen vonden zi, die*^ was roet, Daeraf waren'* zi versaget meer; 5475 Want hi was tonsiene zeer. Die koninck waende** op hem den zege. Merl^n sprack: »laet gaen hoer** wege Mine borgen , want zi z^n qoite'*. Die koninck sprack: »dat zy met viyte'\ 5480 Mettien*' quamen zo na die draken, Dat zi hem daer onderstaken Porrende daer elck den andren vernam; Mittien worden*' zi zere gram *wal "nemen geen *den *welk er *dar 'dre ^alle 'desse die manne, danne *al, wal '^^ weten **to eirst **bcduet **neman **dat eer dat **heet * 'lude "de * "weren ' 'wan ; doch verg. 't Fransck: fit bien avis V. que dit deust bien vaincre lautre "°er * * Mit den woerden * "sture, dure * * TInde den * * Dat de Ende voeren te samene met (ten) tanden ; 5485 Noch man in genen landen Beeste in stride zach zo stuer* * ; Si vochten den dach al duer**. Enten** andren totten myddage. Alle die liede die dat zagen 5490 Meenden wael die waerheit bekinnen, Dat die roede zoude winnen , So lange dat die witte wtwarp Wter nasen wten monde een vuer so scarp Dattie** rode verbrande van der hitte**; 5495 Doe lach neder oeck die witte Ende en levede maer drie dage daemaer. Doe zeiden alle die waren daer: >Dit wonder en zach nienmn eer'*! Doe zeide Merlgn: » koninck, heer, 5500 Nu maket uwen casteel weder; Hi en zal nu nember vallen neder'\ Vertegier biet, dat men dat werck Maken zoude hoge ende sterck. Dicke hi an Merlyne zochte, 5505 Wat die** stqjt bedieden** mochte, Ende waerombe die rode zo lange hadd* Merlgn antworde hem in dat leste: [beste* ^; »Dat bediet**, al sonder waen. Alle die dinge, die zgn** gedaen 5510 Entie** noch te gesciene zgn**; Wilstu*' my geven die trouwe** dgn Dat daer my niet af gesciet. Ick zal dy zeggen wat dat bediet**, Ende dese zekerhede my doe 5515 Yor degene die daer horen toe'\ Dat doe*^ ick geme'\ sprack Vertegier. »So gaet, ende doet komen hier Uwen raet entie** clerke saen Die om den torre zyn** gevaen". 5520 Vertegier, hi dade ze halen; Merlgn zette die clerke in talen, Ende zeide**: »hoe dul dat gy waert , Doe gy plaget** al zulker aert, Ende gy niet en waert zulke liede* ^ 5525 Alse betaemde geleerden diede, Ende gy wael oeck wesen mochtet**; Hierombe vondy**, dat gy zochtet**. ** bette "'de, beduden '^Franscb: n longwfmetU em avoit eu ti roits Ie meiUeur **bedudct **zin '•ündc de »»VVuUu *»detruwe '»beduet "'do **Fransch: 9i paria Merütu a elê tt lor dut "plegen **lude ""mochten, zochten ••vonde gy. 3« 59 Gy zaget* wel, dat ick was geboren; Die in dat brochten te voren, 5530 Togeden, dat ick iu zoude doet slaen; Omdat ick hem ben ontgaen Wouden zi dat gy myhaddet versiegen*; Maer ick hebbe daer enen heer tegen Die my hoedet tegen hoer bedriegen*, 5535 Ende ick zal ze zere doen liegen. Van my en koemt iu nember quaet, Wildy doen al mynen raet". Quaet en docht* den clerken niet, Dat hen Merl^n daer onthiet. 5540 Blidelike hebben zi geantwoert, Ende zeiden: >du en bringes' niet voert Dat ons te doene onwaert hevet, Want du bist die wiseste die levet". Merlgn sprack: »van deser aert 5545 En onderwint iu niet vorwaert; Dit zekert my, ende dan gaet Te biechte^; dat is m^jn raet. Doet penitencie, gy hebbet gesondet. Dat gy die ziele niet verwondet, 5550 Ende ick late iu varen quite*'. Si dankeden des met groten vlyte, Ende zeiden datzi dat geme daden*. Dus z^n zi van der doet ontladen*. Alle die dat zagen* sprakens hem* eer. 5555 Die koninck sprack te Merlyne meer, Ende zeide: 9dune segges my niet Wat der draken kamp bediet^, Van den anderen hebbick wael gehoert Noch berichte my bet voert". 5560 Merl^n sprack: »die rode drake Bediet* dy ende dine sake» Entie* witte Constans kinder'\ Yertegier scaemde hem ginder. Doe zeide Merlgn: ^en dy dat leet, 5565 Ick zwige dan van dat ick des weet*\ Vertegier sprack: »hier en** staet Nieman**, hi en is wael m^n raet; Daerombe zech my wat dat bediet % Die waerheit ende anders niet'\ 5570 Merlgn sprack: sdu hoers van my, *xegeii, verslegen, bedriegen. Het Franach is, in deze gantcke toespraak, veeloitToenger; het Kngelsch stemt daarentegen nagenoeg woordeiyk overeen, 'dachte 'brengest ^bychte * deden, ontleden 'sprekens em ^be- dned *bedadet 'ünde de **ne *'neman **betey- kent ''meyneycleyne '^ haddes du **zolde8t ^'slaens "gewolt, holt **Se, do **do vor oren '^mochtes Dat die rode betekent** dy; Ick zal dy zeggen hoe ick dat mene*': Constans kinder die bleven clene** Doe zi horen vader verloren, 5575 Ende hadstu*^ ze alzo verkoren Alse du te rechte zouds* * hebben gedaen , Du haddes hem in staden gestaen Tegen alle die nu leven; Nu hevestu se slants* * verdreven , 5580 Ende houds* * dat lant al in dgn ge wout* ^ Ombdat dy dat volck al was hout*^; Alse si raet an dy gcsochten, Des zi niet ontberen en mochten, Dades du dy wt hoeren rade; 5585 Sie, doe*' Engelant nam scade, Ende dat volck kroende dy vor** here, Du zeides, du en mochts nembermere** Coninck zgn over die genoet. Die koninck Moynes en waer doet ; 5590 Ende si verstonden dat wael die t* * hoerden: Dus dadestu dinen koninck vermoerden ; Sine broeder ontfloen te hant. Noch onthoudstu hem hoer** lant; Ende als diegene tot dy quamen**; 5595 Die den koninck zyn leven namen** Dadestu se ontl^ven gereet, Alse of dy sgn doet waer leet; Maer dattu beheldes dgn rgke Dat was ene quade gelijke**; 5600 Om d{jn behout maeckstu** den steen, Maer dy en mach helpen dinck negeen**. Robert zeghet**, dat die koninck zeide: >Merlgn, du zechs al waerheide**, Ombe raet biddick** dy zekerlike, 5605 Du bist die vroetste** van ertrike; Hierombe zech my, zonder bljjf, Hoe ick verliesen zal myn Ijjf"- Merl^n sprack: »en dadick** des niet, Sone zeide ick niet'* al dat bediet'*". 5610 »Ick weet dy des danck", sprack Vertegier. Merlyn zeide: »verstant my hier: Dyne macht bediet" die rode drake, Entie** vntte der kinder zake numbennere **die dat ^'ontholdesta em er **que- men, nemen *^D. e. q. g. was. Fransch: Ctf nejust mie boene semblanse. **make8tu **zegedc * 'Fransch: Qant Vertigier» a oi ce que MerUnt U a dit ^ ti set bien que il li a dit voir **bid ick **de vrodeste **deWelck Duvel zeide dat dezen vileine"? Hi zeide doe: »waer dat geheten my, lek haddene vonden eer dan gy". 5780 » Weetstu daer iet* * af"? zeiden zy mettien, »0f hevestu hem iergen gesien"? »Ge8ien** heb icken", sprack Merljjn, sEnde ick weet wael waer zine pade zgn ; Ende dat gy hem zoecket* ^ ende doet arbeit 5785 En heipet iu niet, heeft** hi mygeseit, Al met alle niet een twint**; Al is dat sake dat gy hem vint Hi ne voer niet** no min no meer. Als gy comet tot uwen Heer zegen **to alre eiret **j!egede **zint **zokenc **icht **gezéen *'zoket *• nicht hevet **twinck *"vore nicht. 62 5790 Secht , dat hi die borch wint in geenre wgs Eer dat doet es Uangys; Ende van al des konincks lieden' Die Merline te zoeckene riedeo, So es hoerre* twe min dan vive 5795 Van hem allen na te live; Juwen Here secht van den drien', Ende secht wat gy heb bet gesien' Ende secht hem, zocht hine^ in desen Dat hine daerinne vinden zonde*, [wonde*, 5800 Hi en zal met nieman willen varen Dan met den koninck twaren*\ . Dub sprack hi daer dat die boden horen, Ende eer zi dat wisten hadden sine* verloren, Ende elkerlyck sach op anderen 5805 Ende zeiden: »laet ons hene wanderen; Dat was die Duvel dat wy spraken* ; Wat willewy doen met desen saken Dat es best, sint dat ons es gevallen, Dat wi dat onsen Uere verkallen'\ 5810 Enwech voeren* die boden saen. Doe si hoer dachvaert hadden gedaen, Quamen zi tot Pandragoene. Doe hise sach in dien doene*, Vragede hi oft zi hadden gebrocht 5815 Dengenen, dien si hadden gesocht? >Here", zeiden si , » versame die liede d^n. Die dy zeiden van den divjn". Pandragoen dade ze ontbieden, Ende alsi'* quamen tot hem lieden, 5820 Seiden zi wat hem was gesciet, Ende wat hem die dorper riet, Ende dat daer twe doet zouden'* wesen Van dien die i^den te zoeckene*' desen. »Dat es waer'*, zeiden zi. 5825 Die coninck sprack: »dat doncketmy". Hem wonderde in hoer'* gedochte Wie** die dorper wesen mochte; Zine dachten niet van Merline, Dat hi ander gedane dan** zine 5830 Enegew^js genemen mochte. Zi dachten doe in hoer gedochte, Dat nieman van Hangys doet Dan Merlgn wiste, cleyne no** groet, Den boden vrageden zi of waer waer. Inden *erre *dren, geaeen *ene •walde, xolde *ie ene ^spreken 'voren 1 «1 •done *"al2e «e **zolden **lo sokene **er **we **dan de **noch *'etcn * 'geseen, speen **Fran8ch: mait il ne frova onquet ftd lei Ü en setul aire-, Engelsch: but thd Jounde 5835 Dat hem die dorper brachte die maer? Zi zeiden: »in Northomberlant, Daer wi aten** quam hi te hant Id die herberge tot ons gaende*\ Doe sprack daer een, dat hi waende, 5840 Dat dat Merl^n wael wesen mochte, Ende woude dat hem die coninck sochte. Pandragoen sprack: »ick zal daer varen Ende laten Uter hier, twaren; Ende die Merlyn hebben gesien**, 5845 Zullen daer my ombe helpen spien**. Zi voeren in Northomberlant; Ombe mare vragedensi te hant, Negene en hebbenze ge vreest**. Die koninck quam in enen foreest, 5850 Ende een van sinen lieden vant Enen berde** al te hant. Die vele heeste hoede** daer, Ende hi vragede wanen hi waer? Hi zeide: »van Northomberlant 5855 Ben ick, eens goeden mannes seriant, Maer ick sprack** gisteren enen man. Die my dat zeggen began, Dattene coninck Pandragoen Zoude zoecken, dat es een zwaerdoen". 5860 Die bode sprack**: »zech waer hi 8y^\ Hi zeide: »ick zegge dat node dj. Dat ick den coninck zoude vertellen'". »So com met my te minen gesellen, Ick late dy den coninck zien**". 5865 » Wie woude dan myner beesten plien* * ? Ick en hebbe een twint** oeck niet te doene Metten coninck** Pandragoene: Maer waer hi hier , ick wysede hem dan, Waer hi vinden mochte den man". 5870 Hi zeide: » ick zalne** dy halen te hant**. Hi voer daer hi den coninck vant, Ende vertelde** hem van den zaken t Die coninck zeide : > varewy daer". [waer* • Aldus quamen si tot den komuet 5875 Die knape sprack al overluet: »Siet, waer ick den koninck bringe**. Nu vertel ons alle die dinge". >Du zoeckes* * Merline, dn en kans hem* *^ Vinden, hy en wille dy * * openbaren;[twaren woon. that ought of hym cowde tey . **h erden **hodde ^*sprach **zeen,pleyn «♦twinck **Mit den koninge **zalene *'vorteUede ""waer *»Franach: voicikmroi que ie tauain **zoekett, kanat ene nicht **dieb. 63 5880 Maer vare tegen die poerte* gereet, Hi zal daer comen , dat ick wael weet". »Hoe gelove ick des"? sprack Pandragoen. Merlfln* zeide: >wildy* dat niet doen, In trouwen soe laet dat staen; 5885 Maer dat is dompheit, zonder waen, Hoert men na valscen rade iet*'*, [niet". Die koninck sprack: »ick en mestrouwe dy Doe zeide Merlgn* : »al8e dat dy nu staet , So geve ick dy den besten raet, 5890 Dan ieman die iu es by, Ende voorwaer zeggick dat dy". Die coninck voer toter iersten poert Die hy daer nomen hoert. Doe quam daer te hove een man, 5895 Die goede cleder hadde an, Ende zeide: »laet my te Pandragoene*'. Men dade dat. Hi sprack alse die koene : >Here", zeide hi, »Meilön zent my tot dy* Ende zeide my, dat hi diegene zy* 5900 Dien gy in genen bossche vont' ; Een waerteecken sprack z^n mont. Dat hy hier te komene zeide Huden , ende dat es waerhede ; Maer dn en heves zgns gene noet*\ 5905 Die koninck zeide: »ick doe wel groet, Ende ick zegge dy dat ick en zoude Negenen man spreken also boude*'. Merlgn zeide: » goede mere Ontbiedet hi dy by my, here: 5910 Dgn broeder üter hevet gedoet Hangys, dinen viant groet'*. Den koninck wonderdes, ende zeide: »Vrient, zegstu* my waerhede"? Doe zeide hy tote Pandragoene: 5915 »Wat hebbick daer mede te doene? Gelovestu des niet, zo bistu niet wgs; Ondervinde die waerheit dies* Ende geloves of dat es waer". Die koninck sant twe boden daer 5920 Op perden van goeder lusten^* Ende heet hem, datze niet en rusten, Hent* * zi die waerheit hebben vernomen Hierenbinnen ander boden komen Die desen boden gemoeten** 'porie *Noch in *t Fransch noch in *t Engelsch wordt hier de naam van Merlyn reeds gevonden •wil gy *ieet •her. In 't Fransch echter: M, tnen- voie a toi; in 't Ifingelsch: M. sente me hider io the •weer 'vonden •zeges du •des * •Fransch: ior Ut 5925 Ende Pandragoene voeren groeten. Die hem die waerheit zouden ontbinden Tierst** dat zi hem onderkinden** Reden zi toten koninck te samen , Metticn zi den raet daer namen , 5930 Hoe üter Hangyse sloech. Die koninck zeide: »dat es genoech; Swiget also lief gy wilt leven". Aldus es die tale gebleven. Wonder haddes den koninck in sgn gedochte, 5935 Hoe so dit Merlgn weten mochte; Hy wou de omb hem daer nog dagen. Want hy hem geeme zoude vragen, Hoe Hangys waer blyven doet. Doe quam tot hem een man groet, 5940 Die goede cleder hadde angedaen, Aldaer die koninck quam gegaen. Die man ontboet hem goeden dach, Ende vragede hem waerombe hi daer lach? Hy zeide: sMerline ick hier ontbeide 5945 Hent** dat hy kome, als hy zeide". i»Gy en zjjt* • niet", zeide hy, »al te* ' vroet, Dat gyne zaget*^ ende vor iu stoet, Ende gyne niet kennen mocht indien* •; Roepse die hem hebben gesien**, 5950 Ende vraget of ick dat iet* * wesen mochte". Mettien** men die** daer brochte, Die koninck sprack: »ombe den div^'n. Die geheten es Merljjn, Hebbewy hier lange gedaget, 5955 Kendy hem** iet** of gyne saget"? »Here", zeiden zy, »dat en mochte niet zgn, Wy en zouden kennen zjjn ansch^jn". By den koninck stont die man, Ende antworde den lieden dan: 5960 »E8 hier ieman van hier binnen , Die Merline mochte kinnen" ? Zi antworden: »zine zede En mochten wy niet kinnen mede , Al wetewy, hoe hy es gedaen". 5965 Die man zeide: »gy zult verstaen. Dat gy den man niet kinnet wel**, By zyner gedane ende niet el** Kendy hem* * of gyne saecht in die ogen? Ick zal iu zine gel^jcke togen". ii meiUort chevax que il ot **went **gemoten "To eirst ** onderkenden **went **icht *^to **ene zegen *^in den * •geseen **icht **niit den, de **kende gy ene **wal **al. 64 5970 Doe riep hy in ene kemenade Pandragoene tenen rade, Ënde zeide: »Here, ick ben Mcrl^n, lek wil zjjn die raet al djjn Ende Uters uwea broeder* mede; 5975 Hier ombe zoeck* gy my gerede, lu volck en kint niet wel myn doen' Roepse hierin. Heer Pandragoen, Zi zullen zeggen ick ben gevonden; Ende woude ick, zy en konden 5980 My gekinnen nembermeer". Pandragoen was blyde zeer, Ënde hy riep degene doen binnen. Die zeiden, dat si Merline kinnen; Ende Merlgn was also gedaan 5985 Als sine tierst sagen ^, zonder waen, >Dit es Merlgn", zeiden zy al. Die koninck zeide: »weetdy dat wal"? »Ja, wy", zeiden zy, »dit es Merl^jn", Hy zeide: »wy weten nu den ^n". 5990 Doe sprack die koninck ter* selverstat: >Meriyn, geerne bade* ick iu dat, Dat gy my waret* van herten houd. Want menech man, ionck ende out, Hevet my gezocht, dat gy z^V wjjs". 5995 Merl^jn zeide: »in gener w^js Vraechdy my iet, dat ick weet, Ick en zal iu dat zeggen wel gereet*". Die koninck zeide: » sprack ick iu iet Sint dat ick wten woude schiet"? 6000 Merljjn zeide doe: vHeer koninck, lek was die by den beesten ginck, Entie* dat iu zeide van Hangys doet", Den koninck hadde des wonder groet, >Gar oevele wiste gy Merlgns doen'*. 6005 Zy zeiden: »Here, dusdune zaken En zagen'* wy hem niet maken, Ende hy mach doen ende berechten** Dat ander liede soude ontfechten**. »Condy my dat geseggen iet", 6010 Sprack die koninck, j^hoe Hangys liet*' Sgn Igf, ende hoe gy dat vemaemt*'*', Merljjn sprack: »doe gy hier quaemt**. Woude Hangys üter doet slaen, 'broder 'zoke 'Fransch: maü eette gent que me qvidoieni conoistre» ne tevent rien de mon eztre ^Alze ze ene to eirst zegen *to der *bede, weren *zint *Fran8ch: vos ne me requerrez ia de ckose ne de nul conuil, se ge lou sai, que ge ne lo vos daigne boen et leal. *Unde die **8egen ** berichten, ont- Ende ick daden* ^ dat te wetene saen; 6015 Danck hebbe hy, hy geloefde my Ende ick zeide hem daerby Hangys doeget** ende zine kracht** Ende dat hy zoude, als dat waer nacht , Allene komen in dat paveloen 6020 Ombe dat hi hem sterven waende doen. Oevele dochtem dat wesen vraer. Maer zo vele helt hi hem daer naer, Dat hy zgn paveloen by nachte, Dat nieman*^ en wiste, allene wachte 6025 So lange dat Hanflrys quam ; Ende alsen Uter vernam, So liet hine wael binnen komen; Ende als hy Uter niet en hevet vernomen , Woude hi hem selven doden van rouwen, 6030 Maer Uter die was eer ontrouwen Ende sloechen aldaer toter** doet". Des hadde die koninck wonder groet. vMerl(jn, hoe waerdy doe gedaen? Want my wondert des zonder waen, 6035 Dat ick des gelove min no meer". Ick was gedaen doe. Heer, Als een out man ende een vroet; Mgn raet dochten wesen goet. Ick zeidene: »ziet**, dat gy iu wacht, 6040 Ende doedy des niet , ghy stervet te nacht". vOntdeckede gy hem anders iet**"? Sprack die koninck. »Here, neen ick, niet, Ende hy en sal des weten niet een woert, Eer hy iu dat vertellen hoert". 6045 Doe sprack hy: »wildy** met my varen? Ick hebbe uwer te doene** twaren". Merlgn sprack : »ick doe dat vele t**eer ' Nochtan zullen zi vele te*' meer luwe liede tomen , gelovet my * * ; 6050 Maer ziedy**, dat ick iu nutte zy, Doer hem zult gy te** min doen". Doe sprack die koninck Pandragoen; »Gy hebbet my nu des gemaket vroet. Es dat waer dat gy hebbet beboet 6055 üter, ende zine** doet gelet**, Ick sal iu geloven te** bet", [broeder >Coninck", zeide hy, >vrage des uwen fichten **hiet ' 'vernemen, qnemen **dedeem **doen **Fransch: ge Us di bien la foree et la vertu et Ion har dement de Hangnis '^neman *"to der **ze- gede em zect **ieet *'wil gy **todone **de **gy my **ze gy >*£inen *'gclettct 65 Ënde dan moechdy des z^n te vroeder Of hi des lyet, gelovet my dan , 6060 Ende ick weet waei, als ick doe an Die gedane, als ick hadde ane, Doe ick hem dat dade te verstane, En zuldy' my mogen kennen niet; Ende dat zal zgn, hoe dat gesciet, 6065 Van huden over twalef dage'\ Die koninck sprack* : »al sonder sage Wistick geme, als gy woudet*, Dat gy Uter spreken zoudet* Gy zult dat weten , maer hoedet iu des , 6070 Dat gy niet en zgt onwes, Dat ander liede weten mogen; Bevinde ick iu met ener logen, Ick en betrouwe^ iu nembermeer wale, Ick zal in proeven te menegen male'\ 6075 >Dat es my lief*, sprack Pandragoen. Merlgn zeide: »gy wetet* mgn doen, Dat zal over twalef dage z^jn. Dat ick zal spreken den broeder dyn". Mettien nam Merl^jn oerlof 6080 Ende ginck tot in Blasys hof, Ende Blasys hevet al dit bescreveo , Ende van hem es ons dat gebleven. Die coninck* voer an zine zgde, Uter, sgn broeder*, die was blyde, 6085 Tierst* dat hyne* komen sach Was hi blide al den dach. Die koninck* leidene bnten lieden*" Ënde zeide hem die saken die hem gescieden Van Angyse , ,alse hem dat Merl{jn zeide' ' . 6090 Uter zeide'': »dat es waerhedo Ick meende, ick dat wiste ende nieman el' *. Ende een goet man, die my wel" Hoede, dat ick niet en bleef" verloren; Here, wanen quam iu dit te voren?** 6095 Hy zeide : »gy wetet wel, dat ick dat weet, Broeder, nu zegget my gereet. Die iu wamde, wat manne hi was. Ick wane'* gy niet en wetet'* das Dat iu Hangys gerne hadde gedoet. 6100 By der trouwen**, die God geboet, Ick en weet, wie hi wesen mochte, Biaer een goet man hi my dochte. 'ne zole gy *de coninch sprach 'wolden , zoidco, enz. *betrouwede •weten *coninch ^broder, vroder, enz. •To cirst 'he ene **luden '^zegede *'al, wal '*Weff '*wcne * •weten **truwen **gy ene zegen Des gelove ick over een, Dor al dat, dat logene sceen, 6105 Dat Hangys hier komen zoude Ombe dat hi my moerden woude**. Pandragoen zeide: » broeder', Of gyne zaget ' ' , waerdy * * des iet te ' * vroe- üter zeide: »ia, ick meene dan'*. [der'V" 6110 Die koninck sprack: »hout** iu daeran, Dat hi iu binnen, elven dagen sal Spreken, dat en doe groet ongeval; Maer al den dach weset met my Tote dien, dattet*' avent zy 6115 Sc dat ick bescouwen mach Alle die** iu spreken op dien** dach, Te wetene, of icken kinnen konde In eneger wjja teneger** stonde*'. Uter sprack: »wat des gesciet, 6120 Dan en scheide ick van iu niet, Ick eu sal eer weten , neen of ia Eer ick iergen van iu ga". El< k heeft dit den andren gelovet Ende hebben te samene gehovet, 6125 Ende Merlgn, die dit wiste allegader, Zfide** dit Blasise, den geestleken vader, Hoe** Uter ende Pandragoen Visierden onder hem dit doen, Ende hoe** hem die koninck*' proeven 6180 Blasys vraechde hem wat hi zoude [woude. Doen, dat hi dat volbringen mochte. Hi zeide: »ick merke in myn en gedochte D;it zi jonck zyn ende blyde Ende mochtese an myne zyde 6135 Te mynen wille niet bet gereken** . Da.n met spraken, die ick kan spreken, Ende doen wonderleke saken, Dat ickse lachgende sal maken; Ende oeck so konne ick ene vrouwe 61 10 Die Uter mint** op gerechte trouwe; Ick sal hem een paer letteren** bringon Van zinen lieve, in znlken dingen Dat hi zal houden vor waerheit, Want ick weet al hoer*' hemelecheit; 6145 Als dat Uter van my hoert, Sal hem wonderen derre woert Want dat es hoer* ' hemelecheit. **weer gy **icht de **holt **den, dat dat **de **den **to eneger **zegede **Wo * 'koninck **ge- breken **mynnct '"litteren **er. 9 66 Dan aal die dach lyden gereit Dat zi my niet zullen zien' 6150 £nde niet bekinnen in dien; Des anderen dages aal ick my Hem ontdecken, dan zallen zy' My des weten meerre* danck". Hierenbinnen quam der sonnen opganck 6155 Van (den dach van) Merl^ns gelove, Dat hi zoude komen te hove, Ende was gedaen als een knecht, Dien Uter hadde gesien echt, Wonende met zinen lieve. 6160 Doe hi qnam met sinen brieve^ Sprack* hi: »Here, mgn vrouwe groetet* iu Ende zent iu deze letteren nu". Des was Uter herde vro Ende meende, dattet ware^ also. 6165 Die letteren* zeiden: >gelovet den knechte, Want gy moget wel doen met rechte Wat dat hi zeghet, dat es waer Iu amye sentene daer". Merlijn zeide hem daer al die woert, 6170 Die hy weet dat hi geme hoert. Dus was Merl^n, dat es waer, Toten* avende vor hem daer, Ende Uter was met hem blyde. Doe dat was komen na Vespertyde, 6175 Wonderde des den koninge ende was gram Dat Merl^n ginder niet en quam; Fy**, dachte hi, hevet Merl^jn gelogen! Mettien'* wilt hem Mer4jn togen Ende ginck over ene zide ^t§ren, 6180 Ende was rechte als die man gedaen, Die ierst** tote Uter quam. Ende als Uter den man vernam, Kende hine" ende bat, dat hi ontbeide Tote dat hi dat den koninge zeide; 6185 Hi zeide: »geme'\ ende Uter ginck Ende zeidet* ^ zinen broeder den koninck. Dat die man daer komen waer. Die koninck vragede der maer: »Is hi dat die iu wamde dan'*? 6190 »Ja'\ sprack hi, » dat is die zelve man". Die koninck zeide : »gaet ende proevet bet Ende secht my dan by uwer wet". Uter kornet weder, ende ziet** 'zolen zeen 'zolen ze 'meren * breve 'sprach *grotet Den man, dien** hi ginder liet**, 6195 Die noch daer*' sgns ontbeide; Hi kendene wael, ende gereede Zeide hi: »Here, hebbet danck groet Dat gy my loestet** van der doet, Weikomen moetty" my nu zgn; 6200 Maer wonder heb ick in dat herte mgn , Hoe m^n here, die koninck. Geweten mochte dese dinck. Want hi my tellede dat gy my zeide, Daertoe zeide hi my oeck gereede 6205 Al dat my es geschiet Seder dat hy my hier liet, Ende dat gy hier zoudt* * komen heden* ' ; Daertoe hevet hi my gebeden. Dat icken** dat te wetene dade** 6210 Als ick met iu waer te rade. Hy zeide my oeck, of gy waert*^ dat, Dat icken** dat ontbode ter stat; Ende dat hi dit weet al bloet, Des hevet my wonder al te groeV\ 6215 Merlgn sprack: »haelten daer hy zy Ende vrage des hem vor my". Uter ginck ombe zinen Heer, Ende beval den lieden zeer, Dat zy daer nieman in laten gaen. 6220 Alse Uter enwech vras, also saen Verteerde hem Merl^n ende nam Sine gelike die metten** letteren quam ; Ende alse Uter den koninck brochte Vonden zi den knecht, ende Uter zochte 6225 Den goeden man, ende hi zwoer zeer, Hi stont hier nu, by onsen Heer, »Nu vindick** hier den messelgier, Die my die letteren brochte hier; Ontbeidet here , ick zal den lieden vragen 6230 Of zi hier ieman wtgaen zagen Ofte desen knecht hier in gaen". Die koninck begonste*' lachen saen. Uter zeide: »zaechdy** hier iet Enegen man in corter tgt, 6235 Sint dat ick ombe den koninck** ginck"? Zi zeiden: »neen wy, waerliker dinck". Hi sprack toten koninge na desen: »Ick en weet wat dit mach wesen". Hi sprack toten knechte: »hoerstuet **dar **loe8ten '*mote gy **iolden "'huden **ick Mat dat were "litteren *Tot den **Phy *»Mit den | ene »Mede ** weren *»mit den **vinde ick *'b©- **De cirst **he ene **zegede dat **zcct, leet **den gonde **ïego gy '*komnch. 61 6340 Ginck hier ieman in of wt''? Hi zeide: >ick was hier by ia dan, Doe gy Bpraeckt' tegen dien man". Doe sprack Uter ten koninge* metter vaert : >Al80 moet' ick z^n bewaert 6245 Alse my dit geRchiede nie^, Dat ick nn metten* ogen zie^". Die koninck maeckte daeraf groet spel*, Dat dat Merl^n was, wiste hi wel*: >Ay , lieve broeder"^, sprack Pandragoen 6250 >Weetdy* wie hi es, dese garsoen? Hi zeide my, hy was ia* gesent, Na proevet of gyne iet**kent". Hi zeide : »ia ick'\ »Wat dnncket ia dan'*, Sprack die koninck, »mochtet zgn die man, 6255 Dien gy sochtet*^ na hier na desen'*? üter zeide: »dat en mochte nietwesen'*. >Oawy enwech*', sprack Pandragoen, >Wil hi hem te kennen doen, So hebbewyne lichte gevonden". 6260 Wt gingen zi te dien stonden. Alsi een stacke hadden gegaen, Biepenzi een ridder saen: 9 0aet, ziet'* wie daer inne zy"; Als hy daer qnam, so sach hy'* 6265 Waer die man opten'^ bedde sat; Hi keerde weder ende zeide dat. üter sprack: » Genade God, Heer, Ick wane** ick zie dat nieman** eer En zach die in der werelt' ^ was , 6270 Dit es die man, die my genas'M Die koninck was blider dan zi some, Ende hieten wesen wellekome, Die koninck zeide: »en waer iu dat niet leet, Ick zeide hem geeme hoe gy heet'*, 6275 Ende oeck wie'* dat gy zyt". Merlgn sprack ter** zei ver t^t: »Dat es my lieP'. Die koninck zeide echt : >Uter, broeder, waer es die knecht, Die tot ia qaam, die messelgier? 6280 üter sprack: »hi was na hier". Doe riep Merl^n den koninck wt, Ende zeide hem al overlaet, Wat maren hi van den vronwen zeide*', Ende wat hi hem te voren leide*'. 'spreken *to den koninge *mote *ne, ze *mit den •spil, wil 'broder "wete gy 'to iu '•encicht "sochten '*zeet **he **op den **wene '*neman **wcrlde **hiet ''wc **tor "'«egede, legede **i8 6285 Doe riep die koninck Uter wt: »Die ia brochte dat saluet Van uwen lieve, waer es hi** nu? Ick soudene geeme spreken vor iu Die ia die goede letteren gaf". 6290 Uter zeide: »wat weetdy daeraT'! Die koninck zeide : »dat ick des weet dan Zal ick iu zeggen vor desen man, Van dien, dat staet in dien brief'**. Uter zeide: >dat es my lief"; 6295 Hi en wiste niet dattet hem was kont. Die koninck zeide al dat daer inne stont. Uter sprack doe toten *^ koninck: »Here, hoe weetty** al dese dinck, Ende dat gy achterst zeide**?" 6300 Die koninck zeide: »ick zegge dat gereide**, Gebiedet my dese goede man". Uter sprack: »wat gaet des hem an'*? Die koninck zeide|: »ick en zegget ia niet Dat en z)j dat hi dat my gebiet". 6305 Des wonderde Uter zeer, Ende zeide: »es iu dat lief, mjjn heer, My vertellet al dit wonder, Latet maer ons drien*^ bysonder". Gar oevele sprack die koninck** dan: 6310 » Weetdy wie hy es dese man? Maer dat weet ick wel sekerlike Hi es die vroedeste van eertrike, Hi hevet die macht , die ick iu zal zeggen Daer ons vele aen zal leggen**; 6315 Dit es die knape die iu gaf Die letteren, daer ick iu zeide af'. Uter sprack: »mach dat waer wesen, So en hoerde ick nie** zulck wonder lesen". Die koninck zeide: »gelove des bet 6320 Dan eneger zake die gy wet, Ick en geloves niet, zonder waen, Eer hy my dat anders doet verstaen". Die koninck bat Merline hertelike, Dat hi hem togede die gelike. 6325 »Geme*\ zeide hi, »gaet daer wt beide Ick toge hem don knecht gereide*'. Si gingen wt ende keerden saen; Doe was hi als die*' knecht gedaen, Ende vragede wat hi woude** ontbieden he **breyfif **tot den **wo wete gy desse **ze- geden, gercet *^mer ons dien **dc koninch ** lig- gen **ne 'Me **wolde. 68 6330 Sinen lieve eer zi schieden. Die koDinck^ Pandragoen sprack echt: >Wat duDcket iu van dezen knecht? Geloofdy» dat hi dat es gereet"? Uter zeide: »ick en* weet, 6335 Wat ick (ia) hier af mach zeggen*\ Die koninck sprack: »laet nederlegfgen Allen twifel ende allen waen. Dit was hi die iu dade* verstaen, Dat iu Hangys doden zoude* 6340 Entien* ick zochte ick genen woude*; Hi weet dat gesciet' es al Ende oeck dat gescien^ sal; Ick woude* dat hi ons oeck woude* geraden Ende wy al by sinen wille daden*" 6345 üter sprack**: »wy hadden des noet". Doe daden* zi des an hem bede groet Dat hi hem zonde wesen by. Hi zeide: »wetet dat wael van my, Al dat ick wille, dat ick dat weet". 6350 Zi zeiden: »dat wetewy gereet, Ende dat gy die waerheit wetet* * van ray; Merljjn, gy en loget** my nie'\ >Uter, ia, ende heb ick waerheit Iu van Hangyse nu geseit, 6355 Ende daertoe van uwer mynnen Die gy nie** en lietet bekinnen'*?" Uter zeide: >ia gy, gy doet, Ende ombedat ghy zgt zo vroet, Zo zage**wy veel te** eer dat gy 6360 Minen here** altoes waret** .by". Merlgn sprack : »ick doe dat vele te* * eer Maer gy two ende niemau meer Moget** weten, hoe dat met my staet, Ende ick moet, so hoe dat gaet 6365 In Brytanien wesen saen, Maer dat mach zo niet vergaen. Ick*^ en zal meer denken op iu Dan ombe ieman die levet nu; Ende wat node iu toe gaet, 6370 Ick zal wesen al iu raet; Al ga ick*^ enwech, en achtes niet; Als gy my wederkomen siet, So doet my vor iu liede eer, Men sal m|jns achten te** meer; •de Iconinch *gelove gy 'ne •zolde, wolde 'gescheen *wolde * * weten , logen , mogen «•de '•heren, weren 1 1 *dede •Unde den * deden * "sprach ne * 'lieten bekennen **zege *^Ieli ** zolens nicht doren 6375 Den qnaden sal dit wesen leet Die my ende iu haten gereet. Maer zi en zullens niet derren'* togen Doedy** my ere vor haren ogen, Ick en verkeer my nu in langer tgt 6380 Sonder daer gy twe zyt, Te hant zal ick komen in die** zale Dan zullen zi dat weten al te male Ende zeggen dat ick gekomen ben**, Dan doet my ere vor hen; 6385 Zi zullen my pryzen daer gy staet; Vraget my dan , dat es mgn raet , Ende wat dat gy my vraget dan, Sal ick iu zeggen vor uwe man". In horen rade ende in den hof 6390 Bleef Merlgn ende nam oerlof, Beide te** komene ende te** gane, Ende hem te** togene in die gedane, Daer hi inne best bekennet was; Ende alsi worden gewaer das 6395 Diene zagen** in ziner manier. Waren si des verblidet scier. Men sach den koninck tegen hem gaen; Doe zeiden die liede saen: »Siet*^ waer die koninck** koemt tegen iu 6400 Daer was blgtscap ende geluet [wt'\ In des koninges zaei wart hi geleit Des koninges** man namen hem gereit Over ene zide , ende spraken : »Siot hier Merline, in waren saken , 6405 Die die beste div^jn es*' Die nu in der werelt** es*'; Here, biddet hem te zeggene al Of men die borch iet winnen sal , Ende hoe dit orloch sal vergaen; 6410 Wil hi, hi sal iu dat zeggen saen". Die koninck** zeide: »ick salne** des vr^ Eer dese achte dage verdagen". [gen. Des derden dages hilt die koninck feeate. Daer waren doe die alremeeste 6415 Die in den lande waren geboren. Merl^n zride den koninge te voren Des hem sine liede baden**. Pandragoen sprack met** staden: >Men segget my vor iu, Merl^n, **nogy **dat »*bin **to **De ene zegon **se«t >*Dekoninch '*coninge8 *'i8 *"werldc **wo *'*ick sal em ""lade beden **mvt. 69 6420 Dat gy zj* negeen* divgn; lek bidde iu , dat gj xny zegget een deel , Hoe* men winnen zal den casteel , Ende ick wil doen al uwen raet". Merlgn sprack: »dat verdtaet 6425 Ende proevet of ick ben wgs: Sint dat die Sennen verloFen Hangys, En zagen* si anders geen pant Dan te nemene dit lant. Qebiedet hem vrede , ende wetet •orwaer, 6430 Si en steken an iu niet een bacr Dan gj hem dat latet^ altegader. Dat hem quam van uwen vader; Maer des en zuldj niet* gehingen; Noch hem laten dat volbringen 6435 Willen si dat lant rumen gerede, Dat gy hem gevet* sulck geleide Ende scepe daer si mede varen^'\ Doe sprack Pandragoen t waren: »De8e dinck wil ick hem ontbieden''. 6440 Hi nam wt al sinen lieden* Enen ridder die hiet Ulfijn , Die die bode zoude z^n; Kempe en was in genen tyde Die 80 stoutelike ginck te* stryde 6445 Alse Ul^jn voer toten'* vianden. Alse hem die Sennen vercanden'\ Qnamen si jegen hem also boude, Ende vrageden wat diekoninck'* woude, Ende of hi waer** des coninex'* bode. 6450 Hi zeide: »ia ick, by Gode, Ende hi zent iu vrede drie** weken". Zi zeiden : »wy willen des ons bespreken" Ende doe hoer raet versamelt waert, Doe zeiden zi'*: »wy zjjn bezwaert 6455 Van onses Heren Angys doet, Wy en hebben spyze clein of groet Daer ons iet af waer te'* bet Onthier ende ons quame ontset'^, Ende men ontbiedet ons vasten vrede 6460 Des hebwy te doene mede , Ende dat es wesen herde quaet Daer dat zo nauwe van spize staet; 'z^d cngeen *wo 'Ne zegen * laten •zolegy nicht •geven ^In 't Fransch duidelijker: lort vos requerrant il meisnutt que il vos laisseront la Urre que fu vre ptfre et vot les feroiz fors condmre et lor coventeroiz que vos lor baiUeroiz vaissiaus en quoi il sen porrout aler. Het Engelsch maakt de Saksen tot Sarazins 'laden •stoltclikc genck to '"to den "verranden ''eoninch, ooninges **weer '*dre '^ae zegeden **de Maer wi zullen hem ontbieden Dat hi enwech vaer met zinen lieden** 6465 Ende late ons borge ende lant; Wy zullen dat ontfaen van ziner bant, Ende geven hem talken iaer Dertich ridder ende daemaer Tien'* vrouwen ende elke hoer kamenier 6470 Ende daertoe tien** ioncfrouwen fier**. Van knapen die den vrouwen dienen Wilwy hem senden hem tienen**, Hondert valke ende hondert paerde Ende hondert orse van goeder waerde'\ 6475 Dit dochte hem allen goet raet wesen, Ende gingen ten boden met desen Ende zeiden bem dit beheet*'. Doe ginck Ulfijn enwech gereet , Ende zeide den koninck dese tale 6480 Ende hem die waren in der** zale. Alse die koninck** dit verstaet, Sochti** des an Merline raet. Merlyn zeide: »en** doet niet dies** Daer zoude afkomen groet verlies**; 6485 Bliven zi in den lande, dat es verloren ; Maer gy zult mynen raet horen: Ontbiedet hem, dat zi rumen dat lant, Ende opgeven die borch te hant; Zi zullen dat doen alle geeme 6490 Want zi en hebben niet te verteerne; Eide beheet hem Ijjf ende lede, Ende scepe te vaerne mede; Segget hem , dat zi niet ontgaen Es dat si dit niet an en gaen ; 6495 Want gy en vredet nembermeer zoe*'; Zi en zullen des wesen al te vroe". Des morgens die koninck niet** en liet, Hi en dade** dat hem Merlyn hiet; Langer en spaerden niet die Sennes, 6500 Doe zi zeker waren** des, • Dat zi behouden** mochten varen, Ende zi ontboden dat twaren Achterlande boren vrienden**. Pandragoen hiet die bem dienden, 6505 Dat zise toter zee zouden leiden "Fransch: ne nos navons point de vitaiVe ne na tan- dons nul seeors; Engelsch: and we have here no vi- taile to abide af ter socour, '"var mitz. luden **tijn, fyr **emtynen **behiet **den *'dekoningh **Sochte he **ne d. nicht dus *• verlus ** Fransch: que James treves ni auront s'il ne lou font **koninch nicht **dede ■'' weren **heholden ■*vrenden. 70 Das moesteDzi danen' Bcheiden. Dub zeide Merlyne Pandragoene Wat den Heidenen stont te doene. Hoe Merlijn des koninges roet wart^ ende koene* een ridder* verraden woude^. Nu es Merlgn al raet gebleven, 0510 Doo die* Sennes dat lant hadden begeven ; Metten* koninck Pandragoene Was hi van herde groten doene ; Yor den koninck helt hi die tale. Dit en bequam niet wale 6515 Enen barone die dit zach; Degene merkede zinen slach Ende zeide: »Here, tes vremde' dinck Dat ghy houdet desen vondelinck: Al dat hi weet koemt hen van den Viant ; 6520 Dat wil ick proeven al te hant Daer gj zelve toe zult zien* , Wildy** dat, Here, laten gescien*'*'. Die koninck sprack: >zijdj** zo vroet, Opdat gyne niet vertoemen** doet, 6525 Dat gyne** proevet, wil ick wel**". »Here", zeidi**, vick*^ en wil niet eP*, Ende ick en wilne** niet doen erren". Die ridder en woude doe niet** merren, Doe hem die koninck des oerlof gaf, 6530 Hi was herde blide daeraf. Die zelve man was herde vroet Ende herde quaet in sinen moet, Verrader, ende oeck** wel geboren; Tenen tyde** quam hi voren 6535 In des koninges hof onder die baroene Ende p\jnde hem Merlyn ere te doene**; Hi nam hem te rade vor den koninck Daer gesciede doe dese** dinck: Daer waren tiene des koninges man , 6540 Ende hi sprack den koninck an: »Heer koninck", zeide hi, »zekerlike Dit es die vroetste** van eertrike; Hi vorseide Vertegier Te stervene van uwen vier**; 6545 Hierombe bid ick hem zekerleke**, Ombedat ick ben dus tongereke, 'van danne *wo ene 'ritter *wolde 'Do de •Mit den 'dat is vromede "holdet dessen *to zolt zeen ""wil gy "'gescheen **zin gy **vertor- nen Dat hi my zegge myne** doet Of hi daeraf weet cleyne of groet. Want wil hi, hi zalt wael doen". 6550 Doe bats** hem die koninck Pandragoen Ende alle die daer waren ginder, Ende Merlgn, die zine felheit kinde, Hi zeide: »gy doet bede groet, Ombe te wetene uwe** doet: 6555 Gy zult vallen van enen paerde Ende breken den hals boven der aerde; Dus zuldy** uwen ende doen". Die ander zeide: >Here Pandragoen Merket nn van enen vroeden, 6560 God moet** my daer vor behoeden"! Mittien leide hi den koninck wt, Ende sprack tot hem al overlaet: »Gedenket, Here, wael der woert. Die gy van Merline hebt gehoert, 6565 Tck zalne** proeven herde scier Noch in ener ander manier". Doe ginck hene die man Ende dade ander cleder an , Ende keerde so hi eerst mach 6570 Toter stede daer die koninck lach. Hi makede hem sieck ende bat te bande* ', Datten die koninck soude vanden, Ende hi Merline brachte met liste Sodat hi siner niet en wiste. 6575 Die koninck zeide, hi zoude daer gaen; Merline en dade hi des niet verstaen. Die koninck zeide: «Merlgn, gawy Tot enen ziecken, ick ende gy. Die hier leget in der poert". 6580 Merljjn zeide: » koninck, nu hoert: Negeen** koninck en zal in aertrike Nergen gaen so hemelike. Dat on z^ dat dertich met hem gaen". Doe riep die koninck tot hem'* saen 6585 Dertich ridder, ende mettien** Gingen zi den ziecken besien. Si quamen daer ende vonden die vrouwe , Alse of si hadde groten rouwe; Si zeide: sHere, dor iu oetmoede, 6590 Vraget Merline, uwen vroede. Of myn man iet*' zal genesen**. ene **wolde do nicht *®ock **Toeyncn tyden **to done *'do desse **vrode8te **vure **zckerlike •'mynen **bat des **uwen '"zole gy *'mote **«al **gy ene **wal, al ^'zegede he "ich **wil ene **to handen **Geen **toem **mytdien *'icht. 71 Op Merline zach hi met desen Ende zeide: »meat, weetdy' iet* dit Daer my die vrouwe ombe bit?*' 6595 »Here'\ sprack Merl^n, >ick bin des wedde, Hi en etervet niet in dit qualebedde". Doe versterckede* hem die man , Ende zeide: »hoe zal ick sterven dan'*? Ende Merlyu die antworde weder: 6600 »Du zals* sterven op ende neder, Want du zals verhangen wesen". Ende Merlfjn ginck enwech met desen , Ende geberde of hi ware gram; Ende alse die ander dat vernam, 6505 Sprack hi totten koninge gereit: » Hoert wat dese zot nu zeit! Proevet dat hi hevet gelogen: Hi zeide twe dinge vor uwen ogen Dat nieman also en starf, 6610 Ick zalne proeven derdewerf, Ende ick wil in ene abdie* (raen liggen in ene fermerie* Ende bi den abbete iu ontbieden, Die zal zeggen toten lieden, 6615 Dat ick een zieck broeder zj, Ende zo zieck dat men my Menet zullen versceiden^ Ende gy zult Merlyne met iu leiden^ Ende ick en proeve hem nember bet dan nu" 6620 Die koninck sprack: »ick kome tot iu Ende brenge Merline oeck mede'\ Degene ginck te gener stede Ende dade doe aldus dese dinck Ende zende doe ombe den koninck. 6625 Die koninck quam ende Merlgn mede. Alsi* quamen te gener stede. Hoerden zi misse ende doe saen Quam die abbet tot hem gegaen Ende vfjf ende twintich monicke mittien* 6630 Ende baden'* dat hi ginge besien^' Genen zinen ziecken broeder Ende brenge Merline, »hi es vroeder Daeran dan al dit volck is q,V\ Die koninck** sprapk: »geme ick sal". 6635 Merl)jn, hi en wil des laten niet Hino wil, al daer die koninck' * toe ziet, *vTcnt wete gy *icht 'verstreckede; doch in 't Franscb: s'efföree, Eng. enforced *zalt •Fransch doi- del^ker*. »/ ma nomees eet ü morz qve btne ne petU eêtre aeordable a lautre *formenie; Fr.: et si mej'erai la malades 'vorscheiden, leden 'Alze ze *myt den Uter zinen broeder spreken Ende ondecken hem dese treken. »Nu duncket** my", zeide hi, >in mynen 6640 So ick iu twe'* bet bekinne'* [synne So gy my duncket'* dulre wcsen. Meendy'* ick en wete wael van desen, Die my proevet, hoe hi sal sterven Ick salne noch enerwerven 6645 Seggcn, dat iu sal wonderen meer, Dan dat noch dade*^ van desen heer". Die koninck sprack : » mochtet ' " waer wesen Dattu heves'* geseght van desen"? Merlyn zeide hem daernaer: 6650 »Men bange my en es dat niet waer; Ende dat zeggick*" Uter mede Dat zal znlck horen hier ter** stede. Die daervan en scheidet niet Eer hem dit al es gesciet". 6655 Hier lieten si die tale staeo Ende volgeden den abbete saen. Die abbet «prack: » vraget koninck* *, Heer, Of dese man nembermeer Van desen oevele genesen mach". 6660 Merljjn geberde als hine** zach Genoech alsof hi ware erre**: » Die doet*', sprack hi, aes hem noch verre* * , Dat es ombe niet, dat hi my bekoert. Al dat gy van my hebbet gehoert, 6665 Dat*' es wonderlike tale** Want als hi stervet, wetet dat wale, Dat zjjn hals zal breken ontwe. Verdrinken ende hangen, dit es wonder mee. Hier es zulc die zien sal die saken , 6670 Hi en darf hem niet zo zieck maken Want ick kenne zgn herte wal, Ende zine gedachten*' valse al". Die man zat op ende sprack: » koninck, Here, nu merke deze dinck 6675 Entie*' dulheit van desen Hoe dit waer mochte wesen, Dat ick breken zoude den hals, Verdrincken ende hangen, dit es vals. Dit es dat niet gescien** en kan 6680 Van my noch van anderen man. Merket hoe gy wgs mochtet*® wesen, * "beden "beseen '*koninch "donket **twen ''be- kenne *• Mende gy *^dade '•mochte dat ''heveat * * zegge ick * ' to der * *he ene * 'irre * * vere * * Unde dat ■ 'vele * ^gedanken * • Unde de * 'nicht gescheen * * moch- ten. 72 I^at gy iu houdt' an desen*'. Die koninck zeide : »ick en doe daertoe niet Dat ie* zo vremde* dinck gesciet". 6685 Deae dinck bleef te dier* stont En de dat wort den lieden* kont, Dat Merlgn zeide van desen man. Menech* leide^ den zin daeran Te proevene, hoe dat mocbte wesen 6690 Dat Merl^n hadde gezeit van desen. Onder die liede* liep die sage. Doe gesciede in enen dage, Dat die man quam gereden Met velen lieden* tener steden 6695 Op ener rivier, die was diep' , Daer ene brugge overliep, Syn paert was vaerdich en de snel, Ende dat snevede ende hi vel, Ënde brack also den hals entwe, 6700 S\jn voet voer no* min no me** In een gat van der bruggen gereide, Dus verdronk hi ende brack den hals beide. Dat hovet ende sconder* ' hinck hem in die Ende bi den bene oeck sekerleke' * [beke 6705 Bleef hi hangende te zei ver wyle, Daer waren zi twe, zonder gyle, Dit dit al verzagen beide, Dat Merljjn te voren zeide. Sciere waa daer groet gekry 6710 Van enen dorper, woende daerby. Doe quam al dat volck geloepen toe**, Ende namen** den doeden ridder alsoe*'. Die liede*, diü hoerden dese sproke Vrageden: oes hem die hals tebroken? 6715 Die dorper antworde: >ia, hi". Doe si dit hoerden spraken** si: »Twaren Merlyn en zeide niet vals, Hi zeide: »du zals** breken den hals, Ende hangen mede ende verdnncken; 6720 Hi mach ons herde wel nu dincken*^ Dul, die hem mestrouwet hiernaer. Want hi zeidet ons al vorwaer". Den man groef men in korter stont. Al dit was Merlyne wael kont^, 6725 Ende zeide dat Uter in hemelicheden *holdet 'is 'vromde *to der *ludcn *manicli ^legede 'deyp 'noch *"noch mer ^'sculderen **ze- kcrlike **to, also '*ncmeu * •spreken '•zalt * 'denken *"hedat **gezeget **zegedc **Unde de **zole8 **komet **nembermeer **zegede dat **irre *»zoken "ünde to den »»ge!iken •"Nicht. Fransch: Ende leide dat hyt** den broeder zeide Ende üter Tertelde dat den koninck, Doe spraok die koninck: »dese dinck He vet Merlijn al vor gezeit**, 6730 Ende es dat dus worden waerheit? Vraget hem , zeidi* * swelcke tyt dat Ende Uter hi vragede hem das. [was'*. > Gisteren'', antworde Merl^n , »Entie** boden zullen** hier zyn 6735 Van nu over den sesten dach, Ende ich ga henen al dat ick mach. Want ick en vnl hier niet wesen Als die mare koemt** van desen, Want men my vele vragen soude 6740 Des ick node antworden woude; Ick en spreke vor dat gemene diet Vorwaert meer nember** niet". Dus sprack Mcrlyn Uter toe, Ende Uter zeidet** den broeder doe 6745 Die konisck meende dat hi waer erre**, Ende sprack: »e8 hi noch iet verre, Ende weetdy werwaert dat hi geet?" Uter zeide: »Here, ick en weet, Maer hi woude hier niet wesen 6750 Als die mare quam van desen*\ Merlgn ginck Blasyse soecken**, Ende doet dat scriven in den boecken, Ende Pandragoen ontsach' hem das. Dat Merlgn verbolgen was. 6755 Enten** zesten dage na desen, Quamen si, die hadden gewesen Al daer gesciet** was dat wonder. Die koninck sprack ende si** bysonder Ende zeide doe, al daer hi stoet: 6760 »Nu en es nieman also vroet Alse Merlyn es, weet ick wale; Nembermeer en zegget hi tale, Ick en zal dat al bescriven doen**. Aldus began daer Pandragoen 6765 Een boeck te scrivene in der manier Van Meriyns prophetien scier Ende van den koninge van Engelant, Dat menegen es onbekant**. Dat boeck en zegget niet das lors dit U rois et tuit cU qtti ce oirent. Eng. : and then seide the kynge and alUt that herden fhtre of. * * In 't Fransch meer in byzonderhedcn : ee que */ dist de la terre d' Angleterre comeiU ele fu dcstrifife et testoree par maintes feiea apre* la mort lo boca roi Artu qti€ U tormenz eommga acroittrt et aoenir au pais 73 6770 Wie* dese vroede Merlgn was; Want hi en brenget niet voert Anders dan bedeckede woert. Te dien* tiden was Merljjn al heer Over al den raet met groter eer 6775 Boven Aurelius Ambrosius' Die die meeste was van den hues; Maer doe si wouden sine wocrt Scriven, ende hi heeft dat verboert, Zeide hi Blasjse die saken. 6780 Blasys zeide ^ : » zullen si maken Snlc een boeck alse es dat mgn?'* >Neen si, niet", sprac Merljjn, >8i en scriven niet, al zonder waen, Dan dat si niet en konnen verstaen, 6785 No* niet geweten, hoe dat gesciet". Hierna so en liet Merlfjn niet, Hi quam te hove; men zeide hem daer Van den manne al die maer, Hoe hi waer bleven doet, 6790 Alsof hi des en wiste cleine no groet. Qu^jt was die koninck alles rouwen, Doe hi Merl^n mochte scouwen, Ende makede met hem grote feeste. Hier spreket van Merline die jeeste, 6795 Dat hi die bedeckede woert Alre ierst* begonste brengen voert, Entie' prophecië'n occk al Die nieman bekinnen en zal Eer dat si vorspellet zyn 6800 So en mach nieman weten den fijn. Hoe die Sennes toeder in dat land qxiamen, ende Pandragoens doet. Nu spreket Merl^n den koninck ter stede Ende Uter sinen broeder mede, Ende zeide: »ick pine my nu zeer, Ombe iu gewin ende ombe iu eer". 6805 Deser woerde hadden si wonder beide, Ende baden* dat hi ze dan zeide, Ende algader dat hi met gebod e. [Gode, »Ick en heles iu niet*", sprack hi, »bj qui par mordret fu per mer comtnencez , ei apres pro- pketisa, de ysambart et de gormant et doudelvive qui en- core e^t a venir et de mainte» auiret choics dont il dist monlt que ge ne vot pttis totes ici retraire; mtns il ne parole mie es prophecies qtti Merliru fu , etc. *We »to den 'A. unde A. FraDsch: Ein cel tens estoit Merliautoz sires dePandragan lou roi que liJngïois apeloient par son droit non de haptoisme Aurelius Am- Ick sal iu tellen, iu twe bysonder 6810 Des iu sal hebben groet wonder; Gedencket iu, dat gy hebbet verdreven Die Sennes, die waren** gebleven In uwen lande na Hangys doet? Hangys liet geslechte groet; 6815 Doe si sine** doet vernamen**, Wael** balde si te** samene quamen", Ende swoeren* *, die jonge metten ouden* *, Dat si sine doet wreken souden , Ende si zjjn** verzament altehant, 6820 Alse om te winnen dat lanf\ [men, • Ende beiden wonderdes alsi** dat vema- Ende zeiden: »hebbensigroet volcktesa- » Si hebben meer volkes dan gy , [men?** Des moechdy** geloven my; 6825 Si sullen iu u lant afgewinnen". Si zeiden: »konnewy dat bekinnen, Wy en doen niet dan uwen raet*'. Merl^n zeide: »nu verstaet. Welke tgt gy hoer** komst bewaent: 6830 Des elften dages in Wedemaent** Zullen si an uwen lande leggen** Ende dit en zuldy** nieman zeggen, Ende dit en weet nieman dan gy. Nu doet mynen raet daerby: 6835 Doet alle uwe liede** ontbieden Ende gevet hen dan scone mieden**, Eiken na dien*^ dat hi es weert, Ende oeck** na dat hi verteert, Ende oeck** kan decken sinen moet; 6840 Siet** dat gy ze dagen doet, Ende dat si komen zekerleke'* Tn Wedemaent, in der eerster** weke, In dat dal van Salesbire In den mersch op die riviere, 6845 Ende daer gereet zgn alte hant Alse daer te bescermene iu lant**. »Raet gy dat", sprack Pandragoen te han- » Dat wy ze daer dan laten landen ?" [de* *, i>Ja ick", zeide hi, »van der rivieren 6850 Zuldy** ze verre** laten logieren, Sodat si uwes volkes niet en weten; hroistfus Fandragon , et de Uter son frere fu il ancor mieü que de luy et plus lama ^zegede *noch *of 'eirst •Unde de • beden * "nicht ** weren * "sinen * 'vernemen, quemen **vil **to * 'zworen "oldcn, zolden * * zint. * * alse se * • moge gy * * er * * In het Fransch: al onzoisme tor de Juig. * 'liggen **zolegi **lude * 'weden *'den **ock **Seet •*xc- kerlike '"cirsten **to handen **Tere. 10 74 Ende alsi^ dan zijn geseten, So zendet een deel van ridderscepe* Tuschen hem ende hoer* scepe, 6855 Inwer een sal medevaren; Aldus zo moechdy* ze vervaren, Ende vaert zo na in deser manieren, Dat gyse verre van der rivieren Houdt daer, drie dage al stille; 6860 Si zullen hebben horen onwille. Ten derden dage zuldy* vichten*, Ende dat wil ick iu verplichten: Gy hebbet den zege, doedy dat". Die koninck sprack^ ter zelver stat: 6865 >Blivet onser enich daerin"? Merlgn sprack: »haddy begin, So koemt daer ember* ende naer; Negeen* man zal hebben vaer Tegen die** doet, of hy die** ontfaet, 6870 Also** dat nu gescapen staet, Want ende moetwy** ember* doen". Doe sprack** die koninck Pandragoen: »Du hevee gezeght** wonder groet, Dattu wetes also wael mine** doet, 6875 Alse die zine, die van den paerde vel** Want dat wistes du harde wel; Hierombe toech hier die waerheit dine, Ende zech my dan die mine*^*'. Merlyn sprack'*: >ick wil, dat gy 6880 Die Heiige bringet** vor my, Ende gy my doet enen eet, Ende dat zuldy doen wael gereet, Dat ick rade doer iu goet. Ick sal minen bedeckeden moet 6885 Vor iu ontdecken saen". Als dit die Heren hadden verstaen , Zeiden zi: »wy hebben gezworen**, Wat zalstu zeggen, laet ons horen". Hi sprack** : »ick doe al sondermiede**, 6890 Swert, dat gy zult zjjn goede Kede** Ten stryde, dien men sal vichten nu Tegen Gode ende tegen iu; Ick wil dat gy gebichtet zjt, Gy hebt des te doene op deser tjt 6895 Bet dan op een ander vaert*', Want gy op uwe viande vaert*' *alse se 'rid4er8chape 'er ^moge gy *zole gy •vechten ^koninch sprach •omber 'En geen *'den **Alzo als **mote wy * 'sprach **gezeget ** minen '•val *^den mynen '"brengen **Fransch; etquani il oren/ Jure si distrent * "mi ede ' ' ludc "vart * 'ver- Ende zjjt gy ziüc als ick gebiede, Gy zult verwinnen al die liede**, Want zi hem an Gode niet en keren, 6900 Ende verweert** iu lant met eren; Wat manne dat stervet in een gevecht Ombe te behoudene** zyn recht, Hy es versoent jegen onsen Heer , Ende hy en zal die* * doet niet vruchten zeer. 6905 Ick zegge iu oeck, sint dat in dit lant Kersten heit* * ierst wart bekant, So en was nie*^ so bitter strgt No en wert** hierna in langer igt; Gy, Uter, ende gy, Pandragoen, 6910 Zweert** dat gy zult iu beate doen; Ick en zegge iu meer no** goei no** quaet. Eer ick zie, hoe dat veiigaet. Die ene van den tween* * sal hier iterven , Entie'* ander die hier sal erven, 6915 Die zal maken te Salesbiere Enen kerchof rike ende diere**, Algader na mynen raet; Also lange als die werit staet Sal n4jn werck daer ane bliken. 6920 lek hebbe cfesecht, gy en kont des ontwiken, Dat die ene van iu tween hier blyven moet; Nu zgt stout** ende vroet Also als ick u hebbe geseit; Elc man sal z^n gereit 6925 So hi scoenst mach ember** meer Te** komene vor Onsen Heer, .fuwer een die*' moet daer varen, Doet iu bychte zonder sparen, Ende toget uwen volke scoen** g^laet, 6930 Ende secht hem dan hoe dat staet; Dus koemdy'* in die** hemelsce sale**. Dus endede Merlijn zine tale, Entie* * twe broeder hebben dat verstaen , Ende ontboden hoer volck saen; 6985 Doe zi daer wuren, zeghet dat gedichte , Gaven** zi menege scone gichte**, Den hogen lieden zi doe baden** Dat zi hem ten wapenen daden**, Ende geboden in hoer lant, 6940 Dat volc met gewapender hant Te wesene al gemeenleke** werf **behaldenc **den **Cri8tenheit **ne ''wirt '•zworen "nich 'Hwen "Undede "dure **8tolt **omber '•To "de '•schone ••kome g)' *''dat **ünde de * 'geven **giflfte ** beden, deden **ge- meenlike. 75 In Wedenuient in der ierater weke* In den plaen te Salesbiere, Op die Teemse, die scone riviere, 6945 Ombe te bescermene dat lant; Nie* en was dat manne bekant, Hi en zeide dat hijt' gerne dade; Dos qaam dat toten^ dage by rade, Daer dat volc op ontboden was. 6950 Die Heren beloveden hem das, Ënde daden dat Merlyn hiet. Te Sinxen* ^i lieten zi des niet, Si en bilden hof op die riviere In dat dal van Salesbiere. 6955 Menege gave gaven* zi daer. Sciere quam die uiemaer vorwaer, Dat die Heidene in dat lant quamen; Ende als die Heren dat vernamen, Dachtenzi ombe Merl^ns gewach; 6960 Dat was op Santé Bamabas dach. Te dien tiden geboet Pandragoen Dat zi hem bichte zouden doen , Ënde elck, bi zines priesters^ rade, Vergeve den andren sine mesdade. 6965 Die Heidene ontscepeden met luste* Ende daden hem op die ruste, Over negen dagen begonsten zi ryden*; Pandragoen sprack Merline ten tyden, Ende vragede wat hi zoude doen. 6970 Merlfjn zeide: »Here Pandragoen, Sendet üter nu derwaert Met vele ridders toter vaert. Tierst** dat zi komen op dat velt, Daer si hebben hoer getelt'\ 6975 Sal hi hem die scepe ontryden, Ende salse dwingen toten tyden Te wesene verre van der rivieren, Ende houdense kort in der manieren , Dat zi daer blyven wien**lief wien'*leet; 6980 Dan so porret dat heer'* gereet; Des morgens alsi'* willen ryden Dan sal hi zere op hem stryden, So dat ai nergen mogen varen**, Daer en wert nieman* • so koene twaren* *, 6985 Hi en wonde te lande* ^ weder wesen; Twe dage houdtse in desen, 'enten weke *Ne 'dat *to den •Pinxten 'geven * preesters •liste •Fransch: li Saisne dautre part fu- remt arive et isHrent des nef et prUrent territ et se herbergierent et seiomerent vüi iorz awtierspour repo- ter lor cors et a aitier por lou torment de la mer qnil Des derden dages koemt met uwen heer* *, Ende zet u daertegen te weer**. Die dach zal z^jn claer ende scone; 6990 Gy zult** dan zien** onder den trone Ënde in der lucht enen drake, Die sal bedieden uwe sake, Ënde dan vechtet zonder vaer. Die zege sal iu wesen zwacr"'. 6995 Dit en hoerde ne**geen baroen Dan Uter ende Pandragoen; Si waren blide doe zi dat hoerden. Merlijn sprack na desen woerden: »Syt zonder vaer, ick wil gaen, 7000 Dit es waer, dat ick iu doe verstaen, Denket omb te wesene goede man Ënde stouf , dit rade ick iu dan'\ Aldus scheden doe die dry'*. Uter voer, dat zeghet men my, 7005 Tuschen die heydene entie** scepe Met ziner stouter ridderscepe. Merlgn beval ze Gode beide, TUter keerde hi ende seide: »Ick zegge dy al vorwaer, 7010 Du machs'* wel z^n al zonder vaer, Dune sterves** niet in desen stryde, Du machs»* met rechte wesen blyde". Merlgn voer in Nortomberlant Aldaer hi Blasise vant. 7015 Blasys hevet al dit bescreven, Ënde van hem est ons noch bleven. Uter dade die 'Heidene scier Verre logieren van der rivier**, Ënde en lietse*^ niet te scepe varen; 7020 So zere dwanck hi ze, zonder sparen, Dat zi op dat dorre velt Hoers ondankes lagen** met gewelt, Ënde makede hem so sterck datstriden Datzi nergen dorsten riden; 7025 Aldus dwanck hise twe dage. Ten derden dage, zonder sage, Quam Pandragoen met zinen heer**, Ënde sach waer si met groter weer** Lagen** op dat dorre velt, 7030 Ënde waer** zi doe met gewelt Scaerden hoer heer** te dien** tyden avoient eu **To erst **geftzelt **wen **her **alse se **varn, twam **wirt neman *^to lande *"her, wer **solt **zeen **al * 'stolt "dre **uade de **sterrcst, madist '"den riveer "er **legen **wo "*to den. 76 Ende wouden op Uter striden. Tierst dat hi don koninck Rach Scaert hi z^d heer' al dat hi mach, 7035 Ende liet lopen toten' vianden. Doe dat die Heidene becanden, Dat zi allen thal ven waren bestaen, Worden zi herde zere ontdaen; Zi en mochten niet nu ter tyt 7040 Ten* scepen keren zonder strijt. Mettien' sach men in der lucht Enen drake komen met groter vlucht, Merl^n haddet^ vorgesecht alhier; Die drake worp* vlamme ende vier* 7045 Optie' scepe wt ziner kele. Dat zagen liede* herde vele, Die daeraf hadden groten vaer. Pandragoen riep daemaer: •Slaet met sporen"! Ende Uter mede 7050 Sach wat zines broeder heer' dede, Ende haeste hem alzo te'*^ meer. Des koninges heer versameude eer, Des scamede hem Uter aldaer; Dat zeggic iu al vorwaer. 7055 Ginder gesciede in eiker zide Grote moert in genen stride ; Die Heidene namen** diemeerre** scade. lek en hebbe te seggene gene stade, Wie daer best dade metter hant; 7060 Want iet" in dat Romans niet en vant; Maer dat zeide hi, die dat bescreef. Dat daer Pandragoen doet bleef, Ende met hem ziner liede vele; Uter wan in den nytspele. 7065 Den zege tellet ons die ieeste, Nie en las ick, no en vreeste**. Dat der Heidene ienich ontstoet. Si en mosten alle bliven doet. Hoe Uter koninek warty en hoe die sittene van der tafelronde gcmaket worden. Aldus ende in deser manier 7070 Was die stryt te Salesbier; Daer bleef doet die koninck Pandragoen , Dat rike bleef an Uter doen , *her *to den 'Myt den ^haddedat 'wart •vuer 'op de 'zegen, lude •broder her '"de **nemeu *'den meren **ick dat **verey8chte **dede de Gris- tenen **neme *'ene **legede * 'nemen al * 'en was erre. Fransch : mouU seraient Jol cil qui la tombe ver- Dat recht wa^ na des laudes zede. Nu hoert wat Uter nu dede: 7075 Hi dade die Kerstene'* te gader dragen Die daer doet verslagen lagen, Ende hiet dat elc zinen vrient name'*, Ende groef hem*' zinen lichame, Ende leggen in ene hoge tombe 7080 Van sconen stenen al ombe; Op eiken screef men hoe hi hiet; Maer op den koninck en screef men niet ; Dien loide*" hi hoger dan nieman el", Hi zeide: i>hine gevroedet niet wel 7085 Die daer niet gelovet embermeer, Dat hi was hoerre** alre Heer Van dengenen die daer lagen'\ Uter bleef al zine levedagen Des rikes geweldich genoech. 7090 Als hi koninges crone droech, So was hi comen te Lonnen , Ende al zyn volc qnam geronnen, Daer hi hem koninck dade" maken, Dit waren** ember waer saken, 7095 Abbete, papen, ende clerke, Ende prelate van der kerke. Dus wart Uter, na des koninges doet, Coninck gekoren vor die genoet. Als die manscap was gedaen 7100 Van sinen mannen, daerna saen Quam Merlyn opten vijftienden** dach. Tierst** datten die koninck sach, Was hi van Merline herde vro; Merlyn zeide: >nu sech alzo 7105 Den volke als ie lange tyt Dj vorzeide desen stryt; Ende Uter vertellede al die sake Sonder allene van den drake, Daeraf ne wiste* * hi groet no clene**, 7110 Want Merlyn haddet gesecht allene Pandragoene, zinen broeder*'. Des zo makede hi Uter doe vroeder*' Wat die drake mochte bedieden; Aldaer zo zeide hi den lieden**, 7115 Dat hi bediede** des koninges doet, Ende Uters ere vele groet. Ombe dat die koninck hiet Pandragoen roten t, iil ne connoiêsoient bien que eest la tombe au seigneur de toz vels qtdlagisent **dede **were *'op den vyftcynden **To eirst **wu8te **noch cleine * 'broder, vroder **luden, beduden. 77 So woude Merlyn ember doeu Dat Uters toename dat waer*. 7120 Doer des broeders wille openbaer Ende doer dat teken* van den drake, Ende doer deser tweer sake, Dade' hyne voertmeer vor die baroen Heten* Üter-Pandragoen. 7125 Van Merlyns rade haddi* grote ere, Dus bleef bi werken voertmere , Sodat die raet an bem al lacb. Doe gesciede op enen dacb, Dat die koninck in rasten sat, 7130 Ende Merlgn zeide: »nu secb my dat: Waerombe en doestu clene no groet Te dinen broeder, die es doet Ende licht gegraven te Salesbiere**? Die koninck zeide: »nu visiere 7135 Dattn wils*, ende laet my horen. Merl^n zeide: »du heves gesworen Ende gQlovet oeck zelve mede, Dat wy zonden te dier stede Sulc teken' setten sonder waen, 7140 Dat nembermeer en sonde vergaen; Loes dinen eet, ik lose myn woert'*. Uter-Pandragoen antwoert : »Sech dinen wille, ick en does niet node". Merl^n sprack: »ick wil, by Gode, 7145 Dat gy in Irlant nu sindet Ombe grote stene , die men daer vindet , Ende doetse brengen met ballingen; Men kanse niet so groet gebringen* Ick en salse wel allene oprechten* , 7150 Sendet enwech, ick vare metten*" knech- Die koninck Üter-Pandragoen [ten". Hiet al sinen wille * * doen , Ende dade daer vele scepe varen; Ende alsi ginder comen waren, 7155 Togede hem Merlyn grote stene**, Ende zeide: »dit zyn zi, die ik mene** Die gy in Engelant zult voeren**". Si zeiden alle ende zwoeren**, Dat die werelt gemene 7160 Niet en verbeurde die stene: >Wy en voerense niet, wat des gesciet". Merlyn zeide: »zo es dat ombe niet I^a-t** gy zyt komen in dit lant". *wecr *teiken *dede *hieteii »hadde he 'willest ^teiken 'gebrengen •oprichten *®m.t den ** willen 7165 7170 7175 7180 7185 Si keerden weder al te hant, Ende zeiden den koninge, haren'* heer. Si meenden dat nembermeer Man gedade*' dat Merlyn hiet. Die koninck zeide: »dat en zegget niet Eer dat Merlyn komen zy; Sciere daema so quam hy* * ; Die koninck zeide hem gereit Wat die scipliede** hadden geseit. 5^ Koninck", zeide hi, > nadien dat zy*" My breken trouwe**, so heb ick** my Van mynen gelove gequyt". Doe dade Merlyn in corter tijt Die grote stene bringen'* Mit liste, sonder ander dingen, In dat dal van Salesbire; Daer leide hi den koninck scire Ende oeck vele ziner liede Te siene wat daer gesciede. Ende doe si zagen die stene. Si zeiden , dat die werlt gemene Die stene niet verporren mochte, Hem hadde wonder wiese daer brochte Want nieman haddese zien komen. Merlyn sprack: >dat zoude iu vromen, Mochty** die stene** doen gestaen, Dat waren die scoenste, sonder waen, Die men iergen mochte vinden, Nu wil ick mine tale enden". Doe zeide Üter-Pandragoen: »Dit en** mochte nieman doen Dan God zelve''; ende Merlyn zeide: »Nu gaet enwech ende rumet die heide, Ick wil quyten myn gelof; Ick hebbe gedaen daer men of Also lang sal spreken, sonder waen, Alse dese werlt sal staen". Doe rechte** Merlyn gene stene Ende dade daertoe dinck negene Dan sine bedeckede aert*'; Doe ginck hi ten koningewaert*", Dien hi mynde ende diende** wel. Op ener tijt zo gevel, Dat Merlyn was wel zeker das, Dat hem die koninck houd** was, Ende hi hem wel geloven zoude **eren *'gedede *"he **de sciplude **ze **truwe 7190 7195 7200 7205 **ich * 'brengen **Mochte gy **ne **richte **art mejne, steyne * 'voren **8Woren **ünde dat "'wart **deynde ■*hoH. 78 7210 Van al dat hi hem zeggen woude. Doe gevel in ener tyde Dat hi hem riep an ene zyde, £nde zeide : >ick wil my ontdecken nu Van nuwen* rade tegen iu; 7215 Gy z^t een jonck man ende een nuwe* Ende al dit koninckrike is uwe, Ënde hebbet al zovele in uwe hant Ala enech koninck' doet z^n lant. Hierombe zeggic iu een dinck: 7220 Gedenket iu iet% dat Angys ginck* By nachte allene orab uwe* doet, Ende ick losede iu wter* noetV Hierombe duncket my goet recht, Dat gy my gelovet echt". 7225 >Ick doe geme", spiack die koninck*, >"Want ick gelove dy alre dinck ^ Dattu* my hetee wil ick doen". »T waren, Here Uter-Pandragoen, Die vrome es uwe zonder sceren; 7230 Dat zal iu herde luttel deren Dat ick iu zal te voren bringen, Ende gy en moecht in genen dingen Zo lichte gewynnen dat Hemelrike'*. Hi zeide: »ick zal dat doen zekerlike, 7235 Al zondet my werden t'ongemake". Merl^n sprack: >dat es ene sake Die vremde* scgnt, ick salt dy seggen, En wilstu dat nieman te voren leggen, Ick wille dat die eer entie*' vrome 7240 Altemale iu daeraf kome". Dieikoninck sprac: »dat en es geen man. Die dat van my geweten kan". Meriyn sprac: >nu proevet hier in, Dat my hieraf den groten zin 7245 Die Duvel gevet ende anders niet, Dat ick weet al dat es gesciet; Maer God, die alle dinck mach geven, Heeft** my gegeven daer beneven. Dat ick weet dat gescien sal. 7250 Hierby bin ick ontfonden al Den Duvele ende der Hellen toe. Want ick horen wille niet en doe. Weetty** wanen my komet die macht. Die ick hebbe vorgeacht 7255 Iu te zeggene wat God gebiet? *neuwen *kouinch *iclit *genclï *dwen •uteder ^dinch 'Dat du •vromde '"undede ^'hevet ' *wete gy * 'doen '*her, sonder **to der '•dede ene Ende als gy dat wetet, en latet niet Gy en doet*' Onses Heren wille. Nu hoert my ende zwiget stille: God quam dor onsen wille hare*^ 7260 Om1>e te verlosene die sondare'*, Hi sprack ter*" tafelen, daer hi sat. Met sinen jongeren ende at: My hevet verraden uwer een; Als dat waer was ende wael sceen, 7265 Die sculdege hi ginck henen saen. Doe Onse Here was verdaen An den cruce, dor onsen wille, Doe dadene** af een ridder stille, Die onsen Here hadde iief*^. 7270 Hi was gehangen als een dief*^ An den cruce dor onse zonden, Hi verrees in korten stonden Entie*' ridder, diene** af dede. Voer wonen in ene woeste stede, 7275 Ende sine mage ende sine liede, Tote dat hem ene plage gesciede Ende van honger groet mesvaL Doe clagedensi dat den ridder al. Doe bat hi Gode, dat Hi vertogede, 7280 Hoe** z^jn volc dat leet gedogede. Doe geboet hem Onse Here, Dat hi makede , in der ere Der tafelen daer hi toe sat. Ene ander ende zette daerop syn vat,' 7285 Ende deckede dat met enen cledereyne** Al omb ende ombe, sonder allene** An ene zyde , die tegen hem waar' * ; Daer zoude hy kennen by die acaer Die beheerden ter** goeder straten. 7190 Diegene die tei** tafelen saten Hadden horen wille daermede. Daer was altoes ene ydele stede, Daer was die stat betekent mede Daer Judaes hem selven wt dede; 7295 Want hi track hem selven achter, Ende verriet Gode , des hadde hi lachter* *. Echter zuldy** weten hiernaer, Dat die Apostelen koren daer Enen die der stat waerdich was, 7300 Dat es van Triere Mathias. Here, dit z^n tafelen twe, *'leeff. deeff »«dat '"de ene "dat he **alleyiie, stevne **weer *'to der ** laster *'zole gij. 79 Die concorderen myn no mee 0?er een onder hem beiden. Alle die liede' die haer lyf leiden 7305 Met Josepes tafele telkenmale Gaven hem den name^ van den Grale. Gelovet gy mj van desen saken, Gy doet die derde' tafele m^en In die ere der Dryvoudecheit ; 7310 Ende ick gelove iu oeck gereit, Dat iu grote ere daeraf zal komen Ende dat zal in toter zielen vromen, Oeck sal iu uwen tyden gescien Groet wonder, daer gy toe zult zien% 7315 Ende ick iu helpen wil, Heer koninck. Daer aal oeck wesen een dinck, Daer vele talen af zal gaen Want grote gracie zullen zi^ ontfaen Die daer af wel spreken konnen; 7320 Ëntie den Grael hebben gewonnen, Entie dien oeck hebben twaren Sgn ten westen waert* gevaren, Also als dat Onse Here geboet; Ende een ander geselscap groet, 7325 Die niet en weten van den vate, Gaen westwaert die rechte strate^. Ueloefdy* des my , gy zult» doen maken Dor dese dinck al ander saken; Doedy*° dit, gy werde» vro". 7330 Merl^n sprac ten** koninge so, Ende dat doch te '^ den koninge goet: >My is lief dat men dit doet, Ick wil al dat wil Onse Here'\ Die koninck sprac te Merlyne mere: 7335 »Ick legge den last al op dy, Du en moges niet'* geheten my, Ie en wille dat algader doen". Dat sprac Üter-Pandragoen , Ende liet hem al gewerden das; 7340 Des Merljjn wel blyde was. Fier wart Merline dat herte binnen, Hi sprack: »E[ere, heipet bekinnen, 'lade *namen. In 't Fraosch nauwkeuriger: et eeïeê genz eUumment ee twiêsel que il voietU sor cele Utèle Oraal 'de; in 't Fransch echter: ge vos men volez eroire, vos estahliroiz la tUrrce table ett non de la sainte trinite ^zeen *zal ze; Yrtm&cYL: car moult a done nres sires (trant grace a tos cels qtii öien en sauront parier 'to den w. wert 'In *t Fransch meer uitvoerig en vrij wat duidelijker: et cil meismes qui ne sevent qael part li vaissiaus est se sonf fraxt si eom, nres Sires lou velt qui les conduit ccle part. Waer men best doe dese dinck'*. » Daer dy best duncket*', sprack die koninck, 7345 »Ende daer du Gode best betales**". Merlin sprack: »te Caredol in Wales**, Daer zuldy** te Sinxen** hoven, Weset daer blyde, men sal iu loven, Ende gevet daer scone gichten**; 7350 Ick ga vor, die dat sal dichten; Gevet my tymberman ende liede, Die dat doen dat ick gebiede'\ Dat dade" die koninck al te hant Ende ontboet in al s^n lant, 7355 Dat hi te Caredol, zonder sage. Hof wonde houden** in Sinxendage***, Ende Merlyn visierde in die poert Dat toter Tafelronden beheert* * ; Ende die koninck quam daer corteleke 7360 Vor Sinxen**, in der ierster. weke'*, Ende vragede Merlijn wat hi doet. »Wel", sprack hi, »dat es al gespeet". Mettien'* mochte men ginder scouwen Bidder komen ende Vrouwen; 7365 Doe vragede Uter-Pandragoen : >Wat liede zalstu daer sitten doen Te derre tafelen"? — »Datzuldy zien" Morgen", sprack Merlijn mettien, »Dat gy niet en wanet gescieden: 7370 Ie sal nemen in corten tyden Vijftich ridder zekerlike Die beste" van al desen rike, Alsi ter" tafelen zyn geseten, Zi en zullen hem niet vermeten 7375 Weder te kerene tharen** hove; Dat zullen zyn Ridder van love. Als gy die ydele stede ziet, Ne vergeet'* der tafelen niet Daer dese was gemaket naer". 7380 Aldus dade" Merlyn daer. Als hi hier zeide*" overluet: Des anderen dages koes hi wt Vyftich ridder alle by namen, einsinc con totes les boennes oevres mennent a poiut. ■gelove gy 'zolt ^''do gy **den **duchte "nicht "betalest, walsoh; Fransch: hos la ferotis a Cardueil an Gales. Engolsrh : it shall be an CardoU in Walys "zoleg>' »^ifften "lude "dede "holde "»Pinx- stedage * ' Frausch: Merlins sen ala et fist faire ce quil sot que il covint a la table "Pinxten "de eirste weke **Myt den '*zole gy zeen "besten *'to der "to eren ''verget '•zegede. 80 Ende bat hem, dat zi gitten qaamen 7385 Tote geoer tafelen ende aten, Zi zeiden: >geme wtermaten". Merlijn, die vele w^sheit konde, Ginck* alombe die tafelronde, Die den koninck riep daertoe mede 7390 Ende w^sde hem die idele stede. Hi sachse , ende menech ander man , Maer nieman en wiste wat daeran Gelach , al sach hi se wael idel staen , Dan Merlijn, al sonder waen. 7395 Dat werck hadde Merljjn voldaen; Den koninck* hiet hi eten gaen. »Ick en doe des niet*\ zeide hy, > lieve Eer desen Heren es voldient; [vrient*, Ende doe* men hadde voldient den heren 7400 Doe ginck die koninck* eten met eren. Al die achte dage hielt* hi hof Ende gaf vele, des hadde hi lof, Beide Heren ende Vrouwen, Genoech, des moechdy* my getrouwen^. 7405 Doe die Heren danen" schieden Vragede die koninck den lieden* Die te Merlgns tafele zaten*" Wes dat zi hem vermaten*": >Here", zeiden zi, xonser alre wille 7410 Dat es hier te blivene stille; Wy en willen niet henen sceiden'* Wy en mogen te Sinxen gereiden Hier te syne te tercietyde, Ende hier dan te wcsene blyde; 7415 Wy willen ontbieden onse masseniede Ende leven hier alse goede liede**". >E8 dit iu wille"? sprack die koninck, »Ja'\ spraken zi, >waerlike dinck; Ons wondert wat dat bedieden*' mach, 7420 Want** onser negeen nie** ander sach Ende elc den ander nu dus mynt. Of hy waer sjjns sclves kint; Dat en doe die doet, wy en scheiden* * niet"! Als die koninck dat gesiet, ^genck *koninch *vrent Minde do *hilt "moge gy 'getrowen ''dannen "luden *®zeten, vermeten. Fransch: H vint li rots meismes as preiuiomes dt la tabu ronde et lor demanda que il hr estoit avis. * * schieden ' * 1 ud e ; Fransch : si respondiren t : Sire , noê navons nul talant que nos iames deci nos moviens ne de nre compaijnie y ne tie poov^ aler si loig que nos ne seiatis chascun jor a horc de tiercé ensamhle a ceste iabley se nest que nos allions en queste por honte qui soit avenue a vre cort que Ion ait faite a I 7425 Heet** hi dat men hem dade eer Alsof hi dat selver*' waer ende meer. By Merlyns sinne , die vele konde , Was gemaket die tafel ronde , Ende d'hof scheed al te male. 7430 Die koninck sprack dese tale: nMeriyn, du dades my verstaen Waerby gelove ick des sonder waen , Dat Gode doch bequame** zy Dese tafele, wistick doch by dy 7435 Wat bediedet deze idele stede; Ick zoude gerne vragen mede Wie dat daerinne sitten sal". Merlyn zeide: »ick zegget dy al: In dinen tyden en wert zi niet 7440 Vervullet, wat dat des geschiet; Hi en es gewonnen no geboren Die te dier stede is verkoren, Ende dat sal wesen, gelove des my, In des koninges tyden na dy; 7445 Ende die vervullet dese stat, Hi sal oeck vervullen dat, Dat ten Grale idel es bleven; Entie den Grale zjjn beneven , En zagen die stat vervullet nie**. 7450 Voert zo bid ick oeck mere dy, Dat du houdes*" in dese poert Dinen hof; nu hoert voert: Dine getyde zalstu hier doen Ende alle dine hoge baroen 7455 Eren»* die tafele die hier staet". Hi zeide: »ick doe dinen raet". wHere*', sprack Merljjn, > ick moet gaen. Du en zies»* my niet, zonder waen, In langer tijt'\ >Waer zalstu dan"? 7460 Antworde doe die edel man , »ïck hobbe hier mine feeste genomen, En zalstu hier niet weder komen'*? Hi zeide: »ick en wil hier niet toven, Ick wil dat si des geloven 7465 Diegene, die daer zullen toezien**, vos chr» OU por anquerre et cercher noveles estramqes por lou redir^ a la cort, dont la queste doU durer a celui qui ira \ an et i jor. En ceste maniere nos p/aist ei a demorer et ferons veuir eti eest pais noz fames et noz anfanz, etc. et ensinc vivrons au plai- sir de Nre Seignor. * 'bed uden **ünde **ne **hiet ''selven *'bèquemc **ne. Franseh: ne dl qui lou gardeat nel virettt otiques acomplir ne ne verront. * "holdes **Ere **zie8t. ** zolen to lecn.. 81 Wat sake dat hier zal gescien, Dat ick hier zelve niet en ben**. Aldas scede hi doe van hen, Ende Meriyn ginck* daer Blasys was, 7470 Ende zeide hem die waerheit das, Hoe die tafele was gesticht'. Lange beide hi, zeghet dat gedicht; Meer dan drie iaer, als iet* vernam. Wast* eer Merl^n wederquam. 7475 Ende vele die Merl^n wouden myden, Quamen doen, in corien tyden, Tote Caredole in den hove Met menegen van love, Ende vrageden ombe die idele stat, 7480 Wat bedieden mochte dat, Ende waerombe daer saté negeen* goet man Die tafele waer vervuUet dan. Die koninck sprack: «Merl^n my zeide Daeraf wonder ende vremdecheide*, 7485 Dat zi onver vul let bleve Also lange als ick leve, Entie' daertoe zal zijn gekoren , Dat hi noch niet en es geboren". Si zeiden dat en* waer niet, 7490 Ende hi loge als een bose diet, »Gy z^t zelver alzo goet Als ieman die na iu komen moet, Ende gy hebt iu uwen lande binnen Also goede liede, wildijt bekinnen*, 7495 Alse die ter tafelen eten". Hi zeide : »ick en dar my des niet vermeten Van al dat gy nu zegget hieraf". »Nu en doechdy niet een kaf, Gyne proevet die idele stede". 7500 Hi zeide, dat hi des niet en dede: »Ick vruchte Merlgns oevelen moet**. >Wy en willen niet, dat gy dat doet; Gy zegget dat Merlgn al weet Wat tale dat van hem geet; 7505 Es dat waer, zo weet hy wale Dat wy van hem nu hebben tale. Moyet hem dat niet, hoe dat gaet Hi komet, want hise niet proeven laet; En ombe zine logentlicke tale 7510 Willewy dat proeven wale; 'genck 'geschicht 'ick dat "was dat •Keen •vrome- dicheide ^IJndc de "ne 'wil gy dat bekennen * •ge- scheen, leen * "Pinxsten * *kur,aventur * 'zolden, wolden ^^zeen **Hier hapert iets aan den Nederlandschen Gevet ons oerlof, gy moget zien'*. Wat daeraf mach gescien*"**. Die koninck zeide : vmaer dat ick vruchte Dat hem Merljjn toernen mochte, 7515 Ick en dade zo gerne gene dinck". Doe zeidenzi weder: »Heer koninck, Levet Merlijn, hi en laet des niet gescien* ®, Laetet ons proeven, gy moget zien****. »Te Sinxen***' zeide hi, >doet alzo". 7520 Si dankeden ende warens vro. In groter hope waren zi das Totedien dat Sinxen** was, Ende Merl^n , die dat wel wiste ter kuer* * Telde Blasise die aventuer**, 7525 Ende wat zi nu zouden'* bestaen. Daerombe en woude hi daer niet gaen, Ombedat zi proeven wouden*' die stede; Hi sprack: »my es liever mede, Dat zi proeven nu die quade 7530 Dan ieman goeders daeran mesdade, Quame ick daer oeck, dat men my soude* * Tyen dat ick dat benemen wonde*'. Si en zullen geloven niet Eor zi zien** wat daer gesciet; 7535 Hierombe wil ick daer niet varen'*. Aldus bleef daer Merljn twaren, Tote na Sinxen** v^ftien dage. Üter-Pandragoen , die gerne zage Die proeven woude die idele stat, 7540 Entie zeide oeck den koninge dat. Dat Merlijn doet waer geslegen** Van dorpers die hem quamen tegen, Ende dat die koninck hilt vor waer , Ombdat Merl^n niet quam daer. 7545 Op den Sinxen* *dach was die koninck Te Karedoel, ende een iongelinck Ontboet dat hi komen zoude**, Die die edel stat proeven woude**; Die koninck sprac al openbaer 7550 Ende vragede, welc diegene waer? Doe zeide een, die stont daerby: >Coninck, men zalse proeven met my**, Ombedat hi wael metten koninge mochte , Ende hi was die dat ierst op brochte; 7555 Ende hi was herde wael geboren text; de Fransche heeft: Ja rots Vters vitU a Cardueil a grant plan f e do gent apres sick kome tot iu nu'\ Si zwegen alle, dat zeggick* iu, 7565 Ende zagen' wat hi zoude* doen. Daer stont Üter-Pandragoen Ende vele ziner liede daer mede. Diegone die ginck toter* stede Ende sat dat men zine dien" 7570 Ene korte wyle niet en conde zien*, Doe sanck hi neder in der manier Als een loet in een rivier*. Noch kersten'mensche, dat zecht menmy, En was zo snel verzoncken nie. 7575 Die liede, die dat zagen gescien Worden versaget alle mettien. Alsi den man hadden verloren, Quamen die ander* • ende haddens* * toren Ende wouden sitten oeck op die stat; 7580 Maer die kouinck verboet hem dat, Ende hiet die ridder al** op staen, So en zoude men niet bekinnen saen Die stede daer die man versanck. Dat daden si alle eer iet lanck. 7585 In den hof was rouwe ende zeer, Den koninge was therte verzeert te* * meer Ombdat Merl|jn hem dat zeide te voren Dat ter stat nieman'* en was geboren, Ende hevet den edelen man becroent; 7590 Ui hilt hem zelven vor gehoent. Al hilt hi dat vor gedroch; Hiermede ontsculdegede hine** noch. Ende Merlyn quam opten vijftienden dach : Doe des die koninck hoerde gewach, 7595 Quam hi jegeu hem gegaen; Doe hine** sach, doe zeide hi saen Dat hem dulheit was gesciet Dat hi zoude gedogen iet, Dat men proevede didel stede. *aUe 'zegge ick 'zegen ^zolde 'degene genek to der 'deen, zeen ^desse "vuer; maar in 't Fransch: cil ala avant por aseoir el leu ooit et passa tubre km stege par autre deus des preudom s; si sassiet et si estut tant lotiguement que il ot mises ses iicuisses sar lou siege et tors fotulie aUtsinc eti terre oome nne plome de plonc /eist qm fust gitiee en grand ett^s 7600 Hi zeide: >ick ben gehoent daermede'\ Merljjn sprack: >dit es dieke gesciet: Men vint menegerhande diet Die die liede*' willen beliegen Ende hen sol ven meest bedriegen. 7605 Du machs (dat) weten oeck daerby Dat zi zeiden dat dorpers my Vor wilt sloegen toter doet**. Die koninck zeide: »dat es waerheit groet". Doe zeide Merljjn: » koninck, heer, 7610 Die stat en*^ proevet nembermeer, Daer zoude af*' komen groet onvrede; Die stat entie** tafele mede Seggick dat noch bedieden" Sal grote ere vele lieden'* 7615 Die in desen koninckryke zyn'*'*. Die koninck zeide: > lieve Merlgn, Ick hebbe wonder groet twareu, Waer dese man zy gevaren**. »Hure'*, zeide hi, »dat en zalstu niet vragen* 7620 Want dat enmoechdy" nietvoertdragen Al wistestu dat wael, koninck heer, Maer omb te doene al eer Dengenen die ter" tafelen horen; Ende ick zegget iu te voren, 7625 Al dine feeste nu meer voert Salstu houden" in dese poort Dor die tafele die hier es", Des zyt zeker ende gewes". Dat zy es waerdich*' groter eer. 7630 Nu doe voert dat ick dy leer; Ick moet hene miner straten, Ick zal dy dienen" gerne wtermaten*'. Merlijn ginck enwech na desen saken Ende hiet den koninck daer huse maken , 7635 Ende sine feeste driewerf" in dat iaer Houden'* te" Caredole bimien daer. Doe zeide Uter-Pandragoen , Hi zoude** zinen wille doen. Hoe die koninck Uter-Pandragoen des Hertogen wijf mynde van Tintaveel^^t ^^^ <^ koninck Ariur daeran wan. Een lange tyt daerna gesciede, parfonde, ensinc est cil fondus en terre 'cristen *®andren *'de8 **aUe **de **nemant **he ene **laden "ue '"zolde of **unde de "beduden, luden *'zin '*niogc gy "to der **saltu holden **de hijr is •*werdich *'denen "drewerff ■•to '"zolde ^'Tintatiiel (Fransch: Tintaivel; Kng.: Tin- tagel). 83 7640 Dat die koninck al sine hoge liede Ontboet daer te sinen hove, Ende si dadent' alle roet love, Ende elc brachte daer ziae vrouwe , 8ine kamerere ende eine joncfroawe , 7645 Sine dochter ende sine nichten mede Ende Bine mage daer ter' stede Dor sine ere enten* hogen dach, Daer zioe feeste op gelach, In Kerstendage* zi alle quamen 7650 Sine hoge liede* al by namen; Daer quamen vele scone wive* Ende ridder' van fieren live* ; In dat Walsc so en es nieman' genomet Sonder daer die mare* af kornet, 7655 Dier** nomet hi een deel: Daer was die hertoge** van Tintaveel Ende zyn wjjf die scone Ygerne, Die Üter-Pandragoen zach gcrne; Si was die scoenste die daer was. 7660 Wel behagede den koninge das, Noch tan leidi haer*' des niet te voren, Dat hise dus hadde verkoren, Sonder dat hi meer zach op haer^^ Des 80 wart die vrouwe gewaer 7665 Dat hi se geme doe ansach : Si scoawde* * hem weder al dat si mach , Ende quam vor den kouinck node, Want si was simpel ende blode [we**. Ende scone ende hoeren** manne getrou- 7670 Die koninck begavedemenege** vrouwe; Als hi sach, dat zi des gewaer*' Was worden, nochtan zende hi haer*' Al dat hi wiste dat haer bequam ; Si** wiste wael ende vernam 7675 Dat ander vrouwen hadden genomen, Ende zi en mochte des niet afkomen Si moeste nemen dat men haer gaf, Ende zi merkede wel daeraf Dat die koninck al openbaer 7680 Die vrouwen begavede al dor haer**. Anders en zeide hi niet daer of. Dor haer** hielt die koninck hof Nochtoe was hi zonder wfjf, Ygemen mynnede hi vor zgn Igf, * daden dat ^to der 'unde dor den ^kerstesdage *lade *wike, likc 'rittcr •ia nemau •mere *'Der **hert20ge ^'iegede he er **8chawedc **eren **j?e- tmwe '*manige *'gewar, er **He; doch verg, het Franach: et quant ele vit at tot quil apoit envoie a 7685 Want hi in ommacht vil dor haer** Alri*" dachte wan si enwech waer*»; Ende als die hof soude sceiden*' Bat hi Heren ende Vrouwen beiden*', Dat si te Paeschen zouden hoven ; 7690 Aldus moestensi dat beloven. Alse dhertoge van Tintaveel Voer enwech , geleide hine een deel , Ende zeide: »vaert gesont ende blide''; Ygerne leidi** over ene zide 7695 Ende zeide: » Vrouwe, wet dat wael nu, Dat gy mgn herte voeret met iu*'; Si voer of si des niet en verstoede** Dat hi se minde dor haer** goede; Mettien zeide hi: >vaert ge80DV\ 7700 Ende keerde weder in korter stont. Die vrouwe voer met hoeren man. Die koninck voer te Earedol dan, Den Heren van der Tafelronden Dadi** grote ere te dien** stonden. 7705 Daerna voer hi in z^jn lant. Te rechtene daer hijs te doene*' vant. Waer zo hi voer, hem brande die minne Van der sconer** hertoginne, So lange dat was Paeschen bj. 7710 Te 's koninges hove quamen zy Beide Heren ende Vrouwen; Vro mochte men den koninck scouwen, Doe die hertoge quam ende Ygerne, Vele gaf hi doe ende geme 7715 Heren Vrouwen, wildy dat weten; Die koninck ginck zitten ende eten, Den hertoge** oam hi by ziner ziden Eude Ygemen te dien tiden Gaf hi menige gichte** rike 7720 Ende toende haer zulke** like Dat soe des** ontsoggen niet en mochte , Ende dat soe** haer wael des bedochte, Datse die koninck minde vorwaer; Des was zi in groter vacr, 7725 Men mochtet wel merken in horen ogen. Dat stont zo, si moestet** gedogen. Doe die feeste was gedaen. Wonde** elc te sinen lande saen, Ende nemen oerlof an horen Heer. totes les dames **dorch er *®Als he **var **be- hieden, bieden * 'legde he **verst«de **Dede he **to den *'he dat todone **8conen **Todes '"her- togen **gifte **er aolke **8edat **»€ **mo8tedat ■•wolde. 84 7730 Die koninck bat hen allen zeer, Dat zi quamen , als hise ontbode ; Si zeiden: »Here, dat latewy node". Alse dat volc was gesceden Die koninck moeste zyn lyf leden 7735 Met pynen dor die hertoginne. Een iaer was hi wel daerinne, Doe ontdeckede hi dat sinen Trienden twe' Dat hem van minnen ware* we. Si zeiden: >wat mochten wy ia raden"? 7740 Doe zeidi: >gy mochtet my gestaden Dat ick in haer geselscap waer*". Si zeiden: »voerdy nu aldaer", Ënde laget* binnen horen lande, Die licde zouden iu des spreken scande, 7745 Alsi die waerheit wisten van desen". Hi zeide : > wat rade zal mgns dan wesen^^ ? »Wy zullen iu dat beste zeggen: Gy zult enen anderen hof doen leggen Te Karedole, ende men ontbiede 7750 Daer te komene alle die liede*, Ende dat si hem also bespreken Daer te liggene twe weken, Ende elc brenge sine vrouwe; Dus moechdy beteren uwen rouwe, 7755 Ende spreken Ygernen, iu toeverlaet'*. Dit dochte den koninge een goet raet. Dus hiet Uter-Pandragoen, Dat men ontbode die baroen Te* hove te* komene, wie dat mochte, 7760 Ende elc sine vrouwe daer brochte. Si quamen toten hove scone Entie' koninck die droech krone, Ende hi gaf daer scone gichten* Ridderen*, vrouwen, ende nichten, 7765 Daer hem dat goet dochte tien*" tyde. Die koninck die was herde blyde; Doe zochte hi raet ende vronde An enen dien hy best betroude, Entaer** hine an sochte was Ulfijn. 7770 Die koninck sprack: »hoe sal dit zgn , Dat my Ygeme dus doet lusten? Ick en kan geslapen no** rusten No** gegaen no** sitten no** ryden , Ick wane'* sterven tallen tyden ^Fransch: si se complaint a ii desespruez. *were, weer 'aldaer her * legen *de lude "to 'Unde de •giften 'Ritteren *"ten **Undedar **noch **wene >*>zee '^Fransch: ei disoit que il nepooiilonguemeni vivre * •mende ich * 'ie * 'ne * 'to em; doch in HFransch: 7775 Als ick se met ogen niet en sconwe, Ende als ickse zie** vliet my airouwe; Dat en zjj dat men my raet mach geven , Ick en mach aldus niet lange leven'*'*. vGy zgt kranck", sprack ülfijn , >van live, 7780 Dat iu die minne van enen wive Aldus zere nu leget an; Ick ben , met iu , een arm man , Noch tan meende ick* • van myner mynnen, Stondet my aldus, wael raet gewynnen: 7785 Wie hoerde oit*' zeggen, dat w^f mochte Haer verweren, daer men se versochte, Ende men haer mochte clagen, Spreken , eyschen , ende vragen , Ende ere doen al horen gesellen? 7790 Van zulken wive hoerde ick noit** tellen Die des mochte ontgaen in alre tgt, Ende gy Here ende Koninck Egt, Gy stervet ombe ener vrouwen mynne! Dat comet iu al van crancken synne*'. 7795 Hi sprack: >du zegges die waerheit al; Ende, of du wetes wat daertoe sal , Ganck in die kamer ende gif miede Al der Vrouwen masniede, Elkerlijk dat hi begeert, 7800 Ende dan spreket te haer** weert Van my, of dat mach sgn*'. »Laet my gewerden", sprack ülfijn, »Ick sal daer mgne macht toe doen'\ Nu hevet Uter-Pandragoen 7805 Met ülfine genomen raet: »Nu proevet wael, hoet** my staet, Mynne te zoecken weder horen wille". Ulfijn zeide, lude no stille: »Want gy zgt des hertogen vrient**, 7810 Iu*' geselscap hem gedient, Ende getroestet iu selven war\ Die koninck zeide: »ick doe dat al*\ Dit was te prysene goet raet. By Ulfijns rade, zo bestaet 7815 Die koninck te wesene al vro; Achte dage hilt hi hem also, Dat hi entie** hertoge niet en scieden. Hi gaf hem vele scoenre mieden So dade hi sinen riddren** mede. et parole a Tgueme si com iu ses qtie mestiers eU *®woet **7rent **Ende in; doch verg. hetFransch: or gardez que vos seiez bien del duc ei Ü poriez com- paignie **Unde de **rittem. 85 7820 Altoes p^'nde hi hem dat hi dede Waer so hi mochte ainen wille, Beide vro lude ende stille; Ende Ulfijn clagede haer des koninges noet, Menege^ scoenhede hi haer boet 7825 Dat si somwyle niet en nam. Eens dat ülfijn tot haer quam, Die vrouwe tracken* an ene* zjde, Ende zeide: sUlfijn, zech wat nyde Wilta nu versoenen daermede 7830 Dattu my biedes dese scoenhede?** > Vrouwe", sprack hi, »dor iu doget Ende omb iu scono joghet, So biede ick iu dese scoenheit nu Want al dit lant staet an iu , 7835 Qoet ende liede* ende al dat des es". »Waerby", zeide zi, »geloveiknu des"? >Want gy draget des koninges leven, Dien al dit koninckrike es bleven ; Nadien dat gy zgn Ijjf behout* , 7840 So staet dat al in uwer gewout*". » Wat zechstu", zeide zi, ï^van wes doene"? > Vrouwe, van Uter-Pandragoene". Zi zegende haer ende sprac met staden: »Connen koninge dus verraden? 7845 Hi vaert of hi mynen heer Ende my geme dade al eer! Ick bid de , dattu* des nember en zegges Noch my oeck te voren en legges, Ick zoude dat clagen mynen man, 7850 Entu' zoudes daerombe sterven dan; Maer zwych, en* zech des nembermeer". Ulftjn sprac: »dat waer myn eer, Word ick dor mynen here versiegen*; Nie en sette haer wyf daertegen, 7855 Dat si enen koninck verzeide^* Die zulke minne an haer leide^* ; Ick vrane gy houdt daer mede iu spot, Hebt** des genade doch doer'* Godt luwes selves ende uwer eren; 7860 Gy en** willet dat ten** besten keren, Daer liggct* * iu scade an ; Noch gy, noch iu goede man En moget tegen hem niet gestaen". Die vrouwe begonste*' wenen saen, 7865 'manige 'track ene 'eyue *Guet unde lude •beholt, gewolt *dat du ^Unde du 'ne •verslagen '•vorzegede * *legede »»Hebbct *»dorch **ne **ton **leget ^^begonde ^•vorachieden *'zegededat ""ge- 7870 7875 7880 7885 Ende zeide: »nu zwiget al stille, Hi en siet maer na sinen wille''*. Pynlike si versceden** zyn Die scone Ygerne ende Ulfijjn; Ende ülfijn zeidet** den koninge voert Wat hi hadde geantwoert*". Hi sprack: >zi doet als een goet** w^f, Daerombe en makes geen blyf, So saen en zecht geen goet wgf ia". Opten** iersten dach daerna Sat die koninck ende at, Entie hertoge** by hem sat, Een guldyn kop stont over hem; ülfijn sprack: » koninck, nu nem** Desen cop, ende senden Ygerne, Si zalne ontfangen herde geme, Ende zegget den hertoge, hoeren man. Dat hi dat haer ontbiede dan, Ende zine dor dinen wille ontfa, Ende zi daerwt dincke daerna". Die koninck zeide ten heHoge: »Sende Ygernen, die sit** in hogen, Desen cop ende ontbiet haer stille, Datsi daerwt drincke dor minen wille Ende zine honde, ick ans** haer wel". Die hertoge** antworde sonder fel: >Here, danek hebt, want Ygerne Salne van iu ontfangen gerne". Die hertoge** van Tintavel Riep enen ruyter*', hiet Bretel, Die was van smen nauwesten** rade: »Nemet dezen cop, gy hebt** die stade, Ende gaet daer Ygerne sit, Ende secht: die koninck sent haer dit, Ende dat zi drincko desen dranck Doer hem ende si hem des wete danck". Bretel dade geme dat, Hi ginck aldaer die vrouwe sat, Met anderen vrouwen, tharen** male, Hi knielde ende sprac dese tale: >Die koninck sent iu desen** cop, Ende myn here wil, sonder scop. Dat gy daerwt drincket, hi en es niet quaet, Ende dat gine doer sinen wille ontfaet". Ygeme hadde des scame groet. antwort **eyn guet **op den **ünde de hertzoge **nym **de zid *"gan8 *'ruter **aouwesten **to 7890 7895 7900 7905 oren * ^dessen. 86 7910 ËDde si wort onder den ogen roet, Maer ombedat die hertoge hiet , So en dorste zine ontseggen niet, Eode dranck daerwt ende settene neder, Ende zeide dat men bem droege weder. 7915 Bretel zeide: »die koninek bat, Ende m^n here wil oec dat, Dat gyne houdt*, hi geeft^n* iugeme'\ Doe pinsede wael die scone Tgerne , Ende wiste wael, zi moesten' ontfaen. 7920 Bretel keerde ten koninge saen, Ende dankede hem van der Vrouwen, Dat si doch niet en sprack in trouwend Quale, versncbten, ende zeer Verloes die koninek vorwaert meer 7925 Doe men hem dankede van der Vrouwen. Ulfijn ginck merken wat rouwen Ygeme daer hadde, daer si sat, In der* kamer, daer si sat ende at; Hi vantse denkende ende gram. 7930 Doe zi ülfine daer vernam, Riep sine* want die tafele wasenwech': >ülfijn, by wat rade, nu, sech, Dade men my desen* cop ontfaen? Maer wetet nu wael sonder waen, 7935 Dat zjn gewin clene zal zyn! lek doe dat noch eer morgen Die lachter wert* minen Heren geclaget, Dien gy twe te mywaert iaget". Hi sprack: »gy en zijt niet zo ries, 7940 Want clagede een vrouwe dies, Haer man soude haer mestrouwen te meer ; Swiget, dat es bet iu eer, Ondanck hebbe hi die hem des hoeden aal" Duö zo sceed*" die tale al. 7945 Mettien hadde die koninek gegeten, Ende zeide ten hertoge* * : »gy zult weten, Wy gaen ten vrouwen ende tot Ygerne". Die hertoge zeide: »Here, geme". Dus zgnsi in die kamer gegaen. 7950 Tgerne hevet wael verstaen, Dat Uter-Pandragoen aldaer Doer' * nyeman en quam dan doer ' * haer* * Toter nacht hevet zgt** gehert, Doe ginck zi ter** herbergen wert, 'holt * gevet ene "most ene *Fran8ch: quionquet ne avoU mot dil *de *ze ene ^Fransch: si lapela qnuitU let tablet furent otteet 'dessen *wirt de **ton hertzogen '*Dor, dorch '»er »* ziet * •scAie- 1 *i 'gin- 7955 Ende tierst* " dat zi ter* * herbergen quara , Doe wart zi wter maten gram. Ende als die hei'toge haer*' es nakomen Heeft hise herde zerich vernomen; Alse hi dat sach, wart hi in vare 7960 Ende vragede wat haer ware*^; Mynnentlike nam hise in z^n arme; Zi zeide: »waerick doet, ick** arme! — '' Hem wonderdes ende zeide: »wi!**'* >Ick en heles iu niet'\ zeide zi, 7965 »My mint mgn here die koninek, Ende ick mynne iu so vor alle dinck; Ende alle dit hof, dat ghy hier ziet, Es doer** my ende doer** anders niet, Ombdat gy my hier zout*' doen komen; 7970 Dit hebbick anderwerf vernomen, Daertoe biedet hi my groet goet; Tote nu hebbick my geboet, Sinen cop nam ick overluet Ende gy hiet daer my drinckcn wt; 7975 Hierombe wil ick die'* doet ontfaen. Tegen hem mach ick niet gestaen, Noch tegen ülfijn, sinen raet; Nu weet ick wael dat hier af" quaet Comen zal, ombdat gy dat wet", 7980 Een strjjt zal daer af" comen met"; Hierombe voert my te Tintavel Blivick hier, dat is my een'* Hel"! Recht doe dit die vrouwe klagede, Den Hertoge dat zere wanhagede, 7985 Ende wart gram ombe dat quaet, Ende ontboet sine ridder" ombe raet. Si quamen, si en waren niet verre. Si merkeden wael dat hi was erre; Hi zeide: »laet ons henen tyden, 7990 Dat nyman wete , dat wy en wech ryden : Eer ick dat iu zegge , en vraget my niet". Zi zeiden: >-neen wy, wat des gesciet". Hi zeide: >varewy onzer vaerde", Sonder wapene ende paerde", 7995 Al latewy hier onze harnasch, Dat zal ons morgen volgen rasch, Ick en wil niet dat die koninek weet". Men dade zinen wille gereet. Die hertoge dade hem lenen rosaiden gen se to der; in 't Frausch echter: d Ut umt ten ala Tgueme a son ottel **to eirst *'werc *'ich »»we *»zolt »»den »*oflf "weten, meden "geen ■•rittcr» ""verde, perde. 87 8000 Daer hi entie* vrouwe op zouden ryden. Dus sceden zi henen al te hant, Ende voeren in hoere* zelves lant. Des morgens begonste' die stat verroeren* Van den lieden* die met hem voeren, 8005 Ënde den koninge quam die mare* Dat die hertoge henen ware*. Üter-Pandragoen haddo rouwe, Dat aldus enwech was die vrouwe, Sine barone riep hi te hande^ 8010 Ende hietse gedenken der scande' , Die hem die hertoge hadde gedaen; Hem hadde des wonder, zonder waen, Dat hem die dulheit was gesciet, Hi en* mochte lichte gebeteren niet; 8015 Dat zeiden, dien dat onkondich was. Die koninck zeide: >wat duncket iudas Hoe hy zal beteren"? Doe zeiden si al: >Dat in dacran best duncken zal, Dat wille wy geme met iu doen". 8020 Doe sprac Üter-Pandragoen : »Gy saget* wat ere ick hem dede Meer dan ieman in der stede". »Dat dade gy ende al bysonder, Des hevet ons te meerre wonder 8025 Hoe hem dit es gesciet". Die koninck sprac: >Gy, heren, ziot, lek ontbiede hem, est iu raet, Dat hi betere dese mesdaet'®, Die hi mesdaen*" heeft jegen my, 8030 Ende hi wederkome , recht als hy** Henevoer nu siner strate". Si zeiden: »dat en es geen onmate, Sulke bodescap als gy hier** hoert". So ontboet die koninck voert 8035 By tween ridderen** den hertoge**; Si voeren diü ende berge hoge** Eer zi te Tint«,veel quaroen**, Daer zi den hei-togo vernamen**. Si zeiden hem dat men hem hiet. 8040 Alse die hertoge dat gesiet, Dat hi moet keren als hi voer** dane, Pynsede hi, in sinen wane, Dat zyn wjjf moeste wederkeren ; Doe antworde hi den heren: *uBde de 'orcs *begonde *verroren *ludcn •me weren 'handen, schandcn "no 'segen *"my8da* mysdaen '*he **hijr **ritteren ** hertzogen , ho{i »»queinen, vernemen ^'vor "ene * "hertzogen **l kennen *°ick ene '*nember * 'van dan « an **nii 8045 >lck en kome nembermeer in sinen hof; Die koninck dademy sulken oerlof Ick en machen* ' nembermeer geloven , Met hem en wil i<^k nember hoven", Dit antworde die hertoge** ten stonden, 8050 »Ende Gode neme ick des in orkonden : Hi dade my sulke sake bekinnen'*. Dat icken*" nembermeer' * mach mynnen". Aldus sceden die boden dane**. Want zi en vonden daer anders niet ane* *. 8055 Die hertoge* * ontboet van staden te stade Sine liede al te rade, Ende zeide hoe hi van Caredol sciet, Ënde dat die koninck anders niet En zochte, dan dat hi Ygerne 8060 Te zinen wille hadde geme. Des wonderde den lieden sere: »0f God wil, dat en wert nembermere", Antworden hem die heren dan, >Die dit wil doen sinen man, 8065 Met rechte so gesciet hem qnaet". Die hertege zeide: >na dien dat staet, So bidde ick iu, gy zjjt myne man**, Dat gy my staet in staden dan**. Of my die koninck wil orlogen". 8070 Si zeiden**: >wy zullen** gedogen Met iu gewin ende verlies**". Dus was die raet, z^t zeker dies**. Hierna quamen die bode gerede Tote Caredol binnen der stede, 8075 Daer zi Üter-Pandragone Vonden ende sine barone. Doe zeiden zi des hertogen** antwoerde. Doe zeide menech'*, die dat hoerde. Dat hem des wonderde, in sinen moet, 8080 Si hielden*^ den hertoge** so vroet**. Doe bat die koninck sinen mannen, Dat si die herevaerde souden bannen, Ende helpen sinen lachter** wreken. Si zeiden : >wy en kounens niet ontbreken , 8085 Maer wy bidden iu overluet, Dat gy iu tiersl** sine manscap wt, Ende gyne in veertich** dagen ontbiet". Die koninck sprac: >ick en lates* * niet". Ende Üter-Pandragoon ontboet. nc, danne '* zegeden, zolen **vcTloe8, dea '"ma- nich "helden "Fransch meer algemeen nog: tors dist rent tuit aMamble que moult se merueilloient de la folie lou duc, car il hu quidoietU moult a sage komme * 'laster **to eirst **veirtich **lat<ï dea. 88 8090 Met haesten wtermaten groet, Den hertoge' binnen veertich* dagen By hem, die sine bodescap dragen Eer hi ne ontkeert ende versciet*. Alg die hertoge dat versiet*, 8095 Hi zeide: »ick sal na myner macht My weren dach ende nacht*". Die hertoge ontboet sine man, Ende zeide hem al die woert voertan, Hoene* die koninck hadde verladen, 8100 Ende bat dat si hem staen in staden. Si zeiden: »gerne'\ Doe nam hi raet; >Nu merket", zeidi^, »hoet* my staet: Maer twe castele zo hebbick, Die men houden moge een stick, 8105 Nieman twaren, gene twee En wint die koninck nembermee*. lek late mjjn wjjf te Tin ta vele Ende tien ridder opten*" castele, Want men machse niet gewinnen; 8110 Die in der stede wonen binnen Houden dat wel tegen al onvrede". Dus visiert hgt*' ende dade mede. Tener ander** borch voer die hertoge, Hi zach wael dat hem niet en doge 8115 Te houden z^jn ander lant. Die boden qnamen** daer te hant, Den koninge dat zi zeiden boude**, Dat hem die hertoge weren woude**. Hierombe wart die koninck erre 8120 Ende ontboet na ende verre, Datsi quamen al te hant Tot hem in des hertogen lant In enen mersch op een riviere, Daer quam menech ridder fiere. 8125 Die koninck clagede al den lande Die overdaet entie** scande Die hem die hertoge dade ten tyde, Ende hoe dat hi zinen hof ontvryde. Si zeiden: »*t es* • recht, dat hgs* • ontgelt" 8130 Doe reden si henen met gewelt, Ende Uter-Pandragoen , hi vant Castele, dorpe, steden, ende lant * hertzogen *viertich "Fransch: Ion envoie li rots ses message* por de-fier lou dvc de T. par les covent que ie vos a devisez *vor8iet •Franwh: si respondie que il se deffandroit se il povoit 'Wo eiie 'zegede he •wo et 'Frausch: et dist que il navoit que deus chastiavs qui en vers lou roi se poissient tenir, mais ceus deus ne perdra si ia tarU torn il vive * "op den Dat vant hi al idelre hant. Doe hoerde hi zeggen in dat lant, 8135 Die Hertoge lage op enen castele. Ent ie Vrouwe te Tin ta vele. Die koninck vragede doe om raet, Welke borch hi best bestaet. Die heren zeiden , zonder zage , 8140 Dat hi den hertoge belage: Wonni*^ den Here, hi hadde al tlant. Die koninck lovedet*' al te hant, Ende hi dade kreyeren hoge Dat men belage** den hertoge. 8145 Doe si vor der borch lagen, Begonste die koninck zere dagen Ulfijn sinen groten rouwe. Dien*® hy dogede ombe die*' vrouwe. Ul^n sprac: >men moet zwegen 8150 Van des men niet (en) mach krggen; Gy moet** pinen oml)e den hertoge Dat men hem gewinnen moge". Doe sprac Ul^jn vor den lieden**: » Diegene, die iu dit rieden, 8155 Die rieden iu dat airebeste; Laechdy** vor der Vrouwen veiite, So waer** iu dinck openbaer***'. Aldus 80 bleef die koninck daer**. Menech man was daer** nu fel, 8160 Entie*' hertoge weerde hem wel. Üter-Pandragoen die lach Vor die borch menegen dach, Dat hise gewinnen niet en konde, Hi droech int hert«** sware wonde. 8165 Sy weten wel hoe hi dat meende, So dat hi eenwerf weende, Daer hi ginck in sijn jwiveloen**, Ende z^n volck sach hem dat doen Ende lieten** doe daer allene. 8170 Doe Ulfijn wiste van den wene, Quam hi tot hem ende sach al toe, Ende zeide: »wat es dit nu? hoe** Moechdy** dus wenen"? — >Enwety** Sprac die koninck , » mjn ongeval ? [al", 8175 Ombe Ygernen doge ick die noet , * *lie dat * * anderen * *qucmen * * bolde, wolde * *aDde de * «dat is. dat hees ''Wonnehe '«dat *»bclege *»den. den '*moten '^luden **Legegy **weer ••Fransch: que lors fust trap vre affeires descovers **dar **Unde de *"den herten »*|)aulun *• lieten ene "'als hoe '*Moge gy **unde wete gy. 89 Dat ick wane^ blyven dooi, Want dat drincken ende dat eten Endo alre bl^tscap hebbick vergeten; Dus moet ember* mgn sterven wesen, 8180 Ick en mach des niet genesen'"'. Ulfijn sprac: «des hebt ondanck, Dat gy van herten zgt dus kranck, Dat gy dus iu leven gelaet; Ick sal iu geven goeden raet'\ 8185 Die koninck zeide: >wat es dat"'? ül^jn zeide: »ontbiet Merl^n ter stat, Hi gevet iu raet lude ende stille, Nu doet algader sinen wille". >Ick dade dor hem al dat ick mochte, 8190 Merlijn weet al* mgn gedochte". ül^n zeide: »hevet hi des* stade, Hi zal komen tuwen* rade". Aldus troeste Ulfijn sinen Here, Ende bat, dat hi hem voertmere 8195 Met sinen lieden' makedo vro, Hi sal des algader vergeten also. Die koninck sprac: »dat doe ick geme, Maer m^n herte hevet Ygeme". Doch getroeste hi hem een deel', 8200 Ende ginck vechten op dien casteel*, Maer hi en mochtes'® gewinnen niet. Sciere daema so eest^' gesciet , Dat Ulfijn ombe dat heer** reet Ende siet, waer een ouf man steet, 8205 Hi en kendes*® niet. Die man seide'* >Dor dinen wille ick ontbeide". Ul^n sprac: >ick gere dy". Wten heer sceden doe sy**. Ulfijn reet entie** man ginck, 8210 Ende Ulfijn sprac dese dinck: >Wie" bistu"? zeide hi metter tale. »Een out man ben ick, ziedy** wale; Doe ick was jonck, hiet men my vroet; Men zegget vele ende oeck doet, 8215 Dat ick niet vertellen mach Noch oeck doen moge gewach; Des en es leden oeck niet lanck. Dat ick te Tintaveel sat ende dranck Ende sat jegen enen man in sprake, 8220 Die my zeide vremde** sake *wene *oml)er ■gewesen * algader •des die "10 uwen 'Inden 'deil 'den casteil * •mochte, kende des **i8 dat **her **olt **zegede **do ze *"undede, genck ^'we **ze gy **vromde **Dat de * "sol- ken **olde, wolde ''Fransch: li viauê hcme U dut Van den*" koninck metter hertoginnen, Ende hi daerby dit lant wil winnen Ombe datse die hertoge ontvoerde; Maer woude die koninck , sonder boerde, 8225 Goeden loen my geven dan, Ick soude hem wyzen sulcken** man Die hem doet spreken s^n toeverlaet Ende geven hem tsiner mynnen raet". Ulfijn hadde des groet wonder, 8230 Doe hi hem dit zeide bysonder, Ende zeide: »wety sulken man Die den koninge geraden kan"? >Ja ick", sprack hi doe, die oude**, >»Maer ick ben die weten woude** 8235 Wat hem die koninck woude** sinden". Ul^n sprack : »waer mach ick** dy vinden, Als ick gesproken hebbe mynen heer"? Morgen, als ick wederkeer, Gy vindet my tusschen hier enten heer**, 8240 Of mynen bode, hebdy des geer**". Ulfgn die bevalne Gode Ende zeide, hi zoude wesen bode Des hem sjn Here kan verblyden. Hi quam ten koninge in korten tyden, 8245 Ende zo hy alre ierst** mochte, Metter maren, die hi brochte. >By uwer trouwen", sprac die koninck, Ende loech*' ombe dese dinck, »Eendegyne iet diet** iu zeide** ?** 8250 Ulfijn sprac: »na myner waerheide, Hi was out ende kranck zeer*"". Die koninck sprac: ^weetstu wanneer Dat hi weder daer zal zgn?" Ulfijn zeide: »Here, morgen; 8255 Hi zeide, dat gy my zeggen zoudet*' Wat gy dengenen geven woudet**. Die iu geriede tuwen** dingen". Die koninck zeide: »gy zult** my bringen Daer hi uwer zal ontbieden". 8260 >Geme", sprac hi, >(Heer,) ten tyden". Die koninck sprac: »of ick daer niet en Sinen wille so biedet em'*". [bem**, Dus bleef dat toten morgentyde, Entie** koninck hi was blyde 8265 Meer dan hi was te voren. je saurai ancors hu loier que U rois U donra *^ich **ger **eir8t *'lachgede *"deet »*zegede '®zere •*zolden, wolden **to uwen **8olt '^bin, em *»ünde de. 12 90 Des morgens ginck hi mysse horen , Ënde doet hem* tjjt dochte* zyn Reet hy enwech ende Ulfijn. Al by den heer* daer ülfijn woude, 8270 Aldaer hine* vinden zoude Sagen zi enen crepel*, ten tyden Daer zi by hem zouden ryden, Mochten zine^ kume gesien* , Entie' crepel* riep mettien': 8275 >Heer koninck, dat God alle smerte Driven moet* iu wten* herte, Die gy niet en konnet*" vergeten; Gevet my des ie iu danck mach weten*\ Die koniuck sprac doe ende loech'': 8280 >Ulfijn, du zouds** gerne genoech Dor my doen ende dor myn goet, Dattu'* moges genesen m^nen moet'\ Ul^n zeide: »^ic en zegge iu niet So gerne dat iu wille gesciet, 8285 Ie zoudes** meer doen doer iu Dan docr ieman die Icvet nu'\ »Hore den crepel*", sprac die koninck, Die my vermaent der liefster** dinc. Die nu in deser werelt zy; 8290 Nu ganck henen ende sit** hem by; Sech, dattu** hem gegeven zjjs*' Ende dat hy z^j te voren wgs, Dat in der werelt en es have Noch zake, die ie hem noder gave*' 8295 Dan iu, waert** dat ics*" dorste laten". Ulfijn die reet ziner** straten Sonder tale ende sonder woert, Ende gaf hem ten** crepele voert, Ende ginck hem sitten herde uaer. 8300 Doene** die crepel zach aldaer, Doe vragede hi wat hi wilde**, Ulfyn sprac: »die koninck milde He vet my gegeven iu". Die crepel sprac: >hi kent my nu, 8305 Ende weet bot wie ie ben dan gy, Nu hoert wes bode ie sy: Comen ben ie als dat God woude, Ende hevet my gesent die oude , Die gisteren spi-ack tote dy; 8310 Ie weet wael dat hi seide my. *(lo cm dat *duchte *her *he ene, ze ene *cro- pel 'geseen 'Uude de •mj'tdien •luote *"at den ^'konnen ' * lachgede dooh **zoldes *'datstu **ie- vester **8itte *'zij8t **geve * 'weert ""ick dat 8315 S320 8325 8330 8335 8340 8345 8350 8355 Maer sech den koninge ick hebbe verstaen* Dat hem soude anegaen Omb te hebben dat hy begert Ende des hi saen wert gewert, Hem sal bet sjjn in korten dagen". Ulfijn sprac: > dorst ie dy vragen, Wie du bist"? — Hi sprac: >vrage8 uwen Hi salt iu seggen min no meer*'. [Heer, Ulfgn voer na al dat hi mach; Alsen die koninck konen sach, Leidino buyten** ende vragede, Wat hy 80 zere jagede, >Ende wat is dy gesegget nu"? > Here , die crepel ontbiedet iu , Dat gyne haddet** bekent scier*', Ende gy my segget sine manier, Ick en mach des niet weten el**". Die koninck zeide: »ick weet wel**", Ende zeide: »kennestu den man, Dien du gisteren sprakes** an? Dat es die** crepel, die** daer sat". Ulfijn zeide: »hoe mochte zyn dat? Mag een verkeren zine gel^ke"? »Ja", sprac die koninck r^ke, vDat es Merlyn, die hem tot ons doet, Hi toent hem als hem duncket** goet". Dus lietenzi die tale staen Ende voeren ten here** saen, Ende Merlijn quam al openbaer [waer; In des koninges heer**, men wart des en Men vrageden** of hi bodescap brochte. Of wat doene hi daer zochte; Daema en hevet hi niet gehoert, Hi haeste hem ende ginck voert. Die koninck zeide: >men sal zien** scier* ^, Dat Merlgn sal komen alhier". »Dat wert", sprac Ul^n, vgeopenbaert Of gy eneger dinck zg t waert* * ; Nu doet al dat Merl^n wille Beide lude ende stille, Iu ne mach helpen tuwer mynnen Nieman so wel, wildy** dat kinnen*'". Doe zeide Uter-Pandragoen : »ïc wille al zgnen wille doen". Dus voeren si sprekende ten stonden % 1 zine **den **Do ene **wolde **Lcyde ho ene buten **eiie hadden *^8eh|jr **ai, wal **6iireke8t ■ "de creijei de * ^donket * *to den her ■ 'vr. em * *zee& * •weert ••Wil gy •'kennen. 91 Ter* steden daer si Merline vondeu. Tierst da tien j die koninck sach So riep hine al dat hi mach Ende zeide: »wel moet* jWat zal ie clagen''? zeide diekoninck, >Al80 wel wety myne dinck, Als ie selve, van Ygerne; Noit^ en sach ie man so geme, 8365 Ende bidde iu doer den ryken Gode, Dat gy my heipet wt der node Daer ie ombe lyde dit verdriet •**. Meriyn zeide: >ic en zegge iu niet, Ulfijn, iu raet, en zy daer mede'\ 8370 Men riep Ulfine daer ter stede; Doe sprac tot Merlinen ülfijo : >Dat gy die oude* zoudt hebbon geRyn, Dien^ ie gisteren sprac ter stat, Entie crepel die daer sat" — 8375 Merlgn zeide: »dat es waer Tierst dat hy iu sende daer, So wistic wel dat hi my kinde'*. Dlfijn zeide: vnu maket een inde* Ende spreke t ombe iu saken , 8380 Gy en moget geen lanck beiden maken , Daer wy nu hier zyn allene*" Die koninck zeide: »groet no clene* En weet ie wat ie bitlden mochte; Merlgn weet al mijn gedochte , 8385 Hi wiste wel , loge ie hem eeu woert , Ende ie bidde hem nu voert Dat hi my helpe ombe Ygerne, Ie doe al dio sakon gerne Die te doene noch z^jn gebleven". 8390 Merl^n sprac: »wildy** my geven Dat ie iu bidde , ie dade saen , Dat gy by haer sult slapen gaen Al naket ende — maer dat e» genoech". Ulfijn hoerdet, ende hy loech** 8395 Ende zeide: »laet zieu' *, wat herte hebdy?' Die koninck zeide: »gy en** moget my Niet gebieden, groet ende smal, Ie en salt gerne iu geven al". Merl^n zeide: 9 doet my des seker genoech'*. 8400 alc doe", sprac hi, »al iu gevoech". *to der *dat ene 'motc "Ny *vordriet *deolde 'Den 'kende, ende •alleyne, cleyne *'wilgy 'Magede doch** zeen "ne **getruwe * •begeer, er ** do *' wol- de, bolde '•lachgede doch '•weert, weer *® linde de Meriyn zeide: »zo zweert my dan. Ende Ulfijn, iu getrouwe** man, Dat ie sal hebben dat ie begaer**, Alse gy geweest hebbet met haer'*". 8405 Die koninck zeide: > gerne, ie doe**". Meriyn vragede ülfine daertoe**, Of hy dat met hem zweren woude* ^ ; >Ja, ie", zeide hi, hcrde boude*'. Echt sprac Meriyn, ende hi loech**: 8410 Waert** gezworen, dat waer** genoech, Hoe die saken souden wesen. Die koninck dade brengen nadesen Dat meeste helechdom . dat men vant , Entie** koninck zwoer te** hant 8415 Dat hi dat zoude houden waer; Daema zwoer Ulfijn daernaer. Als Meriyn hadde die ede ontfaen, Zeide hi: «koninck, haestet iu saen, Doet minen wille mettervaert 8420 Als ene die dat zere begaert". Meriyn zeide: »ziet** dat gy iu doet Wael te gerake, die vrouwe es vroet Ende getrouwe herde zeer Jegen Gode ende haren** Heer. 8425 Nu moechdy** mynen zin verstaen: Ie zal iu maken also gedaen Als die hertoge es, in korter tyt. Dat men zal menen , hy zyt* * ; Die hertoge hevet ridder** twe, 8430 Die hem zyn hemelick*', ende neraniee Die ene es Bretel, dander Jordaen Alse Bretel sal ie zyn gedaen; Dus zullen** wy varen also een deel Alle drie tot Tintaveel**, 8435 Ie zal ons wael daer in geleiden , Maer wy moeten vroe enwech sceiden, Daer sal syn mare** van vremden** doene, Beset iu ridder** ende iu baroene, Verliiedet dat men niet en stryt 8440 Eer gy wederkomeu zyt, Ende zegget nieman waer gy gaet"; Die koninck zeide: »ick doe** uwen raot, Siet** dat gereet zyn onse saken". Meriyn zeide: a»ic zal iu maken 8445 Die gedane, maket iu ter straten. **to **zeet **eren **moge gy '*hcet zijd '•rit- ter *'heymclick **zo]e **Tintanirl **mcre "vroni- den **ritter **do **9eet. 92 Die koninck haesteden' wtermaten Ombe te doene dat Merl^n hiet: Alset gedaen was, lette hi niet, Hi en quam tot Merl^n aaen, 8450 En seide: »ic hebbet al gedaen, Denket om m^jn doen''. Merlgn zeide* : »Varewy nu op gene heide". Doe voeren' zi enwech, ende reden een deel Totdat zi quamen te Tintaveel\ 8455 Doe sprac Merlgn toten koninge: >61iyet, ie ga om nwe dioge". Tierst" dat hi se hadde versceiden*, Doe Bciet Merlyn van hem beiden* Ende beiagede zine dinck, 8460 Ende quam weder ten* koninck. Een crudel^n hadde hi gelesen: > Wrivet iu hande*\ sprac hi, »met* desen Ende iu voete* ende iu ansichte". Dat dade hi, ende also lichte 8465 Haddi^*^ des hertogen gedane, Dat nieman twifelen mochte daerane. Doe gaf hi Ulfine Jordaens gelyke Ende leiden** ten koninge cortelyke; Hi zegende hem doe hine sach: 8470 >0 God"! zeide hi, vdat men mach Aldus verwandelen enen man !" — Die koninck zeide: ukenstu** my dan"? »Ja ie, vor den hertoge". >Ic en weet, hoe dit wesen moge", 8475 Sprac die koninck, »du bist Jordaen"; Ende Merlgn makede hem selven saen No min no meer dan Bretel. Doe voeren zi te Tintavel'*. Fause coverturen diie 8480 Uaddenzi, dat zecht men my. Spade quamen zi te Tintavel**; Merljn, die wael sceen Bretel, Riep ter'* poerten: >laet ons in". Si gingen voert, meer noch min 8485 Dochte hem die koninck wesen haer * * heer; >Laet in"! riepen zi doe zeer, »Uier is die hertoge, sonder waen, Ende Bretel ende Jordaen'*. Alsi** in waren quam Bretel voert, 8490 Ende hiet dat men in die poert 'em "segede 'voren ^qaemen to T. •To eirst •vorscheden, beden 'tot den 'myt 'vota * "hadde he **legde ene **kenne8 du **Tintaniel **to der **er **Alse se *'men dat '•Bette "•iite *®to der Niet en zeide , dat die hertoge daer waer , Ende ment* ' der vrouwen dade openbaer ; Ende als hi ten palase quam. Beet*' die koninck, ende Merlgn nam 8495 Den koninck wt** doe wel gereet, Dat daer nieman af en weet. Ter*" kameren quamen si alle drie, Daer was die scone Tgeme, die Tharen'* bedde was gpegaen; 8500 Si ontscoede den koninck saen, Ende hi ginck liggen by der vrouwen; Daer wan hi , des moechdy my getroawen , Den edelen koninck Artur, Daermen af zecht menege aventur. 8505 Die vrouwe was vro metten** koninck Alse die meende iu ware dinck Met haer hebben haren heer, Dien zi minde herde zeer. Te*' sameoe lagen si toten* ^ dage 8510 Sodat iu die poerte quam sage, Dat die drossate was govaen Entie** hertoge doet, sonder wacn. Die ander twe hebben dat verboert, Ende si z^jn komen voert 8515 Toten *^ koninge daer hi lach: >Staet op", zeiden zi, »het** es dach; Iu volc hevet nyemaer** groet Ende alle die poerte, dat gy zgt doet**. Hy zeide: >my en wonderdes niet, 8520 Als ick wter poerten sciet, En zeide ick dat knechte noch man****. Doe hy hadde sine cleder an**, Doe nam hy herde saen oerlof An alle die waren** in den hof; 8525 Doe kuste hise an haren** mont, Ende zeide: »goet lief, blivet gesont"! Doe rumedensi Tintavel Onbekant; doe sprac Bretel ïierst* datsi wter poerten waren: 8530 >Hoe duncket iu? wy syn ontvaren; Heer koninck , gy hebbet dat gy woudet* * , Nu siet , dat gy my noch wael houdet' * Myn goloef**". Die koninck zeide* *: ]>Gy hebbet ter stede, dat eswaerhede, 8535 My gedaen die hogeste bede, **To eren **mj't den *»To **to den **Unde de **dat *'nyemecr **manne, anne * •weren ••oren •* wolden, holden ■*geloff ••zegede. 93 Die oit' een man don andren dede". Merlgn zeide: »ic wil gy dat bekint, Dat gj gewonnen hebt een kint An Ygernen, ende dat es mijn, 8540 Dat en mach niet wesen d^n , Ende dat moetstu ray gerne geven*; Ie wil oec dat zj) bescreven Die nacht, daert* op gewonnen was". >Da machs^ wael seker wesen das 8545 lok houdes ember mynen eet: lek geve dy dat kint gereet". Dns qnamen si wael sciere Gevaren op ene riviere*, Daer namen* si weder haer^ gedane; 8550 Metter' haest voeren si dane. Tierst* dat si quamen na dat beer**, Quam ddt volc met groter geer**, Daer vragede hi sulken genoet , Hoe die hertoge was bliven doet; 8555 Ende zi antworden hem saen Dat die hertoge, aonder waen, Opter** morgenstonde twaren. Dat hi enwech was gevaren, So lach dat heer** stille altemale 8560 Entie'* hertoge vernam die tale Dat gy hier niet en waert**, Ende hi wapende hem ter vaert'* Ende sloech uwer liede veeP*, Eer zi ge wapent worden heel**, 8565 Sodat wy hoerden dat gekry;» Met groter haesten so quamen wy Ende jagedense ter veste weder, Die hertoge was gevelt daer neder; Daer versloegen wyne. God weet!" 8570 Die koninck zeide: »dat es my leet. Dat die hertoge dus doet bleef* •". [dreef* *. Die rouwe was groet dien hy daerombe Hoe die Koninck Uter versocnde, ende Vgertien tenen^'' wive nam. Nu es doet die hertoge van Tintaveel Ende verloren ziin caateel; 8575 Des hadde die koninck rouwe groet Ende zeide: »in wilden** niet hebben doet, »ie 'gegeven *dar dat *machst *rivcre •nemen *er 'Mit der 'To eirst *'her, ger **op de **her **Undc de '*weret, vart **vele, wale **blefif, .._.,_ dreff *^toeynen "•envrils **wet ***8cult; Fransch: fo» den •*myt den luden Al was dat ie op hem street , Dat gesciet es dat es my leef*, ülfijn nam wt die baroene, 8580 Ende zeide hem van desen doenc: »Secht my, Heren, of gy dat wit** Hoe die koninck best gebetert dit, Want hi zoeckt des an iu ract; Gy moetet doen , alset nu staet , 8585 luwen heer, van gerochter scout**". Si zeiden alle: >8ijn behout** Sien wy gerne zonder baraet'*, Dat des die koninck niet af en** gaet Ende hi dan doe ons ordeel, 8590 Want gy zjt*' zyn vricnt** een deel". Clfijn zeide: »of ik also wael dan Met hem ben alse ieman , Meende gy dat** ik hier raden woude Dat ik vor hem lochenen zoude, 8595 So hiet** ie met rechte een verrader; Ende lage*^ die zake op my allegader, Ie wane ie zulke dinck wel riede. Dat gy niet en denket, gy liede". Si zeiden: »dat weten wy wel'* 8600 Dat hier nieman en es el** Die also getrouwe es alse gy; Ende daerombe biddewy. Dat gy ons gevet den besten raet, Daer sine ere meest an staet, 8605 Want die dinck es openbaer". Ulfijn zeide: »nu hoert hier'" naer , (Ende) verstaet al myne woert: Die beter weet, hi brenget voert, My dunket goet, die'* koninck on tbiede 8610 Des hertogen mage, die edelliede**, Te Tintaveel in enen dage, Ende daertoe der vrouwen mage, Ende zeide, dat hi dafc beteren zoude; Waert'* dat men dat niet en woude, 8615 Men zoude«e houden*' vor onvroet Ende den koninck vor goet, Ende alle degene diet hem rieden , Souden gepryset zijn metten lieden**''. In den rade en was nieman doe 8620 Hi en radet gerne daertoe, Ende zeiden, dat waer wel gesecht. devcz C(>Mdillier a voz pooirs come a vre seigneur; bchoit **beraet »*aflfne »'zijd ^'•vrent *»dan ••hette »'lege *"wal, al *'her '®datde '*edelelude **weert **zol» 94 Toten koninge gingen* zi echt, Ende rieden liem dat algemene; Maer si en zeiden groet no clene, 8025 Dat Ulfijn hadde heraden dat, Ombdat hine des te voren bat. Tierst* dat die koninck dit verstoet Seidi*, dat dochte hem wesen goet, Woudenzi te Caredol komen, 8630 Hi wil dat beteren tharen* vromen, Die koninck voer te hant enwech; Merlijn zeide: »koninck, nu sech: Wetestu waerby si dit rieden, Dattu* dit zoudes* ontbieden"? 8635 «Neen ie'*, seide hi, ©meer no' min Dan wt hoerre* alre zin". Merlijn zoide: » anders niet, Maer die getrouwe* Ulfijn riet Ende hevet den vrede vorgedacht al, 3640 Also als hi wesen sal ; Dit en weet nieman dan Ulfijn". Die koninck zeide: »hoe zalt danzyn"? Ende Merlyn zeiden dat al te male, Alse hierna kornet die tale. 8645 Die koninck was wael te gemake. Ende zeide, hi lovede wel die zake. Merl^n zeide: » nadien dat staet, So en wetic genen beteren raet; Dus machstu dijns herten wille gewinnen, 8650 Ende daertoe loen van diner mynnen. Nu wil ick henen maken my, Maer ie wil eer spreken vor dy Ulfine; als ie henen bem** Vrage omb dese saken hem'*". 8655 Die koninck sprac: »ic en lates** niet". Mettien men Ulfine komen ziet, Ende Merlgn zeide, daer zi toe horen: »Gy hebbet beide dat gezworen. Dat gy my des kindes wael onnet**, 8660 Koninck, dat gy latest wonnet, Dat en mach uwe niet blyven , Want gy hebbet doen bescryven, Welke tjjt dat was gewonnen, God, hi soudes my wanconnen, 8665 En helpe ie hem niet vro ende spade. Want gy wonneten** by mynen rade. * gengen *to eirst *segede he *to oren *dat du •zoldes ''noch 'orre 'gctruwe *®bin, era **late de8 **gonnet * 'wonnen ene **manigen **guet ge- 8cbe ^^BCgede hc "wonnen **Fran8ch: cttt la Kindescheit ea van menegon'* keer, Entie moeder mochtes hebben onneer Waer *t dat zy dat allcne voede, 8670 Entie vi ouwen zyn van krancker hoede Dickewile in haer sneven ; Oeck willic dat Ulfijn hebbe bescreven Die nacht dattet was gewoonen, Qy eii zult my niet gespreken konnen 8675 Recht oor enen dach te voren, Dat in kint sal sgn geboren; Gelovet Ulfine vorwaert meer, Des biddic iu ombe Onsen Heer, Van al dat hi iu brenget te voren: 8680 Hi hevet in lief ende verkoren , Hi en radet iu zake min no meer, Dat en z\] iu goet ende oec iu eer; Ie en spreke iu niet vor mynen tcrmyne , Maer ik sal spreken Ulfine; 8685 Dat ie iu by hem ontbiede, dat doet Of gy van my wilt zyn behoet, Ende of gy wilt dat iu voert meer Goet gescio** ende oec eer". Dus bleef Ulfine die tyt bescreven. 8690 Doe Merlyn dus stont beneven Den koninge Uter-Pandragoene , Seidi**: »en zgt niet zo koene, Dat Ygeme wete openbaer. Dat gy een kint wonnet*' an haer, 8695 Noch scult haddet van haren live. Want gy sultse nemen te wive. Hiermede sult gyse dwingen: Vraget haer, iu waren dingen, By wien dat si draget dat kint , 8700 Ie wan e zi den vader niet en vint; Si sal hner scamcn der onneren. Dit es die sake daer ^y my mere Mede moget helpen dat ment my gevet* •**. Mettien Merljjn orlof hevet 8705 Genomen an den coninck ende an Ulfine; Die koninck voer, metten carine, To*.e Caredol metter vaert, Ende Merljjn te Blasise waert**, Ende seide hem dit ende ander saken; 8710 Een boeck dade hi daeraf maken Ende by hem so weten wy dat noch. chose par quoy ge aurei plus Utgierement lanfaat. ^•Fransch alleen: si prist Merlins congie del roi et de Ulfin et san ala a Blayut 95 Die koninck qnam te Carrloel doch Eade ontUoet den wysesten lioden , Ende vragede wat zi ten vrede rieden. 8715 Hem allen dochte goet die vrede, Ende dat men vrede inakede mede Jegen die vroawe entie' mage. Doe nam hi in enen dage Boden, dien hi dit dade verstaun, 8720 Ende zendese te Tintaveel saen, Ende vragede der hertoginnen , Of si den vrede iet mochte minnen, Ende dat ander volck oec mede. Si minden alle sere den vrede. 8725 Lanck perlement es dicke quaet. Die koninck sende sinen met Tote Tintaveel in enen dage Toter vrouwen ende mage. Die koninck bleef te Carcdol binnen 8780 Totdat hi die waerbeit zoude kinnen. Doe sprac Ulfijn toten koninge »puncket' iu goet al dese dinge'*V Hi seide, hem dochte goet die vrede, >Entu heves", zeide hi oeck mede, 8785 »Den vrede gevisiert daertoe, Ende ick weet zelve oec wel hoe". »Wety* dat wael", sprac ülfijn, So wety' oftet iu goet dunckt* zjjn*'. Die koninck zeide: »ic en lasters niet, 8740 Ie wilt also nu waer gesciet***. ülfijn sprac: »nu achtes clene, Ick zal den vrede maken alleno**\ Die koninck bat hem, dat hyt dade. Aldus gingen zi van den rade 8745 Entie* boden quamen ter stonden Te Tintaveel, daer si vonden. Die vrouwe ende oec haer mage, Ende togeden des koninges clage , Dat hem leet waer haer scade , 8750 Entie* hertoge by quaden rade Ende by overdade, die hy dede, Siin lyf verloren hadde oeck mede; Dat waer leet Uter-Pandragoene , Ende woudes maken ene zoene. 8755 Si zeiden, zi woudens hem beraden. In ene kamer si hem daden , *ande de "donket *wete gy *Fransch: li roisre- spout : tiUi mts pluist et m wul^/roit ia que eU? fmt faite si rom tu las porpansatt tn tun corage * Krauseh : Vl- fins dift: im vos fttttmmtitez ia gnti t/e lut/reLr^ que je la qucrrai bieti *Undede ^schiedede 'eyuen *Uude Beide vrouwen ende heren, Si zeiden , zi en wistent hoe bet bekeren. Dan zi vrede maken ende houden ; 8760 »Die hertoge starf by syner scouden, Eütie* koninck es ons te mogende; Siewy ot' dat ons es dodende, Dat gebot dut men ons biet, Dat mach sulc zyn , wi en latens niet; 8765 Van twe quaden sal men dbest^ kiesen . Dat es beter dan wy verliesen'*. Doe antworde die scone vrouwe: »Myn Heer, die was my so getrouwe Dat ie my niet van iu en kere, 8770 Want ie getrouwe iu wael myner ere". Doe ^>eied die' raet ter steden. Enen' wyzen man hebbensi gebeden , Dat hi des koninges boden sprake Enter* ma«2je tale na der sake. 8775 »Gy Heren'*, zeidi, wmyne vrouwe die hier Ende die gene dien dat angaet, [staet. Si wisten gerne wat men hem biet Al vor haer grote verdriet". Die boden zeiden: »lude no stille 8780 En wetewy niet wat die koninck wille, Al zijn wy alle sine man. Noch wat hi wille vangen an. Dat zegge wy al vorwaer". Die ander antworde daernaer: 8785 »So en wilt gy ons niet bieden? Gy gclyeket so goeden lieden*", Gy zult dat beteren na uwer macht". Si namen verste veertien nacht**. Dan zoudenzi komen echt 8790 Alle toten koninge recht Ombe te hoerene** sine woert; Brachte die koninck oec iet voert. Dat den mHgen niet en dochte , So woiiden** zi dat mense brochte 8795 Weder tote Tintaveel, Des haddensi borgen een deel. Aldus was die verste genomen , Entie boden zyn wederkomen, Eade zeiden den koninge die waerheide 8800 Wat** die raet tot hen zeide. Die koninck hi zwoer vaste geleide der, Unde den *°gueden laden * *veerteynacht **hoe- denc; Frniisrh: por oir que li ro'Jt lor voUlraoffrirde la pais **wolde **Wont; Fransrh: dis/rent au roi ce que ils aeoieitt trvve el Ion cottseil qa la dame aooit ea. d« Te vaerae* ende te komene beide. Daer lach die koninck veertien nacht' Te C'aredole met yiner kracht'. 8805 Die koninck ende Ulfijn dicke spraken Van menegerhandc vremdon* saken. Als die voortien nacht* waren* gedaen , Sende die koninck ridder* saen . Die die Vrouwe entie' magp 8810 Geleiden souden toten dnge. Ende doe die ridder* daer q uu men Dade die koninck sine man te samen , Knde hi dade sciere vragen Der Vrouwen enten' magen 8815 Of zi wouden eyscben Boene. Doe zeide een der baroene: »Omb eypchen en koraewy niet, Maer ombe weten wat men ons hint, Of dat ons iet* mach genoegen*''. 8820 Doe zeiden die die tule droegen* Den koninge die antwoerde***. Alse die koninck dit hoerde , Hilt hi ze vor vroet. Zine })aroenc Nam hi te** rade van desen doene, 8825 Ende vragede wat zi hem rieden. Doe sprac een van sinen lieden**: >Dit en** mach nieman weten bet Dan gy zelve, daert** al an let". Die koninck zeide: »ic sal iu saen 8830 Al mynen wille** doen verstaen. Nu zjjt** gy hier al myn raet Ende daer myn troest nu al an staet, Hoedet iu, dat uwer geen en** zegge Daer mijn lachter*' an leggo**". 8835 Si zeiden: vwy en** doen niet el** Mer wy en dorren anders niet wel*" Dit wysen", zeiden die baroene, »Gy en** ziet onzen wille te doene". ülöjn zeide doe: »zijt gy niet w\]b 8840 Ende*' geloevet gy hem niet dies'*, Dat hy iu recht 8al doen*'"? ^Ja wy", zeide doe elck baroeu, »Wy dencken dat iu on?en moet Dat gy met ons zijt. gy zjjt vroet, 8845 Ende dat gy ons** weten laet *varne *veerteynaclit *krafft ^vromde 'weren •ritter ^unde de, unde den "icht *genogen, drogen '"ant worde ' *to len 2 1 1 e $:in * 'last«'> *'Fransch * * lilden * "liggc '*ne **dat dat **wil. >»wal * "anders «icht al en **dps *'Fransch: Vlfins rcsjtont : si samble gue voi tffignufz hu roi por fol et que vos nel creez pas luwen alrebesten raet , Ende gy ons laet verstaen Wat iu best dunckt gedaan*'. Doe die woert vor den koninck quamen, 8850 Datsi U16ne genie namen, Liet hi of hi des blyde ware**, Ende zeide: »U16jn, kornet hare**, Ende raet hem dat beste dat gy moget , Daer gy myn herte mede verhoget". 8855 »Ic sal hom na dat gy dat heet**, Ende ie wille, Here, dat gy weet, Dat ie doen sal al uwe boude* ^". Ulfijn ginck** daer die koninck wonde. Doe vermaeut waren die liede**, 8860 Vrageden zi wat Ulfijn riede; Ulfijn pprac : »gy hebt'* verstaen Dat des die koninck iu'* wil angaen: Gawy ten'* magen ende ter" Vrouwen Sien" of zi des ons willen betrouwen". 8865 Si seiden: *dat doewy** geme". Si quamen** al daer was Ygeme; Daer vertelde men menech'* dinck, Dat was die soene*^ die tal'* bevinck, Ende dat die koninck van alre dinck 8870 Aldus op sine man ginck, Ende woude doen dat zi hem rieden; Hierombe waren'* zy tot hemlieden Comen , ombedat zi weten wouden Of zi dat an hem keren zouden. 8875 Si zeiden: «wy willen ons des beraden". Doe sprac daer met goeder** staden Een** daer die raet al an droech , Dat die koninck hem bade^' genoech. O we, hoe droevich*' was die Vrouwe! 8880 Nochtan was si seer getrouwe Dat zi au boers** mannes mage Haer** hilt van hoere** clage. Dus quamensi an des koninges man, Ende zi berieden hem doe dan, 8885 Ende elc vragede , wat hem goet dochte, Dat elc dat zine daer voertbrochte , Onderzochten zi Ulfijns moet. Ulfyn zeide: >my dochte goet, Ende dar wel zeggen overal, de chose que il vos die **on8dat **weer, her '^hiet * 'hulde, welde »»gcnck **lude '"hehhet »*an iu **toden, toder "seen '*dü wy '•quemen ■•vor- telde man manige * '8one ' •de dat al * •weren * 'guder "eyn **hede **we drovich **oreft, er, orrc. « 1 97 8890 Dat dit grote ongeval 6y den koninge alle is volgaen; Wat die hertoge* haddc mesdaen, Hi en hadde gene* doet verdient; Gy zgt alle mijnes heren vrient* ; 8895 lek zegget die Vrouwe met kinde gaet, Mjjn Here hevet, dat es overdaet, Haer* lant verwoestet ende verbrant, Daer en es oeck beter Vrouwe int* lant Noch bet geraket an den dage; 8900 Gy wetet* wel dat des hertogen mage Verloren hebben^ vele an siner doet, Des moet hy beteringe doen groet, Ombe te hebbene haer houde Ende te beterne haer scoude; 8905 Echt wety' wel dat hi* Geen wjjf en hevet, ende daerby So mach hi dit soenen te*** bat, Ende wat wyzen hi sal doen dat: Hi neme die Vrouwe nu te wive, 8910 Dat die vrede gestadech blive, Ende oeck dor siner bede wille. Men zalt hem prysen ludo ende stille; Ende als hi dit gelovet hevet Wysewy voertan dat hi gevet 8915 Enen** man der oudster** dochter Dat des den magen zg te*" sochter; Dat sal zgn van Orcanie Loth die koninck, die here vrye; Den andren doe** hi oeck zulc** ere 8920 Dat sine heten** getrouwe** here. Nu hebt** gy minen wille verstaen, Siet wat iu duncket*^ best gedaen". Doe zeiden zi daer al te male. Dat waer** die airebeste tale 8925 Entie** hogeste raet daermede, Dien*" ieman gaf tieniger stede: »Dordy** dat vor den koninck spreken, Ende hi dat niet en wil breken. Dit dunckt*^ ons allen wesen genoech". 8930 Ulfijn sprac: »dit es geen ongevoech, Maer love dat al, ick sal des lyen Hier vor den koninge van Orcanien". Die koninck antworde, eude zegget: »Dor gene dinck dat an my legget *hcrtzoge * genen *vrent *er •in dat 'weten 'hebfcet "wctc gy •he *®de **cvncn * *oldestcn * *do , üolc * *ze ene bieten * *getruwe* * •hcbbc * 'don- ket **wecr ^•ündcde **den * * Dore, Pryse gy **er, neder * 'alleync, reyne **al80 ** weren de *• zegge, love 8935 So en willick niet, dat dat bliven zal". Doe zeidenzi: »wy loven dat al". »PqJ8dy** dat alle", sprac Ulfijn, ^So duncket my dat beste zjn Dat wy alle gaen te hove, 8940 Ende spreken die Vrouwe van love, Ende al horen raet met haer**". Doesi daer quamen, zaten zi daer** Alle, sonder ülfijn allene**. Hi stont ende sprac die redene rene**, 8945 Also als gy hebbet gehoert. Als** volsecht waren die** woert, Sochtc hy gevolch an die baroene; Si zeiden: >wy volgens in allen doene". Doe sprac ülfijn an den koninck: 8950 >Wat zegdy**, Here, vandesen*^ dinck V Loefdy** dat uwe manne wysen?" vJa, ick", zeide hi, »ick wilt piysen, Genoeget** aldus den magen Ende des die Vrouwe overeen vril dragen , 8955 Entie** koninck Loth, dor mine bede. Die joncf rouwe wille nemen mede". >Here", sprac die koninck Loth, >Altoe8 wil ick uwe gebot Dor iu mede gereet zyn te doene , 8960 Ende oeck mede dor die zoene". Ulfijn sprac toten** taleman**: «Loefdy** dit oeck mede dan"? »Ja", seide hi, »hoe so dat gaet". Doe sprac die Vrouwe ende haer raet, 8965 Ende waren so blide , dat hem die trano Wten ogen begonsten** te gane, Ende waren des alle in hogen, Ende zeiden, dat men nie so hogen Soene enen koninge doen dede. 8970 Die mage pryseden dat alle mede. Qugt scout** men des hertogen doet; Die Vrouwe ende haer genoet Loveden alle dat men dat dede: »Die koninck es so vroet oeck mede, 8975 Ende so goet, sonder waen. Dat wy des gerne op hem gaen Van allen dingen". Dus was die sprake Daer geè'ndet met deser sake, Entie** koninck trouwede Ygerne; gy *'des8er *"genoget **dor **to den •"Fransch: lors paria TJlfint devant ioz a celui qtU les parolet a la dame retraioit^ si li demanda. * *Lovc gy * *begon- den **8colt **ünde de. 13 9 Vrouwe mgn, 9050 Siet dat dese dinge verholen z^n*', Want iu ea quame daer nembermeer Goet** af noch oeck eer. Ick wille dat gy des zeker zgt: Alse kornet diesel ve tyt 9055 Dat dat kint wert** geboren, So en mach dat iu noch my toehoren; Maer alset geboren es, zuldyt** stille Geven dengene dien*' ick wille, Sodat wy des blyven sonder scande". 9060 Soe leide*' te samen haer hande: »Here", zeide zy, »nu doet met my and Mordred *unde der *le8ende •aert 'ünde de •gevel "wen drage gy *®mocht«n nicht **8int ick **wete gy **zin *M)ezweert, verveert **mer dor **gengen *'8toltelyke *"ai dat **nyge meer, weer *®dede he **utc den '^Eng. : and so he departed, when he hadde herde these tidu*ges. Fransch alleen: ensinc ien ala **zin **guot **wirt **zul gy dat *'den *"Se legede. 99 Algader dat iu wille sy'\ Die koninck zeide doe' ülfyne Der vrouwen tale entie* sine, 9065 Ende zeide: >merket an myne vrouwe, Dat zi es goet ende getrouwe, Dat zi van dus groten saken Negene' logene woude maken'\ ül^n sprac doe, eonder waen: 9070 »Merl^n8 bodescap is wel gcdaen*, Anders en m och te hi niet met mynnen Dat kint enegerwgs gewinnen^ \ Tn denselven tyden twaren , Dat Merl^n hem zoude openbaren, 9075 So quam hi tote ülfine Ende zeide hem den wille* sine. Doe zi dus spraken in den tyden Dadese die koninck ontbieden; Doe sprakensi onder hen drien* 9080 Van vele sticken, ende mettien ^ Seide hem die koninck die saken, Hoe ül^jn den vrede dade maken, Ende wat hi zeide toter' Vrouwen, ülf^n zeide: >Merl|jn, entrouwen, 9085 Die sonde , die gy dor des koninges mynne Dadet* an der koninginne Hebdy*® gebetert een goet stick; Maer entrouwen noch ben** ick In den sonden, die my rouwen, 9090 Van den koninge ende myner Vrouwen, Soe* * en weet niet,wie* * se hevetbeswaert". Die koninck zeide: »zjjt onvervaert, Gy zgt 80 vroet , gy koemt des wel of*. Merl^n zeide: »gy hebt des orlof, 9095 Helpdy* * my niet, daer ggt moecht* * doen**; >Ic sal geme", sprac Üter-Pandragoen ; »Ende doet my geven in myne hant". >Ic sal*\ sprac die koninck te hant, »Sulck man es vroet nadat hi hoert**. 9100 »Een man wonet in dese poert Die beste van den koninckryke, Ende s^jn w^jf oeck sekerlike Es die beste die ick vinde Ende soe** licht oeck nu van kinde, 9105 Des zi en z^n oeck niet ryke; Ontbiedet den man haestelike *zegede doe *imde de 'En gene *Fran8ch: vos avez mouU bien faite la henoigne Merlin •willen 'dren ^nrjrtdcn "to der 'dede dat *°Heb gy **den ^'sic * "we **helpc gy '•dat mogen ^'Fransch: Mtrliiu dit: il a en Vre ttrre vn det plus pnfudomes de Vre Ende gevet hem goet dat zi verteren Indien*' dat zi willen zweren, Dat zi een kint zullen voeden 9110 Als ment hem*" bringet, en wel hoeden, Entie** vrouwe salt zelve sogcn; Hoers selves kint sal si gedogen Dat ene ammc sogen sal ; Hiertoe znllen*" zi zweren al, 9115 Dat zi dat zullen*" in der gebaer** Hoeden, of dat hoers selves waer**'*. Doe sprac Uter-Pandragoen: »Dat gy wilt, dat sal ick doen'*; Ende Merlijn nam thant** orlof 9120 Ende rumede des koninges hof. Die koninck dade den man ontbieden Ende eerdene vor anderen lieden*'; Die man hadde wonder groet Waerombe hem die koninck die ere boet : 9125 »Lieve vrient****, sprac die koninck lek sal iu ontdccken een dinck, Want gy van lene zijt mjn man: Een wonder es my komen an Ende ick bidde iu op trouwe groet, 9130 Dat gy my heipet** wt der noet Ende helet nu al myn doen*\ »Ick sal'*, sprack hi, »HeerPandragoen, Doen al dat ick mach volbringen*', Ende helen in allen dingen 9135 Die ick volbringen*" mach gereet'*. Die koninck zeide: avrient**, nu weet*' Een wonder groet, daer ick sliep: My dochte, dat my een man riep. Dat ^y die beste waert*" van den ryke, 9140 Ende hy zeide my zekerlike, Dat iu wjf hevet een kint, Ick bidde iu , dat gy dat zogen doet sint Enen** wyve tener** ander"* stede, Ende gy'* dat doet'* dor myne bede; 9145 Ick bidde des haer oeck selve" stille Dat soe" dat doe dor minen wille, Dat zi soge een ander kint. Dat haer scire wert gesint'**\ » Trouwen , Here**, sprac die man, 9150 > Grote dinck soeckty'* my an Dat gy biddet, dat men myn kint regne et il a la plus pnule dame a fame, etc. * 'den *'man an dat ^•Unde de * "zolen **gebcer, weer **to hant *'luden **vrent ** helpen * •volbren- gen *'8eet * "weren **eynen, to eyner '"andern '*8e, doe **8clven '*8e '*wort gesent "soeke gy. 100 Tener ander* amme bringet sint, Ende ick mgn kint daer onnature*, Al soudet my werden een deel te sure. 9155 Ie wane ics* mynen wive best vrage; Segget Here'\ zeidi*, »op wat dage Dat men ons dat kint sal bringen". >Ick en weet*\ zeidi*, »iii waren dingen". Die goede man sprac ten koninge: 91 GO »Daer* en zgn in deser* werelt gene dinge Ick en wilflo geme dor iu doen". Doe gaf hem Uter-Pandragoen So vele goeds, dat hine verwan. Als hi te hues qaam, hi began 9165 Sinen wive zeggen des koninges raet^. Dat dochte* haer wesen herde quaet', Ende zeide: »hoe mocht ick gedogen, Dat ie ieman anders zoude sogen?^' Die man sprack doe: >dese dinck 9170 Moetwy* doen dor den koninck, Want hy es onse gerechte heer Ende hevet ons gedaen zulck eer Ende gelovet ende oeck gegeven; Wy moeten na siner houde*° weven; 9175 Ie wil dat gi doet deze bede". Die vrouwe sprac : »ic ende dat kint mede Wy sgn** uwe beide gader, Doet uwen wille daermede allegader, Want ie daertegen niet en stryde". 9180 Die man was doe herde blyde, Doe zy** dat woude'* laten gescien; Ombe ene amme dade hi sien Die wael sogen soude syn kint, Aldus 80 es dat enwech gesint. 9185 Die koninck proevede der Vrouwen ma- Dat si geliggen zoude sciere. [niere, Merlyn quam vor daer enen** dach Te hove eer die vrouwe gelach, Ende zeide Ulfiue, in stiller waer** 9190 lek belüve my openbaer Van den koninge. dat hi dat So wael dade dat hi hem bat; Segget hem dat hi zegge der Vrouwen, Dat zy sal , by goeder trouwen , 9195 Morgen namyddage hebben een kint; . Ende den iersten* " man, dien men vint, *To eyner andern ^Fransch: vos me dUea que ge êoivre mon anfant et desnature et face norrir dellait dautre fame *wenc ick des *zegede he •Dat 'des- »er ^noet, goed 'duchte 'Mote wy * "balde **8int **8ie **wolde **e ynen **wer ^'eirsten to eirst Tierst*' dat men komet wt der salen, Dien zal ment geven in stilre talen". Ulfijn sprac: »en zult gy niet eer 9200 Spreken jegen mynen Heer"? >»Neen ick niet", zeide doe Merlgn. Toten*" koninge ginck doe Ulfijn, Ende zeide dat hem Merlgn hiet ; Die koninck zeide: »en sal hy niet 9205 My spreken eer hy enwech geet?" >Neen hi, maer doet dat hy iu heet**". Doe Ulfijn hem hadde gesecht dit, Ginck die koninck aldaer nu sit'" Die koninginne, ende zeide haer**: 9210 » Vrouwe, ick zegge iu nyemaer**, Gelovet haer** my". — »Gerne, Here, ick So wat 80 gy my zegget toe, [doe Ende ick doe al dat gy my gebiet". Die koninck zeide: >en twivelt niet: 9215 Morgen namyddach, heb ick geacht, Zuldy** genesen van uwer dracht, Daer gy mede zyt gebonden , Ende ick bid de iu ten" stonden Tierst als dat kint geboren sy 9220 Bevelet haer, die iu es by, Dat zy hemeleke dat kint Den iersten geve dien zy vint Daer buyten** staende an der** sale , Ende sy des en make gene tale, 9225 Dor gene sake die men vinde. Dat gy genesen zjjt** van kinde, Want wy zouden des hebben lachter* "* : Men soude seggen hierachter Dattet** niet en mochte s^n, 9230 Dat dat kint met rechte waer** mgn, Noch des hertogen mochtet niet wesen". Die vrouwe antworde mettesen** »Here, al waer sechdy** daeran: Ick en weet wie dat kint an my wan, 9235 Ick doe al dat iu es gename'*. Recht als een die my scamo Van mynen groten ongevalle, Maer wonder heb ick, hoe*' so ick kalle, Hoe ^y gewetet** mynen termen". 9240 Die koninck zeide: >nu laet dit zgn, Ende doet hiermede al mijn gebot". **To den * •gebiet *®8id **er, nyemeer **zole gy **to den **buten **den ^'zgd » 'laster "«dat were *®myt desen ** zegge gy **gcneme dat SS s • WO ** geweten. 101 >Ick sal, Hero, so helpc my God!" Aldus bleef hoerre tweer* met; Ygeme beide nadient met haer staet, 9245 Want doo die t^jt quam dat God woude* Dat zy van kinde genesen sonde*, Na Vespertijt quam haer gereit Des ander 'dagea die arbeit, Ënde duerde tote na myddemacht. 9250 God verloesdese van der dracht Ende gaf haer een kindeken*. Tierst dat haer* tijt dochte zijn Riep zi te hant ene joncfrouwe Die zi dicke vant getrouwe: 9255 »Lieve'\ zeide zi, »nemet dat kint , Gevet den iersten dien gy vint, Die in dat toe eyschet buyten der^ sale, Ënde den man merket wale'*. Si dadet doe* winden al te hant 9260 In die beste cleder* die men vant, Si* bant dat toe berde wel ter kuer*" Ende droeget buyten die duer*"; Daer vantsi enen ouden man stacn, Cranck ende bleeck ende zere ondaen, 9265 Ende zeide: > vrient * * , wat es dattu iages * ****i Hi zeide: »ic soeeke dattu drages'*. >Wie bistu dan, by diner trouwen? Wat sal ick seggen myner vrouwen?" Hi zeide: >ick en seggo dy daeraf niet, 9270 Maer doe dat dy dijn vrouwe biet". » Wat sal ick seggen wien* * ick dat gaf?" >Ick en segge dy daer niet af'. Mettien** gafzi hem dat kint, Hi voer enwech als die wint, 9275 Soe** en wiste waer hibaer** ontginck; Die Vrouwe weende ombe die dinck. Doe hi dat kint hadde ontfaen, Ginck hi enwech also saen , Al daer hi Antore** vint, 9280 Ende gaf hem doe dat kint; Ei vant Antore opter vaert Gaende doe ter kerken waert; Als een out*' man was hi gedaen, Hi riepen tot hem also saen, 9285 Ende zeide: - ie sprake * • iu, waert* • dat ie Antor sach ombe , ende dochte [mochte". *orrc twiger *woldc, solde *andern *kindelijn •To eirst dat er •eirsten 'den "Se dedet do •clei- der *®kor, dor **vrent **iage8t **wen **Mit den **8e, er * •Autore, doch Eng.: Antora "cyn olt * "spreke * "weert *''zale gy **dat wal **gy dat Dat hi sceen een goet man, Ende hi zeide: »nu spreket dan". Die oude zeide : » ick brenge iu 9290 Een kint, dat zuldy*** nemen nu, Ende houden wel al openbaer Alse of dat uwea selves waer; Wetet wael**, es dat gijt** doet Iu sal daeraf komen ere ende goet, 9295 Ende uwen kinderen hiemaer; Geloef*' my des al openbaer". >»Ben ick des seker", sprack Antoer, »Dat dit dat kint ea , daer ick ombe swoer, Ende dat die koninck ember wonde**, 9300 Datttit mijn wijf sogen zoude**, Ende mjjn kint anderswaer besteden?" 5»Jaet", zeide hi, >by m^nre waerheden**; Elck goet man entie** koninck mede Zouden daerombo doen bede, 9305 Ende ick biddes iu oeck berde seer, Ende dat weet wael , lieve Heer , Dat iu myne bede also vele doech Alse sulck man die riker es genoech'*. Antor nam dat kint, dat scone was, 9310 Ende vragede den ouden das, Of dat kersten*' waer*' gedaen? Hy zeide: >neen dat, sonder waen, Maer doet dat nu ter kerken dragen". Antor zeide: »ic moet iu vragen, 9315 Hoe dat kint sal syn gênant". Die oude antworde te hant: »Wilstu des na mynen wille sjjn, Artur zal ment doen kerstijn; In*" hebbe hier meer*" te doene niet, 9320 Ick ga enwech; wilstu anders iet, By een dinck machstu vorsien**. Dat dy goet daeraf sal gescien , Want des dar ick my berde wel vermeten Dat gy niet en zult** weten, 9325 Welck van hem tween** gy meest mint, So dit 80 uwes selves kint". »Wat zal ie zeggen", zeide Antoer, » Toten koninge, die my beswoer, Wie'* dat my dat kint gaf?'' 9330 Hi zeide: »ic en zegge dy niet daeraf". Die oude zeide: »gy en wetet** van my "gelüve »*wolde, zolde '*waerlieidcn »"ande de «'kristen *"wcer »"En ""mede; doch verg. het Fransch: ge manvoiê qite ge tuii ei plux que f eire **vor8een ** nicht en zolet "twen '*we. 102 Nembermeer wie dat ick sy'\ Aldus es hi enwech gelopen. Antor dade dat kint dopen, 9335 Ende brachtet* sinen wive saen. Artnr so wast* kersten gedaen; Hi zeide: > vrouwe , ick bringe* ter steden Dat kint, daer ick ombe hebbe gebeden*". Soe* zeide: » welkome moet* dat syn, 9340 Mynne, es dat kint gedaen kerstgn^?" >Ja", sprac hi, »dat hetet Artuer". Dat kint wert herde dicke stuer*, Want si zogedet' ende helt, Ende haers selves dade** zi ombe geit 9345 Ener* * andren doen houden* * ende sogen. Al dade sgt node, zy moestet** gedogen. Van den Sennen ende van des K. üter^ Pandragoens doei. Die koninck Üter-Pandragoen , Dat scrivet Robrecht van Borroen**, Hi hilt** dat koninkrycke lange, 9350 Totdat hi met ziecke** bcdwange Met drope wart bevaen onsoete, Beide an hande ende an voete. Doe die Sennes dat vernamen, Daden si haer heer*^ te samen 9355 Ende quamen*" ombe syn lant verstoren Ende daden*' hem dicke groten toren, So lange dat Uter-Pandragoen Ontboet alle sjjn baroen; Doe*' rieden zi hem dat hi vochte, 9360 Ende hi hem wreke of hi mochte. Hi zeide: »gy zult*' dat doen dor Gode Ende versamen dat heer dor mjjngebode Ende vechten dan vor uwen heer; Ick en mach orlogen nembermeer. 9365 Die heren waren** des thant beraden, Ende zeiden dat zyt*' geme daden; Dus trocken si op die viande. Die Heidene** hadden van den lande Te dien** tyden een groet deel beiaget, 9370 Die Kerstene*' quamen*' onversaget Ende vochten met groten pryse*^ *brachte dat *was dat 'brenj?e *Fran8ch: veez ei lanfant dont ge vos ai tant priee 'se •mote 'kris- tijn 'suer 'ze sogede dat *®kint dede **Einen **holden *'mo8tedat **Barioen **hilt hijr **ziieke *'er her *'quemeii, deden *'Do *''zolet **dor goede ** weren *'ze dat ** Heidenen **den "Kris- 9375 9380 9385 9390 9395 9400 9405 9410 9415 Sonder Here tot dien*' wyge Maer zi verloren dat velt; Dat volc was ongetelt. Dat die Kerstene*' daer verloren. Die mare*' quam den" koninge te voren, Dat die Kerstene*' waren gesconfiert; Des wart bi zere te barentiert, Want die daer levendich vaaren, Zeiden hem, hoet" daer was gevaren. Doe die Heidene (hadden) den zeg^, Doe voeren zi .achterwege Ende dwongen daer man ende wive. Die Sennes, die te voren keytive Ende in den lande waren gevaen, Die sgn'* alle an hom gegaen; Dus worden si machtech' * in den lande". Merlgn, die dit al bekande, Quam tot Uter-Pandragoene , Die droevech was, ende sine baroene. Die koninck was verkranket seer Van jaren, ende van oevele meer, Ende was so komen te sinen iaren. Dat hi seer kranck was twaren. Ende doe die koninck hadde vernomen, Dat Merlyn tote hem was komen, Was hi wtermaten bl^de, Ende dachte dat hi in korten tgde Getroestet soude syn van sinen heer. Alse Merlijn quam vor den heer. Was die koninck zyns'* wel vro; Hi zeide: > Koninck, es dat also, My duncket gy zjjt zere gekranket". »Dat ben ick", zeidi", »God zys' ' gedanket! Ende myne liede'\ dat es iu kont", Zyn** herde sere som gewont, Ende daer ics my op niet (en) bewande, Hebben my gedaen groet ande, Dit es tdinck dat" my doet droeven". Merlyn zeide: >gy moget proeven: Dat volc, dat es sonder Heer, Dat en doech no min nó meer". Die koninck bat, dat hi hem rade*' Wat hi daer best toe dade*'; Merlyn zeide: »iu hemelechede tenen *'pryg:e *"mere *'de "Segedenemwo **8int '*mechtich "Fransch: U Saitn€ gui estoient en la terre en cAai/ivoisaru , si saUerent a els, si crurent mouU de gent et enforderent **siner **zegede hc "zydea "lude **kond "dedinckde *®riede, dede 103 Wil ick iu zeggen, waer gy mede Sult mogen staen toter weer* : Doet te gader al iu heer' Ende als ai alle zyn' komen daer, 9420 So doet maken een orsbaer, Ende doet ia in dat heer* dragen; Das zuldy* uwe viande veriagen; Wetet wel dat gy zult vechten zege. Ende als gyse hebt geiaget enwege 9425 So proevet wel: dat gemene diet Sonder Here en doget* niet. Tierst dattu* gedaen hevea dat, Gif doer God dan dinen scat, Verlichte dine siele met' dat dy ea bleven, 9430 Du en sals niet' lange leven; Die rycheit en ea niet* haer', Die niet* en geven openbaer, Ende hier dan al moeten laten, Dit zgn Duvels die ons haten**; 9435 Nu proevet ende verataet dat Du, die duaken** groten acat In deser werelt heefs'* gehat, Vorwaer zeggic iu dat: Gy moeten** al dor Gode geven, 9440 Ende proeven ombe dat lange leven. Dat waer beter den rgcken man, Die hem dat goet trecket an. Dat hem een oert niet en bleve. Dan hi dor God niet en geve 9445 Deser werelt** rychede, Ende dat daertoe behoort mede; Want al sy ieman achter dy bleven, Hi zal dea dor God luttel geven Dit ea der sielen verliea** al, 9450 Men doe daermede ala men aal, Ende du weeta** dattu aala*' aterven. Du moeta* * ombe t* * lange leven werven Ende d^n goed dor Gode geven**. Dat du macha'* hebben dat lange leven. 9455 Echter proeve iu dinen moet. Dat deae werlt niet en ea goet; Men mach gene werelt leiden, Si en moet met rouwen sceiden* * ; *toden wcr *hcr *8int *zolc gy *docch "dat du 'sele mede 'zalt icht •er *®ln 't Fransch wel zoo daidelijk: .,que U avoir ne sonl pus lor ainz est a cel» qui ne lor an laisse pas b'uni faire, et tu saches die» que ce est li Deiables"" **du8 ^'hcvest * 'mo- ten ene **des8er werlde **verlues **weest, meest *'zalt **dat * 'gegeven ''machst '* Fransch: que Almoaene** en argert niet een twint**, 9460 Die men te voren enwech sint. Wat goet God den menache gevet Alao lange ala hi levet; Dat goet gif gerne weder Die wyle dattu z^a hier neder. 9465 Die niet en wille weaen aot, Geve weder dat hem gaf God, Eer hi hier nu stervet Ende dat hi ginder niet bedervet; Die niet en ataet na dit gewin, 9470 Nembermeer komet hi daerin. Hierombe ao zeggic dy dat, Dattu dor Gode geefa** dinen acat, Du macha** dy aelven beat beraden, Ende meest vromen ende meeat acaden. 9475 Du en aala niet lange leven Na deaen aege, dien du aala plegen. Nu veratant wel dat aermoen: Negene dinck en machatu doen, Die dy heipet ten rechten lene** 9480 Ala een goet inde allene. Al hadstu gedaen al die dogct, Daer al die werelt by verhoget, Ende blevestu aonder een goet ende. Du zouda te** langer meawende*'. 9485 Al hadatu al ao vele meadaen Ala alle die hebben ontfaen Lyf in deaer werelt nu , Overwaer ao aeggic iu Ende mochty** ten goeden ende komen, 9490 Die waerheit hebbick al vernomen, Die meadaet die waer'* al vergeven; Ende zyn zy vonden in een goet leven, Ende aterven zy, zy aterven wel**. Du en zala** henen voeren niet el** 9495 Dan weldaet ende oec eer; Ende weldaet en** mach nembermeer Sonder die ere niet weaen. Ic hebbe dy vertellet** van deaen Hoedane** wya du zouds leven** 9500 Du biat aouder wjjf bleven, Men segget Ygemen doet, dine Vrouwe**, la ioie de eest siegle ne vaut rien; et si te dirai porguoi a nn seitl mot qnil na el siegle si grant ioie terrienne qtdl tie faille **almo8se **eyn wint ** ge- vest * • Icvene ; Fransch : ne pueent tant valoir come boette fins **zolde3 to *'myssewende *'mochtc gy **weer '"wal, al **ne salt **waldaet de en ''vortellct **wodane **zolt wesen "vrouwen. 104 Endc da en machs gene ander trouwen ; Dus blivet dyn lant sonder Heer, Des moetstu' pinon te* meer, 9505 Hoe du machs' goeden inde ontfaen. lek wil my hene maken saen Du en heefs* nember te doenc met my Du zouds* ülfine seggen, dat hy Gelofte dy doe by synen monde, 9510 Ombdat hy sij myne orkonde Van dat hi sculdech es te zyne". Die koninck zeide tot Merlyne: »Hoge dinge doetstu my bekinnen, Dat ie myne viande sal verwinnen , 9515 Al liggende op ene orsbaer, Hoe mochtic (dat) doen van vraer? God sjj gedanket al syns goedes!" Merlijn seide: »du behoedes Dy van souden dus geninde, 9520 Dus moetstu komen ten goeden inde; Ie bidde dy, want ie wil enwech, Dattu dy honds an desen sech lOnde an die woert , die \v hebbe geseit^'. Die koninck zeide: >8ech my gereit 9525 Van mynen kinde, hoe dat vaert*". Merlyn zeide hem ter vaert* : »Du en heves des niet te doen terstont Maer ick wille, dat dy zjj' kont. Dat scone es' ende wael gevoet, 9580 Ende daertoe vromech ende vroet". Uter-Pandragoen sprac mettien' : >Merlyn, sal ick dy nember sien'?" *Jji gy'\ zeidi", >koninck, heer. Noch enewerf*® ende niet meer". 9535 Dus was daeronder hem dat gesceet**. Die koninck ontboet syn volck gereet, Sine viande dadi* * bestaen ; Ene orsbaer dadi** maken saen, Ende daden voeren*' vor sine liede. 9540 Na sines selves herten bediede** Scaerde** men die liede te*' wyge. Si vochten met groten pryse*', Also als die koninck hiet, So dat hi dat quade diet 9545 Versloech ende iagede enwege. Aldus wonnen si den zege, 'moestu *de ^mogest, hevest *zoldc8 *vart 'wese 'sy "mylden, se«!u "zcgedc he ^"eynewarflf * *gcs<;liiet; Frausch: eiisiuc (fepartirent entre lou roi cl Merlin * *dcdc hc * 'dcde em voren **bcdude **scharde *'to *'pryge ^■door Maerlaut ingelasclite opmer- 9550 9555 9560 9565 9570 9575 9580 9585 9590 Ende veriageden die viande Al te male wt horen lande. Fineren moet hi die sculdech es*'. Die koninck gedachte nu des. Dat hem Merlyn hadde gesecht En woude hi vergeten echt**. Hi voer te Lonnen in die stat, Ende ontboet daer al sinen scat, Ende diule ontbieden cortelyke Al die arme van sinen ryke Dien hi scone alemosen gaf, Ende dat hem bleef, daer dade hi af, Also als hem die papen rieden, So vele gaf hi den armen lieden, By Merljjns rade, by onsen Heer, Dat hem en bleef min no meer, Al daer hi dat weten mochte*"; Seer oetmoedich was sgn gedochte Te Godewaert enten** sinen lieden**, Alzo als Merl^jn woude bedieden*'. Goede wile hi dit haerde, Also dat hem syn oevel swaerde. Doe sine liede** dit vernamen Te Logres** si allegader quamen, Die sere ontsagen des koninges lyf; Doch sagen*' si wael, sonder blgf, Dat hi niet en mochte genesen; So sere krankede hi mettesen*', Dat hi lach drie*' dage sonder sprake; Ende Merlyn wiste al die sake, Ende quam te hant in gene stat; Doe die heren wisten dat. Ontboden sine*', ende elck genoet Seide: »die koninck hi es doet. Dien** gy sere hebt gemynt". Hy zeide: »dat en es niet een twint*®; lek wane hi goeden wandel doet Die sinen inde hevet dus goet, Ende hi en es nog niet versceiden'*". »Hi es'\ zeiden zi, >wy zullen iu daer lei- In drien dagen en sprack hi woert [den* * Noch nembermeer en doet voert". >0f God wir*, sprac Merlyn, >hi sal; Nu comet, gy moget dat hoeren al". Zi zeiden: »dat waer'* wonder groet king * •nicht *®Fran8cli: donf il futt remembraux *»Uude te "Inden "beduden **Gelyk in \ Fransch; (zie later.; *'8egen *'my desen *^dre *'2e ene "•den '"twinck '* verscheden, leden **weer. 105 Want hl leget voer doet, Die koninck Üter-Pandragoen". Die venster' dade Merl^n ontdoen; 9595 Zi zeiden: >8iet hier Merlyn, Heer, Die iu mynde aUo seer**. Die koninck keerde hem derwaert* Einde siet op hem ende gebaert* Of hine^ kende. Doe zeide Merl^n 9600 Tot den heren die daer s^n: »Na swiget alle ende hoert Des koninges alreleste woert, Ende staet bet herwaert nu *. Zi zeiden alle: >hoe menestu?" 9605 »Den koninck nu spreken doen Dat mach horen elck baroen'\ Sprac Merlyn tien* tyden, Ende ginck staen bander* syden Ende zeide hem in z^n ore dit: 9610 >D^n inde es scone, als dat wael zit, Es dgn herte al sulck binnen, Alstu ons hier doet bekinnen; Artnr, d^n sone, sal erone dragen Tende* van dinen levedagen, 9615 Ende al metten* wille onses Heren, So sal hi met groter* eren Vervullen** der tafelronden stede, Die ick dy selve maken dede*\ Alse dit die koninck hevet verstaen, 9620 Keerde hi hem ombe saen, Ende zeide: »biddet alle Merline dit. Dat hi Gode vor my bit". Ende Merl^n, hi seide doe voert: >Dit es dat alreleste woert, 9625 Dat die koninck sal spreken meer Al en woudys** niet geloven eer". Merlgn scief doe van den koninck, Den heren wonderde deser** dinck. Dat hi den koninck spreken dede; 9630 Maer nieman*^ en was daer ter** stede Sonder Merlyn, die dat bekende; Op die nacht so ende** Die koninck Uter-Pandragoen. Des koninges prinsen ende sine baroen 9635 Ende oeck menech*' gewyet heer Daden** den koninge groet eer, 'vinster *darwert 'gebeert ^heene *toden *ande ander ^ten eynde 'mytden •groten '"vervollen "wolde gy des '*8chiede *'desder **neman **toder * 'eynde "manich * 'deden * •nemen **wo **nc, neman **zegeden ze **alle **deden **weer **zint *^ weten Ende groeven hem na koninges recht. Dus bleef dat lant ontervet echt. Daer was vergadert menech'^ prelaet 9640 Ende namen'* al te samen raet, Hoe** men dat lant berechten mochte; Maer daer en* * was nieman* * die brochte Raet die hem doch te gave. Doe zeiden zi**: »wy zullen hier ave 9645 An Merline soecken raet, Hi es vroeder dan al dat hier staet, Hi sal ons den besten raet geven". Al** zyn zi des daeran gebleven Ende daden** proeven waer hi waer**. 9650 Doe hi dat wiste, quam hi daer. Zi zeiden: «Merlyn, siet wat gy doet, Wy weten wael dat gy zjt** vroet, Ende wetet*^ meer dan ieman el**; Nu es dit lant, dat siedy wel**, 9655 Sonder Heer ende al verstorven; Sulc een lant es scier verdorven. Doer** Gt>de bidden wy iu dan. Dat gy ons heipet kiesen enen man. Die Üant** berechte tonsen bederve, 9660 Sodat die kerke niet en verderve, Entie liede die** daerinne sgn". »Ick en ben niet sulc een**", zeide Merl^n, >Dat my een Heer te kiesene staet, Maer wildy** doen al mynen raet, 9665 Ick zoude iu raden herde wale, Ende houden des nember ander tale Overeen voerwaert** nembermeer" Zi zeiden**: »God geve, dat wy tSyner Ende oeck tot onser aller vromen [eer** 9670 Overeen moeten des komen". Meriyn zeide: ^ick hebbe dit rgcke Seer gemynt sekerlgke, Oeck die liede'* van den lande, Coer ick enen koninck, si haddens* * scande, 9675 Ick en dade hem te weten echt Dat myne sake ware** gerecht; Maer nu es, al en wetys** niet, Scone aventure my gesciet. Die koninck starf, des sgt bedacht, 9680 Na Sancte Mertgns misse viertien nacht**, Ende hier es die Eerstavont by, "al **8egy wal ••dorch **dat lant *»Unde deinde de **8ulek nien •*wil gy **vorwert **Hi zegcde; doch in *t Fransch: il respondent **8\jn **de lade ••des **were **wete gy des **vierteenacht. U 106 Ende es dat gj des gelovet my , lek zal iu raden goet* ende ere, Beide ter* werlt ende tonsen* Here". 9685 Doe zeidenzi, alle die baroen: > luwen raet willen wy doen". >Ick wille dat gy des seker syt", Sprac Meriyn, ohier cornet die tyt, Dat geboren was der maget Marien sone 9690 Jesus Kerst*, dat was degone*. Die Here van allen dogeden es; lek wil syn ia borge des, Es dat gy doet ontbieden Aehterlande uwen lieden* 9695 Datai des bidden onsen Here, Dat Hi iuwen raet ten besten kere, Ende iu enen gerechten Heer verlene Dor sine doget, die niet es clene, Ende dor die tyt al se te voren 9700 Daer hi op woude sijn geboren , Coninek boven allen koningen Ende Heer van allen dingen , Dat Hi iu sul eken Here geve Die te* sinen dienste' leve, 9705 Ende hi iu sulek teken toge. Dat hi wael kent, al sit hi hoge, Ende elck man die hemselven kent, Dat hi iu sulc teken sent, Dat men zien mach ende horen, 9710 Dat hi by Hem wert verkoren, Al Bonder eneges menschen raet*. Es dat gy hierna alle staet, Gy sult Onses Heren teken sien*". Al dat vole seide mettien**, 9715 Dattet*' hem die beste raet dochte, Dien men emmer*' vinden mochte; Elek die zeide**: >volgdy dies?" Zi zeiden, zi en waren nember so ries. Die dit souden wederropen; 9720 Doe baden si allen den biseopen Ende daertoe allen den elercken Datzi daden achterkereken Den voleke bidden algemene , Beide die grote entie** clene, 9725 Datzi des niet en gingen ave *guet *to der 'to onsen ^Cristus *degene 'to *den- ste 'Franscli: en iel numière que li puptet voie et wnoisse que par sestecHon sera rois et san» eslection dautnd 'teiken seen *®mitden **Dat dat **iemer- meer ^'Fransch: Ion dit li uns el autrc **Unde de I Van den tekene dat hem God gave. Aldus dadensi Merljjns raet. Merlgn nam orlof , ende gaet. Si baden hem dat hi daer sonde sgn 9730 Alse God gave Sgn tekgn»*, Te Kerst* *avende of dat so gesciede. Hi zeide: >t waren, gy goede liede, Gy biddet, des ick niet mach wilkoren, lek en kome niet voer gy hebbet gekoren". Van den stene^'' daer dat zwaert inns stock ^ ende hoe die koninck Artur te koninge wart gekoren, 9735 Nu kiesensi dat si willen. Merlyn gaet Tote Blasise sinen raet, Ende seide wat daer soude gevallen, Blasys makedet^* kont ons allen, Ende ten** hoeehgetyde gemene** 9740 Ontboet men groet ende clene** Te Logres in Kerstdage te wesen. Dus was dat al gehint** by desen, Ende Antor, die tkint hadde gevoet** So dattet*' sterck was ende vroet, 9745 So getrouwlike** hilt hi dat twaren Tote sinen sestien** jaren, Dattet** anders nieman ne soech Dan syn vr^f, ende oeck doch En weet hi wien hi meer mint 9750 So Artur so Keyen, syn kint. >Lieve** kint'* hiet hi dat ende niet el**, Ende by meende dat wesen wel*'. Yor Kerstavent** in Alrehelegen dage So makede Antor, sonder sage, 9755 Ridder Keyen, sinen sone**; Tote Logres quam degone** Met ridderen**, die voeren** ginder Ende braehte met hem sine kinder. Opter** vigelien waren gemeenlike 9760 Alle die clerke van den rike, Ende oeck alle die baroene , Die waren van enegen doene. Ende daden** alle alse Merlyn zeide, Ende waren in groter simpelheide, **tciken **ker8tc8 *'8tevne ** makede dat **to den *®gemeync, cleyne *'geendet **gev'odet **dat dat **getruwelike **8e8teen **leve *^al, wal **Ker8tesavent **Frandch: fist de Kei 9on filz chevalier •* degene •*ritteren ** voren **op de ** deden. 107 9765 Ende leveden daer helechlyke*, Ter* Vesper quamen ann ende ryke; Grode baden si dat hi hem gave' Sulck teken, daer bj ave' Gesterket waren in der* wet. 9770 Te* mettene qaamen* si noch bet, Ter* ierster missen ende ter anderen Begonden die heren wanderen Ombe dat si misse wonden horen. Na waren daer salcke doren, 9775 Die zeiden, dat zi waren sot, Die beiden na dat hem God Vertogen sonde enech^ dinck, Te* kiesene daerby enen koninck. Met dat syt* spraken met enen monde , 9780 Gevillet, dat men mysse begonde, Ende gingen in den monster te samen; Doe si alle daerin quamen, So was daer een helech^® man Die die misse daer began; 9785 Maer ierst** quam hi ten lieden voert Ende zeide hem allen dese woert: > Lieve liede**, gy zyt hier komen Ombe drierhande vromen; Welck ei sgn moechdy*' horen: 9790 Ombe uwe siele aP* te voren, Ende oeck ombe des dages eer, Ende ombe miracule , die onse Heer Hier sal doen toter stede, Ende ombe enen koninck mede 9795 Die man sal s^n der beleger'* kerken, Die hy** berechten sal ende sterken. Wy bidden Gode, die dat al bekint*', Dat es Jesus Kerst , onse koninck , Dat hi ons waerlyck teken sende, 9800 Ombe te doene sonder meswende** Dat Sgn liefste** wille sy, Also gewaerliko als Hy Desselven dages was geboren; Ende gy, alle die dit horen, 9805 Solt uwe pater noster spreken". Si zeiden alle: 9wy en willens niet breken". Altehant ginck men singen; *hilL *to der "geve, mede *de *to *qaeineii ^enege 'to *8e dat "•hillich **eir8t ** lieven lude * *moge gy * *al9 * 'heilgen * 'de se; doch in 't Fransch: nos aurotu roi et chêvttaine por maintenir sainte egÜte et garder et deffendre et soêtenir lou menu pueple contre les anemis de la lot ^ ^bekent '"misse- wende **leve8te *®dat **to der **oek *'Fran8ch: et quant il ot ckante jusque a levengile, si ot une Doch als** si dat so verre bringen Ter** missen dat men ofiFeren began, 9810 Doe** waren daer zulke man, Die wte gingen na deser t^t, Daer zi vonden ene plaetse w^t, Ende doe si daerbinnen waren Sagen si den dach verharen** 9815 In die plaetse, daer si doe vonden Enen steen** ten selven stonden. Si en wisten niet welker tieren Hi doe wus na der** manieren; Een marber seiden si dattet** waer*'; 9820 Si vonden doe al openbaer Eens voetes breet een anebilt**, Dat een swaert wel vaste hilt**, Dat stack daerinne toten stene**; Doe si dat sagen algemene** 9825 Die ierst wten'* monster gingen Wonderde hem van desen** dingen, Si seiden t, ende en lietens niet , Den biscope die Brixes hiet; Alse hi dat hoerde , die die misse sanck, 9830 Nam hi wywater eer iet lanck Ende ginck vor, die andren naer, Leeke, clerke volgeden daer, Toter stede daer die steen lach, Dien doe menech man sach; 9835 Ende doe si sagen dat anebilt. Dat dat zwaert so vaste hilt Riepen si alle: *Sancte Pater V' Ende worpen daerop dat wywater; Die biscop neech ter aerden*' 9840 Ende sach in der middewaerden** Guldene boecstave, die seiden dat Die dat swaert track'* wter stat, Hi soude, by den wille Onses Heren, Coninck sgn met groter eren. 0845 Mettien dade** hi den steen behoeden Tien** goede manne*^ ende vroede**, Vyf leken ende vyf clerke, Ende gingen weder in die kercke, Ende seiden: >God hevet ons gedaen 9850 Een scoen** teken, sonder waen'\ grant place voide, et quant est sen issirent devant Ie mostier si fu aiome **Fran8ch: «» perron totquarre **den *'dattu ^'Fransch: si disoient U un que il estoit de marbre, U autre ditoient que non **belt, helt **steyne ■•algemeyne **eir8t ut den ** dessen '*ecrden, midde werden **treckede ■*niit den dedc *'Tijn "^goeden mannen *'vroeden •*eyn scone^ 108 Te Deum Umdamus songen ai claer. Als die man qnam toten altaer, Hevet hi hem toten lieden gekeert, £ude zeide: »proe7et ende leert 9855 Dat ieman onder ons es goet, Want Gk)d dor onsen wille doet Salck teken als gy sien^ moget; Ie bidde in, dor onses Heren doget, Dat negeen man , dor edeldoem 9860 Noch dor generhande roem. Die te desen lieden behoert, Tegen dit teken segget een woert; Want die dat teken sende sille Sal wel togen sinen wille". 9865 Men dade voert den dienst' onses Heren , Ende alsi' volzongen was met eren Gingensi toten stene wanderen; Elck hi vragede daer den anderen, Wie daer ierst* trecken woude*. 9870 Doe seide daer elc, dat men soude* Den biscop ontbieden lade ende stille, Ende horen wat hi seggen wille. Daer was lange groet strgt, Ende sulck die woude* eertgt 9875 Wie dat macht hadde in die poert*, Woude* proeven ember voert. Daer was tale ende gescal, Des men hier niet vertellen sal. Die biscop hi sprac voren, 9880 Daer si alle toehoren: •Gy en sgt niet", zeidi^, »twaren, »Also vroet als my lief ware* ; Dat moechdy mereken gereet Dat God, die alle saken weet, 9885 Hier heeft verkoren* enen man Ende wy en weten wien nochtan, Ende dat zeggick iu oeck mede Dat edclheit noch rychede Die sal hier liggen stille , 9890 Sonder al Onses Heren wille'*; Ende ick weet wael te voren, Al en waev hi noch niet geboren Die dat zwaert dragen sal, Al hadden wy dat gesworen al, 'seen 'denst 'alzc se ^eirst 'wolde, solde 'Fransch dnidelyker: car U haut home et U riehe home et U plus pèiissani qui force i avoient 'zegede he •weer •hevct *■ * Fransch : tant vospuis ge bien dire que riehesse me gen- (eUesce ne fiertes ni a mestier se la volantez no» dou Seigneur dou del ''men dat ^*ne "en do "Kris- 9895 Dat ment" gewonne met gener sake, Ende nieman oeck wt en trake". Nu droegen zi overeen daer, Dat die biscop seide waer; Doe berieden hem die baroene 0900 Ende droegen overeen van desen doene. Dat si melden des biscops woert, Ende zeiden , daer tvolc toe hoert , Hoe wael dat die biscop dede Met deser groter oetmoedechede. 0905 Hi seide: »dat komet van Onsen Heer, Ende in doe" no min no meer. Anders daertoe , ombe geen verdriet , Dan al dat Onse Heer gebiet, Ende der Kerstenheit" betame, 9910 Ende dat ick des negene scame En hebbe". Vor misse wa« dit gedinge. Zi zeiden alle sonderlinge Toten biscope, ende hi nam respgt Tote na hoechmisset^jt". 9915 Tierst" dat die misse was gedaen, Sprac die biscop also saen: »Merket alle dese miracule. Die God in desen tabemacnle" Dor uwen wille heeft" gedaen. 9920 Hier moechdy" alle by verstaen, Wie des konincrykes es waert**^ Iu bediedet** dit goede swaert** Dat gerechte dat men hout" Met Gode ende met gewont". 0925 Aldus wert** onse koninck gekoren; Ie weet wel dat God te voren Visiert, wie dat lant sal berechten** Die rike en dorven daer niet ombe vechten Ombe te proeven ieretwerf, 9930 Want hoverdie niet en bederf Die arme** wesen sonder toren**. Al gaen hier die rike voren; Want dat es gewoente ende sede. Die hier hevet die hogeste stede, 9935 Dat si ierst proeven gaen; Want hier es nieman, sonder waen, Die enen koninck maken woude, Dat hi den dullesten kiesen sonde". tenheit "hogemistyt **Toeir8t "Fransch: lor mostra par parole les beles miraeUs que nostres stres aooii feites por els "hevet **inoge gy * •weert, zweert • 'bedndet * *holt, gewolt * * wirt • * berichten * * Fransch: ele ne viaut mie par riehesse nepar orgueil, etc. * ^armen * 'Fransch : ne ne san corrocent mie Hpovrene U richê. 109 Dus daden si des biscopes raet 9d40 Sonder ienech ander quaet; So wie 80 best dochte waert 8oude ierst proeven nu dat zwaert. Daertoe zwoeren al die heren Dat zi dengenen souden eren 9945 Ende dien vor koninck bekinnend Die dat zwaert wt konde gewinnen. Hi nam daerwt anderhalf hondert Der hogeste, wien* des wondert, Ende dadese alle an dat zwaert 9950 Proeven, ende, gereet ter vaert, Doe hiet hi den anderen saen An dat zwaert proeven gaen ; Alle die wouden overluet, Nieman en mochtet getrecken wt. 9955 Tien man hoeden den steen, Alle die wouden overeen Zouden proeven an die sake. Of dat zwaert ieman wttrake. Oeck was, aldus segget die aventuer, 9960 Achte dage' geproevet al duer, Dat zi alle trocken^ an dat zwaert, Tote dat Jaersdach quam voert*. Doe hoerden echt die baroene Misse na horen doene , 9965 Dat die biscop hadde gevest. Dat hem dochte wesen best. Doe zeidi* hem dese^ saken: »Ja, en mach men niet geraken Noch enen koninck , mettervaert* 9970 Qaet ende proevet an dat zwaert. Nu moechdy* alle bekinnen*, Dattet nieman mach gewinnen Sonder dien*' God gebiet". Si seiden: >wy en sceden niet 9975 Wter stat voer dat wy sien, Wien dattet** sal gescien." Doe die dienst*^ was gedaen Gingen zi ter*' herbergen saen; Na etene gingen zi, als men plach 9980 Te doene op enen hogen dach. Te josteerne op een velt. Die tiene**, die met ge welt ' bekennen *wen 'Fransck juister: toz les viii iorz ^treckeden 'Fransch: iusqite lou ior des etrainnes *zegede he ^desse 'myt der vart •moge gy *®den "wen dat dat **Do de denst **to der **de tync * •voren **Fran9ch: li x preudome gui gardoient les- pee ialerefU por veoir les chr* bohordcr. '^Fransch: Hadden te wachtene nu dat zwaert. Voeren** alle nu derwaert 9985 Ombe te siene dat boert**; Oeck wert daer sulck gevoert. Dat hi te hues bet waer bleven. Mettien es die strijt begeven, Ende gaven die Bcilde haren knechten, 9990 Die doe alle gingen vechten, Ende si streden lange t^t, So dat daer was een strgt Dat alle die liede van der stat Derwaert liepen ombedat, 9995 Some gewapent, some naket. Antor hadde Reyen gemaket Ridder, als ie sprac te voren; Als hi den strjjt begonde horen, Hiet hi den broeder mettervaert 10000 Te hues riden on.be zyn zwaert. Artur , die was herde snel , Ende zeide: »dat doe ick wel*'". Dat paert hi metten sporen nam , Ende reet dat hi ter* * herbergen quam ; 10005 Keyen swaert sochti** daerinne, Maer hi en vant niet; die waerdinne Haddet** in der kameren besloten, Ende was gegaen metten roten. Metten vrouwen ende metten kinden; 1001 Ende doe hijt niet*" en konde vinden, Weendi** ende wart herde gram. Mettien hi vor den monster quam, Daer die steen lach endet' * swaert daerin. Dat hi en proefde* * no* * meer no* * min ; 10015 Hi dach te: mochtict** getrecken ave, Dat hjjt** den broeder geme gave; Hi reet daertoe onvervaert, Ende nam metter*'hant dat swaert, Ende hoeftet' * onder s^jn cleet gedecket. 10020 Keye was doe voert getrecket, Ende sach komen wter poert Sinen broeder ende track** voert, Ende vragede of hi dat swaert brochte ? Artur zeide, hi en mochte 10025 Van hues brengen negeen, »Maer doch brenge ick iu een". cil fu mouU preuz et mouU servisailes, si respondie: volentierSy Sire. *"sochte he * •hadde dat *"do he dat nicht ** meende he *'unde dat *^provcdc **ne, noch ** mochte ick dat **he dat *'mytder **hevet dat * •treckede. 110 Doe track* hijt* wt sinen clede, Ende gaffet* den broeder gerede. Hi namt* ende was wel aeker das, 10030 Dattet zwaert wten stene* was; Hi dachte, hi sonde koninck wesen. Den vader sochte hi na desen; Doe hine vant, hi seide: » vader, Tck werde heer altenengader , 10035 Siet hier dat zwaert, dat ick track Wten stene* daert* inne stack". Van groten geruchte was Keye seer. Tierst* dat dit sach s^'n heer, Wonderde hem wanen dit quam: 10040 »In den stene", seidi, »dat iet nam"'. Die ander geloefdes* niet een haer, Ende zeide: »du en sechs niet waer*\ Ter kerken gingensi onder hem drien^. Alse Antor hevet den steen vorsien', 10045 Ende hjjt* swaert daerin niet en;'tint*, Doe zeide hy: »Keye, lieve kint^ Sech my wanen quam dat 4y? Ick sal wel weten liegestu*" my; Liegestu , ick en mynne dy nemmeer* *". 10050 Hi scaemde hem doe herde seer: »Ick en liege iu niet, hoe dat sy; Artur, m^n broeder, brachtet my, Doe hy dat myne niet en vant; Ie en weet hoe hem dat quam ter hant'\ 10055 »Gif my dat zwaert", zeide Antor echt, »Du en heves daeran krom" no recht Ick wil dy proeven waerby dat zy". Doe sach hi Artur staen daerby Ende zeide: >» lieve kint, kom haer**, 10060 Doe my dit zwaert hierin openbaer Als dat was, als g^t eerst hilt". Artur sloecht** in dat anebilt, Daer dat stont al set te** voren dede; Keyen riep hi daer ter stede, 10065 Ende hieten** trecken dat zwaert. Hi stack die haude derwaert, Maer hi en kondet niet gewinnen; Doe ginck hi ter kerken binnen, Ende riepse in die kerke beide*', 10070 Ende seide: >ia, wistic dat gereide Dat Keye dat zwaert niet en wan"! Hreckcde *he gaf, nam dat 'ut den sleyne *daer dat 'To eirst "gelovede des 'dren, voraeen "hc dat •vant '"legestu ' *nembermeer **krum *'her **8loech dat **al8dat to **hiet em *'bcde ^'sine Doe 80 nam die goede man Artur in die arme sjjn**, Ende zeide: » lieve sone mgn! 10075 Of ick dat mochte belagen Dat ick iu dade** krone dragen, Wat soude*' mgn loen syn?" Hi seide: » lieve vader m^n, Had ick dat goet of ander eer , 10080 Gy zoudt daer al af zgn heer". Antor antworde hem sciere: »Iu vader ben ick in ener maniere, Maer ie en wan iu niet nochtan, Ende ick en weet wie iu wan". 10085 Als Artur hoerde, dat Antoer Sijns loechende ende verswoer, Weendi** sere ende jammerlike Ende zeide: » Vader van Hemelrike! Wanen** komt my dit te voren, 10090 Dat ick* mynen vader hebbe verloren ?" Antor sprack: »enen vader haddy**; Ach, lieve kint, nu zegget my: Of ick iu doe dragen krone, Wat sal ick hebben te** lone?" 10095 Artur seide: »al dat gy wilt". Doe seide hem Antor, hoe hine hilt Ende hoene** syn wgf sogede, Ende hoe hy dor hem gedogede, Dat Keyen sogede een ander wgf ; 10100 Hy moestes hem*' danken sonder blgf , Want nie en was gevoet Een kint noch so wael beboet; »0f ick iu dat ryke mach bejagen, Wat lone sal Keye dragen?" 10105 Artur zeide: »ic bidde iu altoes, Dat gy my niet en maeckt vaderloes, Ick en wiste my waertoe** keren, Maer heipet my te deser** eren, Ende of God wil dattet gesciet 10110 Gy en konnet*'* gedenken niet, Ick en salt iu geven thant**". Antor seide doe: »ia lant En** willick niet ontbidden iu, Maer des begeer ick hier nu: 10115 Als gy zjt koninck, doet dat dor my, Dat Keye, m^jn sone, iu drossate sy, 1 • dode * "solde **wenede hc ** wanen **hadde gy **to **hc ene hielt **wo ene * ^moste hem des **wacr bc- *»to dewer **konnen **to hant **Ne. 111 Ende dat hi dor mesdaet, in gener hande, Die hi doet in uwen lande, Sine droBsatescap niet en verliese* ; 10120 Dat hi dus bewilen es riese*. Dat suldy wel gedogen, Want icken anders dede sogen, Ende gj zgn goede soch soget; flierby es recht dat gy gedoget 10125 Sine ommatelike seden". Artur zeide: »ic bens gebeden", Ende swoer hem dat opten' altaer; Doe gingensi wten monster daer. Doe quam al dat volck van den stryde 10130 Te hueswaert te Vespertyde, Man, wyf, kinder, ende knechte Quamen alle van den gevechte; Antor met sinen magen doe ginck Toten biscope ende zeide hem die dinck : 10135 »Heer, dits^ m^n kint,dat niet ridder en es^ . Nu bid ick iu, Here, nu proevet des: Hi zoude proeven geme an datzwaert; Leidet die baroene derwaert". Die biscop hiet oeck den heren, 10140 Dat zi alle ter kerken keren. Antor zeide: »nem* dat zwaert, myn kint, Ende siet, dat gijt den biscop gehint". Ende Artur track' wt dat swaert, Ende boetet* den biscope ter vaert. 10145 Die biscop nam hem eer iet* lanck In sinen arm, ende sanck Te Deum laudamus metten*® clerken Ende droechen** daer in die** kerke. Die baroene sagen al toe, 10150 Ende en wisten gebaren hoe, Ende zi zeiden, in genen keer Lietensi kint wesen Heer. Den biscox) dadensi vererren; Hi zeide: »God kent bet van verren 10155 Die liede*' dan gy nu doet". Antor, die ridder** goet, Ende al dat gemene** diet En scieden daer van Artur niet. Die baroene ontseiden die sake, 10160 Die biscop zeide** in hoger sprake Ende sprac: »al hadden zyt* ' alle gesworen 'verlieset "dweset 'op den *dit is * nicht ritter is •nym 'treckede 'boet dat •icet *"mit den * *drogene **de **luden ** ritter ^'gemeyne ^'ze- gede *'ïe dat **etmoste **treckeden *®liet **hevet Die nu in eertrike syn geboren, Ende wil dat God,het moeste** wesen. Lieve Artur", sprac hi na desen , 10165 »Doet dat zwaert in dat anebilt; Gy Heren , treckt die dat trecken wilt". Si trockeu** alle, ende ombe niet; Want dat vor hem niet en liet**. Si seiden: »wy en doen niet eentwint; 10170 Maer dat nu soude sgn een kint Coninck over ons, geeft** ons wonder". »God doet dat", seidi^', »al bysonder". Die baroene daden saen, Dat ment*' zwaert liete staen 10175 Tote Onser Vrouwendage doch, Ënde liete daeran proeven noch. Die biscop hoerde die clage, Ende liet dat zwaert staen tot dien* * dage; Hier binnen proevede menech** man, 1090 Die dat nochtan niet en gewan. Doe sprac die biscop tot Artuer: »Gan iu God der aventuer, So gaet ende nemt** dat zwaert". Artur dadet*' metter vaert. 10185 Doe dat volck dat gesach, Weende daer menech opten dach Van vrouden; men vragede openbaer. Of daer ieman tegen waer? Die hoge liede** zeiden: »Heer! 10190 Laet tot Paeschen ende niet meer; Trecket nieman wt binnen desen, Wy sellen** des ember** met iu wesen". »So doedy** dit dan sonder stryden. Of wy tote Paeschen ontbiden* * ?" 10195 Zi zeiden: »ja wy, sonder waen Ende latent ryke* * in sinen handen staen". Die biscop zeide: » Artur, doe datzwaert** In dat anebelt metter vaert**, Gy zult** hebben dat God gebiet". 10200 Artur dade dat men hem hiet. Doe nam dat volc tien* *, die zy wouden , Die dat zwaert** hoeden zouden. Rechte aldus ontbeiden zi das Al tedien*' dat Paeschen was. 10205 Ende hiertebinnen leerdet** kinnen Die biscop, ende t** kint ser e minnen; **zegcde he **men dat **den **manich **nemet *'dede dat * "hogen ludc * ''zolen * "omber **do gy **ontbieden *'dat ryke **zweert, Teert **zult **tyne *'to den ** leerde dat **de dat kint. 112 Hi zeide: >dit lant cornet iu an, Denket ombe wesene goet man; Eieset die gy wilt dat zij iu raet, 10210 Ende iu ammet nu bestaet, Geljjk of gy een koninck waert*, Dat es uwe, sjt onvervaert*"! Artur antworde: »ick settet* an Gode Algader ende an Sine gebode; 10115 Kieset die gy wilt, Heer, Die* Godes wille doen* ende mjjn eer; Vraget mynen heer oft hem dunketgoet?" Die getrouwe* biecop, hi doet Antor comen, sinen vader, 10220 Ende zeiden wat Artur secht algader. Si gaven' hem raet die goede liede, Ende by des biscops' gebiedo Wart daer Keye droseate saeu; Die ander ammete liet men staen 10225 Tote Paeschen, ende tien' tyden, Quam tvolc* al te Lonnen, wyde ende siden Die biscop dade*' doen halen Alle die baroene binnen der salen In Paeschavende , ende zeide aldus : 10230 »Ick hope dat wille Jhesus, Dat dit kint onse koninck blyve; lek hebbe oeck in sinen live Menege doget an hem verstaen". Die heren antworden saen: 10235 Wy en zyn niet** daertegen dan, Maer ons wondert , dat dus jonc een man Dus ongeboren gal sijn onse Heer". Die biscop zeide: vsechdy embermeer** Jegen dat recht dat God gebiet, 10240 So en zydy** recht Kersten** niet". Zi zeiden : > wy en zijn* • niet tegen Gode; Doet algader uwe gebode, Gy hebbeten lange bekint** Ende wy en kennens niet een twint; 10245 Wy bidden iu doch ener*' saken: Eer wy hem noch koninck maken Laet one an hem proeven stille , Wat maune dat hi wesen willé. Hier es aulc diet weten*' sal sciere 10250 Als hi weet sine maniere'*. Hi zeide: »gy duncket*' my begeren. 'weert, on verveert *8eke dat *de *doet *getruwe •geven 'biscopes "to den 'dat volc *"dade *'ne sin nicht **ombcrmeer * 'sin gy '"kristen '*ne8in bekent *'eyner ''weaen *®donket *"hedat **wy- 1 • Dat men lette syn sacreren?" »Ja, wy", seiden si, » tot morgen dach; Is hi dan solo dat h{jt^' sgn mach, 10255 So kiesen wyne dan sonder sage, Ende wyet** hem in Sinxeduge; Dat bidden wy iu, Here, dat gy doet". Die biscop seide: »dat duncket my goet". Scire was dese raet gehent. 10260 Des morgens bracht men in 't Parlement Artur, want men hem kiesen sonde**; Hi track dat zwaert wt , als men wonde* * ; Vor koninck hebbensi hem gekoren. Si baden dat hyse soude** horen, 10265 Ende hi dat zwaert dadeint*' anebilt. Hi zeide : »ic doe al dat gy wilt". Ter** kerken leiden aine** scier Ombe te wetene sine manier; »Wy sien*' wael", seggen si, > dat wil*' 10270 Dat wy doen al dgn gebot; [God, Des houden*' wy in vor Heer, Artur, nu vorwert meer, Ende ontfaen iu sonder Parlement; Laet tot Sinxen*' iu sacrement, 10275 Nochtan en weest** niet Here te min, Nu secht uwes selves sin Sonder ander mannes raet". Artur zeide, daert'* al an staet, »Wildy** my manscap doen ontfiaen, 10280 Dat en waer geen recht, sonder waen; lek en mach iu geen gewelt geven, Eer ick koninck ben verheven Ende gewyet*' na koninges recht; Ende dat gy my biddet echt 10285 Heer te syne van den lande , Dat en'* mochte sgn sonder scande Eer ick m^n recht hebbe ontfaen; Dat gy my biddet te latene staen MJjn wyen" dor uwen wille, 10290 Dat laet ick gerne staen al stille, Want ick en mach hierna noch nu Gene ere hebben sonder iu". Doe dochte elcken in sinen moet, Dat dat kint ware" vroet; 10295 Si seiden, dat hem wael behaget, Dat hi te Sinxen*' krono draget get **8olde, wolde *'in dat **to der *'8e ene **8een *^ wille * 'holde *'Pinx8ten "neweset ''dar dat **wil gy **gewyget '^ne "wygen "were. 113 Ënde daden hem clenode' bringen Ënde oeck ander duere duigen, Te siene of hy gierech waer*; 10300 Doe vraechdi eiken harentaer' Wat dese sake gelden mochte, Nadien dat hem dc£l volc dochte Gaf hy weder dier ende ondier* ; Dus was hy weder quite scier 10305 Enten ridders* die hi hoert* prisen Gaf hi orse, enten' jolysen Ende^ die minden* gaf hi gout* Ende clenoden menechfout* ; Waren si oeck onechte, 10310 Hi gaf hem scoenhede na rechte. Daerby proeveden die vroede Dat z^n zin niet en stont na goede; So wie Bo oeck wael wilde, Proevede wael dat hi was milde; 10315 Oeck zeiden aldaer die vroede Dat hi was van hogen moede; Negene vrecheit vant men daer an, Want also als hijt* * gewan , Gaf hjjt** daer het was bestaet** 10320 Dus en** vondensi hem niet quaet. Tot** Sinxen** hebben si gebeit, Te** Lonnen quamen si gereit, Ende proef dent zwaert* * daert stack in den Lonnen ende Logres is al een. [steen; 10325 Alse my duncket, int Romans, Sodaf die redene zy gans; Maer t was ombe niet dat zy traken. Die biscop hi hadde doen maken Enen** scepter ende ene** krone; 10330 In Sinxenavende** was dat scone: Die biscop dade te Vespertyde Artur ridder** maken, daer menech** Ridder* * mede was ende oeck clerke.[blydc Des nachtes wakedi** in der kerken, 10335 Des morgens quamen die baroene. Die biscop sprac, na sinen doene, Ende zeide: »nu mogcwy sien eude horen 'deynhede *weer 'her unde dar *duer imdeonduer * linde ritters "haer ^unde den *in 't Fransch heet het: il donoit at boens chrs les chevax etasjolis et at envoisiez qui ettoient amoreux cUmoit et joyaux et demeri et or et argent. 'golt, maniohfout '^'Ëngene vracheit »»he dat '«bestadet *'ne '*To »»Pinxten **dat zweert *'Sy dat **Eynen, eyne * •Pinxstavende **ritter *'iiianich *• wakede he **icht **vorgeve **kneen, myt den **kncelde *'vorgaf *"vürgeve **nemen ze ene **Al8 he '^dat lant '^toem weert Den man, dien God hevet verkoren; Siet hier sine konincklycke gewaden, 10340 Wil ieman daer tegen raden?'' Si seiden, si loveden dat alle, Ende of zi iet*' met ongevalle Jegen hem hadden gedaen, Dat hi hem dat vergave** saen; 10345 Genade baden si op horen knien**. Artur weende mettien**, Ende knielde* * vor hem met naten ogen. Hi vergaf*' dat nederen ende hogen, Ende bat hem, dat zi Gode beden, 10350 By Siner groter ontfermecheden , Daer hem die ere quam ave, Dat hi hem dat allen vergave**". Mettien namen sine** ende leden Tot sinen koninckliken cleden; 10355 Alsi** doe was gecleet Was die biscop wael gereet Ombe dat hi soude misse singen, Aldaer si hem Artur bringen. Die biscop sprac tot Artur thant: 10360 »Want gy Here syt over dlant**, Artur, gaet ende haelt u zwaert*'. Dus sprac die biscop te hemwaert**. Al die processie ginck met hem ten stene, Ende doe si daer waren algemene 10365 Sprac die biscop: »oftu** an Gode Geloves** ende an Sine gebode, Ende au Sine Moeder'* Santa Marien, Ende an Santé Peter, den vryen, Ënde an alle Santen ende Santinnen, 10370 Entie die** heilige kerke minnen Ende houden in goeden vrede, Entie" donberadene troesten mede, Ende gerechte wilf»** houden onvervaert, So ganck toe ende nem dat zwaert, 10375 Daer dy God mede heeft verkoren'*". Artur die stont ginder voren, Sine ogen die waren hem nat; Menech man weende ombe dat. "oflf du '*gelove8t "moder '•Undedede "Unde de ••willest '•Fransch: m Artur ^ te tu et tex que vaiUet jurer et creanter Deu et Mad. Ste Marie et Mm Sffr. Saint Fiere et toz Saias et totet Saintet^ et Ste Yglite a tauver et nuUntenir^ et pez etféauté en terre et a avoier toz detvoiez et totet let detawneet a ton pooir et a maintenir totet droituret, ti alez avant et prenes celti espee dont Nre Sire oos a faife letlectiüH. 15 114 Hi zeide: »al80 gewaerlike, 1Ó380 Alse God vaa Uemelrike Boven alle dinc huvet macht, So moet* Hj my geven die kracht* Te doene dat ick hebbe verstaen*". Mettien knielde hi saen 1 0385 Ende nam tswaert^ tusschen knoep ende Ende tract* wten anebilte; [hilte Doe leide hgt* opten' altaer. Gesacreert wart hi aldaer, Als men enen koninek sonde*. 10390 Na misse, als die biscop wonde*, Gingen zi wter* kerken saen, Ende qnamen ter*** plaetsen gegaen, Daer die steen hadde gelegen, Die doen enwech was gedregen; 10395 Si en wisten, hoe** hi was verloren. Dus was Artnr koninek gekoren , Die dlant van Logres entie** steden Lange hilt met groten onvreden**, Alse gy horen snit hiemaer; 10400 Want nu ierst** ginck** an aldaer Die hate ende dat stryden, Dat lange duerde op hem in nyden Van den baroenen, wyde ende syde, Die hi al verwan met stryde. 10405 Hier indet** kronement ter ure Van den koninge Arture; Nu suldy** voert hoeren die stryde, Die hem gescieden in sinen tyde. Van enen hove^ dien K, Artur hielt te Caredol^ daer heyde koninge^ hertogen^ ende vorsten quanten. God, die alle dinck vermach 10410 Ende Sine moeder, daer Hi inne lach, Sy moeten my, in dit begin, Geven wgsheit ende sin Te volmakene dese saken, Daer Jacob van Maerlant ierst dat maken 10415 Af** began, en liet s^n dinck ^mote *krafiEt 'mesdaen; verg. echter 't Fransch: force et pooir de faire et de maintenir ce que vos maves dit et ge f ai entendue; en 't Eng.: / have it wel understonde ^dat *treckede dat 'he dat ^opdat 'aolde, wolde 'ut der **to der **wo **iinde de ' 'Zoo in dit HS. Maerlant, wiens ber\jming, gel(jk fior- rona verhaal, hier eindigt, schreef daarentegen zeker vre- den, zooals ook het Fransch en 't Engelsch heeft: et tint la terre de Logtet enpez, en: and heUde the reame ofJjh Daer Artur diekoninczcrone** ontfinck, Als dat in Merline hesere ven es**. Nu wil Heer Lodewyck* * , sjt* * seker des, Van Velthem** dit voert wtgeven 10420 Na dat int*^ Walsc es bescreven; Want nu iérst** gaet an die dinck Van Merline ende van den koninek, Hoe dat Artur began regneren Altemale by Merlyns leren. 10425 Doe Artur crone hadde ontfaen Ende sacreert was, daema saen Te half Oegste, so hilt hy hof Tote Caredol, daer men of Seggen moge grote dinck. 10430 Daer quan Loth die koninek. Die tlant van Leonois hilt geheel Ende van Orcanien een deel, Met v^fhondert ridders van pryse; Die koninek Oriens* *, na siner wyse , 10435 Quam met vierhondert ridders daer Die tlant* ^ van Gorre hielt vorwaer In enen dele, wy lesent dus, Ende tander hilt die koninek Bandegarius Die Melogans vader was. 10440 Die koninek Ventres** quam nadas, Die van Garlott was here, Sevenhondert ridders brachti in die were ; Dese hadde Arturs suster te wive. Daer quam oec met stouten** live 10445 Carados Britas** die koninek .was Van Astragorre'*, als ick dat las. Was hi geselle** van der Tafelronden; Seshondert ridders brachti ten stonden. Dan quam die koninek Anguisant, 10450 Die here was van ScoÜant, Vierhondert ridder brachti hier. Daer quam die koninek Ydier Van Cornualge, ende brachte daer Vierhondert ridders ionck int' ' openbaer ; 10455 Ende alsi alle vergadert weren Ontfincso Artnr wael met eren. Geleek dat een kint doen sonde' ^ gres longe in pees. Later eerst werd , om *t verband met het toen toegevoegde, in H Nederlandsch door Lod. van Velthem berymd, die pre/ door hem in OKrnc/ verkeerd. » *eir8t » 'genck » 'endet dat » ^wlt gy » 'Off » •koninck- crone **i8 *'Her Lodewych **xyd "velchem *^indat "irst "üröens * 'dat lant »'Neutre8; doch rie 't Eng. "stolten **lÈS3L%.Brmbas *^Eag. S tamgore "gefseUe; £ng.: oon of the knyghtes "unde '^ solde. 115 Dat DOch was van cl eenre oude'. Hi gaf hem gichte* cleen ende groet 10460 Qel^ck betamede elcken genoet; Ende als die groete* heren vernamen* Die gave entie* clenode te samen, Die hem Artar die koninck gaf, Hadde hem herde onwaert daeraf , 10465 Ende seiden, si waren* herde sot Zonde zulck^ een knecht hebben gebot Over hem ende regneren daemaer, Die van so cleenre geboert waer*; »Ende dat hi oec koninck ende here s^n sal 10470 Over den lande van Logres al, Dit en mach niet lange gednren'*; Ende ontseiden* die gave ter'* uren, Ende ontboden hem, datsine' ' nembermeer Vor koninck en hielden noch vor heer , 10475 Ende dat hem negeen '* dinck es so leet Dan dat sine sacreren lieten , God weet, Ende dat si hem manscap hadden gedaen, Ende dat hi wael verstonde , sonder waen, Dat si te sinen hove niet" en komen 10480 Ombe hem ere te docne noch vromen, Maer omb hem tonneren'* ende ontsetten Ende wten lande te jagen, dat wet; [met' * Eude dat hi dat oec'* rame ter stede Ende nembermeer daerin kome mede ; 10485 Ende romet hi des niet, si sallen hem slaen Dat hi des niet en sal ontgaen. Doe dit vernam Artor, die koninck, Dadi" den raet na dese dinck. Dat hi seker was na den dach'*, 10490 Want hi verraetnesse ontsach. Dos dageden si viertienacht' * in die stede, Dat deen den ander niet en dede. Daema niet lang so geviel** dat. Dat Merlgn quam in die stat, 10495 Ende toenden*' vor dieliede** gehende Ombedat hi woude" dat menne kende ; Doe begonste** lopen die maer** Dat Merl^n in die stat waer**; Alse dit die grote heren vernamen, 10500 Ontboden sine doen** al te samen *olde *giffte *de groten ^vernemen *imde de •weren 'zolck 'weer 'ontsegeden ''tor "se ene **geen * 'nicht '*to onneren '•mit '*volck; Eng. cmdree '^dede he '*£ng. meer bepaald: he yede wt of a window ' *Teerteynacht '^gevel **toende em •*ludc **wolde **began te **raeer, weer **do **dat he **qaeme **dede dat '^segge ick *'al8 ene ■*scgen • 'bieten •* leiden ene ■•dnre ■•aaien. Dat hi*' se quame** spreken nu. Hi dadet** blidelike, zeggic** iu, Ende alsen ' ' die baroene sagen * • komen, Hieten** sine alle wellekomen 10505 Met groter feesten, ende lietene** daer In een groet palaes daer naer Ende een scone ende herde diere ** Buten der stat op een riviere, An enen anger, als ie dat las, 10510 Die wonderlike scone was. Boven in den palaes, ten venstren wt, Mochte men sien gras ende cmet Ende foreeste ende bom e mede. Die ombe Caredol stonden ter stede. 10515 Doen si quamen in die sale** Setten si Merlino daer in tale**, Ende vrageden*', hoe hem behageden die Van horen nyen koninck, [dinck Dien die eertsbiscop** entie goede* • 10520 Gemaket hebben met gemenen moede* •• Merlgn antworde den heren saen, Ende seide hem si hadden recht gedaen. »Hoe?** zeiden si, >wat est*', dat gy Hieraf nu segget?"' spraken si, 10525 En zyn hier nu niet edele baroene Die bet waren*' van desen doene Dan dese** knecht, dien men niet weet. Wanen hi es** ofte hoe gedweet*'? Merl^jn zeide doe: »gy segget waer, 1 0530 Dat weet luttel ieman openbaer , Wie hi es**, nochtan daerby Dat hier nieman so edel en sj Noch so hoge, s^t seker des. Noch bet waert dat*^ hi koninck es, 10535 Noch 80 grote eer tontfiane heeft*' Als hem Onse Heer hier nu geeft*'; Ende ick wille wel, dat gy wet et des**. Dat hi Antors sone niet en es** Noch Keyen broeder, op mjn Ijjf, 10540 Maer hilten op ende sgn wyf'. »Hoe, Merljjn, wat segdy** nu?" Seiden die baroene, »wy geloofden iu Te voren bet dan wy nu doen". talen "vrageden ene **Zoo ook vroeger reeds in *t Franscb en 't Engelscb ; doch Maerlant maakte er slechts een -.bipcop'* van. '•unde de Inde *®mode; in 't En- gelscb omgekeerd : withoute her h/cmce and toUhoute attent of the mene people of the ionde * * weren * "desse ** wannen be es **we be is ^'•dat *'hevet, gevet **is, dis **8egge gy. 116 Merlgn zeide: *gj heren, gy baroen, 10545 Ontbiet den iongen koninck nu, Ende geeitem vrede te komene tot iu , Ende Ulfijn ende Antor ter stede, Die den koninck opvoede, mede, Van clenen^ kinde, dat verstaet; 10550 Gy snit wel horen an haren* raet Hoe hy tot hem gekomen es*". Doe zeiden die baroene nades* : >Wy willen doen van deser* dinck Inwen raet; nu doet den koninck 10555 Ende Ulfijn ende Antor komen"'. Das hevet men hiertoe genomen Bretelle, die die boetscap* dede; Merlyn beval, dat hi brachte mede Den eertsebiscop van Logres; 10560 Dus dade die boetscap* Bretles. Nu es Bretel van daer gesceden Ende quam daer Artur was ter steden Met sinen vrienden*, ende na den doene Seide Bretel datten die baroene 10565 Ontboden ende Autor, heet sgn vader. Metten^ eertsbiscope te gader, Men gave* hem geleide ende genaden; Si zeiden* datzi dat geme daden'*. Doe ginck Bretel tUlfinewaert 10570 Ende zeide dat hi quam ter vaert, Merljjn ontboden** entie** baroene, Si hadden sines nu te doene. Doe Ulfijn hoerde dat Merlgn was daer, Was hi blide omdat** daemaer 10575 Merlyn van Artur sal doen verstaen , Hoe sine dinge s^n vergaen, Den Heren, ende hem ontdecken sal*^. Ul^n entie** ander heren al, Antor, die biscop, entie** koninck 10580 Gingen met Bretele, na die dinck, Daer si die baroene vonden, In den palase te dien** stonden, Merline met hem haddensi** daer nu; Des waren die ander blide, seggic iu, 10585 Endo Ulfijn dade hem grote feeste daer Entie** koninck Artur, wet vorwaer. Was gewapent onder sjjn cleet, Met enen korten halsberch, God weet. *cleynen *orcn *i8, dia ^desser 'bodescap *vrenden 'mit den •geve *zegeden * •deden **onlbode ene **unde de "ombedat **Eng.: for f Aan he knewe tOdU that the troutke of the kijnge tholde be knawen, **toden "hadden "lude to * •sonde "biscopes Doe si vor die baroene qoamen, 10590 Vondensi daer vele liede te*^ santen Ombe te hoerne van den dinge, [ninge. Wat Merl^n sonde** seggen vanden ko- Ende omdat die koninck consacreert was , Stondensi tegen hem op dor das, 10595 Ende oec ombe des biscops** wille Anders haddensi geseten stille. Si gingen weder sitten daemaer, Maer die biscop bleef staende daer, [Heer, Ende zeide : »gy heren, om** Gode onsen 10600 Ontfermet iu Kerstenheit* * des nu meer, Datsi niet by u en** blive verloren Overmidg** iu werringe ende inwen toren, Want dat waer*^ ons allen scande, Waerment vername** in enegen lande; 10605 Want elck en es maer oen man Van ons allen, ende daeran So es die rike man doet** also saen Als die arme, sonder waen'\ Doen* ^ hem die biscop dit leide te voren, 10610 Zeiden die heren, si wilden horen Merlyns tale ende sine woert, Ende dan so predicke hi vaste voert, »Want Merlyn hevet ons nu bysonder Geseght een dat meeste wonder, 10615 Dat ons oit quam te voren'\ Die biscop zeide: »dat wil ick horen*'. Doe ging die eertsebiscop sitten daer, Ende Merl^n stont op daemaer, Ende zeide : >gy heren , ick heb nu na des 10620 Gelovet te seggene, wie** Artur es**, Want gy segget, dat ghy des niet en kint* * Ende wie** hi es, en wety** niet een** Ick segget iu, dat Artur, die koninck,[twint; Entie** hier sit iu desen rinck, 10625 Entie** die krone ontfinck vor das, Des koninges Uter-Pandragoens sone was, Ende wan hem an Tgernen mede Des nachtes, doen ter seWer*^ stede Die hertoge des morgens wart versiegen* *; 10630 Ende desselven morgens quam daertegen Uter-Pandragoen onder sine genoet, Doe was die hertoge geslagen doet, Ende doe zeide ie ten** koninge saen: S%i **ombe **kri8tenlieit ""ne **overmydde8 »*weer **dat vememe ^•doen; doch verg. het Ëogelsch : as soone ihall tlie hiest and the richést be d^ièd^ as , enz. »Mo *• we »*is so kent * t aa unde • * selven * * Torslagen wcte gy ••to den. S 1 nicht en m Here, ick hebbe iu nu gedaen 10635 Enen* sconen dienst*, God weet, Nu wil ick dat gy my gevet gereet Dat kint, dat na draget Ygeme. Die koninck zeide: ick gevet iu gerne, Ënde wilkoerde ende swoer mj daer, 10540 Welcke t^t dat geboren worde daernaer , Dat hi des sine macht doen soude; Hi gaf mi des letteren' also boude Ënde hinck daer sinen zegel an, Ende Ul^'n, die was s^n radesman, 10645 He vet noek dese letteren , ende hi Swoer metten koninge dit oeck my Thoudene^ vaste; ende daernaer, Doen Ygeme ginck met kinde swaer, Entie* koninck sint se kroendc mede, 10650 Gevil sint te meneger stede, Dat die koninck seide tot haer* Dat dat kint zgn niet en waer* Noch des hertogen, zeidi^, dat wet, Ende dade haer grote scaemte daer met ; 10655 Nochtan seide si bem aL die waerheit das. Welke t^t dat kint gewonnen was Ende op welke nacht oec mede, Maer si en wiste niet wel gerede Wie dat wan. Doe wiste hi wel* 10660 Dattet z^ns was ende niemans el*, Ënde daema haddi'** se lief seer, Ende dade haer waerdecheit ende eer; Maer bi seide: Vrouwe, sint Dat m^n niet en es*' dat kint, 10665 Sone wert recht no** redene nu Dattot waer geërvet, seggic iu. Hier in dat lant, cleen no. groet, Dat'hi blive koninck na myner'* doet; Daerom' ^, zeide die koninck. so bid ickiu. 10670 Also lief als gy hebt** te houden** nu Myne vrientscap* ^ , ick segge iu te * * voren : Also vro als dat kint «is** geboren, So gevet dat den iersten** man. Die in die sale** komen dan 10675 Ende tkint daer heeschen** sal. Die Vrouwe seide: bier af sal ick al Doen, Here, dat gy viseert** Sedermeer dat gy des begeert. *Ejncn 'denst *litteren *To holdene *nnde de •totc er, weer ^aegede he "wal 'anders al ^'hadde he **i8 **nüch "'mynen '*Daerombe *• hebbet ' 'holden * 'vrenseap * "to * "eirgten ^'den sal * ^ejachen **vi8\ert **to der selvcn "^steet **dede **vo- Ende terselver** tgt doen dat kint was 10680 Des avendes geboren, z|jt seker das, So was my dat kint gelevert voertan; Doe brachtic dat desen goeden man, Antor, die hier staet** by iu, Ende bat, dat hijt dade** sogen nu 10685 Sinen wive, ende voedsteren met**. Die onlanges was bleven, dat wet, Van enen kinde, dat Eeye hiet. Antor dadet*^ ende liet des niet, Ende dade Xeyen , sines selves kiot , 10690 Enen*' anderen wive sogen sint; Want Üter-Pandragoen hadden * * gebeden, Eer ick dat kint hier bracht ter steden. Dat hi daer mede doen soude'* Al dat ick hiete ende dat ick wonde**; 10695 Ënde Antor dade dat ick wonde** doe, Ënde dadet* ^ kint kerstenen* * doen alsoe, Ende dadet*' Artur aldaer heten**; Ënde God en wil des niet vergeten Der goeder werke van moeder* * van vader, 10700 Hi en geve loen alle gader Horen** ore ende horen** zade met** Dat van hem quam; ende oeck wet Dat God zende den steen endet* * swaert* ^ Ombe te proevene wie** dat des waert*^ 10705 Waer**, dat hi koninck bleve doe**; Ende daer gy allen zaget** toe**, Toende daer God wel openbaer, Dat hi des koninckrikes waerdich waer**, Ende zyt des zeker, dat ick iu^* 10710 Een woert niet en hebbe gelogen nu, Ënde des vraget Ulfgn ende Antor mede , Die Artur ophilt nu ter stede; Want zi weten wael, es dat waer". Doe vrageden des die heren daer 10715 Of dat also waer, als Merl^n secht? Zi zeiden: »hi secht die waerheit recht, Allegader van inde toerde**, Ende niet gelogen van enen woerde", Doe togede ülfijn die letteren** daer, 10720 Ende zeide: »gy Heren, siet^ * alle hiemaer; Dat zjjn* ' die letteren**, zyt seker daeraf, Die Uter-Pandragoen Merline gaf'. Doe nam die letteren** ter bant nadas destern myt *^dede dat *'eynen **hadde em * 'solde, welde ''kristenen '* bieten "moder **oren **myt "imde dat *^sweert, weert *'we "weer *'do, to **zegen **weer **nu **eynde to oerdQ * • Uiteren * • seet * ' sint. 118 Die eertsebiscop . die blide was, 10725 Dat hi dese dioge hadde gehoert, Ende las doe die letteren' voert, Daert^ al die heren hoerden saen, So dat siae wel mochten verstaen; Ende aleo alset* Merlgn gesecht had eer 10730 Vant men daerinne min no' meer. Als dat gemene^ volc dit hoerde, Entie* clergie, dese woerde Den eertsebbcop aldus lesen. Hem ontfermede sere yan desen, 10735 Ende vloeckten* alle die^ den koninck Letten souden van enegen dinck Of tegen waren* in eneger stat. Doe die baroene hoerden dat, Dat die gemeente entie clergie 10740 Van den lande trocken* an Arturg pertye, Doe seidensi daer en gelage niet'** an. Dat waer truwancie van hem dan, »Ende nembermeer moet God gejonnen Die niet te rechte (en) was gewonnen 10745 Dat hi Here zy over ons voert"; Si zeiden daertoe vele dorper woert, Die ick niet (en) wil vertellen nu, Ende zeiden, dat zeggic iu. Dat nembermeer negeen' ' bastart 10750 Over hem nu koninck wart** Noch over hem oec sal regnieren**, Ende zi en wilden in gener* ^ manieren. Dat hi koninck waer**, zp zeker des**. Over dat rike van Logres, 10755 Dat so hoge es ende so goet. Doe die eertsebiscop dat verstoet, Zeidi*^: »wie sal koninck wesen dan Dese** koninck, diesel ve man. Dien God daertoe heeft** vercoren 10760 Vor alle die hier zyn te voren? Ende ondanck moetj** des hebben dan, God die salne houden** voertan In dat koninckr|jke , daer Hineheeffc** In geset, ende nieman die leeft, 10765 En salne, tegen den Godeswille, Verdriven mogen, lude no** stille". Doe die baroene dit vernamen** ^litteren *dar, alse dat "noch *gemeync •Unde de *vlokeden *den de •weren •treckeden ''gelegc nicht >* en geen **wert **regneren ** genen **weer **da8 *'zegede he **dan dese *"hevet *''mote gy *' holden **noch * •vernemen ** vellen **we ** ontzegeden »'jnyd **er *»toem "«dede ''Unde der »*lade | Dat die gemeente entie* clergie te samen Yielen*^ tegen hem aldaar, 10770 Doe zeidensi hem alle al daemaer, Ende zeiden : » hoede hem vrie* * dat wille. Si en geleden niet, lude no** stille. Dat Artur koninck over hen waer, Ende ontseiden** hem alle daemaer 10775 Entie* in siner hnlpe sgn met*^. Doe gingen die heren alle, dat wet, In hoer** herberge hem wapenen daer; Entie* koninck Artnr ginck daemaer Weder op sinen torre** saen, 10780 Ende dade'* oec ten wapenen vaen Hem alle, die hi verkrigen kan, Ende dier** was seven dosent man Onder clerke ende gemene liede**, Ende ridder* *, dien** hi hadde miede** 10785 Gegeven, orse, perde, ende geit, Die arm waren** was daer getelt Drie * ' hondert ende veertich,die zwoeren * * Hem te helpene al toter** doet. [bloet Doen dese alle vergadert waren** 10790 Gingen si opten torre** daemare, Toten cantelen ter weer der** stede. Die koninck sette t gemene* * volck mede Een deel vor der** poerten daer, Die te hoedene; die ander daemaer 10795 Sette hi ten cantelen nu Ombe te wachtene, seggic iu; Aldus haddese die koninck bewaert** Ombe hem thoedene**, endegescaert**; Entie* baroene oec bander**8yden 10800 Waren in haer herberge ten tyden Al gewapent met al hore macht, Diese met hem daer hadden gebracht, Ende saten** op haer perde nadat, Ende vergaderden** in mydden der stat, 10805 Elck onder sine baniere met gewelt; Daer waren drie* * dusent ridders* * getelt. Ende alsi** alle vergadert** weren Wouden** si ten torre waert keren**; Sulke** zeiden, men souder asselgieren 10810 Den torre** sonder enich vieren**; Ende snlck was daer die oec zeide*^ ■*ritter •*dcn ■*mede ••weren •'dre •■iworen **tot der **weren **toem **castclen *'wertcr **de **l)ewart, gescart ^•to hodene *'op ander *^fcten **vergadderden, vergaddert ••dre •■ritter * "als se * 'wolden **kieren **8olke ••viren •'«egede. lid Dat men dat palas enten torre' beleide*, Ende mense verhongerde binnen den torre' Wantsi en znllen wttrecken dorren'. 10815 Met dat zi bilden dit parlement, Qoam Merljn onder hen ontrent^, Ende zeide : »g7 Heren, ziet* wat gy doet ! Sekerlyk ick make ia des vroet, Setty* iu tegen den koninck nu, 10820 Gj zult* daeran verliesen, seggic in, Vele meer dan gy zult winnen; Want God, Onae Heer, doe ie* iu bekin- Sal dat an ia so wreken , dat wet , [nen*, Dat gy ontgoedet werdet daer met 10825 Ende gescant; want gy nu ter ure Ia settet tegen onses Heren kure, Ende daer gy oec alle zaget'^ toe'\ ^Deuê, God f' zeiden die baroene toe, » Wat ons dese gokeler doet verstaen !'* 10830 Si makeden met hem haer spotten saen. Doe Merl^n sach datsi daer Hem bescimpeden, keerde hy' ' daemaer Tot Artnr, ende zeide: »Heer koninck, En zorget na niet om negene dinck, 10835 Al hebben zi van lieden'' grote cracht, Ick sal na doen in deser nacht, Dat die alrebehagelste die hier es" Sonde'* willen zgn, zgt zeker des, Al bloet ende naket in sfjn'* lant 10840 In hemede ende in broeck' *, s^ iu bekant; So groten anzt' * zullen zi hebben some Eer die nacht ten dage kome**. Doe nam hem die koninck by der hant , Ende leiden" by syden al te hant 10845 Daer Antor, Ul^'n, Bretel stonden mede Entie'* eertsbiscop ende Heer Keye ter [stede ; Dese waren van des koninges nauwes- [ten** rade. Doe sprac die koninck Merlgn an met stade Vor alle dese, ende zeide daer na: 10850 »Meriyn , lieve vrient* ', ick hebbe van iu Gehoert zeggen, dat gy waert * * hier te voren Met mynen vader waert ende seer verkoren * ' Des bid ick in dor God ende dor rechtes wilh 'torn 'belegede 'Eng.: M-// tAei eolde never be 90 ka$ukf f o yise out ofthetoure. ^omtrint *zeet *Sette gy 'lolt 'ich •bekennen ''zegen **he weder **lude "it Ik solden '*er '*JSng.: that the most handy of hem. in the ost, er it loere ftyght sholtle wiss Af to be at home is hit owne contree. '^angest ^'leide Dat gy my willet raden, lade ende stille , 10855 Dat ick my verwere'* van der onneren, Die'* my willen doen dese heren; Ende ick bidde iu ombe God daerby. Dat gy zijt nu also getrouwe" my, Alse gy hicrvoren waert** mynen vader; 10860 Ende wetet oec dat ick allegader Doen sal altoes dat gy zult begaren Ende tegen iu negene" dinck sal sparen, Ende sint oec dat gy ondersteundet* * my In mgne kintheit, so zgt gy 10865 Met rechte my sculdech thelpene" nu. Als ick koninck ben, dat zeggic" ia, Ende lant ende heerscap berechten' ' sal , Want dit es by Gode ende by iu al Ende by Antor ende by uieman el**, 10870 Die my gehouden hevet wel**; Ende dor Gode laet iu ontfermen** nu Des kouinckrikes , des bid ick iu, Entes'* gemenen volcx** oec mede. Want si werden gedestrueert ter stede 10875 Ende verloren, God en helpe hen Ende gy, des ick wel seker ben**". Doe sprac Merljjn : >Here, heer** koninck! En hebt negeen anxt** om dese* ' dinck , Si en zullen niet mogen scaden iu; 10880 Ie segget iu wat gy zult*' doen nu Altehant als gy quite z^t Der baroene, die iu nu ter tyt Sullen vermoyen hier ten stonden, Dat es waer, die ridders* * van der Tafelron- 10885 Die gemaket was ende gefun deert [den, By uwes vaders tyden ende geordineert, Daer God die ziele** af moet** hebben nu. Die z^jn in haer lant, dat zeggic iu Om die** grote ontrouwe , die si zagen* * 10890 In dit koninckrike van dage te dagen ; Want sint dat iu vader kranck was, So dade** men ie sint na das In den lande anders niet dan quaet; Des rnmedensi dat lant, dat verstaet. 10895 Maer dat moeste wesen alsoe. Want God, Onse Here, woudet doe, Ende wet wel, dat si nu te Carmelike ene **Undc de '"nouwcsten "vrent "weren "ver- • kom **vorweren ''dat ''getruwe "weren "gene '•onderstonden ''to helpen ** zegge ick "berichten "anders n. al ■*wel '*ontfarmen "Ünde des *^volke8 '"bin **her **angest "'ombedesse "zolt ' "ritters **zele **mote **Ombe de * 'zegen "dedc. 120 Z^n' in dat koninckrike Met Leodegans, dea koninck vry, 10900 Die out* ende kranck es' daerby Want sgn w^f es doet nu; Oec hevet hi ene dochter, scggic iu, Ende niet meer kin der heeft haer* vader, Dier* dat koninckrike blijft* allegader; 10905 Ende hi heeft* groet lant te sinen doene Onder hem ende den koninck* Bioene, Die koninck van den Giganten es Ende van den herderlande^ daer ombe des; Nieman en dar daer wandelen' niet 10910 Van den wonder dat daer gesciet. Die kotiinck Rioen , dat zeggic ia , Hi es machtech ende sere ontsien nu, Ende heeft verworven nu ter stede Twintich gekroende koninge mede , 10915 Ende hevet hem te scande gedaen. Die baorde* af doen villen saen , Ende heefkse in enen mantel gewracht Ende doetse houden** op enen scacht Vor hem tot allen feesten meed'**, 10920 Als hi hof hout , daer hi eet , Dat alle diegene, die te dien** Hove komen, die baerde" zien**; Ende hi sweert**, dat hi winnen zal Dertich koninge , die hi al 10925 Haer baerde* af zal sniden, eer, Dat** hi ophout emmer* 'meer, Ende an den mantel hangen dan; Ende hi orioget den koninck Leodegan Nu ter tjjt van Carmelike; 10930 Ende zgn lant komet an iu rike, Ende verliesot Leodegan zijn lant, So verliesdy**t iuwe te hant; Ende hi haddet lange nu ten stonden Verloren, en daden die van der Tafelron- 10935 Want si houden alle die lande [den; Stoutelike tegen die viande; Want die koninck es sere out*'. Des radic*' iu, dat gy met gewout*" Daer vaert dienen ene tgt; 10940 Hi sal iu geven, des seker s|jt, Sine dochter tenen wive. Die die scoenste es van live *Sm *olt 'is unde *er, der •blivet, hevet "ko- ninck 'harden Inndp; Kng : tonde of pastures •won- deren "larde * "holden ' *mvd **den,zeen "zweri **eer **iemer '•verliese gy dat *'olt *'rado ick **gewolt **koninchr. ^*solengenoch **zolen **mi8- Die nu levet ende daer oec al Dat koninckrike** op bliven sal; 10945 En ontsiet iu van uwen lande niet, Dat en sal hebben negeen verdriet, Want elck van desen baroenen nu, Die iu orlogen, zeggic iu, [cant, Sal genoech* ' te doene hebben , zy iu be- 10950 Ombe te bescermene hoera selves lant, Dat hem niet (en) lusten .sal dan, Torlogene met anderen man; Ende zi zullen** uwen lande luttel goet Mesdoen** nu meer, zyt des vroet, 10955 Dat en waer also ofzi daerdorlyden** ; Ende wetet wel, datsi ten tyden En zullen hebben macht negene** Te winnen nochte beliggene gemene Noch oec casteel noch oec stat; 10960 Maer eer gy enwech vaert , zeggic iu dat, So zuldy** iu stede besetten Üiant Ende iu borge ende iu lant Herde wel met goeden lieden*'; Ende met getrouwen** mesnieden 10965 Ende met selscutters, entie** borge al Waei doen spisen, ende daerna sal Die eersebipcop Brixes In alle kerken doen nades Gebannen* * ende verwaten al 10970 Die op dit lant iet doen sal, Opten koninck ende op sine man; Ende hi sal noch huden doen den ban Selve, daert al die barone Toehoeren, ende gebieden nae tgone'* 10975 Al sinen papen datsi doen desgelike**; Gy siilt noch tavent zien zekerlike , Dat die coenste, die nu hier es, Sal sijn in anxste, zyt zeker des; Gy zult my vinden altoes gereet, 10980 Als gy des te doene hebbet, God weet; Ende als die baroene vor desen torre** Zy n gelogiert , dan zy t hiervore , Als gy my roepen hoert ende creyieren Dan vaert wt met uwer banieren, 10985 Ende ridet op hem met groter vaert; Zi zullen werden so sere vervaert, Ende tebaren tiert , datzi clene doen **Eng.: UHU ikuU tkei forfete m thy kmde hut passinge fhonrgh the piayn eontrtes. '*engcne **zole gy *'iuden **getrQwen **imde de **Die gebannen ; Eng. : the archebUcop »haU aemrte alle^ enz. *'na datgene '^dagelike; Eng.: the sawte. **toFn. 121 Weer en sellen doen of negene; Want zi sellen daer alle vlien". 10990 Die koninck zeide Merlyne mettien ^: »Dit es wel gesecht, by Onsen Heer, God lone ia des rades herde seer, lek sal doen al dat gy wilt na", Dus eude die raet, dat seggic ia; 10995 Na sal ick swigen van desen £nde van den ertsbiscope lesen. Hoe* Merlyn Artvrs viande dede vlien* al met siner toverien. Die aventare secht^ ons na* des Van den ertsbiscope Brixes, Dat hi ginck ten cantelen staen; 11000 Ende Artnr dade hem wapenen saen, Ende dadese op haer paerde sitten daer, Ende Merijjn dade maken daemaer Artur enen wonderliken drake, Daeran gelach grote sake, 11005 Opt* inde van ener glavien, ende al roet Was die drake die daerop' stoet, Ende wt sinen monde scoet vlamme ende Ende bi hadde enen staert onghier* [vier* Gewrongen ende lanck ende smal. 11010 Die drake was van silver al, [quam, Men** konde niet geweten wanen*' hi Hi was berde licht, als iet** vernam, Ende hi setten op enen scacht alsoe; Daer sagen hem te wonder an doe 11015 Alle, die daer waren gestaen. Doe gaf hem die koninck Keyen saen , Sinen drossate, ende** in der manieren Bleef hi ie sint van den goffenieren Meester ende here; ende daerna alsoe 11020 Waren** bereit Arturs liede'» doe, Ende alle die op (paerden) wale geseten , Ende ontbeiden der ander als wjjt* • weten. Bander*^side quamen die baroene Ombe dat palas na dien** doene 11025 Te beliggene, ende daden saen Haer** tenten daer alombe staen In die prayerie na das, Die scone, groet, ende eften was; 'mitdien "wo *vlecn *zeget 'van 'op dat 'daroppc "vuer *ongehaer **Meii en ** wannen **ick dat **iinde voert **weren **lude **wy dat * 'Op ander ••den *"er **vragede he **toern **dattene geen » «holde »*dat en z0 » Maden « «holden solde *'wol- Ënde doese die biscop sacli te samon 11030 Vraechdi** ombe wat si daer quamen »Alse gewapent, dat segget my". Si zeiden: »wy komen hierby Ombe dat wi willen winnen nu Desen torre**, dat seggewy iu, 11035 Want wy willen datten negeen** man Houde**, tenzy** by ons lieden** dan". Doe dade die biscop swaerlike Sinen ban ende ontsachlike Ende vermaledyede al degene mede, 11040 Van Godes halven, die ienege lede Den lande , dat Artur hilt, die koninck. Of houden soude** na dien dinck Doen wouden*' of doen souden** daer. Doe seiden die baroene daernaer 11045 Si en gaven** ombe sinen ban niet, Maer si souden doen verdriet Artur, waer sine** kon sten** belagen Ende oeck wten lande iagen; Ende mochten sine metten** handen vaen, 11050 Hi en zoude der doet niet ontgaen**. Doe Merlgn hoerde haer overdade. Die si seiden, wart hi te rade, Dat hi makede ene toverie daer, Daer hi mede dade ontsteken daemaer 11055 Alle die tenten entie** paweloene. Doe worden vervaert** so die baroene, Ende so gescomfiert*^ al te samen, Dat «li niet en wisten hoe si quamen Wt hoeren tenten, ende liepen neder- 1 1060 In die prayerie sere vervaert* '. [waert* * Daer wart menech** al verbrant. Doe riep Merlgn al te hant: • Ontdoet die poerten ende trecketwt"! Doe wart ginder groet geluet. 11065 Die koninck Artur heeft*' dit gehoert Ende track** haestelike wter** poert, Scilt omb hals, helm vor boet; Ende volgeden** hem met groter spoet Sine liede** gewapent fierlike, 11070 Ende sloegen** iu die ander** koenlike. Dat negeen van den anderen was, Hi en wart gesconfiert van das; Want zi en wisten niet, twaren, den, solden * 'geven **8e ene **konden **mitdeu •*unde de "verveert . * *gc8ccmfiert **nederwert "■manich *'hevet •■treckede "«ut der •* volgede **£nde ^'slogen ** anderen. 16 122 Dat daer bo vele Uede inne waren 11075 Metten koninge, die op hen reden Met glavien, met groter stoutheden^ Ënde doden daer herde vele nu; Want si waren*, dat zeggic iu , Van den vier* gesconfiert zeer. 11080 Des kouinges liede^ daden inden heer* Datsi wilden', cleen ende groet , Daer bleef menech^ man doet. Daer proevede men so wael den iongen ko- Dat hem allen wonderde der dinck. [ninck 11085 Hi stac daer neder ridder endepaerde*; Dat moeste al vallen ter aerde Wat iegen hem quam, te dier* uren En konste^** nieman iegen hem geduren. Des hadden die ander** koninge njjt 11090 Ende trocken** besiden ter tijt, Ende zeiden datsi alle geonneert waren, Mochte hi hem aldus ontvaren, »Ende wy vrome ridders zgn sonderlinge Gemage** ende vriende** onderlinge". 11095 Doe zeide die koninck Ventres**: >Ick leveren** iu saen, zjt seker des, Doet ofte*' levendech nu ontrint, Ende waer** hi doet, so waer geint** Onse orloge ende onse saken, 1 1 100 Ende so mochten wi enen anderen maken'\ »Vaert** an hem!" zeiden die baroene, »Ende hebdy** onsor iet te doene, Wy zullen** iu te hulpe** komen naer". Doe track** die koninck Ventres** daer, 11105 Die een starck ridder* * was ende een groet, Ende wael** geleet, als ick verstoet; Hi was ionck ende wael** geacht, Ende had in siner hant enen scerpen scacht Ende reet in die scaer ter ure 11110 Vasto na den koninge Arture. Ende alsen*' die koninck Artur sach, Keerdi** op hem so hi ierst** mach. Hi hadde enen ongescavenen scacht. Die hem daer te hanl was gebracht 11115 Met enen gebruneerden yser voren**; Hi sloech sjjn paert daer metten sporen* *, Ende reet iegen hem al dat hi inochte. *8toltbeden "weren 'vuer *lude 'manich 'ritter unde peerde "to der •her •wolden *®konde **an. deren **treckeden **Ündegemage **vrende **Neu- trc8 * •leve ene *'oflf **weer *"geend **vart **hebbe gy '*zolen **to bolpe •*treckede **ritter ••wal *'al8 ene **kierde he ••eirst ••vom **mit spom Dat hem allen groet wonder dochte; Sine man ende sine vrient met** ' 11120 Waren om hem'* in anxte**, dat wet. Want si kenden den koninck Ventres**, Dat hi groet ende starck es, Ende baden** alle Gode seer. Dat Hine** hoeden moeste nu meer. 11125 Daer vergaderden si met snlken nyde, Dat die scilde braken*' te dien*' tyde; Entie** koninck Ventres** brackternre Sine glavie opten** koninck Arture; Entie** koninck Artur stacken** so weder 11130 Dor die scouder**, dat hi daer neder Storte, ende hi vil** onder sgn paert** Ende metten** benen opwaert**, Maer hi en was anders gequetset niet. Ende als die koninck Loth dit siet, 11135 Was hi des erre; want hi was Sgn maech, ende oeck ombe das Si hadden twe gesuster beide**; Hi sloech metten sporen* * daer ter stede SJjn ors, ende reet opten* ' koninck Arture, 11140 Die noch doe daer hilt ter ure, Ende hadde sine glavie in der hant. Doe hi dus sach komen gerant Den koninck Loth, reet hi al sine macht, Als die luttel oLtsach sine cracht* * ; 11145 Si vergaderden** met crachte endesta- Sodat beide haer spere** braken *•, [ken** Ende daer deen* * den ander sonde lyden, Vergaderden** si metten** helmen ten** [tydcn Ende metten* * scilden ende metten* *licha- 11150 So anxtlike** ende so sere te samen, [men Dat die koninck Loth ter aerden vil daer* * Ende averecht bleef liggende daernaer ; Maer Artur bleef in den gereide, des geloefb, Maer sere was hi bedwelmet int" hoeft. 11155 Hier wart die vergaderinge groet In beiden siden, want dat conroet, Dat metten ses koningen komen was, Si panden hem doe sere ombe das , Hoe si*' den koninck Loth ter stede 11160 Boscudden moclitcn ende Ventres** mede; ••ined •■omb ene •*aiigestc ••beien ••he ene ■'breken •"to den ••Umie de *«op dnn **9tack ene **dp. sooldenm **v«!l **|)e"t, opwert **iiHt den h9 bede op *'crafft **ver^a:iderden ken, breken •'sper ••die ejn ••mit den ••engestlike ••vel dar •'in dat ••wo he. ••ste- •*ton 128 Ende diegene die met Artnr waren ^ Panden hem oec sere der karen*, Datsise behouden mochten ende vaen; Te desen bescudde, sonder waen, 11165 Wart gequetset menech man. Sovele daden die barone nochtan Ende diegene die met bem waren \ Datsi se' bescudden ende daernare Hermonteerden , heb ick vernomen. 11170 Ende binnen desen* was voerkomen Die koninck Artur ende track* syn swaert Ende voer weder te strydewaert, Ende hem allen docht doen' das , Dat zgn swaert so clare was 11175 Of daer dertich tortisen ontsteken waren ^ ; Ende dit was datselve swaert, twaren, Dat hi wten anebelte trac, Entie* letter die daerinne stont, die sprac : »Dit swaert heet* CaUbumu8'\ 11180 Dat es hebreesch^* ende spreeckt aldus, Ende in Diotsce*' oec hetet** wael'* Dat Versniden mochte stael Ende jser; dit was waer, Als men proeven sal hiemaer. 11185 Doe Artur hadde getogen dat swaert^ ^, Sloech hi enen ridder ter vaert**, Daer die stryt ten meesten was , Sine scouder** af, datsi nadas Verre van den lichame stoet; 11190 Die slach was so overgroet Dat hi doersneet den ridder beide Ende dat paneel van den gereide Ende den rug?e van den pacrde, Sodat si beide vielen ter aerde 11195 Overhoop; ende alle die dat zagen'*, Die tegen hem streden in den dagen Waren gesconfiert ende sere vervaert'* Van den slage, ende vloen achterwaert*^. Doe sloech hi voert haren taer'* 11200 Ende wracht wonder groet daemaer, Ende vellede daer** vele ende sloech doet; Si waren alle in anxste** groet Ende vloen alle vor hem ginder. Daer en** was meerre no** minder 11205 Die siner dorste ontbeiden nu; * weren "keren 'xe se * dessen •treckede •durhte do *weren 'Unde de *hietet *®ebrei8ch **dut8che **heitet **al **swecrt, veert **8cuideren * 'zegen *'Ter?art, achterwart **hier unde daer **er **an- Si makeden*' hem plaetse, seggic in; Ende als die ses koninge sagen" Dat wonder ende die grote slagen, Dat die koninck Artur ie* * lanck so meer 11210 Op hem dade, voeren si seer Tongemake ende droegen groten nyt Opten koninck, ende zeiden ter tijt: »Laet ons alle op hem varen Tenen male** al sonder sparen, 11215 Ende laeten ons ter aerden*' werpen nu , Anders en meesterwi* ' des niet, seggic in". Doe loefden si dat alle ende namen daer Grote scachte, ende reden daemaer Op hem alle met haren scachten, 11220 Ende staken*' op hem met krachten , Op sinen scilt aldaer ter stede Ende op sinen halsberch mede; Maer syn halsberch was so goet, Dat hi haer steken al wederstoet, 11225 Ende Artur was stout in der weer**; Maer si liepen op hem daer so seer. Dat sine ter aerden metten orse**. Velden met krachte inder** porse**, Ende si overreden hem daemaer 11230 Ende bleven op hem houden** daer Ende sloegen hem** herde sere doe. Keye, syn drossate, quam daertoe Ende Antor ende Ulfijn met snelre vaert* *, Ende pongierden alle derwaert** 11235 Hem te bescuddene, seggic iu. Van den ses koningen, diene nu Daer sloegen* * ; maer Eeje quam te hant Ende stack den koninck Anguissant, Die des koninck Arturs neve was, 11240 Ende stacken met siner glavie na das Dor den halsberch in die scouder*' mede Dat hi ter aerden" vil ter stede Van sinen orse al verdovet; Ende Antor stac, des gelovet, 11245 Den koninck Carados op sine borst, Dat dat jser dorgiock sonder vorst Over die syde; hi vil neder daemaer Ende bleef in onmacht liggende daer; Ende Ulfijn entie** koninck Ventres** 11250 Reden met cracht te samen na des. geste **ne **noch **inaken **io **To ene * 'eer- den *'raL*8ti*r wi **8tekea **wer '"orssen, porssen **de **holdene **8logeaene '*vart, derwart "'slo- gen * *de scalder * 'to der erden * * Unde de * * Neutrcs. 124 Sodat si beide ter aerden vallen Ende haer orse op hem met allen. Die koninck Ydier ende Bretel Elck brac s^n speer op ander snel, 11255 Entie* koninck Loth was gerasteert Opten koninck Artur, die hem weert Ende onder hem opter aerden* lach; Daer gaf hem die koninck Loth menegen Opten helm achter hovet , [slach 11260 Dat hine sere heeft verdovet; Alse Keye, die drossate, dit gesach, Dat sijn heer daeronder lach, Datten' die ander so falgierde, lek segge iu , dat hi derwaert pongierde 1 1 265 Ende sloech den koninck Loth sonder bei- Dat hi boech in syn gereide. [den*, Hi sloechen daer so sere na das , Dat hi en wiste waer hi was, Ende hi ter aerden moeste* vallen doe. 11270 Daer qiiamen si in beiden syden toe Elck den sinen te bescuddene daer. Daer wart die stryt groet ende swaer Ende daer bleef doet in beiden siden Menech' mensch in dien' tyden; 11275 Ende Arturs liede daden* so vele daer, Dat sine weder brachten daemaer Op aijn ors, entie* ander mede Hermonteerden daer ter stede Haren here, maer eer si diea* 11280 Toe konsten *° komen, was haer verlies Herde groet; want dat gemene volck al Was op hem komen , groet ende smal, Van der stat met cluppelen , met haken Met glavien, met axen ' * ,met alrehande sa- 1 1 285 Met yseren * * gaffelen ende met bogen, [ken Ende tgeriichte wart groet daer si togen Ënde omberingedense ende sloegense doet. Man ende paert, cleen ende groet, Si en vermeden nieman daer; 11290 Wat hem voren** qnam vorwaer, Wiis dat koninck , was dat ridder mede. Si sloegent** al doet, daer ter stede. Met haren axen* * met haren colven daer; Hem en dorste nieman** komen naer; *Undc de *de erde *Datene *beide *moste •ma- nich 'den 'lade deden 'des "* konden **exen **y8er- nen * ^vor * ^slogent * •neraan * 'dat dede * 'lude * 'den * 'weren se * 'zworen **to hebbene to ''Ëngelsch: f^^i seidai thei êholde never Aopc gladneste till they icvre renged, and fhat fhetj tooide not take of Artur 11295 Het dade'* quaet onder hem komen. Si seggen oec ende hem beromen, Si wilden alle eer bliven doet, Eer si den koninck Artur, cleen no groet, Enege scade lieten doen nu ; 11800 Si sloegen so zere, dat seggic iu. Die ses koninge ende haer liede * '* na dien ' * , Dat si doe alle moesten vlien. Dus waren si** veracamet seer, Ende zwoeren**, datsi nembermeer 11305 Blide en worden noch ander saken [ken, Daeraf en begeerden thebbene ter* * wra- Dan dut hovet van Artur, seggic iu**. Entie** koninck Artur was verwennet nu Ende herde erre om dese dinck mede**, 11810 Ënde reet na hem nu ter stede So verre** vor al sjjn volc, dat hi Den koninck Tdier verhaelde daerby; Doe hief* * hi dat zwaert ende meenden* ^ [dat hoYet Daer ter stede nu hebben geclovet, 11815 Maer syn ors droech hem vorwaert*' So verre**, dat die slach ter vaert Op des koninges Tdier paert quam daer, Ende sloechen den hals af daemaer; Doe viel** ter aerden man ende paert. 11320 Doe worden herde sere vervaert Des koninck Ydiers mage aldaer, Ende meenden dat hi gequetset waer**, Ende keerden weder te bescuddene daer. Doe wart echt die stqjt groet ende swaer 11325 Want sine hadden** gaeme bescut nu; Ende Arturs liede, dat zeggic iu, Haddene gaeme gevangen oec mede. Daer namen** die ses koninge ter stede Van den lieden** scade groet, 11830 Want Artur sloecher vele doet, Ende menech** ore met ainen awaerde Dade hi vallen daer ter aerde**, Sodat hi al bebloedet was mede, Ende syn ors ende scilt** ter stede 11335 Ende alle sine wapene ontrint gehende, Sodat men daer geen teken an en kende ; Maer doch was bescut Tdier, die koninck , hut hit heed. **£ng.: the king Artw that was fiM wrothe. **ünde de **vere ■•hoef '^meende em **vorwcrt *'I)o vel "weer ''ze he hadden ene **uemen '*luden **manich ■*to der eerde **«qn schilt. 125 Ende hermonteert na dien dinck. Dos reden si enwech al gesconfiert; 11340 Die koninck Artur niet en viert, Hl en Yolgede na, ende jagedese daer, Maer si ontvloen hem al vorwaer, Entie^ ses koninge namen scade groet: Sonder die daer bleven doet, 11845 Verloren si al haer* harnaech dier', Dftt daer verbernde an den vier' Sonder dat facelment van goude* Ende van silver, dat men gewonde*. Die koninck Artor hem track' naer 11350 Des daer vele bleef vorwaer. Das wart geindet die scoffeltare; Ka salt gj voert horen ter ore 7an Merljos prophecien ter stede, Ende van den koninck Artor mede. Van Merlyns prophecien, ende hoe hi die* den koninck Artur ontbint 11855 Die historie tellet nn voort: Als die koninck Artur hevet verboert. Dat die ses koninge syn gevloen, Liet hi mjldelike deelen^ doen Dat goet dat hi wan aldaer 11860 By Merljjns rade, wet vorwaer, Ende daemaer reet hi te Caredolwaert*. Doe hi daer qaam , ontboet hi ter vaert* Waer dat hi wiste soodeoiere*, Ende gaf hem cleder ende paerde diere '° 11865 Einde have ende geit derregelike By Merlgns rade myldelikc; Ende zi zwoeren hem na dien' ' dingen Dat zi hem nembermeer af en gingen Omb ene" doet te stervene nn. 11870 Doe Artor, die koninck, seggic iu, Sine liede" getogen hem hadde an, In allen steden, waer hi kan, Met sinen groten gichten'* mede Ende met siner groter** goedertierenhede 11875 Ende met siner ontfermecheit , wet dat. Dat boeck orcondet ons te meneger stat , Dat hi der goedertierensten een was Entie' ontfermhertichste , als iet* ' las , Dien men iergen hadde vonden. ^Unde de *er *ducr, vuer ^golde, gewolde *trcc- kede 'wo ke de ^deilen 'wcrt, vart •soldeniere !• dure **dcn "enen "lude **gifften * •groten '•ick dftt 'Mede ''de **hict ••weert weren **mcde inde *'me »*gevellen ••dingen ••holpen "'sel- it 11880 Hi dade*' vesten na ten stonden Sine borge ende stede , sonder waen ; Als hi dit al hadde gedaen Voer hi te Logres in die** poert, Die* • no heet* • Lonnen, weder ende voert, 11385 Ende gaf daer lieden rente ende lant, Die des waert waren ••, zy io bekant. Ende dit was op Onser Vroowen dach. Die in den September gelach, Dat hi groet hof hilt aldaer; 11390 Ende aldos beiagede hi vorwaer Met vrjen seggen ende dor miede** Datten minden al sine liede*^, Ende datsi hem noit*' af en gingen; Want sint gevielen'* so die dinge** 11395 Dat hi siner liede*' hadde te doene, Ende dat si hem hielpen* •, als helde koene, Als gy hierna wel solt verstaen. Ende als hi so vele hadde gedaen, Datten al sine gemene diet 11400 Lief hadde, doe en liet hi niet, Hi en makede solver'' daer metter" hant Twe hondert ridders* * die waren valiant. ' Ende doe hi al dit hadde gedaen, Ende sine borge ende stede'" sonder waen, 11405 Wel gespiset hadde ende beset, Doe nam hem Merljjn wt, dat wet. Met Ulfine, die s^jn raet was; Doe zeide Merlgn ten koninge na das: >Heer, ie wil io leren hier ter steden 11410 Ende openbaren welck'* z|jn mine seden; Here, in Kortomberlant, deszytvroet, Daer woent" een helech" heremite goet In ener herde woester'* stat; Entie" goede man, wet" dat, 11415 Es mlju grote vrient ter noet, Ende hi bescodde oec van der doet Mine moeder"; doe telde hi al daer Dat siner moeder gesciet" was vorwaer, Hoe mense bemen wonde met vier"; 11420 Oec seidi" hem van koninck Vertegier**, Hoe hine soecken dade verre** Omb sinen torre*', des hi was erre Dat hi brack dor die saken; Doe zeidi*' hem van den tween** draken, ven ••mit der ••ritter '"sine stede '* welck dat '•wonet •'hillich '*woesten "Unde de ••wetct "gescheen '•vuer "segcde he *"Utegier **Ter« *'tocrn *'2egede kc **twca. 126 11425 Daerna seidi^ hem van Ambrosis, Die sint was geheten* na dies* Pandragoen ombe enen drake, Dat hi altoes voerde; dor die Rake Hiet men hem Pandragoen daerby, 11430 Ende te Borgys in Berri Was hem die name gegeven aldaer, Ende was hy gevoedet, wet voerwaer. Daerna teldi^ne, hoe hi te voren zeide Pandragocne ende Uter beide 11435 Van Salesbire den stryt groet, Daer Pandragoen in' bleef doet, Ende hoe dat hi wael was, in allen doene, Met sinen vader Uter- Pand ra goeno , Ende hoe hine liggen dade also wel* 11440 By sgnre moeder te Tintaver, Ende hoe dat hine makede doer desen Of hi die hertoge* hadde gewesen Baer* man; » ende aldus, Herekoninck, Wordy'* gewonnen by desen** dinck". 11445 Hi zeide hem oec al openbaer, Hoe Ulfijn makede die braetlocht daer Ende vrede, ende versoende daer mede Des hertogpn* doet, al daer ter stede; Ende dat syne moeder hadde daer voren 11450 Vgf dochter scone ende verkoren, Entie drie** die hertoge* wan, Entie twe waren* 'van haren iersten* * man Die koninck Loth heefter** ene van des Ende dander hevet die koninck Ven tres* * 11455 Die derde hevet die koninck Oriens, Die vierde hevet die koninck Brandens, Die vader was van Anguisant met*'; Die vgfte suster wonet, dat wet, In enen cloester in ener prayerien, 11460 Daer soe geleert heeft van astronomien ; Entes** koninck Loths wyf hevet sone v, Den enen wan hi an haren** live »An uwer suster, te** Lonnen ter stede, Doe gy sciltknape waret** mede; 11465 Entie outste** van desen viven es** Gawjjn** geheten**, sjjt seker des, Ende hi sal oec die getrouweste** wesen , Die oit** geboren wart vor desen Sinen here , entie** beste in allen sinnen *zegedehe *gehieten ■dus *tcldehe •inne 'wal 'Tin- taniel •hertzoge 'er * •worde gy * *de8ser * * Unde de dre * •weren * *eir8ten * *hevetder * • Neutres * 'med * • Uiide des * •oren **to "weren * * ITnde de oldeate * 'is * *Ga- wan **gchieten **getruveste **ie **ne ^'onUenitse; 11470 Ende dien gy meest snit minnen; Want hl sal iu hogen ende eren overal, Also lange als hi leven sal, Want hi sal sgn , zy iu bekant , Die iu sal winnen doen ia lant 11475 En al uwe barone, dat seggic ia, Want by der ontsienesse**, wetet nu. Van iu ende van hem , heb ick vernomen, Suldy uwer stucken al boven komen, Ende by sulken broeder, dien hi hevet (nu). 11480 Die koninck Oriens, seggic iu, Hevet enen sone, die scone es seer, Ende es Ywen** geheten, Heer, Ende hi pal trecken van dogeden dan Na Gawine, sinen neve, voertan; 11485 Entie koninck Ventres** hevet een kin t. Dat Galescins hetet, als men vint; Dese sullen** iu dienen tet in haer** doet, Gy zultse maken ridders groet Selver*^ metterhant; daerna dan 11490 SuUensi menegen** edelen man, Overmiddes haer geselscap, na desen Iu onderdanich doen wosen, Ende omb iu grote vromechede, SuUensi** iu alle dienen mede. 11495 Oec bander** side, over die zee, In clenc** Bertaengen, min no** mee, Wonen twe koninge, die gebroeder zjjn**, Ende hebben te wive twe gesuster^ * fijn ; Dese twe koninge syn iu man, 11500 Entie outste** heet die koninck Ban Ende es van Bonewick, syt seker des; Die ander heet koninck Bohort van Gan- Dese twe koninge sullen^* na desen [nes. Einder hebben, die sullen** wesen 11505 Some van desen** der besten een** Dien die** sonne oit** besceen; Dese twe gebroeder, verstoet my wel. Hebben enen gebure quaet ende fel. Die van den lande van Deserte es**, 11510 Ende grote scade sal doen na des, Maer hi 'en kanse noch niet bedwingen. Des hi droevech es ombe die dinge. Want die gebroeder sgn so goet Ende so getrouwe in haren moet, Yi^%. for dred« '"Eng : Eu)ein. **Neutre» »*De8*c zolen ■*dren **zelven **manigen "•Solen xe "ande ander • •cleyne • 'norh * 'de ^ebroder sin • *ge§u8tereu * * Unde deoldeste * 'zolen * •dessen **eyn * 'den de **ie ••de- serre ; Eng. : a kinge and wcrreti; doch zie op ▼. 11627 . 127 11515 Dat men in al der werlt niet envonde Beter no getrouwer ter stonde; »Dese wil ick", zeide Merlyn, »Heer, Dat gy te hove ontbiedet nu meer, Datsi komen te Lonnen nu binnen, 11520 Want gy begeeptse sien ende kinnen \ Ende doetse tAlrehelegen misse wesen Te Lonnen; ende voert na desen, Suldy ontbieden oec daeruaer Alle van desen lande daer, 11525 Die in onderdanich willen zyn nu, Datsi hier komen tot iu; Hier sal sulck' ombe dojret komen , Ende sulck* ombe quaet van hem some, Maer die koninck Bohort entie koninck 11530 Dese twe goede getrouwe man, [Ban, Sullen komen ombe getrouwechede ; Maket in dan bekant daermede Ende gevet hem mildeleke iu goet, Heer, Ende biedet hem uwen dienst* seer, 11535 Dan zuUensi^ iu manscap doen na des; Ende als iu hof gesceden es*, So doet hem verstaen daemare, Dat gy te Earmclike wilt varen Toten* koninge Leodeganne nu, 11540 Ende biddet hem dutsi varen met iu; Si zgn' getrouwe stoute baroene, Gy sult haer hebben wael te doene, Eer gy wederkeert* van daer; Ende als gy gekeert* zyt, daemaer 11545 Snit gy haer hier te doene hebben meer, Dan gy te voren dadet oil* eer, Want die baroene van desen rike Sullen willen calengieren gemeenlike Dat lant, dat gy daerin zult komen niet ; 11550 Maer zi en zullen iu geen verdriet Kunnen gcdoen no gescaden mere. Want dese twe koninge zullen dat weren Ende vromeleke helpen iu. Oec wil ick dat gj wetet** nu, 11555 Dat die seden nu zjjn van my Dat ick in bosschen geerne zy; Dit komt my van naturen an. Van den vader die my wan; Want hi en achtede' ' gene geselscap des *xeen nnde kennen *7ulick 'denst *zole ne •§:«- tchicdpn es 'Tot den 'Se zint "kiert» gclci«ïrt 'ie ** weten **achtet **wel **i8 **raoge gy *'dar de» * •zole gy * *iecn ' *ende * 'overen * ®ton hilgen * * «egge 11560 Thebbene die met Gk)de wael*' es; Maer dor sinen wille ben ick daer niet noch- Also gerne als ombe Blasise dan, [tan Die een herde goet man es**. Oec moechdy'* seker sgn des, 11565 Dat gy altoes sult hebben my, Welke tyt dats** iu te doene sy, Ie sal iu altoes sgn bereit; Oec zuldy** my dickewile zien** gedweet In ener ander gedane dan ick ben nu, 11570 Ende dat zal syu waerombe zeggic iu: Ick en wil niet, dat my die liede** al Kinnen als ick iu spreken sal. Oec wil ick dat gy my zweret** hier Ten Heiegen**, als een koninck fier, 11575 Dat gy nembcrmeer segget dinck voert Die gy in hemelecheden van my hoert; Ende sechdy** dat oec vorwaert iet, Gy zult daeraf hebben verdriet". Die koninck zwoer hem also houde**, 11580 Dat hy gene dinge doen en wonde** Die hem letten zouden** of deren Of die hem iergen tegen weren;[scap**daer, Ende Merlyn geloefde hem sine vrient- Ende dat hy embermeer** daernaer, 11585 Dienen hem sonde sonder wanck, Sodat si hem des souden weten danck. Dus wart die vrientscap*^ daer gestade** Beide van helpe ende van rade. Men dreef blyscap groet nadat 11590 Te Lonnen in der goeder** stat Ombe haren niewen** koninck, dor das Dat** hi milde ende goet was; Want si zeiden alle voertan Si en zagen noit** so goeden man; 11595 Ende dit was waer zekerlike, Hi was die beate van aertrike** Entie** koenste entie** mildcste mede. Doe daden** die borger van der stede Ene quinteine rechten*^ daemaer, [daer; 11600 Daer die niewe** ridders op bordeerden Die feeste duerde** achte dage, zeggic iu. Die koninck bleef daer liggende nu Ende bereide hem, daer ter stede Sinen hof te houdene**, ende oec mede gy > "holde, wolde **'.olden **vren9cap **nember- mecr **ge8tede "^goeden ••nuwen **oml)edat ••ne •*ertrike '"ünde de "deden "^richten •*dardc **to holdene. 128 116105 Enwech te varepe na siner fóeste. Hi ODtboet daer mioste* ende meeste, Die lant ochte* goet bilden saen, Dat zljt* van hem quameo^ ootfaen. Zulke qnamen^ daer ende zulke niet; 1 1610 Die daer niet en qnamen^ die koninck ont- Dat zy dat beteren zouden mede , [biet, Alse bi des tgt badde ende stede. Doe sende die koninck Artur Bretelle TUlfine met sinen geselle, 11615 Datsi voeren* ombe den koninck Bau Ende ombe den koninck Bobort voertan. Hi ontboet bem, dor siner mynnen Datsi quamen^ te Lonnen binnen Te sineu bove in Alrebelegen* dage. 11620 Eude Ulfijn ende Bretel, sonder sage, Voeren* zi daer been^ saen na desen, Want si badden daer dicke gewesen, Ende bem gedient ende lieve gedaen By Uter-Pandragoens tyden, sonder waen : 1 1 625 Zi trocken' over die zee ende qnamen daei In clene Bertanien tbant* daemaer, Ende si voeren dor dat lant van Deserre' • Dat nu beet Borges in Berri. [daerby Tien tyden woude die koninck Claudas 11630 An bem dragen, sgt seker das, Enen casteel , die vras koninck Bans'* Dien bi vesten dade tebants** Dor des koninck Claudas wille. Elck woude seggen, lude ende stille, 11635 Dat bi opten** sinen stonde daer, Ende bieraf quam een orlocb zwaer, Ende ombe wat verbode dat Claudas dede. So en liet die koninck Ban ter stede Den casteel niet te vestene** entwint, 11640 Des bem Claudas sere toemede sint; Ende bierombe orlocbden si beide daer Also lange alsi Icveden vorwaer. Niet lang daernaer voer Clandas tbant** Sonder ontseggen in koninck Bans* * lant. 11645 Daer bi ane sere mesdede, Ende dade bem oec grote scade mede Van rove, dat bi nam in den lande, Ende dorpe , die bi bem verbrande , Ende sloecb vele liede** doet ter stede 'mynneste *off *8e dat *quetnen * voren •hil- gen ^hcB •trcckeden Ho hant «•Eng.: ihourg^ the londe that was all wnsfed (Velthcm heeft blijkbaar bet Fransche descrt voor een landsnaam gehouden, xie ook V. 11509) '«Hannes *>to handes " 11650 Ende was sonder ontfermechode ; Maer an den castele, dien * ^ die koninck Ban Vesten dade**, daer en qaam hi niet an ; Want bi en kond^r gene scade gedoen , Daer lagen oppe stonte** baroen 11655 Met selfscoten ende met gesentte; Ende al dat ten storme was natte, Hadde daer die koninck Ban opgedaen ; Daer was een goet man op , sonder waen , Ende een getronwe**, die droesatewas 11660 Van al der borcb, sgt seker das; (iraciaen biet die goede man, Hem hief** een kint die koninck Ban, Sodat hi sgn gevader** es**, Ende dat kint biet men Bannes, 11665 Ombe(dat) die koninck Ban sgn peter* * Sint gevil**, zgt seker das, [was. Dat dit kint, doe hi wart groet, Was een stout ridder** ende een goet, Ende dade** met siner vromechede, 11670 Dat bi bekant wart in meneger** stede, Daer dat boeck af zeggen sal biemaer Gelijck dat bem gesciede vorwaer. Ie swige nu hier voert van desen Ende sal van koninck Banne leaen. Van Merlijns prophecien, dU hi den kanmdc Artur ontbini, 11675 Die aventuer zegget nu voert: Als die koninck Ban bevet verboert Die grote** scade ende scande, Dat Claudas dade in sinen lande, Sonder ontseggen, des was hi erre 1 1680 Ende ontboet sine liede na** ende verre, Ende quam an Claudas na ten tyden, Daer bi waende bemelick lyden , Ende bestreet bem met moede** groet; In den vergaderen bleef menech doet. 11685 Daer wart doen een vreselick etryt. Die geduerde ene lange tgt, Maer in dat inde* * bleef Claudas, dat wet, Gesconfiert, ende sine liede** met, Wnnt daer sloech doet so menech man 11690 Selver** netter hant die koninck Ban, den **va8tene **te hant **lude **den **dcde '•stolte ^'getruwe ** en hoef **gevadder **i8**pade **irevel * •stolt rittcr *^mani|ren * *den mroten * 'wide ^ gevel * •stolt rittcr *^manigen • 'mode * * ende * * Selven. op 129 Datd daer lagen met hopen groet. Doe moeste ylien dor die noet Selver^ die koninck Claudas, Ende moeste daer laten sfja harnas, 11695 Ende sine roef, entie gevane* Moesii' daer laten voertane. Oec was daer getogen bander sjden* Die koninck Bohort in dien tyden In des koninck Claudas lant 11700 Ende haddet yerstoert* ende verbrant, Ende vinck* die hi konde na Ende verdiervet* so sere, zeggic ia, Dat men binnen T^ftien* mylen Haes en hadde vonden ter wijlen, 11705 Daer men inne mochte scalcn met* Dat en waer in kerken, dat wet. Das was die koninck Claudas so mat, Ende so sere yerermet ombe dat. Dat hj in langen tjden daema 11710 En dorste orlogen, als ict'^ versta Op haer** negeen, sg ia bekant. Die boden, die Artor hadde gesant Ten** koninck Banne ende koninck Bo- Daer gy hier voraf hebbet gehoert , [hoert, 11715 Hem hadde na groet wonder das. Dat dit lant so woeste was, Ende waeraf dit gesciet nu waer**. Sy reden doen daer zo naer**, Datsi qaamen te Trebes, 11720 Dat een sterck casteel es; Dit was die casteel, daerombe began lerstwerf** dat orloge tegen koninck Ban. Dese casteel was sterck ende hoge mede ; Eleine**, die koninginne t«r stede, 11725 Was daerinne op dese stont nu, Die scone ende groet was, seggic ia. Die scoenste, die men vant twaren, Ende ionck alse van vijftien* iaren, Ende was niet lanck geleden dan 11730 Datse te** wive nam die koninck Ban ; Ende Bohort, zgn broeder, wet** dat, Hadde onlange oec zgn w^jf gebat , Die ionger was dan Eleyne**, Ende dese vroawe hiet Eveine. 11785 Ende Ul^jn ende Bretel nu quamen** ^Selven *unde de gevangne 'Moste he ^ op ander lyden •versturet 'venck 'verdervededat •vyfFtecn 'niet "•ick dat **er **to *'weer **veer **eir«twerflf **Aleyiie **to '•wetet **quemen, nemen **toenen **weer **broder is **De ene *^nemen * 'motten Te Trebes, ende vrageden daer te* ' samen Na den koninge ; doe seide men hem ter [steden , Dat hi tenen** parlemente waer** gereden Tote Bonewick, daer zgn broeder es**, 11740 Die koninck Bohort, zyt zeker des, Diene** ontboden hevet daer; Doe namen** die boden orlof vorwaer An Eleinen**, der koninginnen; Si sceden van haer met goeder minnen. 11745 Doe voeren zi enwech daemaer Al gewapent, wet** vorwaer, Want daer zi moesten** varen En was niet sekor nu , twaren , Daer zgn vele rovers inne, Grod weet, 11750 Dus was daer te wandeme wreet, Nochtan souder daer** meer zyn. En daden** dese twe koninge fijn. Die koninck Ban entie** co. Bohoert. Dus reden dese** boden voert 11755 Ontrint** wael** vyftien mylen; Daer gemoeten** si terselver wylen Seven ridders**, al zonder sparen**, Die van Claudas' gesolscap waren**, Entie** te Deserte in der** stede 11760 Lagen**, ende wt ende in voeren mede, Ende plagen te bespiene** aldaer Die opten wege voeren daemaer, Ende namen datsi hadden te bant; Maer nu was so verwoestet dat lant, 11765 Datsi vonden te** nemene niet. Want die dorpliede, als men ** daer siet. Waren** in die stede getogen Met al den goede , dat si mogen ; Ende als die seven ridders vernamen** 11770 Die boden, die daer gereden quamen**, Doe zeide die ene ten** ander waert* * : »Siet ginder twe scone paert**, Die gene twe ridders* * ry den , Latewy se hier ons dus ontglyden, 11775 Dat waer** ons allen grote scande. Si en zgn oec niet wt desen lande. Want si en voeren der wapene niet**, Die men hier te dragene pliet**". Doe zeide die ene: »dat duncket my ••solde er dar *^deden **unde de ••dease "•om- trent '^wal ••gcmottcn ••rittcrs **8pam ''weren '*de "legen, I^g.: tAa^ repay reden thourgh the am- tree. "b^peene "te **mer ** vernemen, qaemen **ton *»wort, pert **ritter8 * 'nicht * 'plecht. 17 130 11780 Goede liede, rike ende vrj, i Want zi zijn wel te harnas, Waut haer orse zyn goet ende ras, Si hebben met enen goeden ' heergewesen". Die ander seide: »wat raket ons van d?8en. 1 1 785 Varewy tot hem ende nemen daer saeii Haer paerdt^ ende laetse te voete* gaen'V Doe liet (hi) daer een lopen wt, Ende makede met roepen groet geluet', Ende zeide: vgy heren, hoert! hoert! 11790 Eout^ al stille ende ridet niet voert, Syt* gj nu metten* koninck 13an Gy liet bier iu leven dan, Of zjjt* gy metten* koninck Bohort nn ; Maer z^jt^ gy metten* koninck Claudas nii. 11795 Sone doewy iu gene* sciide, Want wy hoeden hier die pade Enten* wech, ende ombedat moety'* Tolle geven mynen gesellen ende my Ende wet wel : gy selt' * vertollen ter stede 11800 luwe orse ende uwe wapene mede, | Ende te^' voet dan bene gaen; Daer moechdy** des hiermede afstaen; j Dat wy iu niet en doden mede | Ofte vaen alhier ter stede; 11805 Maer gy dunckt'* ons goede liede wesen, Dat wy iu quite laten mettesen'*". Alse ülfijn dengenen roepen hoerde. Keerde hine" ombe metten** woerde, Ende sach waer degene themwaert** reet. 11810 Doe ant worde hi hem wel gereet: »Heer, heer! z^t met gemake, Oy komet noch ty de genoech omb die sake lek en weet niet wie gyzjjt, God weet, Maer gy zjjt van talen wael wreet, 11815 Entie'* ridder moet oevele varen Die ander ridder** roept nare Omb tolle te nemen; want hi en es Gene tolle** sculdech, zyt zeker des; Ende wetet wel, dat ie noit* * tolle en gaf 11820 Ende en geve iu oec niet een kaf Om genen man, dien ick noch zie**, So lange als ick hebbe by my Mgn goede zwaert* "; maer ick wane** dat Ons proeven wilt, of wy daerby [gy 'goden *to vote *Engelseh: Atuxm oom of hem ttnth | te the hotte teith the sporea, and ran crying ^holt *zint •myt den 'zin •egenon *Uude den **motegy **»olt **to *'inoge gy **donket **init deseii ''he ein **niit den **to em wert **(Jnde de * *aiidem ritter 11825 Onse wapene zullen wtdoen nu, Ende onse paerde dus geven in Ombo iu dregen** ende ombe iu tale; Gy en doet niet anders, duncket my wale, Want my duncket , gy en zyt geen man 17830 Die strides begert, maer nochtan Sonder striden ende grote pine En zuldy*' niet hebben onse wapine Noch on^e ors, dat zeg^ic in, Al roepdy** zo vreselick op ons nn, 11835 Gy zult d^n Wiisdom van uwer muten In ene hellinckborse sluten , Want mijn genclle seg^et hier nu, Eer hi tolle E>al geven iu, Hem waer** liever waer** hi blint; 11840 Eutie** oec sulken ridder** mint Die nu tolle eyschet ridders** vry, Verschoven so moet werden hi; [meer Ende kendick iu, ie en minde iu nemmer- Ende gy hebbet oec gedaen, by Onsen Heer, 11845 Grote gecheit nu ter tgt; Ondanck bebdy, wie** gy zgt, Dat gy ridder zJjt ende tolle wilt nemen, Dit zoude negenen** ridder temen**. Doe Bretel hoerde dese woerde, 11850 Die UlBjn hem daer antwoerde, Loech** hi sere ende hadde spel**, Ende oec bequam hem dat berde wel; Entie** ander riep: »tnwen groten lede Hebdy** dit nu gesecht ter stede, 1 1855 Want gy zult** daerombe, tuwen ombaten, Beide iu hovede te pande laten*\ Alse Ul^jn sach, dat hi hem nakede, Ie zegget iu dat hi hem oec makede Gereet te stride , zg in bekant : 11860 Hi nam z^n speer** in die bant, Ende nam den scilt ende deckeden** daer, Hi nam dat ors metten* sporen daernaer , Dat hem die** spere dorwoet Doer die rechter zide** enen voet, 11865 Entie** ridder vil** ter aerde** In ommacht neder van den paerde**, Ende Ul^n track** zgn speer daerwt, Ende zeide ten ridder** overluet: »Nn boert dese martsen wel** * 'genen tollen wen *^zole gy • • hebbe gy we ••zolt **si)er ai ne *a se Xh zweert %% wene *• dm- %% rope gy "•weer "•rittcr, rittert '*zoUle genen '*lachjj;ede **8pil *'t!eckede em ••dat ■ 'inden ^'vel eerde, perde **treokede **to den ritter **wai. 133 12050 Wael ontfang^n, doe vrageden si daernaer Ofsi die twe koninge gerne spraken' ? Doe zeidensi waerombe »ende ombe die2. Zgn wy komen hier in dat lant'\ [saken Doe namen'si se beide by der hant, 12055 Ende leidense in die kamer daemare^ Daer die koninge beide inne waren* ; Ende alsse* die koninge hadde vernomen, Zgn zi beide jegen hem gekomen; Want zi wisten wel te voren, 12060 Datsi njemaer* sonden horen; Ende Leontes zeide oec den koninge nu Wie zi waren*, dat zeggic iu, Ende datai se spreken zouden'. Doe si dit hoerden, also houde' 12065 Liepensi tot hem daernaer, Ende namen'se in hoer* ai me daer, Endt3 hietenae weikomen* wesen; Si daden* *se sitten gaen na desen Op ene coetse by hem , sonder waeo , 12070 Ende vrageden na hare boetscap' ' saen. Daer si nu ombe Bgn komen bloet, »WaDt ten es** niet sonder orber groet Dat gy hier ombe komen zyV'. Doe vrageden voert ter** tgt 12075 Die twe koninge, of die Bertoene** Niet en hebben noch na haren doene Enegen koninck tharen** wille; Wantsi wisten wael. lude ende stille, Van den zwaerde , dat stac opten' * steen 12080 Entie»* dat wttrac** overeen Dat hi haer koninck soude wesen. Doe zeidensi hem na desen Van beginne alle die dinge, Hoe** dat die zes koninge 12085 Hen zetten iegen Artur mede, Ende dat wonder dat Merl^n dede, Entie* * grote vromccheit , sonder waen , Die Artur selve** hadde gedaen. Doe zeidensi haer boetscap daernaer 12090 Dat die koninck Artur openbaer Ombe hem hevet gesent nu: »By Merlgns rade, zeggewy iu, Dat gy te sinen hove zult komen, Want dat sal in sere vromen; * spreken *ande de 'nemen ^damaer, weren *al9e ce •nyemeer ^zolden, holden •or 'wilkome * •deden **b(Kiscap *»en is **to der '*Brituue **to oren '•op den "onde de ** treekede **wo » •■elven 12095 Hi wil iu spreken ombe orber** gproet. Nu nomet te samen uwe genoet Ende laot ons uwe antworde weten saen ; Want gy en moget niet letten, sonder waen; Die tyt es kort, des seker zijt". 12100 Die koninge ant worden doe ter t^t: »Wy hebben orloge gebat groet, Dat ons die koninck Clandas doet, Ende wy hebben anxat**, varewy met iu, Dat die koninck Claudas zoude nu 12105 In onse lant trecken daer nare** Wisti** dat wy hier niet en waren**, Ende zoude ons grote scade** doen dan'\ Die boden zeiden: »by Sinte** Joban, Merlyn ontbiedet iu, ontsiet iu niet, 12110 Dat iu nembermeer scade gesciet, Also lange als gy in den dienste*' z^t Des koninck Artuis nu ter tgt*\ Alse dit die twe koninge hoerden, Hadde hem wonder van den woerden, 12115 Dat Merlyn zoude weten alle die dinge, Die zouden gescien sonderlinge; Ende op dese vorwaerde** loveden si daer Opten** derden dach te treckene naer. Die bodeu dankeden hem sere nu. 12120 Men dade**se ontwapenen, zeggic in, Ende haer orse oec wel te gemake. Die koninck Ban sprac na der saken, Hi en wonde niet* *, dat zi iergen waren , Ter herberge dan met hem, twaren; 12125 Haer wapene ende haer scilde beide** Wareu** sere besieu ter stede; Ende haer speer die bebloedet** waren**, Die twe sciltknapcn hielden, twaren, Daer dene af zeide: »dese twe boden, 12130 Duncket my, hebben geweest in noden, Si en hebben niet geseten stille Vor ener kemenade tharen wille, Want haer scilde ende haer spere Zgn zo bebloedet** in der were", 12135 Doe vrageden hen die koninge daer, Ende beswoerense met ede swaer, Datsi hem zouden zeggen den Qjn, Waeraf haer scilde bebloedet** sgn. Doe telden zi alle die dinge te samen : 1 1 orbar **ange8t * •naren, weren ** wiste he * •gro- ten schaden *'sunte "^denste '■vorwerde **op den ••dede '*wolde nicht ''bede *'bebiodet ** weren. 1S4 12140 Hoe op hen Beven ridders quamen, Die si bestonden; doe telden si voert Ge1{jck gy vor ui hebbet gehoert, So dadensi^ dat hier al nu verdtaen. Doe zeideu die twe koninge saen: 12145 >By mynre trouwen*, gy zjjt wel waert', Dat gy dra^ct scilt ende zwaert*, Dat gy iu boscudUet so wel* Van zeven ondadegen ridders* fel". Men prysedese doe sere iu den hof 12150 Ende gaf hem daer groten lof; Si worden gewiset van menegen daer. Die koninge dadeose wael daernaer Te gemakc van allen dingen, Des si bogerden sonderlinge, 12155 Van eten ende van drinken tnede; Men dade hem grote ere na sede. Die koninge feestierdense sekerlike Die drie* dage doe berde eerlike. Want si konden dat herde waele. 12160 Daer was gedieot in der^ sale Wael* al dengenen die daer waren*; Meu woude** daer jegen nieman pparen** Leonse van Pame ende Phatyn, Die daer byeen geseten zgn, 12165 Daden den boden grote ere nu; Want hier vormals, seggic iu, Haddensi. hem dat dicke gedaen In groet Bertanien**, sondor waen, By (Jter-Pandragoeo algader, 12170 Die was des koniuck Artui-s vader. Ende des derden dages oec daernaer Gereiden hem die twe koninge daer Als tArturs hove waert te vaerne; Si ontboden Leonse van Paerne, 12175 Die haerre beider maech was, Ende Pharine oec, ende oec nadas Den drossate van Bonewyck Entien** van Parne de^geUick, Ende bevalen'* hem haer lant, 12180 Ende hieteu hem mede daer te hant Datsi hem soccocrs'* senden souden'*, Haddenzi des te doene, of zi wouden'*, »Want wy en weten niet na des, Wat ons daer te gesciene es". 'deden se *tronwe 'weert, zweert *wal •ritters •de dre 'den 'wal 'weren *®wolde ' "sparn '*gro- ten Biitanien *'!ïndeden dr. •* bevolen * *zoldfn, wol- den '•ïcndet »'holpc *«hoaen **xole gy *»trecke- J al »*bal »*tot den ■•bodscap »»rin ie ••S« rin. 12185 Hi togede Leonsen een vingerlgn daet : »Dit waerteken", zeide hi daernaer, • Alse wy dit hier senden'* dy nu, So sendet ons soccoers'^ bidden wy iu, Also vele aU wy hebben te doene; 12190 Ende als gy siet den bode'* koene Mot deiieu vingerlyn , gelovet hem daer Al dat hy u sal zegden daernaer". Te detien rade (en) was nieman met hen Dan Leonse van Parnen 12195 Ende Phar^n, suldy'* verstaen. Aise al ha^r orber was gedaen , Trocken si** ende voeren over diesee, Die wint en dade*' hem geen wee, Ende reden over terselver ner. 12200 Nu zwiget hier die aventuer**, Ende sal zf*ggen van Artur na dea. Die te Lonncn noch gebleven es. Hoe die hmhcl** Artur den korunrk^* Ban onJinck*^y ende van enen /(^moye**. Hier zegget die historie twaren: Doe ülfijn ende Bretel gesceden waren** 12205 Van den koningo Artiiei'*, Doe dade*' die kon inck terselver oer* • Sine borge ende sine atede nu Mannen ende spisen , seggic iu , Ende besorgen uiot allen dingen 12210 By Merlijns rade sonderlinge**, Want hi wiste die waerheit al Van den lieden'* groet ende amal, Entie* ' koninck getrouwede*» oec wel»* Merline bet** dan ieman el**. 12215 Doe dese dinck al was gedaen , Quam Merl^o toten** koniuge saen Ende zeide : »hcer koninck , iu boden snel Hebben iu boetscap** gedaen wel, Entie*' koninge alle, heb ie vernomen, 12220 Syo nu in die zee gekomen; Nu gereidet daertoe", zeide Merlgn, »Dat gy dese heren, die so edel zyn. Al eyn zi*' uwe, hier wel ontfaet, Want wetet dat wel ende verstaat: 12225 Si zyn** edeler vele nu ter tp den ze **dede **aventur **koninch **antfenck **eynen tomeye » 'weren * 'Artur *»ur ••zon- derlingen *®ludpn "Unde de "'gctruwcde **wal. 135 Ende haer wjjf , dan gy zgt'*. Dt)e zeide dl»* kooiDck: »Mer](jn, ie bid iu Dat gy ons wyset ende leret nu , Want gy konnet dat bet dan ienech baroen 12230 Ende al dat gy my heet', sal icdoen'\ 12275 Doe zeide Meriyn tot hem na dat: »Gy zult al die Htr.iten van der stat, Al daer si komen zullen, verdecken doen, Ende vrouwen ende jonc vrouwen ende 12235 Ende selve mede jegen varen [))aroen 12280 Met groter gesel.e makeden groet gemals, Dat doende sere daer si liepen na; Ende elc zoude gerne, zegg^c iu, Pr^n beiagen van hen beiden. 12370 Si quamen daer te samene gereiden Metten speren, die scerp** waren**; Die ene stac ten ander, twaren**, Dat die yser dor die scilde braken** Ende optie halsberge dor staken**, 12375 Die berde vast waren ende goet, Daer dat yser op wederstoet; Maer die spere braken** ontwe An zeven sticken ende oec mee, Ende si sentten ende quamen tsamen** 12380 Metten paerden ende metten lichamen, So sere, dat hem dochte daemaer Dat hem die ogen vergingen daer; Entie** orse storten ter aerden na Ende vielen op hem, dat seggic ia, 12385 Ende lagen* * daer lange sonder spreken , Dat bem die herten dochte breken; Ende die se sagen zeiden al bloet, Datsi beide waren doet; Oec zeidenai alle diet** zagen** daer, 12390 Si en zagen*' noit** ioeste so swaer. Doe sloegen zi an beiden zyden derwaert Elck den zinen helpen ter vaert, Doe wart daer onder hen, séggic ia, Menech sper tebroken na; 12395 Al die tornoy vergaderde daer saen, Daer wart menech scone ioest gedaen Ende menech sper tebroken mede; Alsi** ontwe waren, trocken** si ter stede Haer swaert, ende gingen daermede hoa- 1 2400 Daer wart menech sere te* *bloawen. [wen. Daer was een ridder die Lucas** hiet, Die bottelg^er, die menegen verdriet Met wapenen dade in den tornoy, Cranker vore hadde hem boy**; 12405 Hi was Grifletes neve mede *"gehieten **nemen **de scarp >* weren **8onder tkfmtgh the ootUrte meren * 'breken, steken **to8amcn **legci^ **dedat ■'jtegen **nu **alse ■"treckeden **to •*Lucam; Eng.: Lucas i doch verg. v. 12311 ••onverstaanbaar; het I £ng. heeft : of whom wat moeke ipoken and pfeifsed 137 Die daer grote looste dede*, Lucas sloech daer man ende paert; Wat hi gerakede, moeste ter vaert Die aerde soecken, seggic ia; 12410 Desa wrachte groet wonder nu: Hi sloech hem af helm ende scilde Wie dat tegen hem comen wilde Die moeste verliesen ember iet, Te wonderne daer menech besiet* 12415 Die slage die daer sloech Lucaro. Stcrck was die tomoj , als ick vernam, Rechte bi der' sale ende goet By ener reviere*, die daer stoet, Ende heet die Teemse, zeggic iu; 12420 Daer was onder hem groet geha, Die ene iagede hier, die ander daer; Daer stont die tomoy lange vorwaer Dat men niet konde weten by enen eye , Wie dat best hadde van den tomeye. 12425 Ende binnen desen* syn verkomen Die twe ridders, ende hebben genomen Haer orse ende zijn gerosteert' weder. Die daer so lange lagen neder, Ende zjjn in den tornoy gereden; 12430 Ende Oriflet begonde nu ter steden Met wapenen te wreken so vele, Ende Lucas^, zgn neve , dat wten* spele Die van Bonewick moesten gaen, Want si moesten rumen saen 12435 Den plaen; doe quamen si na des Vierhondert ridders van Logres Ende holpen die van Bonewick, Ende bander*side quam daer oec zekerlick Vierhondert, die alle nu te samen 12440 Die ene tegen die ander quamen; Die ene stack op den ander daer Ende braken'^ haer speer, ende daemaer Trocken** si haer zwaerde naen Ende gingen'* hem daeronder slaen. 12445 Daer was die tornoy so lange durende Ende ember** te meer scurende; Daer wart gedaen menech** geraoet In beiden syden sterck** ende goet. Daer waren ionge ridders vrome seer 12450 Die vele pynden ombe die eer, 'Eog.: that hadde the grete eneountre 'Eng.: that it wat MtrveiUf hi/m io heholde 'den ^enen rivire 'dessen '£ng. horsed. 'Luram 'ut den 'op ander * 'bre- km * ' ireckedcn ' *gerigeii ' -"omber ' *!n;iiiich **8tarrk ' •geweaet "velde er **bri'kcu '•zweren '"trccke- Maer boven hem allen, ick wil qj dat wet, Dade dat Luci^ best ende Griflet. Ende doe dio none was geleden Quam Keyc versch ingereden ; rJ455 Hi hadde onledich jgjeweest** nu, Dat hi niet en konde komen , seggic iu; Hi quam zelf zeste ten tornoye daer Wel gewapent, wet vorwaer; Scilt ombe hals, speer in hant 12460 Quamensi in don tornoy gerant, Ende Keye sloech in haer gemoet Als een valke onder vogelen doet; Elck velder*' twe ter aerden daer. Eer die spei*en braken" daemaer; 12105 Ende als die speren ontwe waren", Trocken" zi haer zwaerde daemare, Ende gingen houwen ende slaen , Ende hebben daer so vele gedaen Dat zise pryseden sere diet** sagen**; 12170 Daer en dedet in al den dagen Nieraan** so wael** alse Keye dede; Wat zoudic*' maken groet onlede, Keye hadde den pr^s alhier, Ende Lucas, die bottelgier, 12475 Ende Griflet, ende de Bloy** Guinas, Ende van der roetsen Maras*^, Ende van den wilden foreste Tirant**. Ende die amoroise Bliant**. Dese ach te ridders hadden den prys 12180 Van dier syden in alre wjjs. Bander*^ syden dadet wel Ladinas, Die van koninck Bannea partie was, Ende Mores, ende van Trebe Gand^n Ende Gracian**, die borchgrave** ^jn 1'M85 Ende Blios van den Kase**^ na des, Ende van Deserte Bliobleres; Dit was sjjn toename** dor das Ombedat hi van daer geboren was; Maer doe dat orlogc ierstwerf began 12190 Tuschen Claudas enten'* koninck Ban, Quam hi te Bonewick in den done Want hi was koninck Bannes sastersone, Entie** koninck Ban haddese gegeven Enen hogen manne , alst es bescreven , 12195 Van Deserte, dat nu heet** Berri; den **dc dat **8egen **ncman '*wal * •solde ick I ^•UBUnfS *^Eng. Iforittf *«BngD*>« ^•ÏMg Behfat ^•()b onder *'Kng. Grassieu •■borchgrcve ''EngAfe i ta castc 'Moname *'ünde den, de ••hietet. 18 138 Ende dit dade', ick segge iu, hl* Ombe en o sine suster , lude ende stille , Die hi so lange hilt tsinen' wille, Dat hi daer een kint an wan, 12500 Daer si af starf, ende voertan Swiget dit ëoeck daer nu af mede; Maer als dat tgt es ende oec stede, Sal men noemen wael^ dit kint. Want groet ridderscap dadet sint; 12505 Maer dit boeck zwiget van al desen, Ende zal voert van den tomoye lesen Ende van dengenen die hadden den prgs : Daer dadet wael Blioblerys, Daer ick af sprac nu ter stonde, 12510 Ende Madanis die blonde* Ende de Bloys Meliades Ende die grote Placides^ Ende Plantalis de Crea Ende Jeeries* ende daerna 12515 Cristofles van der valeyen. Dese waren* van koninck Bans pertyen , Ende Eggeign van den dale Calogrinas van Gorre , also wale , Ende Crifalus ende Elias; 12520 Dese zestiene**, zgt zeker das, Dadent** so wtermaten wale, Datsi die ander wten dale Ende van den plane hadden gedreven Daer die tornoy begonde neven. 12525 Si daden den andren grote porse, Si velleden daer vele van den orse; Want die achte gesellen , daer ie in Hiervor af zeide**, si waren* nu Wtgereden ombe haer helme aldaer 12530 Versettene; want wet vorwaer, Dat zi waren al dorhouwen. Ende doe diegene nu aenscouwen, Dat die hare'* achter gingen Waren* si erre van dien dingen, 12535 Ende namen** stercke speer ende groet, Ende reden daer in dat conroet, Daer die vergaderinge ten meesten was ; Ende Eeye , die drossate , sgt seker das , Hi reet vor alle die ander** daer, 12540 Hi was stout* * ende wael staende vorwaer, *dede he *we *to sincn * nomen wal 'de dar •Eng. Madtfens Ie cretpes 'Eng.: PI. Ie gays 'R^e- doch Eng. Jiroat 'weren '•zestcenc * Meden nes. andem stolt dat '*zegede *'ore ** nemen * 'Eng. duidelijker: yeff he ne h4uide not be so fuU Ende een herde goet ridder mede Yerloea daer mede in elke stede**, Ende in sine geselscap, wet vorwaer. En woude* * nieman* * komen daemaer , 12545 Daer si sochten aventuren. Die des ontgaen mochten ter uren, Wantsi duchten** sine tonge seer, Datsi daeraf mochten hebben onneer. Entie quade*' zede, zonder waen, 12550 Die Keye, die drossate, hadde ontfaeo , Haddi** van siner voedrooeder** nu, Diene zogede , dat s^gic iu ; Want syn vader een goet man was, Ende syn moeder , zy t zeker das , 12555 Was ene herde goede vrouwe Ende herde hovesch ende getrouwe, Ende herde mylde oec mode Luttel sprekende teneger stede; Dus en was hi na hem niet sint, 12560 Maer elc geselle, diene wael kint** Ende sine zede wiste wale, En hielden niet* * van synre tale ; Want men hem dicke seg^n hoerde Dat hi geen arch en hadde in die weerde 12565 Ende in sine tale was oec mede Dicwile grote spellechede, Daer die liede** ombe loechen*' seer; Oec segget dat boeck van hem noch meer Dat hi was in wandelingen 12570 Der bester een in allen dingen. Dit waren meest Keyen manieren. Nu es hi komen, daer hi tomieren Soude, als ie iu seide hier voren; Hi sloech syn ors metten sporen, 12575 Ende ontmoete doe** Ladinas, Die dat herde wel dade vore das, Ende pynde hem sere achter te doene** Die** van Logres, sterck ende koene**; Ende Keye hadde syn speer gerecht** 12580 Ende quam op hem geslagen slecht** , Ende stacken opten** scilt daemaer. Dat syn speer wederstont aldaer; Opten** halsberch, die goet was. Dat ter** aerden vil Ladinas; 12585 Ende met derselver ioesten mede of wordes for kis cvel speche made ksm to he huted, enz. "•wolde **neman * "dochten **ünde dequaden » "hadde he *'vodemoder **kent * 'nicht «•lude *^lachgedcn **ontmole do **done "'de *»kone "gericht, slicht *'0p den »*to der. 139 Gerakede hi daer, terselver stede, Graciane van Trebes, Dat hi s^n ors raemde' na des Ende ter aerden vallen moeste* 12590 7an den paerde, ter eerster ioeste. Doe track* hi z^n swaert ende riep daer Clarence sere al* openbaer; Dat was koninck Arturs teken doe; Ende doe dit diegene sagen* alsoe, 12595 Die ierstwerf* tachter hadden gewesen, Datsi bescut waren' van desen, Die zi meenden hebben gehat verloren Eeerdensi weder sonder toren, Ende liepen sere op diegone' ter steden 12600 Die se te voren so onderdedon, Ende dadent also wel doe , sonder waen , Als^ït in dien dage hadden gedaen. Die ioeste, die Eeye nu daer dede, Sach koninck Ban ende co. Bohort mede, 12605 Ende die koninck Artur al te gader, Ende Antor mede, Eeyen vader; Dese gaven* Eeyen prgs groet, Ende zeiden hi waer een ridder goet Ende een stout ende oec koene. 12610 Ende alse Lucas ^* sach van desen doene , Dat Eeye daer so wol dede. Voer hi hem te helpen mede; Hi horte syn ors met sporen daer, Ende reet in den tornoy daemaer, 12615 Daer die stryt alremeest was; Daer hi qnam ridende in den tas, Stack hi Bliose van Case daer So sere opten scilt vorwaer, Dat hine daer ter aerden stack, 12620 Sodat die^* speer ontwe brack. Doe track** hi sgn swaert ter stede, Daer hi wonder mede dede; Hi sloech daer slage herde groet. Wie dat quam in z^'n gemoet, 12625 Hi moeste lytteken van hem dragen Eer hi ontginck sinen slagen. Die dat zagen prysedene daer, Doe wart die tornoy herde swaer Eer men die drie*' konde bescudden; 12680 Si qnamen toe met groten kudden, *romde 'moste 'treckede *daer * zegen 'eirst- werflf 'bescud weren 'degene 'geven **Lucam **dat **treckede **dedre ** legen * •mosten "'mani- gen *'to den **ze deden * 'de weren * 'besten **mit Ombe hem te helpene die daer lagen* ^j Daer moesten** si menegen** slach ver- Eersise geredden konden. [dragen, Doe quam Griflet te dien*' stonden 12835 Ende sach waer Eeye hadde gestaen, Blioblcris ende met hem saen Twe van sinen gesellen goet, Ende daden** Eeyen grote noet; Want Keye was allene ten tyden, 12640 Ende si** die beste** van horen syden, EndePlacidas nam hem metten helme daer, Ende dadene sere nicken daemaer Tot op sines paerdes hals gedweet. Doe Griflet dit sach, horte hi gereet 12645 Syn ors voert ende stack Blioberise, Enen ridder van hogen pryse. Metten** spere, dat zyn scilt Ontwe brack , ochtet waer* * een vilt ; Dus stack hi hem daer, in die porse, 12650 Dat hi vil van sinen orse, Ende syn speer brack ter steden. Hi toech syn swaert ende sloech daermede Placidase** opten** helm alsoe**. Dat hi opten** orse boech doe**, 12655 Ende hi sloechen** ende wedersloech, Ende dade hem sulck ongevocch. Dat hi van den orse vil*' neder. Doe verhief hem** daer Eeye weder, Ende rechte** hem op ende sach daemaer 12660 Wiene** so wael** bescudde aldaer. Doe sach hi wael** dattet*" Griflet was, Doe dachte hi in sinen moede* * na das, Dat hyt* * hem hoechlick zoude* * lonen , Dat hine** bescudde van dengenen, 12665 Alse hi des stade hadde ende macht. Dus es Eeye wter*' noet gebracht. Ende 'en ge vil** niet lank daemaer, Hi en loende Griflete dit vorwaer, Alse ons dit boeck wael sal tellen; 12670 Ende ombe dit so wordensi gesellen, Ende wart deen den ander** alsokinncnde Ende namaels** herde sere mynnende, Ende bleven gesellen al hoer leven Sonder nembermeer begeven. 12675 Alse Griflet Eeyen bescut hadde hier den **oflf dat weer *• Placidase **op den **also, do **ene "'vel *'verhocflf zich *'richte "we ene **wal **dat dat "mode '^he dat '*iolde *'he ene "ut der "gevel "de een den ander ^''namela. 140 Sach Keye vor hem den ridder fier* Sera varende*, die hem groten jiant Hadde* gedaen aldaer te hant; Hi liep hem op met moede* groet, 12680 Eode Bloechen daer hi vor hem stoet Met Binen swaerdc opten* helm aldaer, Dat men sach dat vier daernaer Wten heiroe springen hoe Toto in die lucht, ende daertoe 12685 Sloech hinc van den helme mede Een groet sticke daer ter* stede; En hadde hi dat zwaert niet verkeert nu , Hi haddene dodet , zpggic iu , Of verraincket^, dat wetic wel*, 12600 Want die slach was groet ende fel. Dat hi neder op die scoiider* ginck Ende dorsneet den halaberch na die dinck Enten** oert van den scilde mede, Dattet** swaert wederstont getede 12695 Op dat grote beeu van den arme daer; Ende diegene vil daer** vorwaer S«»re bloedende** ter aerden neder. Doe wart daer geruchte voert ende weder Onder sine gesellen berde groet; 12700 Want zi meenden dat hi doet Hadde geweest** diene vallen sagen**. Doe quam'en** zine gesellen toeiagen * ' Ombe hem te bescnddene duernaer; Ende Kejen gosellen quamen oec daer. 12705 Doe began daer die tornoy groet, Ende anxtelike** was daer die noet Dengenen, die** lagen onder voet; Want die tornoy boven hem stoet Lange «tont**; des waren si** 12710 Jammerlike vertreden*' daerby Ende ge.slagen, ende geattbleert'* d.icr. Eer zi worden gereddet vorwaer. Entie achte gesellen, als wy dat horen. Die ons dat boeck noemde te vuren, 12715 Doe zi zarren die grote vergaderinge , Voeren zi derwaert sonderlinge; Dit zullenai achte doen** becopen nu Dien si daer ontmoeten , seggie iu , Want zi stakense van den paerden** 12720 En«Je dailense tu melen daer ter aerden** *'le fitter ^'r *varnde 'hadden *myt mode 'op den *tü der 'verinenget *wal * de scholderen **Unde dpii *'dat dat '"dar neder **bIodende 1 « Nochtan warent*^ die beste bander**gide. Si begonden nu te desen tyde Te slane, te bouwene nu meer, Dat des hem allen wonderde seer, 12725 Dat so luttel goede liede** daeran Streden op so menegen man. Dus wart daer vergadert die tornoy al Van beiden syden , groet ende smal , Ende daer was met wapine vele gedaen. 12730 Dus dnerde hi daer wel, sonder waen, Tote vespertyt even sterck Onder die** sale in enen perck. Die drie koninge, die in der** sale Lagen**, ende al dat zagen** wale, 12785 Gingen doe nederwaert, sonder sparen , Ende al die met hem daer waren, Ende saten** op haer paert gemene Ende reden haestelike totten pleine, Daer die tornoy was sterk ende groet, 12740 Si sagen** daer, dat elck hoep Hem tegader** hüt so vaste Datse niet van enen baste En konden gesien** op dat sant, Welck daer hadde die overhant. 12745 Ombedit sceden die drie** koninge daer Den tornoy, ende zeiden daernaer Dat waer** wel tjjt ende mate Dat nion dat toruieren late. Doe scode die tornoy alsoe, 12750 Ende elck voer tsiner herbergen toe, Ende daden hem te gemake saen. Si waren moede*', sonder waen , Entes** en was geen wonder groet , Want sulck was daer in groter noet, 2755 Eer hi wten tornoye** quam, Van quetsinge** dat hi daer nam. Aldns es die tornoy gesceden** daer, Entie** koninge reden daernaer Te Vesper; ende also saen ! 2760 Als die Ve;»per was gedaen , Voeren** si doe te hovewaert, Daer men eten ginck ter vaert , Ende over der tafelen vragedensi Wie van den tornoy die vromeste sy; 12765 Daer wasser gevonden an Artors syden tv so 1 fr geweser sfjien **i|ueuien *'togejngen **eugc9tlike **die legfii daer * •stunt *'9e **vcrtreddet **geaffelgiert dar *• perden **ecrdeji ** weren dat **in diea. **lade den *' legen, xegen *'8eten **to gadder **ge8een •*de dre ■•weer ''mode ■*Unde det **toreneye * • qaettinge * * gescheden * * voren. 141 Ach te die waren te* dien tyden, Gepryset vrome ende koene mede, Daer elck met wapine wonder af dede. Hieraf hilden si lanck parlement 12770 Over etene doe wart gehent, Want men gaf Eeyen den prgs Boven hem allen in alre w^s; Daema Griffie tte den ridder' fier, Daema Lucaue, den bottelgier; 12775 Dese daden dat alrebest, zeggic iu. Daema gingen, die drie koninge nu Entie* aertsbiscop ende Antor te hant Entie* clerck Gwinebant, Dor twe koninge broeder^, volgede naer, 1 2780 Daer die koninck Artur vor ginck daer In enen torre Bcoen* ende waert, Besyden daer ten boemgaerde* waert Op die Teemse, ene grote rivier, Daer volgeden hem twe goede man scier , 12785 Die quaet waren achterbleven; Die koninck Artur giock hem beneven. Dene was Bretel, dander Ulfijn. Die koninck^ sach op dese twe ridder fijn Ende begonste lachene* seer, 12790 Want hem gedachte van wilen eer, Van dat hem Merlgn zeide twaren, Hoe dat si aen hem gerant waren, Daer si sine boetscap daden hiervoren In dat lant van Deserte, als gy moecht ho- 12795 Dat nu Berri geheten es, [ren, Doe si hem bescudden des, Daerse seven ridder bestonden mede. Die koninck^ beswoerse daer ter stede , Datsi hem vertellen souden daernare 12800 Hoe zi opten* wege hadden gevaren. Doe Ulfijn ende Bretel hoerden die woert. Die ene sach opten ander*® voert, Ende begonsten lachene zeer; Doe seide Bretel: > koninck, heer, 12805 Gy wetet dat also wael alse wy Overmiddes Meriyn'\ zeide hy, »Waertoe zouden wy iu dat seggen nu, En hevet dat niet diegene gesecht iu. Die also wel nu hieraf weet 12810 Van al deser dinck dat ondersceet, Alse wy doen?—'' Doe zeide aldaer * weren to *ritter •ünde de * breder •schoen •bom- garden ^koninch *to lachgeDe *op den *®andern ««vreer '*bietet "lestet ^*to zene **zolde zeen Die koninck Ban ende vragede naei^ , Ende zeide: »here, nu secht my saen. Wie hevet iu dit doen verstaen?" 1 2815 Doe seide Artur: » Heer koninck* , dat hevet My gesecht een die wiseste die levet". Doe vrageden** daer die koninck* Ban, Waer nu waer** die wyse man Ende hoe hy hiet; die koninck zeide: 12820 >Hy hetet* * Merl^jn , na myner waerhede, Ende es in ener kameren ende rastet* * hem Oec riet hi my dat ick sende omb iu'\ [nu; Doe bat hem sere die koninck Ban, Ofte hy mochte spreken den wysen man , 1 2825 » Want ick hebbene begeert te ziene * ^ meer Dan enegen man die levet. Heer, Ombe dat wonder dat ick daeraf heb ge- Artur zeide, hi soudene voert [hoert". Doen komen, dat hine zoude zien**; 12830 Doen sende hi Ulfine omb hem mettien**. Ende doe Ulfijn was enwech gegaen , Quam Meriyn tegen hem saen; Doe leidine'* toten koninge daemaer. Merl^n vragede, waerombe hine ontbode 12835 Dat wetic nu wel in mynen moet, [daer; Den koninck Ban haddes* * wonder groet , Dat hi dus wiste alle dinck. Doe zeide Merl^n toten' koninck Vele dat hem gesciet was mede >2840 Ende van sinen wesene daer ter stede. Doe quam voert Gwinebant, Ende vragede Merline daer tehant, Hoe hi dit wiste zonderlinge, Hi vrageden** herde menege** diuge; 1 2845 Want hi was goet clerck ende wael geleert Ende in vele sciencien wael gefundeert ; Ende Merlgn berechte hem , sonder sagen, Van al dat hi hem koude gevragen. Herde lange geduerde daer overeen 12850 Die dispitacie onder hem tween; Sodat Merlijn seide, in al zynenmerck En sach hi noit** so goeden clerck. Noch die so diepe sprac gerede, Noch Blasys, zyn meester, mede. 12855 Doe vragede Gwinebant, zeggic iu, Waerombe hine** meester hete nu? Merl^n zeide: »ick heeten** om desei) '*miidien ^*do leide he ene ^*hadde des ** vragede em *®mauige **ne *^dat he Blasys **hiete ene. 142 Meester, omdat hi hevet gewesen Miner moeder' meester'*. Doe zeide hi mede 12860 Den clerke algader sine kinthede, Gelyck dit boeck voersegget claer. Dus dispiteerdeosi lange daer Met wgsheden* eude met woerden, Dat diegene gerne hoerden, 12865 Die daer waren; ende na desen Lieten zjjt* dispiteren wesen*, Ende worden grote vriende* daer. Doe ginck Merlyn scire* daernaer Daer die twe koninge waren, 12870 Ende zeide aldus te hem daernare: >Gy zyt' goede liede' ende getrouwe* seer, Siet hier den koninck Artur , mynheer, Die in here sonde wesen nu; Oec suldy*' beide, zeggic iu, 12875 Iu lant van hem houden voertan, Ende hi zoude iu oec vor alle man Bescudden , als gy des haddet* * te doene'\ Doe zeiden** daer beide die baroene: »Meriyn, nu tellet ons dan die dinck, 12880 Hoe Artur koninck wart ende krone ont- Ende waerombe datten die baroene [finck, Wederzeiden in allen doene'\ Doe tellede Merl^n algader daer Dat begin endet*' inde daernaer, 12885 Ende hoe hem die baroene saen** xVlle manscap daden, sonder waen, Ende hoe sine** kroenden na das. Dat hem sint herde leet was; Ende hoe zi alle vergaderden*' mede 12890 Tote Earlion in die stede Te half Ogeste, ende hoe hi daer Hem alle gave gaf daernaer, Ende hoe zise wederseiden al bloet, Ende oec onwaert hadden groet, 12895 Dat een also clene*^ man Over hem soude wesen koninck** dan, Ende oec over een so groten rike; Want si meenden alle sekerlike Dat hi Antoers sone hadde gewesen. 12900 Doe vrageden die koninge na desen, Of hi wel seker wiste das, Dat hi Uter-Pandragoens sone was? *moter *wy8heiden * ze dat *we88en •vrende •schire 'sint 'lude •getruwe *®zole gy ** hadden **do8e- geden * *undc dat * * «onder waen * *wo ze ene * 'vergadd. *'cleyncn * •koninck * 'weren **ert8ebi8cop **ze- Doe telde hi algader ende en lietes niet, Hoe die dinge waren** gesciet; 12905 Entie aertsbiscop*' ende ülfijn ^ggen, dat dese dinge waer zgn. »Meriyn'*, zeiden doe** die baroen, »Qy sult ons nu enen eet doen, Dien wy ia seggen sullen**, want wy 12910 Weten wel, dat omb negeen** dinck gy Ons soudet liegen, al mochty winnen Een koninckryke daermede binnen'\ Doe*^ zeide Merlyn: »ick weet welnu Wat gy nu wilt, dat zeggic iu: 12915 Gy wilt, dat ick iu sweer** na dea Dat ie iu zeide, of dat waer es****. Doe zegenden hem die koninge daer Van groten wonder, dat hi vorwaer Hare gedachten*^ wiste also waie*\ 12920 Doe zeide Merlyn na deser** taJe: »Gy heren, ie sal iu dat gerne sweren Morgen, en wildy** des niet ontberen**, Dus scede'* daer dat Parlemint, Die Heren gingen** slapen sint, 12925 Ende Merlyn ende Qwinebant Gingen in ene kamer te hant, Die hem sere onderminden nu; Si spraken** te gader, aeggic ia. Van menegen dingen, weet vorwaer. 12930 Merlyn leerde hem daernaer Menegc scone dinck ende spel** Dat die clerck onthilt doe wel*^. So vele leerdi** hem in der nacht**. Dat hi daer vele wonder mede wracht* * 12935 In grote Bertanien ende oec in dat clene , Dat daer grote tale af ginck gemene, Alse ons dat boeck hierna al, Alse dat tyt es, wael zeggen sal. Des morgens tytlick es gegaen 12940 Merlyn, die koninge te weckene saen, Ende ontdade die venstere*^ daer. Dat die claerheit inquame naer**, Ombe datsi ontwaken souden** daer mede, Ende zi stonden op daer ter stede, 12945 Ende gingen te misse eer iet^* lanck. Die hem die aertsbiscop** sanck. In der kerken , doe die mysse was gedaen geden do **ïolt **geen **Wo **BWocr *«ifl ST Oren gedanken "•dester **wil gy ••schiede '*gengen **8preken "'gpil •*wal * 'leerde he **nachte, wrachte ■'ondede de vinstere **darnaer * 'solden *'icht. A*p-Jk.^aA^teÉ 143 Swoer daer Merlyn ten heiegen' saen, Dat die koninck* Artur waer , God weet , 12950 Des koninck* Uter-Pandragoens Bone ge- | Ende dat hine gewonnen hadde mede [reet An Ygernen terselver stede Op die' nacht, doe des morgens doet Die hertoge bleef, wetet al bloet; 12955 Ende dat hi waer gerecht (heer) oec mede Van al den lande van Logres ter stede. Ende doe die koninge hoerden den eet , Dadensi daer manscap gereet Den koninck* Artur getrouwelike*, 12960 Ende hi ontfinck se herde hoveslike, Ende onderensten hem oec mede. Die koninck* Artur weende ter stede Van groter oetmoet , seggic in ; Daer was grote blyscap nu. 12965 Si gingen in die* sael daemaer, Die tafelen waren gedecket daer; Men ginck* eten daer gereet, Daer wart wael gedient, God weet, Van menegen^ gerechte* vor die Heren 12970 Snverlike ende met groter* eren. Als die tafelen waren opgedaen, Ginck elck, daer hi woude*° gaen; Dansen , reyen , ende ander spele Plach men daer ter feesten vele; 12975 Ende wat elck spelen woude'* daer. Des vant hi genoech vorwaer. Nu Bwiget daventure van desen , Ende sal voert van Merline lesen. Van Merlyns rade, ende hoe hi die hoetscap dade^^ des koninck^ Bans ende des koninck* Bohortes. Dus tellet voert die aventuer**, 12980 Dat Merlyn nam nu ter ner'* Die drie'* koninge ende Bretel Enten aertsbiscop also wer% Ende ülfijn ende Antor ende Eeye met ; Dese'* nam hi tenen'* rade, dat wet; 12985 Doe zeide hi tot hem allen nu: »Ic houde iu vor herde wys, zeggiciu. En vor getrouwe'^ ende herde goet. 'hilgen *koninch *de *getruw. •dat *gen'*k ''manigen *gericbte •groten *°wold« **bode:jcap ! de '*aventar, ur **drc '*wal **des8e '•toeyncn ; *'gctruwe '•selven '•is, gewis •'^alae se *' weren ' Ende ie kenne iu gelycgy selve** doet. Hier es die koninck Artur, die een ionc [man es**, 1 2990 Ende met sinen baroenen, des sijt gewes' * , Es hi nu oevele als gy wael ziet, Ende en willene vor heer kinnen niet, Alsi** sculdech waren*' te doene al; Des suldy doen dat ie iu raden sal, 12995 Ende ie biddes iu dat gyne doet dan. Want ie negenen beteren gedencken kan, Dan ick hier sal geven iu'\ Doe zeidensi alle: »wy willen nu Doen algader dat gy ons raet**". 13000 Hi zeide: >gy heren, nu verstaet: Hier es onse koninck, ende hevet nu Negeen** wyf, dat seggic iu, Ende ick weet wael ene maget rene** Ende ene enege dochter allene**, 18005 Ende haer vader heet** die koninck Leo- Ende hi es een herde out* * man [degan, Ende sonder wyt, ende oec mede Es sine dochter nu ter stede Die scoenste ene van Kerstenhede*^, 13010 Ende oec ene die wiseate mede; Ende si heet** Jenever** die scone, Ende na siner doet blivet haer die krone Ende dat koninckrike vorwaer, Ende hi en*' sal maer leven se ven iaer, 10015 Ende hi hevet soccoers** wael te doene, Ende hi orioget tegen den koninck Rioene, Die van den groten geslechte es. Van den Giganten, syt seker des, Die rike sijn ende machtech zeer, 10020 Ende es dat si winnen, och heer! Dat koninckrike van Carmelyde, Dat komet an uwes landes syde, So wetic** dan wael vorwaer. Dat gy nembermeer, heer, daernaer 10025 Iu lant en hout** voert met geninden, Gy en sult** altoes orloge vinden Also lange als si leven nu. Heer** koninck Artur, dat seggic iu, En daden oec die van der tafelronde, 10030 Die koninck soude onlange stonde Tegen die Giganten hem verweren ; **raed **En geen *''reyne, alleyne *' "'Cristenhede *"hiet '"Eng. Gamwrc '"ne '*wcct ick *'mc holt '*nc solen **hcr. het t M olt *hulpe 144 Daerombe so radic iu, gy heren, Dat gy daer vaert onder iu Alse soiidier* hem dienen nu 13035 Een jaer och te* twe omtrent Totdat gy^met hem egt bekent; Ende gy en sult oec niet lange na desen Daer dienen , gy en sult daer wesen Van hem bet ende waerder* mede 13040 Dan ieman in Bjjn lant^chte* stede; Ende ie weet wael, dat hi den koninck Ar- Bidden sal, dat hi ter uer* [tuer* Sine dochter neme tenen wive daer; Ende als hise gekroent hevet vorwaer, 13045 Sullen dat die Gigante weten saen Ende dan en sullensi, sonder wacn, Niet langer derren* bliven dan Noch in ener halver* dachvaert an*\ Doe antworde Merline die koninck Ban, 13050 Ende zeide: »of wytdus voeren dan^, Wat zoude van onsen lande gescien , Dat wy noch oevele hebben versien , Endo wy hebben herde felle geburen, Die ons oplopen tallen uren, 13055 Ende onse lant woesten ende branden. Oec hevet die koninck Artur thanden Menegen* viant ombe hem geseten Die dit scire souden weten, Dat wy wten lande waren* ; 13060 Oec dochtemy grote dorheit, twaren , Voeren** wy ander lant bescudden nn, Ende* * onse in aventuren lieten, zeggic in'' »Here, here"! zeide Merljn doe, «Gy segget herde wale nu toe; 13065 Maer dat doet goet, achterwaert gaen Ombe vorder te springeoe saen, Ende wetet dat wael : tegen enen pennincl Dien gy hier verliesen sult, heer* * koninck Gy zult** er twe hondert winnen daer; 13070 Ende ie segget iu al openbaer Gyen sult hier verliesen borch noch steen Noch si at noch dorp noch veste negeen* * Ende zult daer winnen een konincrike, Dat bescermen sal ewelike 13075 Dit lant ende verweren al, Also lange als Artur' leven sar'. Doe zeide echt die koninck Ban : .'soldier •'off 'wc«?rder *Artur, iirj*doren •halven 'van dan. •manigen *weren *''vore **Undede * *her **zolet **8tene, negene *^undede **bc»ect *'gehin- 1 ^ »Moriyn, gy zgt wyser daeran Dan wy alle sgn , wetic wal , 13080 Als gy ons radet doewy al, Hiertoe te doene dan wy ons saen Gereiden entie'* dinge anevaen. Nu besiet**, wanneer dat wy Willen trecken". Doe zeide hi: 13085 »Te half vasten fsonder beiden, Ende daer binnen suldy in bereiden, Maer eer gy derwaert vaert , wetet wel , Suldy hebben ene batalie fel Tegen die baroene, seggic iu; 1 3090 Die hem vergaderen* ' al datsi mogen na , Ende met al der macht, die si mogen Verkrigen , znllensi in orlogen Ende gy znlt ontbieden, weetvorwaer. Die gy hebben moget , verre ende naor, 13095 Ende hemelick anldy trecken dan In dat foreest van Bredigan; Ende ontaiet iu niet, want ay** Sullen meer scade hebben dan gy". '•Merlgn'', zeide doe die koninck^Ban, 13100 »Ende of ie ende m^n broeder dan Om soccoers** eenden, zouden si Iet* * te tyde komen ?" — Doe zeide hy : >Ia si, here" — i^Ende wie machse dan Halen?" — zeide doe die koninck Ban. 13105 >Ic sal die boetscap doen", zeide Merlgn, »Ende oec sal ie eer komen agn Dan een ander, dat zeggic iu; Ende oec es dat te doene nu, Want die atrijt aal syn gewisse 13110 Te Santé Marien lechtmyase, In den plane van Bredigan. Ende uwen lieden**, wetet vortan , Staet te ridene dach ende nacht; Oec wetet wael , dat ie hebbe geacht , 13115 Dat ie morgen avent sal weaen Te Gannes". Doe zi hoerden van deaen Dat Merljn zeide daer ter stede , [mede ; Hem wonderdes** sere ende loechen** Si helseden Merline ende daden hem daer 13120 Grote feeate, wet vorwaer. Dua nam Merlyu orlof, aeggic in, Ende zeide hi en hadde wat lette hem nn* ^; »Ontbiedet ridderen ende aerian ten, heer, deren; doch in 't Eng. gedere. **8ic **huliMj *"icht '* laden * 'wonderde des *'lachgeden 'glitteren na; doch in 't Eng. it ü no tyme Umger to tarie. U5 Alflo vele als gy moget^ embenneer, 13125 Ende so gy hemelicst moget^ mede; Ende gy sult doen voeren ter stede Spyse ende vitalie genoech daeran In dat dal van Bredegan. Ende alse die vitalie es komen daer, 13130 So doetse delen* wel naer Al den volke , want ie zegget iu , Daer aal des wel te doene* s^n nn , Gevet hem te vyftien^ dagen spyse Qoet gesouten* vleesch van pryse, 13135 Doet hem dit geven sonder meer daeran , Ende doet hem Eeyen delen* dan Ende Bretelle ende Griflette Ende Ulfine ende Lucam, sonder letten, Dit doet 80 gy hemelekest kont". 13140 Doe heeschede* hi dat vingerlijn terstont, Dat hi hadde an siner hant, »Dat ie dat mach tonen in ia lant Leoncen van Pame, uwen vrient, Ende Phariene, die ia oec dient 14145 Tenen waerteken', datsi nadat My sullen* geloven oec te bat, Als iet hem tonen sal daernaer". Si worden al verscricket daer, Doe sgt* hoerden, ende hen wonderden 13150 Want zi meenden datnieman* " meer [seei , Dit en hadde geweten, zeggic ia, Dan zi twe ende diegene nu Die hi daer noemde, Leoncen ende Pharyn: Dit doch te ^ ' hem dat moeste wonder sgo. 13155 Doe zeide die koninck Artur : »en z^t niet Tonrusten^* van al, dat gyne doen siet , Want (van) al dat men dencket. God weet, Weet hi al dat bi wil gereet'\ Doe zeiden die twe koninge: »nu 13160 So laet dan gewerden met in. Sint dat hy so wgs nu es Ende ons duncket oec wel die waerheit des Dat hi iu boven alle die werelt mint; Gy snit*' des te bet hebben dat gy dat 13165 So sere, dat gy des noch menech werf [kint* ^ Gewaer sult werden als dat iu bederP**\ Doe gaf hem die koninckBan dat viDgerlyTi. Ende doe sciet van daer Merlyn, Ende al dat hi hem dus dede verstaen 'mogen 'deilen 'to done *lo vijflTteen *ge8olten •eyschede 'waerteyken •zolen 'To se dit **neman »Mnchtc »*To onraeten * «zolen »*kent >*bedarff 13170 Van hare* • hemelecheit, heeft hi gedaen Ombedat hi daer mede belagen wille Hoerre** beider vrienscap'^ lude ende Doe voer Merl^jn te Blasise waert [stille. Sinen meester , ende zeidc hem ter vaert 13175 Alle die dinge , groet ende clene'*, Die onder hem gesciet sgn gemene**. Daema telde hi hem, hoe hi sal varen Ene boetscap doen, sonder sparen, In clene Britanien, ende toende hem daer 13180 Dat vingerlgn, ende zeide daernaer Dattet sjn waerteken zoude wesen. Doe screef dat Blasys al na desen, Gelgck dat hem Merlyn zeide; Doe sciet Merlyn, sonder beiden, 13185 Van Blasyse, vroe ende blyde; Ende des anderen dages te primetyde Was hi te Gannes in der stat, Ende zeide Leoncen ende Pharine dat. Dat hem die koninge ontboden nu 13190 >A1 dat ick hier sal s^ggen iu. Dat gy des my sult geloven mede'\ Hi toende hem dat vingerlgn ter stede , Ende doe zi zagen dat vingerlgn, Geloveden zi al der talen fijn 13195 Die hi hem zeide, clene ende groet, Geiyck dat men hem ontboet. Doe zi dit hoerden, ontboden si Alle die liede, sodat zi daerby [naer Vergaderden** vyftien dusentman daer- 13200 Ende wel ge wapent, wetet vorwaer. Dese quamen alle te Bonewick Achte dage vor Kerstesdage sekerlick; Ende Leonce ende Phar^jn mede Setten doe hoede in elke stede 13205 Ende in die borge, die hem goet dochten, Daer si tlant* * mede verweren mochten. Ende hieraf een, hiet Lambeggs, Die stout** was ende hadde groten prgs ; Desen settenzi in die foreeste met 13210 Van Gannes, ombedat hi dat bet Ende stoutlike** hoeden soude** daer, Dan een ander. Hom bat daernaer Phargn, sgn oem, dat hi dat nu Wael hoede. »Geme, oem ! dat zeggic ia; 13215 Ick salt so hoeden, ofdat God wout**, **errc, orre '^vrenscap '•clcine, gcmeyne **8ciede *'vergadderden *»dat lant ** stolt, stoltlike **8ol- den **wilt. 19 u« Dat gy daer gene scade afhebben sout**'. Ende in den foreeste van Bonewick Setten*8i Graciane desgelyck, Den here van der hoger* muer, 13220 Ende bevelen dat hem ter aer. Bi was vrome ende getrouwe* mede, Ende op ten casteel van Trebe Dadensi Gracianes sone scier, Die geheten* wob Banier; 13225 Hi was koninck Bannes pade; Ende beide die koninge na stade Waren in den casteel, z^jt seker das, Ombedat hi van den lande die vaste was. Ende in koninck Bobortes casteel so es 13230 Geset* te hoedene Placides, Leonces neve, die getrouwe* was Ende zeer vrome, zgt seker das, Ende dese casteel biet Mouleer. Aldus besetten* si dat lant eer 13235 Eer zi sceden wouden van daer; Alse dat wel beset* was, daemaer Doe voeren* zi bene, nacht ende dach, Wat dat elck geriden nach, Want die mane scone sceen. 13240 Ende Merlgn voer vor hem alleen. Die dat beer** leide vorwaer Van den quaden nauwen** wege daer Tot dien** daer si doe op quamen**, Daer si alle sceepten** tsamen. 13245 Entie koninck Artur bandersyde Gereide hem sere die wile te stryde; Gelyck dat hem Merl^n beval, So dade hi sine sticken al. Hi ontboet alle diegene nu, 13250 Die hi verbidden mochte, zeggic in. Daer quam daer berde vele ter stede, Ende meer dan hi meende mede. Die van Los^res quamen daer Ombe die grote** gave vorwaer, 13255 Die hem die koninck hadde gegeven; Sulke quamen** hem oec beneven Ombe den koninck te kennen , ende oec Ombe sine doget, die hi dede, [mede Daer si dicke af hebben gehoert. 13260 Ende alsi alle waren komen voert, *zolt * gatten * hogen *getrawe *gehieten 'gesat ^besatten •beaat 'do voren *®her ** nouwen **der8e **quemen **8cepten * •de groten * 'weren **to on **lnde **dede he *'op den **heimel^o **Blogen So waren** daer wel tienduzent man Wel tors*^ ende wapine an, Ende voetliede** en woude hi negene; Ende wagene algemene, 13265 Daer men die spise op voerde alsoe, Dadi** by nachte varen doe Ombedat hem Merl^n hadde geraden, Dat hi dat hemelike soude begaden Tote opten** plaen van Bredegan. 13270 Ende als daer komen waren sine man, In dat foreest, daer dat hemelycst** was, Sloegen** si haer tenten daerin na das, Ende dit plaen was die hemelicste stat , Die men iergen wiste vordat. 13275 Ende alsosi gelogiert nu daer waren**, En konde nieman** geweten twaren, Waer si waren gevaren nu; Ende banderside**, dat zeggic iu , So dade** die koninck Artur een dinck , 13280 Dat hem doe riet Ban, die koninck. Dat Meriyn sere prysde daemaer; Want hi wiste vele openbaer Van orlogene, des riet hi** Den koninck Artur, dat hi daerby 13285 Op alle straten van sinen lande Waerdesliede** zoude setten meneger Waer dat daer ieman dor lede* * [hande: Dat men hem vaen soude ter stede, Ende sendene den koninge nadien. 13290 Dit was, dat** men niet en soude spien* *, Waerhene dat si (gevaren) waren; Oec dade hi verbieden** daemare Dat nieman en zoude in zijn lant Ryden neigen, sy iu becant, 13295 Yor dat Onser Vrouwen dach leden sy Dat men kaersen draget* * , ende daerby Die dat dade, conde men dat geweten nu , Men soudene** ontliven, zeggic iu. Dus hilt hem dut volc stille daer, 13300 Ende hem wonderde sere daemaer Wat dit dieden** mochte doe. Dat die koninck mochte gebieden soe; Ende hierby was sine chivaetsie** So wael verholen in siner pertye , 13305 Dat nieman** en konde geweten twaren. ** weren **nenian **op ander **dede **he **war- dealuden * 'leide * 'ombedat 'Upeen "vorbieden **£og. befoKó that CandelmMse togre pautfd "solde ene '^duden **£ng. chyvachit. 147 Waerhene datsi gevaren waren, Sonder diegene die waren nu Van des koninges rade, eeggic iu. Ka zwiget dit boeck van-desen 13310 Ende sal van den ses koningen lesen, Die waren gesconfiert te Karlioen, Datei met pinen daer ontvloen.' Hoe nu tien koninge ende een herioge den kontnck Artur willen beetryden. Dit boeck eeghet ons nu, twaren, Dat dese koninge erre waren 13315 Omdatsi gesconfiert waren doen^ Van Karlioen datsi ontvloen, Daer si al hoer* hamasch verloren. Des haddensi groten toren*, Datsi nem bermeer worden blyde 13320 Si en haddent gewroken nu ten tyden Opten koninck Artnr, ende oec mede >0p sinen tovenaer die ons dit dede^'. Aldus sciedensi van Earlion nu Gewont ende serecb, zeggic iu; 13325 Some moestensi^ op een leitiere Liggen, daer men se op hene droech scire Ombedatsi waren so gewont. Si voeren* clene dachvaert terstont So lange datsi quamen* daernaer, 13330 In boer lant; daer lagen* si vorwaer So lange datsi genesen waren. Tinde* van der maent daemare Haddensi een groet perlement Tnscben dat lant van Gorre ontrent 13335 Ende dat lant van Scotlant mede; Ende t* perlement indede daer ter stede Sodat elc daer ontbieden soude Sine mage ende sine vriende* boude, Als bise krigen moge beide**, 13840 Entie bi bebbvn moge oec mede; >Ende alse wy alle vergadert zgn ter uer Sullen' *wi varen opten koninck Artuer, Ende sullen*' bem nemen t*lant Of wy sullent** verbemeo tbant**, 13345 Ende wy zallene daerwt veriagen Ondanckes allen sinen magen. *doe *or 'tocm * mosten ze * voren *qiiemen, legen *ten ende 'dat •vrende *'bc(le **8olcn * "zo- len dat "to hant '* wolden, zolden '*lude '*sciede i»to or» «•holde, wlde »»Eng. Norikwales »*ko- Doe namensi dacb, datsi wouden*^ Dat baer liede'* vergaderen souden** In die jegenode , wetet dan , 13350 Onder den casteel van Bredigan. Doe sciet* * onder bem dat perlement , Ende elck ontboet daer sine vrent Ende alle die bi hebben konde; Daer quam die hertoge Escans ter stonde 13355 Van Cambenick wael te hamasch Met ses dusent mannen rasch, Ende wltel tors** ende elck mede fladde een teken gemaket ter stede Van des hertogen wapenealso boude**, 1 3360 Ombedat mense daermede kennen soude * * . Daer quam die koninck oec nades Tradelians van Norgales** Met sesdusent mannen gevaren, Die alle tors** ende gewapent waren, 13366 Ende elck hadde een teken nu Van boers beren wapene, zeggic iu. Dese geselscap was gepryset Herde scone ende sere gewyset. Daema quam die koninck** Brangores 13370 Die van den lande van Oorre es** Met tween* * dusent mannen, die* * waren Wael ende eerlgck gewapent twaren. Daema quam die koninck** Clarioen; Hi brachte daer wael in z^n doen 13375 Twe dusent man gewapent valiant. Die waren van Nortomberlant. Daema quam die koninck** ter stede Van den hondert ridders** mede Die vrome, stout, ende koene** was; 13380 Hi brachte daer wael te harnas Vier**dusent man, als iet** vernam; Daema die koninck Lotb quam Ende brachte van Loenois ene pertye, Ende oec mede van Orcanie**, 13385 Achte dusent man, daer elc af droech Sines heren teken na syn gevoech. Daer quam Earados, die koninck f Van Estragorre, in ware dinck; Syn lant raket** an Orcanie 13390 An dene syde, ende bander** pertye Raket** ant** lant van Norgales; ninck »»i» »*twen »*de **ritter8 «•kone »*Vecr **dat *"Eng. and also the kynge Lofh of Orcamye and Lsonoya wUh m/m mm **reket **ande ander, 148 fti brachte met hem, sijt soker des, Sevenduaent ridders* wel te gereke Van allen dingen sekerleke. 13395 Daema so qiiam Anguissant, Die koninck was in Scotlant, Met sesdusent mannen met gewont*, Die fier waren ende stout* Ende wel gewapent daer ter stede, 13400 Ende hadden haers* heren teken mede. Doe quam die koninck üriea, Die van den lande van Gorre es, Tiendusent man brachti* daemare , Die stout ende wael gewapent waren.* 13405 Daema quam die koninck Ventres*. Die van den lande van Garloth es. Met sesdusent ridders*, die tallen tydeu Haren heren bereit waren in stryden. Entie* koninck Ydier van Comuale 13410 Quam met enen sconen tale, Sesdusent man brachti^ daer. Ende alle dese koninge, wet vorwaer, Swoeren* datsi nembermeer Weder en keren, si en zullen* eer 13415 Artur doden ochte verdriven daemaer Eersi meer keren van daer; Want zi hebben liever te stervene nu Eer si dat lieten, dat zeggic iu. Dat Artur soude regneren in dat lant. 13420 Doe Fenden si spiers*" al te hant, Ombe bespione** waer Artur es**; Maer die die wege hoeden , sjjt seker des , Vingen* *8e alle ende sendense daer Den koninck Artur, diese daernaer 13425 Dade in gevancnesse saen, Dat sint nieman en conde verstaen, Waer si gevaren waren* ^ sint. Entie barone reden ontrint So lange datsi quamen** nu 13430 Tote Bredigan, dat seggic iu, In die jegenode vorwaer. Si lagen** berde blidelike daer, Alse die dat al meenden** te hant Hebben gewonnen, ende senden in t* 'lant 13435 Haer ryders die niet*^ en vonden. Want die beesten ende al t**goetten** [stonden *ri€!** Merlijn met dien van Bonetcick te Logres quam. Hier spreke t die historie des, Dat Merlgn ende Leonces , Entie** droesate van Bonewick, Ende Pharien mede desgelyck , 134(35 So lange reden, datsi quaraen Ter roetsen in Poytau t* •samen. Daer gingensi nu tscepe t«r vaert, Ende voeren die zee nederwaert So zi hemelickest mochten ter uer* ' ; 13470 Si hadden den wint groet ter kuer** Ende zeilden** so lange, datsi quamen In dat bloye Britanien tsamen; Ende waerombe dat doe alsoe hiet mede , Sal ie iu tellen hier ter** stede: 13475 Dat gevil doe Troyen verstoert was, Waren*' daer twe broeder, zgt seker das, Entie** ene met groten scatte ontreet, 8tarken ** ünde dit **guede ""segcn **daniaren **dat dat **gevloecht "steken **datvuer '"dat * "mosten 8e ** Solden ze se * 'ore, er ""luden •*wo ••ünde de ••to *^ur, kur ■•zegelden ••tor * •weren. 149 Die s^n was , ende met hem , God weet, Vele goeder liede', die vrome waren, 13480 Ende qoam in Ëngelant gevaren, Ende dade ene stat daer maken sint, Die geheten was Trinoicint* Dat es te seggene in griecxe* woert Niewe* Troyen, hebbic gehoert, 13485 Ombedatsi van Troyen quamen*; Ende om die ere van sinen name* Dadi* heten Britanien dleint* Ombedat hi Brutus* was gênant. Aldus hietent' * die gone die leefden doe , 13490 Entie stat hieten si ember toe Troyen in Britanien, als ict^' las, Lange na dat Brutns* doet was. Daema gevil sint ter stede. Dat daer was een koninck mede, 13495 Die Logres hiet, die dese stat Sere beterde, ende ombedat Dade hise heten na hem dor des , Ende wart geheten** Logres; Ende dese name duerde haer* ' al bloet 13500 Thent'^ na des koninck'* Arturs doet Ende na der* * heren van der Tafelronde. Ende na alder heren doet ter stonde , Die by Mordrette doet bleven, Alse in hierna wael wert*^ bescreven 13505 Eer dit boec sal nemen inde**, Ende na al dese grote seinde Dat al dese heren bleven doet, So wart in den lande ene sterfte groet Dat men die liede** met hopen vant 13510 In steden**, in dorpen, in dat lant, Die doet waren, ende oec mede, Daer die ene den anderen groef ter stede , Daer bleef hi solver** liggende doet; Ende dese swaer sterfte groet 13515 Qaam van ener quadijr** lucht toe**, Die daer in den lande was aldoe*^; Ende ombe dese grote sterfte mede, So hiet men aldaer doe die stede Bloye in Britanien lange daemare 13520 Ombedat haor** herte serech waren, Ende vol van groten vemoye** *lttde *EDg. the newe Tmye 'grexe ^nenwe *qne- men *name daemare ^dedehe *datl. *Britia8 '*dat '*ick dat '*gehieten **er **weiite **koiimch **der doet der *^wirt **endc **lude * •stede **8cWen **qaaden **to **al8o **er * 'rouwe **orre **gequcs- aet; Eng. for that her herte* and her thoitffhtee were Omde dit so was dat geheten Bloye* Want Bloye is in hoerre*^ tale Rouwe ende seer, verstaet my wale, 13525 Ende van herten gequetset** seer; Ende ombe dese saken so was dat eer Bloye in Britanien geheten**. Nu doet ons voert die historie weten: Die ander prince die van Troyen was 13530 Ende ontvoer, als ie hier vor las. Die hiet Comius**, ende diegene** Was groet, sterck, ende kone, Ende all^ die met hem waren; Hi was van den Giganten, twaren, 13535 Dese arriveerde in een lant Dat hi van hem dade** heten thant**; Ka Comius dade** dat lant heten* ^ Cornuwale, als wy dat weten; Ende ombe thebbene pais ende vrede 13540 Met sinen lieden, so dadi'* mede Daer maken steden** ende borge goet; Ende van desen Comius , als ie verstoet , Ende van sinen geslechte quamen Alle die Gigante tsamen, 13545 Die menech** quaet in Britanien deden, Wantsi menech** werf daerop streden Alse gy hierna wael sult verstaen. Nu wil ie tminer jeesten gaen Van Merlyne, daer ie hier vor af las, 13550 Die noch in der zee was**; Ende die nu te lande z^jn komen Hebben** haer hamasch genomen Ende daden dat torse in malen daer. Want Merlgn seide hem daemaer, 13555 Datsi moesten, sonder sparen**, By nachte ende by dage varen**, Thent^* datsi quamen in die stede, Daer si mochten logieren mede; Ende si daden al dat hem Merljjn hiet , 13560 Si en dorsten daer wederseggen niet. Hi leidese in hemeleke^* wege na Ende verboet hem, dat zeggic iu, Datsi geen geruchte en^* maken. Des vierden dages na dien^* saken 13565 Datsi wten** scepe gingen, so bloy and to hlake for theire frendee **ËDg; Comeut *»degene *»dtrde *nohant»» dedehe •* hieten *• stede * *manich * 'Eng. buf now returneth the tale to Merlm that eometh in the tee and with him bryngeth the tocour, enz. **Unde h. **8pam, **liemelike ^*ne ^*den, at den. vam ^ 'wente 150 Quamensi in waren dingen Op dat plaen van Bredegan, Daei* si vonden Arturs man , Daer men hem grote feeste dode 13570 Ende ere, doe men se kende, mede. Si sloegen tente ende paweloene Ende rasten^ bem na baren doene, Ende daden bem te gemake daer Achte dage, ende rasten' benvorwaer; 13575 Ende hem was spise gcnoeeb gegeven, Datsi vrolike mochten leven. Doe seide Merlyn tot ten* ru warden saen, Die dat heer hadden bevaen: »Gy heren, ie moet nu soecken varen 13580 Die drie koninge, sonder sparen*, Want nieman die boetacap* doen sal. Also wael als ie, hebbic des geval". Doe seide ülfijn in spele ten tj^den: >Wachtet van den heer* bander'syde, 13585 Want ie hebbe horen seggen nu, Datsi berde sero dregen^ iu". »Dat weet ie wael", zeide Merlijn saen , »Maer si en gekrigen mj niet, sonder Oec eest* recht, datsi niy haten seer; [waen. 13590 Want by Gode, onser aller Heer, Sy en hebben negenen so groten viant Noch so 8 waren hier in dat lant, Alse ie hem ben ende sal sjjn, Also lange alsi* den heren m^n, 13595 DenkoninckArturwillenscadenmeerre*': Nu hoedet iu wael , ie biddes iu, heren, Dat gy nieman'*, dat hetic iu,- Wten heer** latet varen nu. Want daer mochte groet scade af komen ; 13600 Des koninges viande , hebbic vernomen , Liggen gelogiert met menegen** man lo der** jcgenode van Bredegan, Ende daer es er sestichdusent op orse al, Ende van den onsen al dat getal 13605 Es maer** vjjfentwintich dusent, twaren; Ombedit moetewy wjjsleke varen, Ende met sinne als te voren, Ochte dat waer al verloren", ülfijn zeide doe: »Here, tes** waer, 13610 Beter es dat daer een ander vaer". >Dat en waer* ' niet", zeide Merlyn. saen, * resten *tot den *8pani *bodscap *her 'op ander 'drouwen 'is dat den her **manigen •alsse »*de ' " mereu * * iieman * * Ut **men **dat is *'weer Ie salse bet leiden sonder waen Ende hemeliker in allen synnen , Dat mense zien** en sal no kinnen**, 13615 Dan ieman anders, dat seggic iu". Doe beval hise te Gode na , Ende es so haesteleke hene gegaan. Dat nieman*" daer en konde verstaen Waer zi hene zjn gevaren; 13620 Zi zegenden hem van wonder, twaren. Doe dade ülfijn dat heer** daer So nauwe hoeden , dat nieman daemaer Wt en ginck niet enen voet; So wael wasset** daer nu beboet. 13625 Dus lagensi daer nu te samen, Datsi van den koningen niet vernamen. Merlijn opten iersten quam Te Logres , daer hi die koninge vernam , Die roiiwech ende onblide waren** 13630 Ombe tlant**, datsi zagen verhaeren** Ende woesten ende bemen mede. Nu es Merlyn komen gerede So hemel ec** onder die koninge daer, Datsi des niet en worden ge waer 13635 Vor dien dat hi vor hem stoet; Doe zeidensi hem van wonder groet, Ende liepen tot hem ende helseden** doe Ende hadden grote blyscap soe, Ende vrageden, hoe hi gevaren hadde nu : 13640 »Herde wael", zeidi, »nu gereidet iu, Eude laet ons ter heer waert varen dan". >Uoe?" zeide doe die koninck Ban, »Zyn onze liede*^ komen?" zeide hi*'. »Merlijn sprac doe: >Here, ja si**, 13645 Ende liggen met des koninck Arturs man In den plane van Bredegan, Ende daer isser vyftiendiisent by getale Entie koninck Artur hevet wale Tien* 'dusent mede. Bander'syde 13650 Syn tien** koninge komen ten stryde Ende een hertoge, ende daeran Syn torse*' wael zestichdusent man". >Nu helpe ons God!" zeide Antor doe , > Want dat spel dunct my ongedeelt alsoe 13655 Ende een ander sorge es daeran: Dat zijn stoute* * ridders ende vrome man". »Ten** roket iu", zeide Merlyn tot hem **scen **noch kenncs »®neman **her **wal waa dat **weren, vcrhern **dat lant **heimelyc *»h. ene »Mude **he, se **tyii ««to ora **8tolte »»En. 151 »By der trouwen, die ie iu schiildech bem Ende Artur, mynen here, ende Blasys met, 13660 Mynen meester*, ie wil dat gy wet, Dat ie by der hnlpe van Gode dan Ende by der konst, die ie noch kan, Sal doen so vele, datni tharen* ouvromen In dat lant hier zijn komen, 13665 Ende hem beter waer, twaren, Datei te* huis bleven waren; Want en esser negene so koene, Hi en sal hebben genoecb te doene Eer hi sceiden sal van my; 13670 Maer ie segget iu oec, dat wy Enen strgt zullen hebben groet Enter^ onser sal bliven doet Also luttel alse tachtentech vorwaer. Enter* hoerre* sal bliven daer 13675 Wael dusent ende hondert mede. Nu bereidct iu volc ter stede. Want wy moeten na den etene ryden : Ende doet mede voeren ten tyden Spise ons allen te* vier dagen , 13680 Ende haestet iu. hier (en) es geen langer Doe si hoerden Merl^jns woert , [dagen''. Bereiden si hem haestleke voert Van al dat hem sal gebreken, Ende dadeut' knapen in malen steken. 13685 Si aten' ende dronken, ende daemaor Vragedensi Merline , of si daer Haer wapene an souden doen nu; »Neen, gy", zeidi*, »ic zegget iu: Si zouden iu te zwaer wesen 13690 Gy en dorret iu van niemanne vresen*. Die iu arch sal doen , zeggic iu , Ie sal iu sulken wcch leiden nu'\ Dus en wapendensi hem niet gint; Ende na den etene gingeusi sint 13695 Ende cleden hem wael, wantet*' was Cout weder, ende gevroren; dordas Dedensi cleder genoech overeen. Het*' was scone entie** mane sceen Ende haerre* * was veertich, als wy dat ho- 13700 Ende Meriyn es nu gereden voren , [ren ; Entie** drie koninge ende Antor mede Volgeden Merline wael gerede. * mester *to oren *to *Undc der *orre •deden dat 'eten 'zegede he 'nemanne vruchten even ^''dat *»Et **nude de **crrc **Eng. upoti a grtat sföda whiche the kynge made hym on to ryd€, to be with Merlgn sat op een ors verheven Dat hen die drie koninge geven 13705 Ombe haer geselscap te werven alsoe**, Hi en hadde des orses met te doene doe HaJdi gewilt, want daer en was Geen ora zoo snel , zijt zeker das , Noch die vogel in der lacht met, 13710 Also hi was, ie wil dat gijt*' wet. Dus reden si dach ende nacht alsoe, So lange dat si quamen** doe In grote wiltnesse, daer rasten*'si Ende makedon vier ende dronken mede, 1 3715 Ende rasten* ' ende sliepen daer ter stede. Alsi** gegeten hadden ende geslapen daer. Nam Merlijn die koninge daernaer Ende Antor , ende leidese daer besyden , Kude zeide tot Artur ten tyden: 13720 »Here, gy zijt noch ionok sekerlike, Ende gy hebbet een groet konincrike Thoudene** nu in uwe hande, Entie** baroene van uwen lande En willen niet dat gy zy t haer* • heer , 13725 Entie** gemene liede** meer Soudent** onwaert hebben mede En dade dat gy te meneger** stede Iu gave hem hebbet gegeven nu; Maer waerdy oit** milde, sobiddiciu, 13730 Dat gy nu gevet mildoliken , Ende laet iu gaven nu so bliken, Datsi alle seggen, groet ende clene, Dat gy die mildeste zyt allene. Die in der werelt es ter stede, 13735 Want gy en moget nergent mede luwe liede bot trecken an iu , Dan met gave, zeggic iu nu. Want gy sult hebben al iu leven Goedes genoech , dat gy moecht** geven, 13740 Hierombe ie sal iu ze^^^gen dor wat: Hier, daer wy z^n , licht die meeste scat Die oit gesien** wart, zeggic iu, Maer gy en zulten niet nemen nu, Vordat gy den strjjt hebbet gewonnen 13745 Des iu God wael sal gonneo, Ende oec nemet waer al sint, Dat gy dat sticke lants*' wael bekint**. him iu company **gy dat '"qucmen * 'resten **A1.sp se **Tü holdcnc *"er "geinenen lude * "Solden dat '*mauiger '^landcs *• bekent. **wcer gy ie '* moget % 6 ie geseeu 152 Als gj daer wilt komen dat gy Niet en verdwalet*". Hi leiden* daerby 13750 Op dat lant, daer lach die Bcat; üi makede hem een teken ter stat. Des hadde den koningen wonder groet Dat Merl^jn wysede daer dat goet. Doe zaten si* op ende reden dan^ 13755 Tote in den plaen van Bredcgan, Daer dadensi des koninges tenten slaeii By enen bome^, sonder waen , Die so vele waters gaf, Dat daer ene grote beke liep af, 13760 So dat des die stat vele te beter was Ende vele genoechliker , z^jt zeker das; Nochtan wassel* herde kout mede, Want doe si lagen daer ter stede Was achte dage vor Onser Vrouwen dach. 13765 Dat men die keersen te dragene plach; Doe si gelogiert waren na der sake, Dadensi hem herde wael te gemake, Ende rasten hem drie* dage mede Ende bereiden hem daer wel ter stede. 13770 Des vierden dage9 quam Merlgn gegaen, Ende zeide hem : »nu es t^t, sonder waen, Dat gy uwe batalie doet ordineren, Ende welck dat z|jn zullen* die heren Diese leiden zullen* ; want wy 13775 Sullen* komen op hem, dat zy Van ons niet* en sullen* weten alsoe; Ende dat sal zyn morgen vroe, Vor den dage, twe uren mede; Want wistensi onze komst gerede, 13780 Si hebben so vele liede** ter uren Wy en mochten vor hem niet geduren ; Ende en hebbet gene sorge nu Si en mogen niet geduren vor iu'*. Doe wapenden hem al die heren 13785 Ende men dade die batalie ordineren , Ende men gaf Eeyen , deii drossate , nu Des koninges Arturs teken**, seggiciu, Dat hjjt soude voeren** in den stryde Want dat was syn recht ten tyden 13790 Entie ierste** batalie haddi** met; Daer was inne Lucas** ende Griflet, Ende van der Etoetsen Maras, *verdwelen * ledede em 'Do zeten ze *van dan *brunnen 'was dat 'dre •zolen, solen •nicht • •lude »*tciken **he dat bolde voren **ünde de eirste '^hadde he **Lucam **de eirsten **vecr **trttwe Ende van Blois Gwinas, Van den wilden foreeste Drahans, 13795 Entie amorose Behans Ende Flandris de Blia; Dese achte ridders, als ie versta, Leiden dierste** batalie met, Daer wasser vier**du8ent ingeset. 13800 Die ander batalie leide Bretel, Die goet ende trouwe* * es, weet ie wel* *, Ende vrome was in eiker stede Entiene** wel** konde gehelpen mede; Daer souder*' vier**du8ent mede s^n. 13805 Die derde scaer*» leide Ul^jn, Die vele wiste van orlogen; Hi was goet, getrouwe* *, ende vermogen ; Ende hier was inne Artur, die koninck , Ende deser was, in vrare dinck, 13810 Vierdusent, ende die ter noet Haren heren getrouwe** waren ter doet; Ende elke scaer** voer allene na das Suverlike enen clenen pas, Ende Merlyn geleidese ende reet voren 13815 Op een goet swart ors verkoren. Daerna ordineerden*^ die koninck Ban Ende Bohort, sgn broeder, haer* * man ; Entie ierste scaer gaven* *si te leidene Pharine, te berechtene* * ende te bereidene, 1 3820 Ende gaven * * hem des koninges tek^n met, Want hi was vrome ende wys , dat wet , Ende seker ende getrouwe* * ende koene* *; Met hem was Ladinas, in dien doene, Ende Mares van Bonewgc, 13825 Ende Caudas van Trebe desgelgc, Ende Blois van Casse ende Graciaen, Ende Blioberis, hebbic verstaan, Ende van Carmosgn Canes, Madian, die blonde, ende Placides, 13830 Ende Meliadus de Blois, die grote, Ende Placalifer van der Benote, ledars die brune ende Cristofeles, Ugel^n van den dale ende Gliales, Galogregans van den lande van Gorre , 13835 Ende Grisalus. Deze waren in porre Ende ander ridder** sovele nadas, Datter* * vierdusent in der batalie was. **wal **Unde de dar em ** solde er ■*8car, sohar '•getruwe * ^ordineerde "'er ••geven *^berichtene ••kone **ritter ''dat daer. 153 Die ander soaer* leide Leonces Van Pame, die w^s ende koene es, 1 3840 Ende daer wasser vierdusent in vermeten Wael bereit ende opgeaeten. Die derde leide koninck Bohort van Gannes Daer der oec vierdusent in es, Tors* ende wael gewapent al. 13845 Die vierde* scaer leiden sal Van Bocewjjc die koninck Ban, Ende hi was een die zekerste man Die stoutste^ entie getrouweste* met Van al sinen heer, dat wet, 13850 Ende in siner batalie waren wel* Vier dusent ridder^ sterck ende snel , Die haren here niet totter doet En zullen begeven dor gene noet. Ende doe si dus bereit waren, 13855 Sgn zi alle enwech gevaren, Also als ie in zeide vor das, Met gemake enen clenen* pas, So lange dat middenacht es geleden; Entie* mane sceen scone ter steden 13860 Maer dat was stille ende scone doe Ende dat vroes sere ember toe, Ende si reden so vele , hebbic vernomen, Datsi by haer viande zgn gekomen Dat sys^* niet en wisten, zeggic in. 13865 Dus latic'' die tale hieraf nu. Want ie moet iu voert bescriven Die dinge, die die Sennen** bedriven, Entie'* van Scotlant waren'* ende van lerlant** Die martderden an der tien ' * koninge lant Hoe die koninck Bamagas ende Magos ende Argoê der tien^* koninge lant branden ende belagen^'', 13870 Die aventure tellet ons das Als die koninck Bamagas Entie koninck Magos Entie koninck Argos Die'* neven waren des koninges met 13875 Van den Sennen' *, die oem was, dat wet, HangySjdien die koninck Uter-Pandragoen 'scar 'To on *de viFrden ^stoltcste 'undedege- tmweste •wal *ritter •clejmen •Unde de *•»€ des * *late icli '*Seynen * 'linde ** weren '*Irlant **t\jn * 'belegen **Unde * 'er land *'vere ** ver- Doet sloech lange vor dit doen. Als gy gehoert hebbet hiervoren; Als dese drie koninge haer lant'* 13880 Hebben gelaten, en zgn te hant Op Artur gevaren, ontboden si Al haer lant verre** ende by, Ende hebben nu vergadert*' wal Sestichdusent man over al 13885 Beide tors ende te voet mede; Ende alle dage, van stede te stede, So merede haer** volck, zeggic iu; Si hadden vele licde te voete** nu. Si voeren in dorpe ende in castele, 13890 Daer si in wonen horde vele; Ende in den steden* *,cleen ende groet. Die si gewinnen mochten al bloet. Si ver8toerden**8e ende wonnen met Al datsi vonden, ende oec wet 13895 Datsi nieman** en spaerden*' ter stede; Manne, wyf, kinder mede Sloegensi doet, gelgc honden; Ende si belagen** in dien** stonden Ene stat, hiet Windeberes**, 13900 Daer al dat volc in gevloen es; Want die stat was groet ende wgt Ende wael geveste t in dier tgt*' Met twe paer muren, seggic iu; Entie* van den lande hadden daer in nu 13905 Ge voert spise, na haer gevoech, Vyf jaer te verteeme genoech ; Ende binnen der stat waren dan Wel dertichdnsent werachtiger man. Die gewapent waren wel**. 13910 Si hadden menech** assent fel Van dengenen , die buten lagen , Ende si en konden ze niet veriagen, Ende si en konden niet gewinnen die stat; Dus lagensi daer vor lange ombe dat, 13915 Tot datse die koninck Artur nadas Verdreef, doe hi versonet was legen die baroene, diene*^ orlogennu. Dus latic dese liggen, seggic iu, Ende sal iu voert van Artur tellen, 13920 Die hemelde voer met sinen geseUen Tote tien koningen, sonder waen. Als ie iu hiervor dade** verstaen. gaddert '*er »*lade to vote ** de stede **ver»tacr- den **neman * ^sparden * 'belegen **den **Gkig. VtMdtlers ' 'der ttjd * >wal * *manioh * 'de ene * *dede. 20 154 Uoe die koninck^ Artur entie korunck^ Ban entU koninck^ Bohort, die elve* baroene scon fierden. Hier vertellet voert die aventuer Van den koninge Artuer, 13925 Van ko. Bohort, van ko. Ban, Doe si dus quamen ende haer man , So en daden die elve' baroene in der nacht Niemanne' doen negene* sciltwacht, £nde waren' g^n liggen slapen, 13930 Beide heren ende oec knapen; Maer dat gelackcde den heren wale, Datsi te samene lagen' al te male [doe, In des konioges ten te van den C. ridders* Si en* hadden van niemanne* hoede daer 13935 Ende doe si ontslapen waren daer, [toe ; Gevil dat koninck Loth daemaer Droemde dat hi sach omtrint Enen* vreeslicken storm ende wint Verheven, zodat hi warp daer neder 13940 Eereken, hasen, wech ende weder*, In siner stat, heet Alberine, Ende na den winde dochtem'* in scine. Dat quam die meeste donre mede. Van al der werlt, zodat ter stede, 13945 Van anxte hem dochte die werelt beven ; Daema , dochte hem, quam daer beneven Een water vloyende zo vreselyck** Dat alle die huse desgel^c*^ Van der stat enwech vloten geheel 13950 Ende van den lieden een groet deel, Ende hi selver** was in anxte mede, Ombe verdrinckene in die stede, Ende dat hi grote pine dogede, twaren, Eer hi van daer konde ontvaren. 13955 Met dat hi dus in anxte lach Metten^* wonder, dat hi sach, Ontspranck hi , ende segendo hem daer, Ende stont op, ende telde'* daemaer Sinen gesellen sinen droem, 13960 Ende bat hem , datsi des namen* * goem. Doe vrageden sine gesellen daemaer. Wanen dat groet^ weder komen waer Entie'* tempeest ende dat oreest; Van den bosche'*, zeide hi, meest ^konineh 'elven *nemanne *gene * weren, legen *ritten *ne 'ejnen *£og. alleen: kawtes amdUepeUt of ehirehet ^'dachten ^'vresljjcli, geiycb **8elven **mit den '^telledet '*nemen '*ande de ^^bntohe 13965 Dochte hem dat weder quam gereet. Doe zeiden die ander: »Gk>d weet, Wy mogen nu wael seker wesen Dat wy costelike na desen Hebben zullen moynesse groet!** 13970 Si gereiden hem met groter spoet Ende weckeden die ridders'* sint, Ende hebbense alombe gesint, Ende bevalen'* hem, datsi vemamen'* Of iergen enege liede qnamen'* 13975 Gewapent, die hem scaden mochten, Dat syt** alombe wael besochten. Doe stondensi op ende wapenden daer Herde wael ende waren daemaer Alombe in dat lant, of si iet*' 13980 Vernamen daer; oeck en letten niet Die elve princen, si en daden mede Haer wapene al an daer ter stede; Ende Merlgn, die dit wiste eer, Dade Arturs liede haesten te** meer, 13985 So dat si quamen ter steden Daer diegene wt waren gereden, Ende ontmoetense ten wtvaren daer, Ende al en** waren si niet wt vorwaer ; Ende doe si sagen dat grote heer** 13990 Wordensi verscricket seer, Die daer quamen gevrapent soe, Ende si vrageden Merlyne doe, Die Yorquam, wie** die liede waren. Merl^n zeide: >ic segget iu, twaren: 13995 Dat zyn des koninges Arturs liede. Die hier komen, ende sine masniede, Ende komen weren hier te hant Die calengieren willen zgn lant, Ende willense doden ochte** vaen'\ 14000 Alse dit diegene hebben verstaen, Keerden * ^si weder ende sloegen met sporen Ende riepen dat men verre mochte horen : » Verraden, verraden! dat zegge wi iu, Gy Heren, gy ridders**, wapent iu nu, 14005 Want noit* * en was des so wael te doene* * Want hier komen die viande koene**. Doe sprancker van den bedde vele daer Die 'eer ten wapine vingen daer naer Dan na haren*' clederen, zeggic ia, ' *de ritter ' 'bevelen , vernemen , qaemen * *se dat »>ieet »Me »»ne »*her "we "offte *»kicrden "■ritter **ne ■•to done, kone **eren. 155 14010 Ende dat quam hem herde wael nu, Want zi vonden haer paerde gereet; Haer knapen hadden gewaket, God weet, Al meest tot des maels, wetet dat, Wantsi hadden haer* feeste gehat; 14015 Want alse die heren z|jn slapen Hebben ierst haer* feeste die knapen, Ende alsi* hoerden roepen^ alsoe » Verraden, verraden!" liepen si toe, Ende leiden haer' gereide, God weet, 14020 Ende holpen haer* heren wapenen gereet. Die op haer* paerde saten ^na dat gone Ende ontreden; maer diegone*. Die op haren bedde lagen* doe Ende op haer coetsen oec alsoe, 14025 8i en konden hem niet soseer Gehaesten , des koninges liede^ waren eer Hem opten* halse, eer si hem konden Gewapenen ende gereiden ten stonden. Oec haddensi een ander noet, 14030 Want Merlgn sende enen wint so groet Op haren hals, dat dacmaer Al haer' tenten moesten vallen daer; Ende daer was so groet nevel mede. Die 80 donker was ter stede, 14085 Dat nieman den ander en konde sien*; Dit was een dinc die te dien Se lette, want si ter stat Niet en konden vergadren** ombdat; Ende als oec die knapen meenden* * daer 14040 Horen heren die helme geven** vorwaei So en kondensise vinden niet. Dns qnamensi in swaer verdriet; Want des koninck Arturs masniede Entes** koninck Bannes liede*^, 14045 Entes** koninck Bohortes mede Quamen** op hem daer ter stede Ende sloegense al doet, wet vorwaer, Diese verhalen mochten daer; Want nieman en weerde* * hem , seggic in. 14050 Entie** elve prinsen wuren na Wtgetogen ten slechten** velde Buten al haren** getelde Ende haren paweloenen** mede. Doe dadensi blasen daer ter stede 14055 Haer* besnnen, ombedatsi wouden *fr 'eirst er 'alzc ze *ïcteii •degene •legen Hade *op den *zeen **vorgaddem * 'menden **ge- geren **Undede8 '*bede ''quemen '•werde "onde Datsi haer liede vergadren** zouden Ende tot hem daer quamen bjdien**. So dadensi oec, die konden ontvlien** Van den vianden, die si nu 14060 Wonden onde dodeden , zeggic iu, Alse degenen, die hem niet Ontfermeden, wat des gesciet. Dus warensi in groter noet, Ende si sloegen** daer so vele doet, 14065 Wael den derden deel , eer zi ten stonden Den claren dach bekennen konden; Ende alsi worden gewaer das Dat haerre** viande so vele was, Gingensi vlien** alle ter vaert**, 14070 Vaste tharen banieren waert**, Daer si die besunen hoerden blasen. Si vloen rechte als liede die rasen, Tote datsi ten tien koningen quamen Die nu waren al te samen 14075 Gerasteert an een wout** An ene rivier, met gewout**. Die clene was. Daer quamen hem toe Wael tors so vele liede' doe, Datter wel twintichdusent was; 14080 Ende twintichdusent, syt seker das, Vloen enwech, sy en wisten waer. Die ene hier, die ander daer; Want si en konden , in gener manieren. Te tjde komen tharen banieren; 14085 Want men volgede hem so snel daemare, Ende so haestelick, datsi alle waren Vervoert ende gesconfiert mede. Dus vloensi tors ende te voet bede Te woudewaert**, dene hier dander daer. 14090 Si dageden haren** scade swaer Ende waren rouwich seer, Datsi verdwaelt* ' waren van haren heer, Ende daer bleeffer wael twintichdusent In den tenten doet ter stede 14095 Ende gewondet, dier** luttel goet mede Sal mogen genesen van der doet. Alse die koninck** Artur dat gesach. Dat elc vlo, al dat hi mach, Wtten** tenten ende lieten se staen, 14100 Doe vragede hi Merline saen Wat hi doen sonde nu meer. de '•slichten '*oren **pawelone «"byeen, ontfleen •■slogen **vleen **vart, wart **wolt, gewolt ••wol- dewert *^verdwolen ■•de dar **koninch •*ut den. 156 Meriyn zeide: »ick zegget iu, heer, Qtj zult varen tenen passé nu Van ener rivieren , zeggic iu ,- 14105 Daer houden si met twintichdusent mede Die daer ontbeiden nu ter stede. Qy snit iegen hemlieden' vechten dan, Entie* koniuck* Bohortende koninck' Ban Sullen komen ten^ foreestewaert 14110 Met haren lieden* met snelre vaert, Ende si en sullen van niemanne* daer Hoede hebben dan van iu, vorwaer. Die si sien sullen vor hem nu, Dan Bullensi vechten iegen in , 14115 Entie* koninck Ban sal komen dan Met groten geruchte slaende an; Ende uwe viande zullen vorwaert* So sere werden vervaert*, Datai hem daoma herde cl ene 14120 Ochte' luttel weren sullen* gemene. Doe zeide die koninck' Artur Merlgn: » Nadat dgn wille dus sal sgn So sullewy* dat doen'\ Dus sciede* daer Die ene van den ander'* vorwaer. 14125 Die koninck Artur voer, sonder waen, Totter'' stede, daer hi saen Die elve prinsen vant alsoe. Die van niemanne meenden'* doe Negeen" onraste hebben gemene, 14130 Dan van den koninc Artur allene; En tien* ontsagense niet vorwaer Al hadder vele meer gewesen daer, Entie' koninck' Ban ende sine liede'^ Voeren totten'* foreeste gerede, 14 1 35 Entie koninck' Artur voer al dat hi mach Daer hi die barone liggen sach; [den'* Ende ülfijn leide sine liede over ener sy- Ende dadese beten ende hem gorden ten [tyden'*, Haer* ^ ors ende haer' ' wapene te recht 14140 Doe saten' *8i op al sonder letten [setten. Ende reden ten passewaert alsoe. Ais Eeye ten passé qnam , reet hi toe In den hoep, entie ander" mede Sloegen'* in al daer ter stede 14145 Tegen Kejen ende vergaderden daer. 'emluden 'undede 'koninch ^to den 'neman *vor- wert, verveert 'offte 'zolen, zolewy •geschiede '•andem "to der "menden '*geen '*luden '•to den "ene tyde, tyde "er •••eten "andern In dat water, weet vorwaer; Daer wart die strgt sterck ende groet, Daer bleven vele liede doet, Ende menech' ' speer ende scilde mede, 14150 Ende halsberge worden daer ter stede Gescoert' ' ende tebroken , zeggic iu , Daer vielen die ridders" in twater nu'^, Entie' scilde entie' speer vorwaer Vielen in dat water daer, 14155 Dat die rivier slucsde daeraf; Menegen slach men daer gaf, Arme, bene", hande sloech men mede Af; zulck wart gewondet ter stede In dat hovet, daer die herne vloet wt; 14160 Daer was van slagen groet geluet. Die rivier wart van bloede roet Van der batalien, die was so groet. Dat die beke, wael twe mylen lanck. Al met bloede was gemanck; 14165 Ende Eeje dade so vele daer In den stryde, dat hi daemaer Met des koninges teken dorbrack den str^t Ende reet doer hem allen ter tgt, Ende hielt so stercklike daer den pas 14170 Ende so vromelike, zgt zeker das. Dat al Arturs liede ter uren Quamen'*, al wart dat hem te sure'^. Als die hertoge Escans van Cambenic Entie' Uen" koninge des geljc 14175 Sagen' •, dat so luttel goeder liede daer Hem so grote scande daden vorwaer, Ende datter maer vier"du8ent was. Si scameden hem so sere das, Ende haddens in hoeren '• herten groet 14180 Doe wordensi verbolgen soseer [onneer, Ende sloegen' • met sporen daer ten tjden Ende vergaderden in hem met groten nyde ; Ende Eeje ende sijn geselscap mede Hielden hem daer in eender*" stede 14185 So vaste, dat nieman" hem aldaer En konde dorbreken, wet vorwaer; Maer swaerlike stont hem dat sere nu : En hadde Bretel gedaen, zeggic iu, Si hadden achterwaert moeten*' gaen; 14190 Maer Bretel sloech over den pas saen '•seten "manich **ge8«)rt "vellen derieter **xcg ick iu »*beyne '•quemen, segen "tyn ••men veer ••oren ••tlogen "'een ter •'nemaa ••moten. 157 Met 80 groten genichte ter wile, Men mochtet' gehoert hebben ene mjle Dat kraken* van den sporen daer. Daer wart batalie berde swaer, 14195 Daer wart menech' slach geslagen Ende menecb' van den orse gedragen; Daer worden geslagen slage groet, Daer bleef menech' ridder^ doet , Dat scade was berde seer; 14200 En badde gedaen Artur, die beer, Eeye ende sine gesellen badden nu Tacbter* gegaen, dat zeggic in; Maer Artur, die koninck*, ende UlQjn Qaamen* daerin, alse ridder fijn, 14205 Daer si sere waren getroestet mede. Artur sacb wael daer ter stede, Dat sine liede tacbter* waren daer, Ende Griflet lacb ter aerden vorwaer Want een ridder^ badde in der noet 14210 Sgn ors onder bem gesteken doet, Ende bi was te voet , ende sgn sweert Haddi* in der bant , daer bi bem mede So koenlike ende so sere, dat wet, [weert* Dat nieman s^jns slages ontbeide daer met; 14215 Ende UlfiJD die dit algader sacb Sloecb met sporen, al dat bi macb, In die vergaderinge* *, daer dander ter stc- Ombe bem te vane grote pine deden, [den Hi bescuddene daer ene lange wile 14220 Daer wart sgn ors terselver wile Onder bem gestekeu doet; Des was hi erre ende metter'^ spoet Spranek bi op ende track ^ * s^n sweert' ', Daer bi bem mede stoutelike'^ weert"; 14225 Ende bi ende Griflet, wet vorwaer, Weerden'* bem so coenlike daer, Dat daer luttel ieman dorste toe komen. Dit hevet dbertoge van Cambenick ver- [nomen Entie** koninck Clarion van Nortbomber- 14230 Ende zgn an bem gerasteert te bant, [lant, Ende pynden hem berde sere daernaer, Ombe die twe te vaene aldaer. Alse Bretel sacb datsi waren te voet Was bi droevech*' in sinen moet, ^modite dat * krachten 'manich ^ritter 'koninch 'qnemeii 'to achter •haddc he •wert ^•▼ergadde- ringe **myt der **treckede **zwert, wert **8tol- telike **werden '*iuide '^drovich '*dede he 14235 Want bi badde berde Uef Ulfine Dat dadi' * bem daer berde wael in scine : Hi nam een speer in die bant Ende reet opten'* bertoge Escant, Op ten'* balsbercb met sulken nyde 1 4240 Dat bi bem twe wonden makede in die syde, Ende dat bloet ran nederwaert Ende bi vil** van den orse ter vaert. Alse dit sacb die koninck Clarioen, Was hi rouwecb ende liet bem doen 14245 Eoen*' scerpen groten scacht, Ende reet doe met groter cracht*' Tot Bretel, want bi daer ter stede Wilt gelden doen dat Bretel dede Don bertoge, dien*' bi afstack daer; 14250 Ende Bretel vorsach dit vorwaer, Ende nam een speer die*^ geheel was, Ende reet themwaert oec nadas; Daer vergaderdensi met sulken nyde Dat baer spere braken** ten tjden, 14255 Ende daer deen den ander** sonde lyden Daer rivelierden si tien*^ tyden Met helmen , met scilden , met lichamen, Dat bem die ogen verkeerden tsamen Entie orse storten onder hem daernaer, 14260 Ende bleven lange liggende daer, Sodat zi en wisten niet, So wat hem (daer) was gesciet, Ende hem allen, die dat sagen** Dochte**, datsi doet lagen**. 14265 Doe sloegen** daer die negen koninge toe Ende daer quamen bem te gemoete doe Ach te ander bander*' syden, Ende si vergaderden fierlick** ten tyden Die ene t^en den andren*' daernaer; 14270 Doe wart afgesteken daer ' Lucas** die bottelgier ende Mares Entie koninck* Brangores Entie koninck* Ydier ende Anguissant Entie koninck* Uriens. Daer began te bant 14275 Die batalie sterck** ende groet. Die lange duerde** in groter noet Ombedat elck'* daer den sinen Gerne bescudde wter** pinen; Daer dede Keye wonder groet. »*op den "vel »»eyncn **krafft "Men **dat ** breken, segen **8ndcren *'to den **dQchte "•legen •*8logen "andem •»4jrlich ■■Lucam •*»torcJi ••darde •*eUch •'ut der. 158 14280 Doe hi Grifleie sach te voet Neven Ulfine, dit vtras hem leet, Hi hielt zgn swaert getogen gereet , Ende hi sach don koninck Ven tres' te hant Die Ulfine dade groten pant 14285 Entienc' geme hadde gevaen, Want hi hadden genomen saen Vaste metten halse, ende gafhemdaer Menegen' slach , maer^ wet et vorwaer Dat hem TJl^jn weerde* seer. 14290 Doe sloech daer Eeje opten heer Sulken slach optcn helm daer, Dat hine bogen* dade daernaer Thent* dat artsoen van den gereide, Doe sloech hi anderwerf, zonder beiden, 14295 Ende derdewerf mede, des gelovet; Doe wart die koninck* so sere verdovet. Datten Ecje nam sonder letten Ende presentierdcn* daer Grifiette, Oec gaf hi hem syn ors mede, 14800 Daer Griflet op spranck ter stede Ondankes sinen viandcn, sonder waen. Doe qnam Eeje an den koninck Loth saen j^nde sloechen met enen trintsone' * mede Dat hine ter aerden vallen dede, 14305 Dat hine sere quetsede doe. [toe Doe quam die koninck* vanden c. ridders Ende bracht in siner geselscap, twaren, Veertich ridders** die wtgelesen vmren Van al dien die hj verkrigen konde; 14310 Doe hi sach den koninck Loth ter stonde Dien Keje af hadde gesteken; Hi seide hi moestet ember** vn*eken Of hi waer luttel pryses waert**. Een eschen speer nam hi ter vaert**, 14315 Ende sat op een groet ors ende snel, Dat horti** voert met sporen wel, Ende reet op Eejen met so groter kracht* * Dat hine neder stac metten scacht, So dat Eeje ter aeiden vil** daer 14820 Herde onsachte, ende daernaer Nam hi dat ors ende gaf dat ter stede Den koninck* Lotte, die daerop sat gerede Ende dankede des hem herde seer, Dat hi hem dade daer die eer. 'Neutres ^onde de ene 'manigen ^mer *werde •bogen 'went op 'Itoninch •prljsentierde ene **Eng. tronchowH **viertich ritter ** omber *• weert, veert »*hiirte he »»krafft *«viel *'»tech '«ritter *»toder 14825 Doe Griflet sach Kejen te voet Ende Lacane, was hi na wel verweet Ende nam een speer ongescaven, Ende liet sgn ors hene draven, Ende stack*' op enen ridder** na das, 14880 Die metten koniuge van den c. ridders was Dat hi ter** aerden vil** aldaer Ende den arm brack**, ende daernaer Bleef hi in onmacht liggende ter stede; Ende Griflet nam dat ors gerede, 14885 Ende gaf dat Keyen, zeggic in, Die des wael te doene hadde nu; Entie* * koninck van den c. ridders mede Entie* * koninck Loth daden daer ter stede Sovele met wapine, datsi daer 14340 Den koninck* Ventres*, wet vorwaer. Brachten op een ors dat was Marets, ende oec na das Brachtensi den koninck Ydire Op Gwinas ors van Blois scire, 14845 Enten** hertoge van Cambenicke Brachtensi oec desghelike Op Drians ors van den wilden foreeste; Ende si brachten, segget die jeeste, Den koninck* Uriens op sines selvesors nu. 14850 Doe si alle vergadert*^ waren, zegic in, Swoeren**si dat si souden** wreken Hoeren lachter**, ocht*' sekerleken Si souden** eer alle bliven doet; Doe sloegensi vaste in dat conroet. 13855 Daer sonde groet scade syn gescief En waer Artur, die koninck, gekomen niet, Diesc herde seer verlichte daer. Ende doe Artur sach daernaer Dat ülfijn stont te voet opter»* eerden 14860 Met enen svraerde, ende hem so verweer^ Dien Griflet bescudde daer ter stede, [de* * Ende Bretel lach op sgn ors mede In aventuren van der doet, Artur hadde een speer groet 14865 Ende sloech in den rinck'* te hant Ende ontmoete den koninck Tradeliant* * Van Norgales, die tegen hom quam. Al versch** noch, als ie vernam, Entie niet geweest hadde in denstrgt. • •vel "'brach ^'unde de *'iuide den ^^vergaddert **8woren, zolden * •laster *'off "'op der ••ver- eerde ••rinch **Tradebftnt (doch zie v. 14404 en verg. 't Eng. Tradelymmt) **vri8ch. 159 14370 Artar reet op hem ter tgt, Ende stacken zo opten^ scilt nadas Ende opten' halsbercb, die niet* en was Vaste genoech, dat hine quetste daer'; Ende metten steke vil hi daernaer 14375 Herde ongemakelike op die eerde, Dat hem herde sere deerde, Ende Arturs speer te sticken brack , Ende ten orsewaert hi die hant stack, Ende nam dat, en gaffel' Ulfine daer, 14380 Ende seide: >lie?e vrient^'' daernaer >Nemet dit ors, dit gevic' iu , Ende pinet ia leet te wreken nu'\ Doe sat ülfijn op ende zeide: »Heer, GK>d moete* ia dancken deser eer'\ 14385 Ende alsi^ daer op geseten was , Reet hi in den strgt na das Ende sloech daer in na die tale. Die met Artur zgn, dadent* daerwale Entiegene nochtan bander sjden* 14390 Eladden noch also vele ten tjden** Liede ten strjde dan Axtar dede. Si qaamen na so vreesljc mede, Entie batalie wart daer so groet, Dat daer menech na bleef doet, 14395 Dat menege vroawe beweende'* seer. Hier dadet so wael Artnr, die heer. Dat sine'* alle kenden eer iet lanc An sinen slagen, zi waren so stranc, Want nieman en* " was daer onder die ge- 14400 Die van koenheden' * was so groet [noet, Dat hi sines slages onibeiden dorste, Bidder, knechte, koninck, no vorste. Doe die koninck metten c. ridders sach Den koninck Tradeliante , die ter aerden 14405 Was hiroawech, want hi hadden lief; [lach Een groet speer hi doe verhief Ende sloech sgn ors , dat was snel , Ende stack Ajitor opten helm so wel. Dat Antor vil** ter aerden na; 14410 Des was erre, dat seggic ia, Die koninck; maer diegene, wetet dat. Namen'* dat ors daer ter stat, Ende gavent** Tradeliante saen. Die daerop meende sitten gaen; 14415 Maer die koninck Artur qaam aldaer, *op den *iiicht "gaf dat *vrent *gevc ich *mote ^alse he *deden dat *op anderside '«tide '^bleff * •lïcweynede *"z« ene *^neman ** konheiden '•▼el Ende Keye, die hem volgede naer, Ende calengierden dat ors te hant. Dat diegene hilt in siner hant. Die Tradeliante stont beneven. 14420 Die koninck Ajrtar hevet hem gegeven Opten scilt enen slach soseer. Dat hine cl o v ede, min no meer. Of dat een loef hadde gewesen; Die slach ginck voert al na desen 14425 Ende gaf hem daer ene grote wonde; Doe ginck die slach neder ter stonde Ende sloech den hals af den paerde ; Doe vielen* 'si beide overhoop ter aerde ; Doe nam Keye dat ors gereit 14480 Dat diegene brachte geleit, Ende gaft** sinen vader, die daer nu Op es geseten, seggic iu, Ende nam een speer ende stac na das Marganore, die drossate was 14435 Des koninges van den C. ridders mede , Ende gerakeden so wael ter stede Dor scilt, dor halsberch, ter scouderen* * in. Dat hi tujmelde**, meer no min. Van den orse averecht alsoe. 14440 Daer nam hi dat ors ende gaffet*' doe Bretelle, die sere tonder was, Ende halp hem op dat ors na das. Doe hi hermooteert was daernaer, Sach hi Lucane voer hem liggen daer , 14445 In den mecBten drange daer neder. Doe keerde** Bretel dat ors weder Daer Griflet over hem hielt met kracht* *, Ende bescudden met siner macht. Doe Bretel sach dat hine daer 14450 So vromelike bescudde vorwaer Prijsde hine sere in dien tyden. Want dergener van der ander sjden, Dier* • was twaelve, die al over hem waren, Nochtan en konden sine alle, twaren, 14455 Niet*' genomen in genen dingen Noch van hem daer iet** gebringen; Ende alse Bretel dese vromecheit sach, Reet hi derwaert al dat hi mach , [daer , Ende sloech den iersten* *, dien hi gemoete 14460 Dat hi hem den helm clovede daernaer Ende thovet** mede toten tanden 1 T nemen * •geven dat '•vellen "•gaf dat **8col- deren **tomelde "'gaff dat ** kierde **mit krafft ••der "'em nicht ••icht ••orsten '"dat hovet. 160 Enen andren eloech hi daer te handen Opten arm, dat hine' dede Op die aerde vallen, daer ter stede, 14465 Metten scilde, sy iu bekant; Den derden sloech hi daer te hant Op die Bconderen*, dat hise hem daer Altemale ontklede vorwaer. Doe Griflet sach daer ter stat 14470 Dat hi soccoers' hadde nadat, Sloech hi enen die syde van den hovede , Dat hi se toten tanden clovede; Diegene vil* af, ende Griflet Nam dat ors doe ongelet 14475 Ende gaf dat Lucam, den bottelgier*, Die daerop sat als een ridder fier*, Die woude sinen toern wreken daer; Hi nam sinen speer ende sloech daemaer Angnissante , den koninck van Scotlant. 14480 Die gerasteert hadde te hant Mares van dor Koetsen, dien hi Menechwerf' overreet, ende daerbi Sloech Lucan dat ors metten* sporen Ende stack hem in den colre voren, 14485 Dat hine quetsede in den hals daemaer, Ende dadene ter aerden vallen daer, So ongemacklick' hi hem sceerde* Want hi hem aldaer frotseerde*. Als Mares sach, dat hi was 14490 Van hem delivercret*", nam hi nadas Dat ors dat Aoguistians hadde gewosen, Ende sloech in den str^t na desen ; Ende hi vant Beliase ende Flandrine, Die neven Angaissant in der pine, 14495 Ende neven** Driante, wetet twaren, Ende beide sine gesellcn waren. Si pynden sere, hoe sise mochten Verlosen, maer daer si*' vochten Was die str^jt so groet ten stonden , 14500 Datsi des niet gedoen en konden; Nochtan vochtensi so seer Datsi namaels met hoere*' weer Beide die heren redden , seggic iu ; Maer dat quam daerby nu, 14505 Dat die koninck Artur moeste varen Bescudden Keyen, die tachter waren, *hcne *8coldcrcn *hulpe *vel •bottelgire, fijr •myt den 'ungemnclich ■scade •In 't Eng alleen: to tont that he fiU to the ertht *°to livereret; Eng. delifvered ** nemen "se **orre ** Ne utres Ende Griflette , die die koninck Yentres* * Entie koninck Loth entie koninck Bran- Entie koninck Ydier hadden daer [gores 1*4510 Van haren paerden geworpen vorwaer; Ende si en hadden niet meer , dat wet , Soccoers** dan Lucam; ende Maret Ende Gwinase ende Driante Ende Flandrine ende Beliante , 14515 Dese hielden den strgt aldaer Tegen die vier** koninge, wet vorwaer, Ende iegen viertich, die met hem waren. Doe quam die koninck Artor daer gevaren Want hi sach wael ter uren 14520 Die sine en hadden niet mogen doren; Doe vergaderdi* ' in hem met groter kracht Ende sloech daerin met suiker macht, Alse of hi een lewe hadde gewesen; Wat hi gerakede mettesen**, 14525 Was dat ors, was dat man, wet vorwaer, Dat moeste die** doet bekoren daer; Ende te desen pongise sloech hi** dan Twintich die beste van den veertich* * man, Die metten koningen waren komen; 14530 Oec wondede hi sere, heb ie vernomen, Den koninck** Lotte opter** stat; Hi dede met wapene so vele na dat, Datsi vlien*^ gingen sonder vorste Ende nieman** z^jns onthelden dorste. 14535 Ende al dese w)ile so was Griflet Ende Eeye gerasteert, dat wet, Ende volgeden den koninge, die vacht nu Alse een verbolgen lewe, seggic iu, Hi en vant den stryt nember so groet, 14540 Hi en dorreetse ende dorcroet; Ende bandei * *syde vachtUl^jn ende Bietel Ende Antor tegen den hcrtoge snel Escante, ende den koninge Tradelian te Ende iegen noch vier** seriante; 14545 Dat was die koninck Clarioen Entie** koninck Carados, die baroen, Entie** koninck van den C. ridders na; Maer die ander en hadden, zeggic iu. Niet lange mogen geduren; 14550 Want die koninge hadden ter** uren Vele liede** ende dadense daer **hulpc **veer * ^vtrgaddcrde he **myt desen **mo8te den *'heer ** viertich **koninch **op der **vleen **neman **op ander * 'tegen den ■*mide ••to der •''ludc. 161 Thent^ op Kejen batalie yorwaer, Daer die koninck* Artur groet wonder Met wapenen , ende hier ter stede [dode 14555 Bleef die volcwgch staende dor das, Want die koninck Artnr selve' daer was, Die so yele dede in dien dagen Dat hem allen wonderde, diet* sagen. En haddc gedaen sine vromechede 14560 Si waren* alle gesconfiert* ter stede, Want dat waren* alle goede ridders^ nu, Die daer tegen hem Tochten , seggicia; Ende oec was dat daer herde* naer, Dat die koninck* Artnr soude* daer 14565 Hebben gehat grote scade** doe. En waer* ^ daer nu niet komen toe [hoert' * Die koninck* Ban entie'* koninck* Bo- Ende Leonce ende Pharien quamen voert Met so groten geruchte mede 14570 Wten'* foreeste, dat daer ter stede Dat wout donrede van luden'* daer. Doe dit die ander yemamen naer Wistensi wel, dat si al bloet Scade** nu souden nemen groet. 14575 Doe togen die hoge liede** ten tyden Besyden der wiltnesse an ene sjde, Ende visierdcn wat si wouden doen. Die koninck Loth zeide: » siet ' * , gy baroen. Wat gy wilt anegaen nu; 14580 Maer ie sal hier bl^'ven, seggic iu, Also lange als ie vinde tween Die met my blyven overeen, Ende sal wreken mine scade'*^ ter stede Ende m^ verdriet, mach ie, mede, 14585 Want ie al verloren hebbe nu meer". Die koninck van den C. ridders prgadene In zynen herte ende zeide doe saen : [seer »Also moet my'* Qod in staden staen, Ie en sal mede doen aldus". 14590 Doe zeide die koninck Caradus, Hi zonde* dat selve doen gerede; Doe seiden dat al die ander mede. [koninck >Nu wil ick iu seggen", zeide Loth die »Dat wi doen sullen met deser dinck: 14595 Die reste van oneen barenen vorwaer Sullen varen an die komen daer, 'Wente *koninch 'selven ^ de dat * weren 'gescnn- feert 'ritter *harde 'solde ^'scaden **weer » »unde de " *Bohort » *ut den ' •Eng. retounde " "hogen laden *'ïeet >*mote mych **holdene, welt *'erre ^^treckeden **lnde * "nemen se ^^nnde den **mit Entie vive zullen hier houden* • bliven Ende tegen dese met stryde kiven, Also lange alsi duren, zeggic iu; 14600 Ende wi sullen varen nu An genen wout* * met twaelfdusent man Entiegene bestaen voertan; Ende achte blive haerre* • hier ten tyden Die tegen dese hier sullen stryden; 14605 Ende wy sullen die ander varen slaen, Datsi dese niet en bestaen Noch ons niet (en) omberingen; Ende wy sullen by desen dingen Min scaden hebben dan of wy 14610 Alle hier bleven". Doe zeidensi Dat dit hem allen dochte goet, Ende trocken** een luttel over voet Ende oversagen haer liede** aldaer. Doe namensi* * den koninck*Loth daernaer 1 4615 Enten* * koninck* metten* * C. ridders mede Enten* ^ koninck* Anguissant ter stede, Enten** koninck Ydier desgel^ck** Enten** hertog^ van Cambenyck** Met twaelfdusent goeder man, 14620 Ende makeden zes batalien daeran, Ende daden in elke batalie mede Twedusent ridders totter** stede, Ende reden also datsi quamen In dat inde** van den bosche te samen 14625 Ende tuschen der rivier** nu ter stat, Daer hem'* koninck* Lot visierde vor dat; Ende dit was oec die beste raet. Dat men doen mochte na dattet* * staet. Want si en hadden negeen anzt** twaren 14630 Dan van dien die'* vor hem waren. Aldus hebben hem nu. God weet. Die zes baroene wael bereet, Entie** vive bleven in der batalie daer, Ende streden tegen Arturs liede vorwaer* * 14635 Met groter kracht**, ende van desen es Een die koninck* Brangores, [tres met, Entie** koninck* üriens, entie** co. Ven- Entie** koninck Clarioen, dat wet, Entie** koninck Tradelian**. 14640 Si' ' hadden met hem achte dasent man ' *; Dese weerden hem alse liede** stout** den ''desgemch, Gambenich "'to der **ende '•ri- ▼eerj Eng. : betwme the wode and the river * 'en * 'dat dat •«genen angest ""den de •*kraflft ■•Tradelians »• He »T TTiRnn • • stolt. SI 162 Ende alse vrome ridders met gewout^ Hier wart die batalie groet , Die toten avende duerde bloet ; 14645 Ende bander'sydequamkoninck'^ Ban, Ende koninck'^ Bohort, ende Leonce Ende Pharien; dese leiden daer [daeran, Dierste" batalie, wet vorwaer; Ende tegen hem quam die koninck' ^Ydier 14650 Dese lieten lopen haer^ orse hier, Ende onderstaken* hem met crachten, Dat men dat kraken van den scachten Hoerde wael ene halve myle; Hier wart so groet terselver wyle 14655 Die strgt ende so anxÜike* mede, Daer blever vele doet ter stede; Maer die koninck'^ Ydier, hi was Achterwaert gedreven *, syt seker das; Want Pharien*, entie met hem waren, 14660 Sconfierdense ; daertoe quam gevaren Anguissant met sinen lieden*, diese daer Sere vertroeste, wetet vorwaer. Doe wart die batalie groet; Phariens liede'* waren in groter noet. 14665 Doe quam Leonce met siner scaren Ende halp Pharien, sonder sparen. Die dat daer nu herde wael dede; Ende doe si qnamen daer ter stede, So en hadden die ander' ^ geen doen 14670 Maer si keerden achterwaert^ ende vloen Toter scaren van Cambenick**, Diese verko veren dade vromelick**. Doe riep die koninck' ^ met groter kracht Sgn teken, ende sloech in die nacht, 14675 Ende dade diegene keren te samen. Die tegen hem gereden quamen, Ende streden op die diese jageden daer, Datsi alle moede'* waren daer naer. Doe quam die koninck'^ Bohortgedre- 14680 Met groten banieren daertegen, [gen'* Daer dat velt af was van lasure Ende van kele mede ter ure G^banderet met goude in belanck nu , So men cleenlikes konde, seggic iu. 14685 Hi quam met vyf banieren daer, Daer die poniere af hingen'* vorwaer 'gewolt *op ander 'de eerste *er 'steken 'angest- liken ^achterwert gedaen •farien *luden "lade "an- deren '^Cambenich, ^romelich '*mode '^koninch gedraven '*hengen '*op der '*Kegede he **8e Tote opter'* orse halse daerbj. Doene die koninck^^ Loth sach , zeidi'* : »Got, Here, hebt nu mgns genade! 14690 Alse gewaerlike, als gy , vro ende spade. Die iu dienen pleget behoeden; Ie sie'* wael, dat wy nu in noeden** Van der doet hier alle syn; Want ick zie*' ginder een tekyn**, 14695 Dat des besten ridders es** Van der werlt, des sgt gewes**, Ende die noder den plaen rumet dan , Tenwaer** allene die koninck Ban; Oec z|jn alle ridders hasen ende vincken 14700 Tegen die twe, mgns gedincken*\ [dat Doe die koninck' ^ van den C.ridders hoerde Van den koninck'^ Lotte, zeide hi ter stat Ende vragede wie die goede ridder es** ? Die koninck'^ zeide doe: »heer, dates 14705 Die koninck Bohort van Oaunes; Ick en weet wanen* ^ hi hier komen es". «Hoe'\ zeide die koninck van den C. rid- [ders nu**, >Hoe quam hi hier, des biddick in, Berechtet my des, ende welke tyt mede". 14710 »Ick** en weet", zeide die koninck Lot [gerede , »Maer sieten ginder komen al los**". » Ick en weet", zeide die koninck ' ^ Carados, »Wat wy doen zullen*' onder ons nu, Maer ick wil hem tegenvaren, seggic iu, 14715 Ende heb ie des te doene, so heipet my". Doe zeiden diegene: »nu moet gy In Godes geleide varen ter stede I" Doe reet Carados ende scoerde** mede Alle die batalie, ende voer daer 14720 Tegen koninck'* Bohortes batalie naer. Ende alsi so na te samene qnamen Als een bogenscote, lietensi te samen Herlopen, wat si mochten, ter were**. Daer bracker herde vele haer apere, 14725 Daer wasser vele die sockeerden daer, Daer lieter vele loepen vorwaer Die misten. Doe track* ^ men die zweerde Daer hem sulck** sere mede weerde. Daer wart die strgt vreeslick* * ende swaer. i« noden **ze **teiken "'ritters is **gewi8 ••weer **we de gode ritterweer * ^wannen **do **ich '"loes !• * 'zolen *"8Corde • *vreslich. as wem s* treckeden SS zolch 163 14730 Doe quam die koninck Bohort daemaer Tenen sinen paden, ende seide aldus, Die geheten was Balarus: »Voer' myn teken*'; entiegene* was Een goet ridder, ende nadas 14735 Nam hi dat teken'. Doe zeide co. Bohoert Tsinen baronen aldus voert: >Nu laet sien wie^ dat wel sal doen". Selve* sloech (hi) in die baroen Met sporen so vreeslick daemaer, 14740 Dat al die aerde verdoende daer, Ende stack den iersten die hi moet* , Metten spere, ende so dor croet'. Dat hine dor den lichaem etack* Ende syn spere ontwe brack'. 14745 Doe track* hi dat swaert ende began daer So groet wonder werken naer , Dat hem allen hadde groet wonder. Dat hi met wapene dade bysonder. Si worden alle vervaert nu 14750 Ende makeden hem enwech, seggic iu. Diegene diene sagen* komen, [nomen - Coninck Carados hevet grote scade ge- Eer die koninck van den C. ridders quam, Die daer brachte, als ick vernam, 14755 Twe dusent ridders, die vrome waren Ende gedurich ten wapenen, twaren; Doe si vergadert^* waren sekerlfjck So was die strgt even geleek. Maer die koninck Bohort, hi was 14760 Boven hem allen, sgt seker das, Ende wracht wonder groet ter stede; Entie'^ koninck Carados mede, Entie koninck van den hondert ridders vor- Si daden grote scade daer, [waer, 14765 Ende verhoeden haer liede^' van scaden Want si waren* * dapper ende snel. [wel* * Dus duerde die strgt lange daeran; Doe quam gehouwen die koninck Ban In die batalie, alse die fiere*', 14770 Ende dade inslaen sine baniere, Daer dat velt af was van lasure Daer* * guldene cronen, al duer ende dure In gesait** waren; ende oec met Hadde dit teken zes tongen, dat wet, 14775 Die so lanck** waren, als wy dat horen , * Vore ^nnde degene 'teiken *8een we •selven *mote, grote ^stach, brach *treckede *8egen '"vergaddert * ■ onde de * *lude * "wal * *weren " 'ftre * •de * 'geseit Dat si sloegen toten oren, Des drossaten orse; wet vorwaer So l^nck** hingen si nederwaert daer Dat sg t** al bedeckeden,op ende neder, 14780 Also als dat waide voert ende weder. Doe die baroene dit teken sagen, Begonden si hem sere versagen, Ende zeiden, si mosten rumen saen Ocht si** mosten sterven, sonder waen. 14785 Altehant alse in sloech die koninck Ban En hielden si den plaen niet'* voertan. Doe vergaderde die koninck Lot aldaer Met wenenden ogen, ende zeide daemaer: > Wy hebben nu meer dat velt verloren"". 14790 Daer mochte men scilde ende spere horen Breken daer ende sere craken, Also alsise te sticken' braken, Ende wten swaerden dat vier** springen. Si gingen daer te gader dringen. 14795 Doe koninck Ban an hem vergadert was, Duerden si herde onlange na das, Hy en dreef se optie" v^f baroene, Die nu streden alse die koene. Tegen den koninck" Artur mede. 14800 Daer gesciede groet scade ter stede. Want altehant als die koninck Ban In die batalie quam voertan, Dadi'^ 80 grote scade daemaer. Dat nieman (en) bleef te live daer, 14805 Die sinen slagen niet ontvloe". Hi reet die scaren dor alsoe, Dat si nembermeer so sterck en waren**. Die koninck metten C. ridders quam geva- Entie ' * koninck Lot ende Marganore ; [ren 14810 Dese worden daer nu in rore, Ende ontmoeten in midden der scaren Den koninck Banne komen gevaren. Doe sloech die koninck vaste alsoe Metten hondert ridders hem daertoe; 14815 Hi was een herde coene man Hi voer daer opten'* koninck Ban, Ende sloechen opten'* scilt daemaer. Dat des een groet deel afginck aldaer. Doe dit sach koninck Ban, die heer, 14820 Hem vemoyede'* des slages seer; Hi verhief" sijn swaert na das **lanch *»8e dat *'off ze **nicht ** verlom **to stucken **vuer **opde **komiich *'dedehe **ontflo *• weren ■ "ende de ■*opdeii "Yennoyede **verhoeff. 16 4 Conretoisen, dat herde goed was, Ende meenden* hebben geslagen daer, Den koninck metten C. ridders vorwaer, 14825 Opten^.helm, entie' koninck ontsach Herde sere des koninck Bannes slach, Ende ontwelde metten hoede na Ende horte^ syn ors, seggic in, Entie' slach vil* op dat paert 14830 Achter in den sadel metter* vaert, Dat hi dorsloech die yseme coverture, Ende tpaert^ mede, ter selver ure Sloech hi dat dor ter aerden toe; Daer vil die koninck ende tpaert^ alsoe 14835 Beide overhoep, maer hi spranck* op Want hi dachte noch zulken dop Tontfane, ende ginck na dat Toten koninck Banne, daer hi sat Op syn ors, ende dorstact* aldaer. 14840 Doe des die koninck Ban wart gewaer, Spranck* hi daer ter aerden saen , Ende es op sine voete gestaen ; Hi nam sinen scilt ende hielten daer Vor hem te pointe* *, ende quam daemaer 14845 Tote Aygnigire, die koninck was Van den C. ridders, ende sloechen* ' nadas Opten helm, dat hi storte neder; Hi greepen** metten helme weder, Ende haddes alder werelt quite gedaen ; 14850 Maer die koninck Lot quam daer toegegaen Ende oec Marganor mede, Ende Marganor stacken daer ter stede Opten scilt, dat syn speer brack; Maer datten*' Marganor aldus stack, 14855 Ontsette hem niet die koninck Baa; Doe stacken die koninck Lot daeran Opten helm met enen speer soe, Dat daer die sparken wtvlogen doe. Doe liet hi den koninck*^ daemaer 14860 Van den C. riddren**, ende sloech daer Den koninck Lot in don slaep* * ter stede So sere dat hi moste vallen mede Van den orse ter aerde nu. Doe quam Marganor, zeggic iu, 14865 Ende hadde z|jn swaert in der hant; Die koninck Ban liep hem op tehant, Ende sloechen opten scilt nu*^ 'meude ene *op den 'unde de * harte *vel •myt der 'dat pert •spranch 'stacb dat *"ponte ''sloech ene **gegrepene * 'dat ene **koninck Ban '•ritteren Dat des een groet deel brack , seggic ia ; Hi sloechen anderwerf nadat 14870 Opten helm dor dat gat, Daer die maliën van der cofiien nu So dor hingen, dat zeggic iu, Dat hi 80 verwermet was Van den slage, dat hi dor das 14875 Ter aerden van den paerde vil* saen. Ende binnen desen waren opgestaan Die twe ander koninge, ende beg^ondendaer Die batalie anztlike** ende swaer Tegen den koninck Ban ter stede. 14880 Doe Marganor bekomen was mede , Halp hine** met al siner macht; Maer die koninck Ban , met siner cracht, Wondese alle drie** herde seer, Ende hi sloechse vele meer, 14885 Dan si hem konden gedoen. Daer moesten laten die baroen Van hoeren bloede* ^ een groet deel nu ; Ende hadden sie iet** langer, zeggic iu, Daer geduert, si haddeu saen 14890 Herde grote scade ontvaen, Want si waren daer bleven doet Ocht si hadden hem dor die noet Op moeten geven; maer die scaren Quam en doe tuschen hem gevaren , 14895 Ende sciedense doe, wien lief wien** leet. Des was die koninck Ban ere, God weet ! Doe quam die koninck Artur gevaren*^ Ende vant in sinen wech dacrnare Den koninck Ban , die daet stont te voet 14900 Ende met wapenen wonder doet Van liede** doet te slane nu Ende van orse, seggic iu; Daer lacher so vele ombe hem daer. Dat nieman** en konde hem komen naer; 14905 Ende doe hi sach dat nieman** mede Tot hem* ' (en) konde komen ter stede , Es hi over die dode** gelopen. Die daer lagen** met groten hopen; Hi was een ridder, dapper ende groet 14910 Ende wacl geleet** sonder genoet; Hi liep hem op met moede" swaer. Dat si hen alle versageden** daer; Hi sloech in den hoep, waer hi mach, **8lep *^do '*ange9tlich **heem *'doe ** oren blode **icht **wen **geYaro **laden **neman *'to em **de doden * 'legen ••geliet ''mode * ^vertzageden. 165 Daer hi er meest te samene sach; 14915 Mer alsi' siner gewaer worden daer, Makedensi hem alle enwech daemaer, Ende daer en was nieman' so koene, Die na voert, na desen doene, Sines slages onthelde nu ter t^jt; 14920 Dus hielt hi lange daer den stryt. Nu kornet die koninck* Artar derwaert^, Wat gelopen mach s^jn paert^, Ende sjn swaert in siner hant doe, Sinen scilt vor sgn herte alsoe, 14925 Ende hi was so nat van bloede nu Datten negeen* mensche, datzeggiciu, Hadde mogen kennen daer ter stede No by tekene no by wapine mede. Doe hi sach, dat te voet 14930 Die koninok* Ban onder die yiande stoet , Quam hi op enen ridder* na das, Die herde wael gereden was Op een groet ors, ende sloechen daer Opten* helm enen slach so swaer, 14935 Dat hi hem clovede daer sgn hovet Toten buke toe, des gelovet; Entie'gene ?il doet aldaer Entie* koninck' Artur nam dat ors daer ,* Ende zeide: >here. nu sit hierop saen, 14940 Want sekerlike, sonder waen, Onse yiande s^n in een quaet gewat Ende gy sultse tehant r urnen dordat'\ Doe sat daerop die koninck Ban, Ende was daeraf een blide man, 14945 Ende oec mede was hi herde blide. Dat hi den koninck Artur vaut ten tiden. Doe begondensi so gronwelick* Te striden ende so yreselick*, Die ene dor den ander ter uren, 14950 Dat nieman' vor hem (en) konde geduren Si en sloegense'* doet. Doe vloen si Ende worden gesconfiert'^ daerby, Ende reden enwech toter riyiere Ende tuschen bosch daer blevensi sciere 14955 Hondene'* alle, wet vorwaer, Ende gaven'* hem biel aldaer In dat enge; want si wisten wel Datsi, in emste ende in spel, In dat rume verloren waren, 'alze ze 'neman 'koninch ^darwert, pert *ene geen *ritter *op den 'andede *grawelich, vreslich, '•slogent ' 'geacoliiert ''holdene * "geven **dc ene 14960 Daer mense beringen mochte twaren; Si hielden hem tenen troppe doe Dene'* an den ander** vaste toe**, Ende hielden biel daer ten stonden Gelyck die ever doet vor den honden. 14965 Doe die koninck* Lot entie* koninck* [Ventres**, Die koninck Uriens, die koninck Bangores, Entie koninck Garado8,entie co.Tradeliant, Die koninck Ydier, die koninck Anguissant, Die koninck Clarioen , entie koninck met 14970 Van den C. ridderen, dat wet, Entie hertoge Escans vorwaer; — Doe dese heren vernamen** daer. Dat die sconferture al te male Op hem keerde in den dale, 14975 Trocken**8i daer besyden metter spoet; Ende Margaras, een ridder goet, Die was met hem , seggic iu , Daer dese waren vergadert** nu; Doe droegensi** overeen daemaer, 14980 Datsi den strgt moesten houden daer Toten avende, of, wetet al bloet, Si bleven daer anders alle doet. Dit seide die koninck* Lot ter stede, Ende si volgeden des alle mede 14985 Ende namen** stercke spere daemaer, Ende versetten haer helme ierst** daer, Ende voeren*^ alle houden na das In dat begin, daer lach die pas. Daer quam hem tegen die koninck* Ar- 14990 Entie* koninck Ban oec wael stuer, [tuer Die koninck Bohort, Leonce endeülfijn, Bretel, Eeye, Anter, ende Phar^n, Ende Gwinas ende Driant, Ende Flandryn ende Beliant, 14995 Entie* drossate Anthanimes Van Bonewick, ende na des Quam Blaaris, Bohortes pade**, mede Metten** groten teken daer ter stede, Ende Mores, Graciaen, ende Ladinas, 15000 Chanis, Blioberis, ende Caulas, Meliades, Madeans, ende Placides Plantalis, Rerogaes, ende Cristofles, Aigilius, Galogrenas, ende Grisalus; Dese v^f ende dertich quamen** aldus **andeni **to **Neutre8 * •vernemen '*treokeden * • vergaddert * * drogen ze ■ * nemen * * van erst * * voren **pete **mit den **quemen. 166 15005 Vor alle die ander' slaende te hant Scilt ombe hals, spere in hant, Ende reden op hem ocht ene quinteine waer Ende braken haer spere aldaer; Si trocken* die swaerde ende gingen" sta 15010 Ende slaen mede, maer dorbreken [ken So en^ kondensise niet ter uer*. Daer vacht eo sere die koninck Artuer* Entie koninck Bohort ende koninck Ban Ende sloegen doet so menegen man, 15015 Dat die paerde woeden int* bloet Toten velgen, des sgt vroet, Ende si en konden er niet so vele slaen Datsise achterwaert konden doen gaen; Ende als die voorste moede ^ waren, 15020 Quamen dachterste* toe gevaren Ende vochten so si best konden. Daer lacher so vele doet ten stonden, Dat die wech gestoppet daer was Dat die ene ten ander' nadas 15025 Niet en konde genaken nu, Ten waer* over die dode, seggic iu. Ende sint die' * koninge waren komen daer Entie hertoge opten^* plasch vorwaer, So en^ dorsten sine'* daer rumenniet, 15030 Maer si leden pine ende verdriet Ende anxt'* ende sorge ende noet, Toten'* avende, herde groet. Ende doe dat avent was vorwaer, Voerensi toten'* foreeste daer 15035 Over dat water, daer lach die pas, Daer ryser ende hout in gedragen was; Ende doe si aldus over waren Enten'* andöten dus ontvaren. Was die koninck Artur toemich seer, 15040 Want hi meende, by Onsen Heer, Die tien koninge hebben gevaen; Daer voer hi op hem, sonder waen, So fierlick'* ende so anxtlike met, Dat men'^ in al den dage, dat wet, 15045 So quaet en sach in den strgt; Entie ander trocken'* achter ter t^jt. Hem allen werende** so lange, dat sy Al** over die rivier** waren daerby. Doe gingen si alle vlien** daer, 15050 Entie* * koninck Artur volgede hem naer ^andem *treckeden 'gengen *ne •ur, Artur 'in dat 'vomstemode 'de achtersten • en weer ""dat de "op den **ze ene "'angest **totder ''unde den **^r- lieh "'menne **trcckedcn "•wamde **allc **riveer Over den pas, entie*' hi daer haalde, Ie seg iu dat hi hem so betaalde, Datsi nembermeer op on* stonden; Ende dit duerde so lange stonden, 15055 Dat men van der nacht niet en* konde Doe quam Merlyn binnen dien [sien**. Gereden op een ors ter uer* Ende riep op den koninck Artuer: • Waer vaerdy, en hebdy** des nu niet 15060 Genoech gedaen? merket ende siet Gy heb ter** so vele geslagen nu. Dat daer van sestich dusent , seggic iu , Maer v^ftien*^ dusent nu en leven. Si en zgn** gewondet of doet bleven, 15065 Entie daer oec en wech nu varen En s^n alle niet gcsont, twaren; Keert weder, tes** herbergenstgt nu, Laet rasten'" iu liede", dat hetic** iu; Si hebben des te doene sekerlike. 15070 Nu maket al iu liede** so rike, Dattie armste embermeer Rike blive ende een heer, Ende sent thues koninck Bannes liede sa Ende koninck Bohortes, ende haer mes- 15075 Sonder die hier bliven nu [niede, Hoers*' dankes; ende oec seggic ia, Dat iu viande zullen hebben vorwaer, Genoech te doene dese naeste drie** iaer, Al en oorlogen si in nembermeer; 15080 Want die Sennen**, wotet** heer, Sgn in haren lande, ende verstueren" Ende verbemen dorpe ende stede , [mede Ende zi hebben belegen , z^t seker des, Die goede stat van Windeberes 15085 Ende zi liggen daer vor, tors ende te voet, Met tachtentich dusent mannen goet, Ende wetet wel, datsi en zullen niet Voert calengieren wat des gesciet Noch iu orlogen voertmeer, 15090 Si hebben sovele te doene eer, Wantsi en zullen kunnen verdriven niet Die in haer lant s^n vor dat gesciet Vordat gyse selve*' verdriven sult daer. Nu keert* • ende bereidet iu** naer 15095 Ende doet dat ie hebbe geheten iu; SI vleen **unde de **8cen **Yar gy en hebbe gy **hebbct er *'vyfteen **Bint **dat is "rosten "lade ■*hete ick "ores **nae8tcn dre ••Seyncn ■•wetet dat •'•elven ••Idert ••ia dar. 167 Qj en hebt niet te* beidene nu, Ende ie moet varen te Blasise waert*, Minen meester*, met snelre vaert*, Ende sal wederkomen tot iu 15100 Te Santé Marien lechtmisse nu; Ende pynt iu wael te doene met'\ Doe sciede hi so hemelike, dat wet, Van daer , dat nieman geweten en konde, Waer hi gevaren was ter stonde. 15105 Dos voer hi te Blasisewaert na das Die siner doe berde blide was, Ende dien leet oec was mede, Dat hi 80 onlange bleef ter stede; Mer ombe dat hi dat rike enten ^ koninck 15110 Hilt staende, ende ombe dese dinck, So was hem dat lief ter uren; Doe telde hi em voert da venturen*. Die den koninck Artur s^n gesciet, Des en liet hi achter niet, 15115 Ende daema van den koninck Ban; Doe telde hi hem voert daeran, Hoe* die Sennen^ komen waren In der barone lant, sonder sparen, Die den koninck Artur orlogeden nu. 15120 Dit screef* Blasys al, seggic iu, In een boeck; hier zwigic* des, Ende sal iu voert nu doen gewes Van den koninck Artur ter stede, Ende van den tween** koningen mede, 15125 Ende van den lande van Oarmeliden, Ende van den aventuren die hem gescieden. Van Merlijns wonderlicJieden, Die historie telt nu sonderlinge, Alse Artur hadde die tien koninge Gesconfiert ende den hertoge, 15130 Ende verdreven met orloge. Als gj wel hebbet gehoert nu, By Merl^ns rade, seggic iu, Ende by den tween** koningen mede. Des was Artur blide ter stede 15135 Ombe sine victorie, ende quam daemaer Toten tenten enten* paweloenen daer, Die noch lagen, voert ende weder, Also alse Merlgn warp daer neder ^ nicht to *wart, vart * mester *undedcn •wo ^seynen *8creff 'zwige ie **wen *Hijn * ■myt den * ^gench * 'op den * •veer * 'Btolter, in de •deav. ' *twen Metten** storme ende metten** winde. 15140 Men ginck** se daer rechten met geninde Ende gingen hem assieren daer; Si daden sciltwachte doen daernaer Phariene, Leoncen, ende Griflet Ende Lucam, den bottelgire, met; 15145 Ende Leonce ende Phaqjn hoeden daer, Opter*' side te boschewaert vorwaer, Met vyfdusent mannen; ende Lucam Ende Griflet hoeden, als ie vernam, Mit vier * 'dusent man, met stouter* ^ vaert, 15150 Bander*' siden ten planewaert; Entie drie** koninge, in den tyden, Entie met hem syn waren blide, Ende aten* * ende dronken wes si daer von- Des daer genoech bleef ten stonden , [den, 15155 Dat daer die elve barone hadden gelaten , Die daer gevloen waren haerre** straten; Dus rasten si toten morgen toe. Daer dede Artur , die koninck* * , bringen Al dat goet dat daer was bleven, [doe 15160 Ende ginck mildelyck enwech geven Den enen meer den andren** min; Aldus so deelde hi dat gewin, Perde, orse, ende lakene met; Alrehande dinck**, dat wet, 15165 Dat daer was in der stonde. Deelde men daer met goeder konde, Datsi des behielden een twint niet. Daerna elc van den tween* * koningen biet Sinen lieden** thueswaert** varen 15170 Tot hem veertich, sonder sparen, Entie wouden si met hem ter ueren*^ In dat lant van Carmelide vueren*'. Pharien, Leonce, ende Graciaen Leiden haer liede** thueswaert** saen 15175 Ombe haer lant thoedene daer. Dat hem Claudas, openbaer No stille, negene scade doe. Doe si in haer lant quamen** soe, Cochten** si some rente ende goet, 15180 Daer elc wael mede leven moet Met eren, des nu zeker zyt; Entie** koninck Artur bleef nu tertyt In sinen lande, entie* * twe koninge mede Te Bredegan al stille ter stede, * 'eten * "ore * * koninch **ande de dre * 'dinck '*twen **luden **to hueswert "uren, vuren **er lude **quemen ••cofften **unde de. '*andem 168 15185 Ende dageden daer,ende beiden boude' Merlgns, die daer komen sonde \ In Onser Yrouwendage vorwaer, Doe men gheten hadde, daemaer Sagen* si enen sterken dorper scier 15190 Comen gaende opter rivier'; Diü dorper sach doe ter stede Vele entyogele^, die daer lagen* mede In ener beke, die daer quam Wt ener fonteinen, -als io vernam, 15195 Die niet vervroren en vras ter neren, Daer in badedensi na der naturen*. Die dori>er scoet daer enen doet Met enen bolte na zyn hoet; Doe scoet hi echter na dat, 15200 Ende scoet enen wedick^ daer ter stat; Doe nam hi die vogele daer ter stede Ende hinck se onder sinen gordel bede , Ende ginck toten koningen mettien*, Die dit algader hebben gesien. 1 5205 Die koninckArtur vragede bem also houde* Of hi die vogele verkopen woude*; Die dorper zeide doe: ja hi. »Wat sal ie daer dan ombe geven dy?'' Die dorper hadde an twe hosen ruw 15210 Van kojenleder, seggic iu, Ende enen sorcoet ende een caproen Van grawen laken van dorpers doen, Ende was met enen swarten veile mede Gevoedert, dat ruw was ter stede, 15215 Ende hi ginck blotes hovedes doe, Ende sgn haer stont hem daertoe, Ochte dat borstele waren, opwaert, Ende hi sceen een fel musaert; Ende hi seide toten koninck Artuer**: 15220 »Ic en weet negenen koninck nu ter uer* • Die scat** onder der aerden hevet Liggende, die so node gevet Als gj doet ; ende oevele moet hi varen Die van enen armen manne , twaren , 15225 En mochte maken enen riken man, Die dat wael mochte verdienen* * voertan; Ie geve iu die vogele , of gy dat gebiet Dat ie niet* * meer goedes en heb dan gy Ende gy en hebbet nu dat herte niet [siet 15230 Dat gy my dat hondertste* * deel gevet iet Van uwen goede, dat lichte tal In der aerden nu verroten al In den foreeste eer gyt zult** halen". Doe die koninge hoerden des dorpers tale 15235 Doe zeidensi onder hen gereet: »Welck DuVel hevet hem dit geseit"'? Doe riepen tot hem die koninck Ban : >Segh, dorper, wie seide di dit dan, Dat dese scat in der aerden leght*^ 15240 »Nemet dese vogele", hevet hi geaecht, »Ic wil gaen enwech nu". » Trouwen, heer** dorper, dat zeggiciu Eer gy ons ontgaet", zeide die koninck, >Moety*^ ons berechten deser dinck, 15245 Wie iu dit gesecht hevet dan". »Dat zeide mi een wilt mao, Die hem heten** doet Merlgn nu; Oec zeide hi my, dat hi iu Den scat gewiset hadde iu somen; 15250 Oec sal hi heden** tot iu komen". Die wile dat si dus spreken daer, Quam U16jn wt ener kameren naer Tote daer die koninge waren gestaan Ende iegen den dorper, sonder vraen, 15255 Spraken; entie** koninck Artur zeide: »Hoe mochtic geloven die waerfaede Dat Merlgn sprac iegen dy"? »Ocht gy wilt", zeide die dorper vry, »Gelovet des my, ende ocht gy en wilt nu, 15260 So zgt des qu^jt, dat zeggic iu". Doe ül^'n hoerde die antwoerde**, Die hi den dorper spreken hoerde , Doe wiste hi wael dattet* * Merlgn was ; Doe Merlgn sach datten'* nadas 15265 Ulfijn kende*', zeide hi, sonder waen: »Vrient**, nemet dese vogele saen, Ende gevetse den koninge, uwen heer, Die luttel op ieman achtet nu meer". Doe zeide Ulfijn: > lieve vrient** nu, 1 5270 Dat hevet sulck heden gesproken tegen iu , Die luttel goet achtet, wetet dat, Nu ter*' wilen ombe enegen scat"**. Ende hi began lachene sere doe, Ende nam den dorper daer alsoe 15275 Ende leiden daerboven nu, Ende zeide: »ic hebbe te sprekene iu e "segen "rivecr * Enten vogele •legen ' scad **vordenea * 'nicht * *honderdeite *'ïolen **her liere; Eng.: as theire kynde ii to do *^mote gy "hieten **hade "onde de **aBtworde *mytdien •holde, wolde »»Artnr ur *»de »»d«t dat *'kaiide **vr«nt "teder »*8C»d. * bolde, solde *n» irrc maniere 'Eng. malarde *mytdien* holde. 169 Van vele sticken, ende gy zoat^ Vergolden* z|jn, als gy wout*". Doe sach Ulüjn opten koninck*, 15280 Ende loech^ sere ombe die dinck*. Doe zeide die koninck : » waerombe lach- >Gy zult wael weten", zeide doen hi. [dy*? Doe lelde Ulfijn in ene camer daer Merline, ende bi zeide dacrnaer: 15285 »Ulfi3n, nemet dese vogele gereet, Ende also blidelike moetse eten, God weet, lu here, als icse hem gcme geve nu; Want hi enen armen man, zeggic iu. Niet en achtet te helpene mede, 15290 Die hem dat mochte lonen teneger stede*\ Doe zeide ül^jn: tditesierstewerf niet, Dat gy hem holpet in zyn verdriet, Ende noch zuldy* hem helpen mede, Ende kende hi iu here ter stede 15295 Also wael als ie iu kenne nu, Hi soude berde blidelick ontvaen iu'\ Doe quam Bretel gaende voert, Die verstaen hadde al dese woert. Die Ul^n den dorper sprac toe; 15800 Entie^ antwoerde entie' tale alsoe Merkede hi van den dorper ter stede, By enen rover ocht* by enen morder mede Bet gelikende dan enegen. man. Want hi was lelick te siene an; 15305 Ende alse Bretel verboerde dese tale, So bekende bi Merline wale. Doe loech^ hi onder siuen mantel daer , Entie koninck Artur beswoeren naer, Waerombe bi loech*. Doe zeide Bretel : 15310 »Here, die vogeler zalt iuseggenwel". Doe loech* die dorper, zonder beiden*, Ende biet Ulfine dat byt*^ hem zeide. Doe zeide ülfijn : » Here, iu vrient* 'Merljjn Soude hier buden comen syn [coninck 15315 Iu te sprekene". »Dat soude bi", zeide die Waerombe zegdy** hier nu dese dinck*? Ie zegget daerombe, dat gy een twint Die liede** nn niet so en kint** Alse gyse siet, als gy soudet nu 15320 Met rechte kennen, zeggic iu. Want gy hebbet tegen sulkeliede** vry 'zult, wilt ^vergalden •dinch ^lachgede *Iachge gy •zqIc gy 'unde de •oflf •beide *°he dat **vrent **zegge gy » »lude '*kcnt * •solden **lude *'vrcii- scap '•offtc dre **kcnne gy **donket **alze **myt den ** wen, den **wene ^'neman ••hude *'geieen Grote vrientscap* ^ gemaket , ende als sy Twe dage merren och te dry** So en kendy** se niet, duncket** my, 15325 Alsi** weder vor iu komen, heer; Des wondert my van iu berde seer". Doe die koninck verstout Ulfine, Was hi sere tebarentiert in scine, Ende vragede Ulfine daer mettien**, 15330 Wien** dat hi hadde gesien, Dien** hi niet en kende, » zegget my; Ie wane** my nieman'* quam so by Dien** ie twewerf hadde gesien, lek souden wael kennen nadien", [den** 15335 vHere", zeide Ulfijn, »gy hebbet noch he- Sulken gesien*' by myner waerheden; Haddyne** wael gekent nu, heer, Gy soudet* * hem gedaen hebben meer eer Dat gy nu bebbet gedaen te dien**". 15340 Die koninck zeide: > wien heb ie gesien**?" Doe zeide Ulfijn: »zoudy** iet kinnen** Merline, of gyne saget* * hier binnen ?" »Ja ie**", zeide hi, >wat zoude ie el** ?" >Nu besiet my dan", zeide hi, » berde wel 15345 Desen man, of gyne*' iet kint**?" Die koninck zeide : >ic en kens niet** een Ie en sacben noit, dat iet weet**", [twint; By Gode", zeide ülfijn doe gereet, »So hevet bi oevele bestadet nu 15350 Menegen** dienst**, dien** hi dor iu Hevet gedaen, dat gyne*' kennetniet: Want dat is Merlgn , dien «y hier siet, Die iu wel gedient hevet mede, Ende eer gedaen te meneger stede, 15355 Ende iu geholpen hevet menechwerf Mot rade, met dade, al iu bederf'. Doe dit verstout die koninck, Segende bi hem ombe dese dinck Ende wart so verscrickt, dat hi voert 15360 Niet** en konde gespreken een woert. Enten** koningen wonderdes meer, Ende zeiden : »wy en gesagen iu niet** eer Iu dusdaen gelaet als gy hebbet nu". »Gy heren, des gelovic** iu, 15365 Dat gy my en zaget** dusgedaen; Nochtan ben ickMerlgn, sonder waen*'. "•hadde gy ene * •solden **to den ** geseen •■zolde gy "'ieet kennen **8egen **ich ''al ''gyene ••icht kent ••nicht **dat weet **manegen **den8t **dcn **unde den **gelove ich **ne zegen. 22 170 Doe zegenden hem die koninge daer; Doe zeide UI fijn tot hem daernaer: »£n zgt niet* nu so verveert, 15370 Hi aal te hant 8|jn anders gekeert, Als hi wil, in aine gelike nu, Als gyne* ierstwerf zaget', zeggic iu , En latet iu geen wonder wesen, Hi sal in genoech togen van desen". 15375 Doe ginck Merlgn in ene camer daer, Ende nam sine forme weder naer, Ende al die wile, dat hise nam an, Seide Ulfijn: »daer en Wet geen man, Die iet* kan tegen Merljne nu: 15380 Hi verwisselt sine gedane, seggic iu, Also dicke, als hi wil, van figuren, Ende dat hevet hi al bj naturen, Niet by clergien, maer hevet dat al Van sinen vader, groet ende smal; 15385 Ende gy sulten dickewile sien* met ogen. Dat gy des niet en sult kennen mogen Ende ombedat hi hem ontlitsen kan, So en ontsiet hi negenen* man; Ende daer is oec menech^ genoet, 15390 Diene wouden* hebben gedoet, Ende dit weet hi wel allesins* Want hi weet aller liede gepins'\ Ende dit orkonde Gwinebant daer, Dat al dese'* dinge waren** waer, 15395 Die der tweer koninge broeder was. Als ie iu hier te voren las. »Nu gawy weder^*, zeide Ul^n saen, vin die camer, daer hi in es gegaen; Hi sal weder hebben sine gedane, 15400 Die gy hem vor saecht** hebben ane, Doe hi hem bekondegede met iu'\ Si gingen in die camer nu, Ende vanden Merline daer ter stede In der** gedane, daer hem** mede 15405 Die liede* daer kenden** te voren. Doe si dit sagen ende horen , Liepensi tot hem ter stede Ende kusten hem endo helseden mede, Ende daden hem grote feeste daer, 15410 Alse diene** sere minden vorwaer. Doe gingensi sitten onderlinge *iiieht *gy ene 'ne zegen ^ieht *aeen * genen ^manich *de ene wolden 'inalrew^s '^deaae *' weren **8egen **den **ene '*kanden **de ene *'gcvon **lachgene * 'gunde haer in wal **'ioncfroa **Bi- Ende spraken daer van menegen dinge. »Meriyn^', zeide nu Artur die koninck, »Hier weet ik wael in ware dinck 15415 Dat gy die vogele geme gavet** my^\ Merlgn begonde te lachene** daerby Ende zeide : »here , ik gondese iu wel* *'*. Dus spraken si daer ende badden spel Tote Halfvasten, wet vorwaer. 15420 Binnen desen tyden so quam daer Ene scone ioncfrou**, zyt seker das, Die was geheten, als ie dat las, Lysanor**, ende was mede, zeggic iu, Enes graven** dochter, die hiet nu 15425 Se verin, maer hi was doet, Ende si was geboren , wetet bloet , Van enen castele , biet Quinpecorentgn* * ; Ende dese maget, scoen ende ^jn. Was comen, ombe manscaptedoene**, 15430 Geiyc dat daden** ander baroene**, Den koninck Artuer, doe hi ter stede Die elve** barone gesconfiert hadde mede; Want vele duchten hem doe*'. En waren** si hem niet komen toe*', 15435 Dat hi hem haer lant sonde nemen na. Want negenen betren here, zeggic iu, En mochtensi hebben, zeidensi. Dus qnamen* *si haer lant tontfane daerby. Doe ge vil** dat die joncfrou quam 15440 Daer die koninck lach te Bredegan , Ende dagede nu sine liede daer. Doe die joncfrou quam daernaer. Voer si liggen met enen poerter nadas In die stat, die berde rike was; 15445 Ende doe die koninck die joncfrou sach Dat daer so grote scoenheit aeniach, Begonde hise minnen seer, Also dat hi, by Merlgns leer, By haer lach ende wan daeran een kint, 15450 Dat Loete** was geheten sint, Entie** sint een vrome ridder was Ende geselle van der tafelronde nadas , Ende dade menege** vromechede, Als iu dit boeck sal seggen mede; 15455 Maer hier en sprekic van hem niet meer , Ie moet spreken van Artuer , den heer. sianor *, doch verg. het Engelsch. * 'eynes greven * *Eng. Campercorentyn **done, bazone »* deden "•elven *'na, to * 'weren "genen *'*quamen '^gcvcl ••Bng. Hooi ••onde de **manige. 171 Die hadde gelegen te Bredegan Tote dat Haifvastene quam, Doe nam hi orlof an die joncfrou saen, 15460 Die met kinde was beyaen, Ende voer in dat konincrike van Carmelide, Entie' twe koninge met hem ten tyden* Entie* veertich ridder* voeren mede; Maer hieraf zwigic nu ter stede 15465 Ende sal ia yoert doen verstaen Van den elven baronen, sonder waen. Van den elven haroenen, ende van den Sennen^, die in horen* landen lagen*. Die aventnre seget hier; twaren, Dat die elye baroene' tmerich waren* Om haer verlies *, ende eerden hem sere 15470 Ende zeiden, datse God, onse Here, Hatede ombe enege sonde , sonder waen, Die si an ieman hadden gedaen, Ende ombedat was hem dit gesciet; Dns voeren' "si dagende haer verdriet 15475 Ende horen ronwe^' ende hoer verlies, Ende si voeren al den dach dies**, Datsi en aten noch en dronken iet'* Noch den dach te voren niet'*; Want die batalie haddet hem benomen 15480 Daer si nu wt sgn gekomen, Endet'* was kont'* gevroren mede, Ende si waren so moede ter stede Van der' * pinen , die si hadden geleden, Ende si hadden sere gereden, 15485 Ende waren hongerech ende dorstech doe, Datsi met groter'^ pinen alsoe Qnamen te Sorant in ene stat. Die rike ende scone was, wetet dat, Ende vol van allen goede mede. 15490 Des koninges üriens was die stede; Maer Bandemagus , zgn neve , zeggic in, Hieltse van hem ende hoedese nn, Ende een deel daeraf, z^t gewes, Daer was af here een, hiet Clamides, 15495 Alse ia dit boeck hiervor zeide. Diegene waren getrouwe beide Ende stout'* ende koene, entie heren 'ündc de *tydc •ritter ^Zeynen •oren 'legen 'elven vorsten 'weren •verlucs "voren "rou- wen '*aldas "niet, dat wet "unde dat "wolt **den "groten "stolt "ontfengen *®ro8tendc »'des wal to "wts er »* weren »*din "t^jde "alzo, do Ontvingen'* se met groter'^ eren. Daer blevensi hem rustende** nadat, 15500 Ende daden hem te gemake in der stat. Want si haddent wael te*' doene. Daer wasser** vele der baroene. Die sere ge wout waren** nu Ende in der** stat bleven, zeggic iu, 15505 Tote datsi genesen waren** mede. Des derden dages daerna ter stede. Qnamen boden van Carmelide Ende van Comuale ten tyden** Ende van Orcanien ende van Leones 15510 Ende van al den landen, s^tsekerdes, Daer ei heren af waren** alsoe**, Daer hem die boden af zeiden doe**. Dat die Sennen*^ daer in nu waren, Ende hadden al dat lant dorvaren 15515 Ende verwoestet ende verbrant mede, Ende dat nu lagen* vor der stede Windeberes die Sennen* ',ende hadden daer Sovele liede**, wet vorwaer, Datse die van der stede niet 15520 En konden verdriven, wat des gesciet. Doe die baroene** hoerden also Die nyemaer**, waren** si des onvro Ende oec tongemake*' seer. Want daer en was negeen* * so koene heer, 15525 Hi en was in anxte** herde groet, Ende si wisten wel die waerheit bloet , Datzi in aventure waren alle Van der doet ocht * * van groten mes valle * • . Si weenden som van rouwen daer, 15580 Entie machtechste**, wetet vorwaer, Weenden in horen cameren nadien, Daer se nieman*^ en konde gesien**. Op enen dach gevil** na des, Dat die koninck Brangores, 15535 Die een herde vroet man was, Sende** enen bode na das Hemelick^' toten heren daer, Ende datsi alle quamen** daemaer In ene** sael des morgens vroe**; 15540 Die koninck üriens was (daer) doe**. Die koninge ende ander liede** mede Quamen des morgens daer ter stede **Seynen **lude **barone *®nyemeer *'to ong. •*geen '"angeste **oflf ••mysvalle '•unde de mech- tigeste "^neman '•geseen ''gevel ^"sande **hemc- lich **qnemen **enen **vro, do. 172 Knde serecli waren ende rouwech met, Ende weenden so oec, dat wet, 15545 Ende makeden rouwe ende mesbaer'; Dns stondensi lange stonde daer, DatsL en spraken* niet een woert Van serecheden. Doe quam voert Die koninck van Nortomberlant, 15550 Ende sprack' den koninck an te hant Brangotes : »liere , ie ben^ hier komen nu Ombe te wetene hier van in, Waerombe dat gj ontbodet* my; Ie en hebbe met nieman, dat wety*, 15555 Te doene, dan met iu, sonder waen; Secht' my uwen wille* ende laet my gaen, Want my en lustet te scempene nu Nochte* sprekene, dat zeggic iu'\ Doe zeide die koninck Brangores: 15560 »Hier en es nieman, sgt seker des, Hi en hebdes^ *^ also wel te doene, ter tyt, Daer gy nu ombe ontboden syt, Alse gy doet, ende dadet wale Dat gy begonnen hebbet die tale; 15565 Ie salt iu seggen waerombe ie iu Alle** hier hebbe ontboden nu: Gy heren", zeidi**, gy hebbct gehoert. Dat die Sennen z^n komen voert Nu met herde groter macht; 15570 Ende sgn komen van Angis geslacht*', Ende liggen nu in onse lant Ende hebbent verheert** ende verbrant, Ende zjjn komen vor Windeberes; Si hebben dat belegen, sjjt gewes**, 15575 An die syde van Comuale; Ende dese stat was, sonder fale, Des koninck* ' Norgans , die bleef doet In den lesten stryde, die was groet, Dacr hem die koninck Uter-Pandragoen 15580 In ener orsbare*^ dede dragen doen; Ende hem bleef maer ene dochter doe, Die dat lant bleef houden alsoe ; Maer si haddet*' lange verloren, sonder En hadde een haer* 'broeder gedaen,[waen, 15585 Die haer** broeder was gemene Van hoerre** moeder halven allené; Ende hi was vrome ende vermeten** "mysbaer 'spreken "sprach *ick bin 'ontboden •wetgy ^segget •willen *nocbto ""hebbe des '* allen "zegedehe * 'geslechte ** verhert **gewi8 **koninch *'rossebare ^ 'hadde *'er "erre '*vormeten "hul- Ende was Gosengoes geheten, Ende hi hielt haer* * lant ende manne mede 15590 Met krachte ende met vromechede, Ende dadese werden siner suster man Ende helpen" verweren dat lant daeran, Ende sulcke* * tjjt si verwonnen waren**, Syn wi in aventuren ende varen* ^ 15595 Ombe al te verliesene, syt seker des. Opdat onse lant niet bet en es Behoet, dan dat nu es; ende ombe dat Behoevet ons wel , dat wy ter stat Enen haestegen raet hebben nu, 15600 Hoe*' wy die Sennen, zeggic iu. Mogen verdriven, wetet bloet, Ochte** wi syn alle ontervet ocht** doet, Ende onse kinder embermeer; Bander^syde hebben wy verloren aeer 15605 Daer wy streden tegen koninck Artuer**, Ende oec en mogewy, nu ter uer**, Van al sinen lande nu mede Negene hulp** krigen ter stede, Ende van den koninge bander'^syde 15610 Leodeganne van Carmelide, Die ons geme holpe* *, hadde hi des macht, Hi es belegen met g^roter kracht**. Want die koninck Rioen, wetet wel, Die machtech es ende sere fel, 15615 Orloget hem nu ende hevet gedaen Twe iaer achtereen, sonder waen; Ende bander*^syde vau koninck Peles Van Listenois, zyt seker des, En mogewy oec, dat zeggic iu, 15620 Negeen** soccoers** verkrigen nu; Want hi hevet sinen broeder ter stede An" ener ziecheit, die hi hevet mede, Daer hi nembor af wert** gesont Tote der tyt ende toter stont, 15625 Dat die Grael wert" gewonnen gemene**; Ende oec van den koninck Alene** En mogewy hebben soccoers** twint. Want hi leget sieck, als men kint, Ende en mach genesen vorwaer, 15G30 Vordat die beste ridder*' komet daer Eude hem vraget, wat siechede Hi hevet, ende na dat Grael mede pen "zo welcke **vre8en, vresen *'wo "off "op ander "Artar, ur »'holp *®hulpe »*krafft '*en- gene ' ' Van * * was * * wirt ' 'gemeyne , aleyne • ' ritter. 173 Moet hi vragen ende winnent' met Eer hi geneset; — dus eest* geset'. 15635 Ghy beren, dus en^ kan ie niet Gesien*, waer wy mogen iet* Halpe hebben, in negenen wegen. Want die koninck Amagijn vanNortwegeri In Sorlois', die orloget nu 15640 CaleoB, der Gigantinnen sone*, seggiciu. Van den vremden* eylande*", dat wet, Ende wil , dat hi 8|jn lant houdo met' ' Van hem, ende orloget hem daerombe seer; Ende yan den Go. Brangine^* noch meer 15645 Van den verlornen eylande, dat wet, En** hebbewy negeen hulpe met No van den koninge Nodoamine'* No van den koninge Glamedine Van den beslotenen eylanden; 15650 Ende ombedat ons negeen hulpe te handei> En kornet, so duncket'* my goet Dat elck in z^n lant vaer metter* * spoet, Ende vergader*' alle sineliede** mede, Ende manne sine borge ende sine stede , 15655 Ende doe voeren alt** goet daerin Van den lande meer no** min, Ende vare liggen selvo nadat, Eest** in borch eest** in stat Daer die Sennen Uden sullen** vorwaer, 15660 Ende weert* *se met sinen lieden daer; Want dat en waer*^ ons niet goet nu Dat wy op hen voeren, seggie iu, Want wy en hebben der liede** niet Dat wy se beduden mogen iet; 15665 Daerombe dunket my dat beste wesen. Dat wy dqen aldus van desen, Opdat gy dat lovet ende dincketgoet; Nu zeggic elck wat men best doet. Want ie ben gereet, van desen al 15670 Des men overeen hier dragen saP*. Doe antworde die koninck Glarioen Van Nortomberlant , op dit doen: »Here, gy hebbet wel gesecht** nu, Ie volge uwen rade, seggio iu, 'winnen 'is dat *Eng.: Ne the kynge Felles of LutenoU, for he kepeth the kynge Pelfynor hts èrother tkat lyeth seke, of whieh aekneste he ihall never be hcled, tiü he come fhat shall brynge to ende the aventuret of the seint Oraal. Ne of the kynge Alain, Ais brother, that lieth in sekenesse. and shall never be warisshed till the beste knyght of alle Bretouns eome and aske hym why he hath that maladye, and what tAmgê shoiie he hys helpe. ^ne 'geaeen *ieet 'Eng. 15675 Want dat es te doene, na dat staet, Dat wy haesteleke hebben raet. Ende my duncket goet , dat elc sinen wille Hier nu zegge, lude ende stille, Wat hem des goet dochte gedaen; 15680 Want hier en* es nieman**, sonderwaen, Hi en* sjj sculdech te radene hiertoe. Want es die ene ontset, so es also Die ander int verlies*' ende gescint, Want hi en sal des behouden** twint'\ 15685 Doe zeide die koninck Loth gereit: »By Gode, gy hebbet waer geseit, Gy wetet** wael, doe wy hierqnamen Dat wy rouwech waren al te samen Ende serech , ende en wisten wat zeggen 15690 Doe gy dese tale begont** voert leggen, Daer gy wel gesecht hebt an mede, Entie* * koninck, die ons onboet ter stede; Ende wy sgn hier komen altemale Ende hebben gehoert sine tale 15695 Enter** uwer een deel, dat wet; Nu wil ie minen zin zeggen met: Wy zijn hier alle van enen accoerde Ende hebben gelovet met vasten woerde, Dene den andren niet af te gane 15700 Ende toter doet; daerombe voertane Soude** deen den ander raden daemare Dinge die niet te** begripen waren; Want en vindewy in ons selven niet . Goeden** raet, waer sullen wyne** iet 15705 Soeken mogen? want in allen lande So en hebben wy niet dan viande, Ende dat sc^nt ons in deser manieren Want si ons tallen steden asselgieren*'. Doe zeide Carados, die koninck**: 15710 »0n8 hevet gescadet sere een dinck**, Dat is dat orloge van Arture; Ende welc Duvel mochte nu ter ure Gedenken, dat hi soude** komen gevaren Tegen ons, die so mogende waren?'' 15715 Doe zeide die koninck Uriens saen: »Dat weet ick wel: en hadde gedaen alleen: the kynge of Sorlois «Eng. Qalehant the sone of the geaunte •vromeden » «Eng. of the oute-yles ** holde med **Eng.: the kynge Berennain »'unde en **Eng. Jnadonain **donket **myt der *'ver- gadder '•ludc * 'al dat *®noch **i8t »* zolen "'wertae **weer **ge8eget "•neinan "^datverlues "•beholden ••weten '''begonden **unde de. der •*8olde ••to •*gueden ••solewy ene ••koninch, dineh. 174 Merlijn, die tovener, daer ter uren En hadde hi vor ons niet konnen geduren ; Want hi wiste also wael vorwaer 15720 Welke tyt dat wj souden komen daer, Alse wy selven wisten onse dinck, Des dade hi wamen den koninck In der manieren dat wy Alle waren bedrogen daerby, 15725 Dat ons scynt ende scynen sal Want wy en hadden niet al Onse liede* verloren so saen En hadde dat onweder* gedaen, Dat die Duvel Merl^n komen dede 15730 By siner toverien, die hi kan, mede Sodat nieman hem (en) kan ge wachten No by dage no by nachten". Doe zeide voert die koninck Tdier: »Gy heren, dochtet' iu goet nu hier 15735 Dat elc van ons in onze lant Ontbode^ onse manne te hant, Dat nieman (en) bleve daerin Die wapene mach dragen meer no min Sonder diegene , die* borge ende stede 15740 Souden wachten ende hoeden mede; Ende alse wyse alle hebben tehant, Varewy met crachte in onse lant, Ende daer wy die* Sennen ontmoeten' Laetse ons daer also groeten 15745 Met onsen swaerden, datsi daemaer En geme nembermeer openbaer Daerin en komen ; dat dunket' my beste. Want vor Windeberes , die stercke veste, Daer en sullewi niet varen* nu 15750 Want daer isser te vele, zeggic iu. Aldus mogewi onse leet wreken, Ende wil ieman iet'*^ anders spreken Dat beter es, hi segget** na des". Doe zeide die koninck Brangores, 15755 Die een goet vroet ridder was. Enten*' rechte volgedo nadas Sonder valsceit telker stede, Hi sprac met luder*' stemmen mede, Sodat s^V alle hoerden daer: 15760 >Elc hevet gesecht", sprac hi daemaer, »Na synen** beste sinen raet; Die koninck Ydier, dat verstaet, 'ludc *ongeweder "duchtet ^ontboden *de •den 'ontmoten •donket 'zole wy nicht vam *®icht **zecge dat **unde den **ener ïuden **se dat **8yn **iB Hevet wael gesecht in ener manieren , Die dat also mochte visieren 15765 Als hi gesecht hevet, maer en es** Also niet berecht, 8|jt seker des, Want wy en weten een twint nief Yan horen manieren die men daer pliet* *, Ende hoe si riden nu in dat lant, 15770 Ende onser es luttel goet te hant Aldus te vaeme**, want onversien Mochtewy te hant komen te dien Daer wy mochten s^n bedrogen; Ende worden si boven ons vermogen, 15775 Waer soudewy dan mogen vlien? Dat en kan ie niet gesien; Want al omb ende ombe, seggic iu, So s^n** onse viande nu; Dus moeste* * wy doet bliven ochte* 'gevaen 15780 Ende ie en kan oec niet, sonder waen. Geweten, waer wy mochten verkrigen Soccoers** alse men ons soude bewigen; Geviele** dat wy in aveu turen waren Van der doet, ende oevele twaren, 15785 Soude die ene*^ van ons heren Den andren dan'* gesoccorreren ; Maer dat beste, zgt seker des", Zeide doe die koninck Brangores »Dat es dat elc te hues vaer mede. 15790 Ende doe vesten borge ende stede, Of die Sennen in den landen let** worden treckende, datsi te hande Den borgen ende steden iet mochten scaden Ende daerin niet en mogen varen; 15795 Ende doet met vitalien ende metspisen Iu borge ende steden in alre wisen Vullen wael, sodat die Sennen** daer In den landen niet en vinden naer Des si behoeven*', dat verstaet, 15800 Ende hebbet hierop goeden raet Ende mallic zegge zgn beste nu". Die koninck Ven tres**, zeggic iu, Antworde hierop, ende hi was Een vroet man, sgt seker das, 15805 Entie** geme gelovede goeden rade, Oec haettehi verraders entie** quade; Hi zeide: »here, gy hebt wel geselt Ende oec accordere ie daermet gereit * 'nicht, plicht *'vame **8int *®moste **offte **hulpe **gevelle **eue den andem '*8olden dan ovele **Seynen *'behoven * •Neutras **ande de. k 175 Ende en weet genen betren daer an^\ 15810 Doe seide die hertoge Ëscan', Die een stout* w^s man was: »An desen raet, wetet wael das, So houdic* my oec; waer hi sot Die hem wederseide, so helpe my God!" 15815 Die koninck van den C. riddren^ seide daer: »Dit es een goet raet ende gewaer Ende sonder anxte*, ende weet oec nu, Warewy in onse lant, seggic iu, Wy souden* sekerre wesen dan 15820 Dan ocht^ wy alle te samene daeran Voeren; want haddewy soccoers* noet, Wie ware dan diese ons boet, Ocht' wy alle waren belegen? . Daerby dunckt* my dat beste daer iegen, 15825 Dat wy volgen Brangores raet. Want nadien'* dattet ons staet So en wetic genen so goeden; Maer dat wi ons mede spoeden, Dat men van ons (en) vememe niet, 15830 Ocht' eer dan wy werden verspiet**". Doe seide die koninck Anguissant, Die koninck was van Scotlant: > Desen raet (en) mach nieman nu Verbeteren, dat seggic** iu". 15835 Dus accordeerden si alle daer An desen raet, ende zeiden naer Datsi hem haesten ende gereiden, Want daer en waer negeen langer beiden. Doe zeide die koninck Tradeliant 15840 Van Nortgales al te hant: >Gy heren, wy en mogen ons niet Dus sere haesten , nu besiet , Want onse liede** en z^jn noch niet al Komen , datter komen noch sal ; 15845 Want die in den bosch vloen verborgen , Doe wy waren in groter sorgen. Si en derren** noch komen niet Ombe te scuwene meerre verdriet, Ende oec en hebbewy maer vier** dage 15850 Hier gelegen, sonder sage, Ende wy waren moede, sonder waen, Want wy waren** anxtlike bestaen, Ende so hemelick oec mede. 1 • desae **sin **ande de ''quemen ^'Cristenhede Datsi op ons waren** ter stede 15855 Eer wy des iet*' wisten sonderlinge ; Ende al te** male dese** dinge Dade ons Merljjn, die ons herde seer Hatet ; ende weet wael , hi sal noch meer Ons alle letten , ende wy en konnen niet 15860 Hem gescaden, wat des gesciet; Ende hi weet oec alle dinge Eer si gedacht s^jn** sonderlinge ;j Entie** koninck Artur en doet niet Sonder hem ; ende by hem es gesciet , 15865 Dat die koninck Bohort ende koninck Ban Artur nu quamen** dienen voertan; Ende dit syn twe die beste mede, Die men nu vonde in Korstenhede* * ; Maer hem scadet sere die koninck Claudas, 15870 Die machtech es, s^t seker das, Entie** ene scadet den ander** met, Daer en es geen vrede tuschen geset, Maer vrede es tuschen hem nu daer; [waer Die koninck Ban ende syn* * broeder* • vor- 15875 S^jn** noch metten** koninck Artur, seg- gic iu, lek* ' en weet wat zy denken te doene* 'nu; Daerombe en es niet so goet dan wy Met gemake ons gereiden daerby, Ende dat elc doe**, dat sine man 15880 Gereet sgn so hi ten besten kan, Ende wy en mogen niet trecken vordesen, Onse liede en sijn bet genesen Ende comen; want ten waer niet** goet Dat sy achterbleven, des egt vroet". 15885 »Gy heren", zeide die koninck ürien, »En s^t niet tongemake van dien**, Al en mogen die gewonde** daerby Niet trecken, gy sult se laten metmy Tote dat zy al zjn'* genesen, 15890 Want ie en sal niet trecken van desen, Ie sal hier bliven te miner** stat Ende mynen** marisen , ie seg iu dat, Ende mynen'* borgen**, dat die Seynen Niet en vinden onbewaert die pleynen". 15895 Si hielden hem alle an desen*' raet, Ende elc hem daer bereiden gaet Alse te varene in hoer** lant **andern **broder *"myt den *'lch **to done »»do '®wcer nicht '*den ** gewonden **8int '*bli- vende mine '*nüne ••borge "dessen sa or. 176 Men dade die orse conreiden te hant Entie* scilde verwerven daer 15900 Entie* halsberge scuren naer Entie* speer oec ter stede, Scerpe yser daerin doen mede Entie helme bruneren doe. Dus bereidensi hem daer iilnoe 15905 Ombedatsi niet en wisten vorwaer, Welke t^jt zgs* te doene souden hebben Ende tegen wat liede*, God weet! [daer Des woudensi wel z^jn bereet; Ende doe si alle bereet waren 15910 Alse te treckene, doe stont op daemare Die koninck Lot, ende seide ter steden : »Gy heren , sint dat wj moeten* sceden, Denket ombe wael te doene, radic ia, God hoede iu! ie vaer* hene nu. 15915 Ende heb ie noet, so biddic* iu met, Dat gy komet ende niet en let, Als ie iu ontbiede". Ende elcgelovede daei Den andren te komene, ende daernaer Gaf dene den ander^ een l^jcteken, 15920 Wantsi duchten* hem sekerleken* Verraetnesse. Doe voer van daer Die koninck Lot, weet vorwaer, In sgn lant'^, ende elc van hem Es daer gesceden meer no** min, 15925 Ende voeren daema tharen landewaert. Die koninck Lot voer welbewaert Met sinen lieden, wel te harnas. Dier** wael vier**du8ent was. Die hem in den strgt bleven vor nu. 15930 Hi voer so lange, aeggic iu, Dat hi te Haterive quam In Loenoifl, daer hi vernam Sine liede**, die seer vervaert** waren Van den Scnnen, die hadden gevaren 15935 In dat lant ende gerovet mede. Doe si sagen** haren heer ter stede Waren* * si blide , ende daden** hem daer Grote feeste, ende daernaer Versameldensi liede ende soudeniere 15940 So vele dat hi er hadde sciere Tien**dusent sonder diegene, wet dat, Die daer woneden in der stat, *ünde de *zee8 'lude ^ moten "var 'bidde ik 'anderii •dmïhten •sekerliken '"land *'noch **dcr **veer **lude »* verveert * •tegen *^weren * ■deden **tyn *"unde der ** verwerden **de **cleyne **8ca- Ende dier** wael sevendusent was, Ende die hoeden, syt zeker das. 15945 Aldus verweerden** si ene lange tgt Den** koninck Lot, des seker s^t, Sodat hem die Sennen clene** Scade** deden ocht wel** na negene**. Daema voer doe van Soerhant 15950 Die koninck Ven tres *^ al te hant In sine stat, die Polle hiet, Die nu was in swaer verdriet Van den Sennen**, want haer**pa8 In ener halver mjle na was, 1 5955 Ende ombedit voer hi liggen in die stat Met vier* "dusent ridders* *, die hem na dat Bleven waren*' in den stryde groet, Daer der liede vele inne bleven doet. Doe ontboet hi sine liede aldaer, 15960 Scutten ende seriante, dat hi er naer Vyftien**dusent hadde mettengenen nu Die die stat hoeden, zeggic ia; Hi hielt hem tegen die Sennen wel**, Hi hadde dickewile strgt fel, 15965 Ende dickewile verloes hi ende wan Als men in stryde pliet** dan. Daema voer te haes die koninck Clarioen Met tweendusent mannen coen**, Die som gesont sgn , som gewent , 15970 Die hem bleven waren** ter stont, In den stryt vor den koninck Artaer**; Hi voer so lange dat hi ter aer** Quam te Montrubie nadat; Dat was ene vaste goede stat 15975 Maer si was sere bedwongen dor das Want der Sennen wech was Enter** Giganten, abi*' gingen Vandaer si lagen** ter voederinge** In des koninck Arturs lant , dat wet, 15980 Ende in Nortomberlant met^*. Ende als hi daer quam, so ontboet hi Ridders** ende knapen, verre endeby. Die tors waren*' ende herde snel, Ende dier** was achtedasent wel 15985 Sonder die in der stat waren** nu. Dier** was vier**du8ent, seggic iu; Daer weerdensi* * hem ende dicke vochten den **off wal **engcne *'Neure8 **Seyneu **er *" fitters **vyfiFteen *'wal '"pleget '^vrocm ■•Ar- tur, ur **ttnde der *'ake ze •* legen **voderingen **Bied ** weren **werde hi. 177 Tegen die Sennetif diese besochten. Daema voer ie sinen lande waert 15990 Die koninck Ydier met snelre vaert, Met vier'dusent mannen hem beneven, Die hem in den etrjde bleven; Hi reet so lange oec nadas, Dat hi qaam daer gestaen was 15995 Een casteel, die Mongla hiet, Die dicke hadde groet verdriet, Want hi lach .by enen passé ten tyden Daer die Sennen dicke overlyden; Die casteel stont op ener rotse daer 16000 So hoge, dat men sach vorwaer Al dat lant over, ende hi was Groet ende wjjt, als iet* las. Onder den castele liep een riviere Die groet was ende herde sciere, 16005 Ende was geheten Eoperne* met; Ende dat was daerombe, dat wet, Ombe dat men daerinne vant ter stede Manier van coper, wetet gerede; Ende in den castele vant hi daer 16010 Vele liede, ende oec daemaer Ontboet hi mage ende vrient* scire Ende selfsciitten* ende soudenire*, Sodat daer veertien ^dusent waren Mettien* van den castele twaren. 16015 Das hoede die koninck die merse* wel Ende was dickewile den Sennen fel Ende dede hem scade groet mede. Oec dede die koninck daer ter stede Die besten alle van den lande 16020 Entie** vitalie menegerhande In den casteel voeren in die stade, Sodat die Sennen negene scade Conden gcdoen, ende dat oec si Negene vitalie vonden daerby. 16025 Daema sciet die koninck te hant, Die van den hondert ridders' ' es gênant. Met vier'dusent ridders**, die alle waren Wel gewapent ende georset, twaren, Ende voer te Malant in die stat, 16030 Daer een herde edele vrouwe in sat. Die wedue was ende ionc** mede; An die merse* stont die stede Van sinen lande, ende ombedat si *vcer * ik dat 'keupeme *vrent 'selfscntters •sol- dire 'veertcD •mit den •marlse *"unde de **ritter8 **jonch **8ton. Eng. hut for it vmsnerre the pastages Dintrepasfie naest stont**, voer hi 16035 Nu daerin, ombedat die Seynen Te wanderne plagen** by den pi eyn en; Want die baroene van Malant Entie** vrouwe baden* *t hem te hant, Ende hi dadet dor horen wille** met. 16040 Dese hiet Agingmers, dat wet, Ende was koninck, edel ende vry, Hi hoede die lande verre ende by, Sodat die Sennen, by sinen daden, Den lande deden luttel scaden, 16045 Want hi was altoes gereet Te weren e al se daer enich leet. Daema sciet van der stat Soerhant Die koninck van Nortgales , Tradeliant, Ende voer in s|jn lant nadas, 16050 Daer hi herde welcome inne was; Want hi hadde scade gehat swaer Van den Sennen, die aldaer Gewandert waren* ^; want haer** pas Meest aldaer te wanderne was 16055 An ener reetsen, daersi te hande Groten scade daden den lande; Entie** koninck ontboet in dien** dagen Alle die wapene mochten dragen; Doe quamer so vele tot** hem daer 16060 Dat hi er hadde, wet vorwaer, Wael se vendusent tors* *ende te voet, [goet Ende in der stat waren werachtich ende Ses dusent man; hiermede weerde* * hi wel. Die Sennen die waren daer herde fel; 1 6065 Maer een casteel stont daer met gewout* *, Dien Heer* * Godebrandes suster hout* * Die Camele** was geheten**; Den wech, alse wi dat weten. En konde die koninck Tradeliant niet 16070 Dan Sennen benemen, wat desgesciet, Hem en quame** soccoers** ende spise Van den castele in alre wise; Want hi was so vast ter ure Nochtan en haddi** veste no mure, 16075 Sonder die lucht, daer hi mede was So vaste besloten, z^t seker das. Dat hi daermede was so beraden. Dat hem nieman en** konde gescaden; Ende dit was met nygromancien ** plegen **beden8 * 'willen * 'weren **cr **dcn **to »*toor8 **werae * 'gewelt, helt ** her '•Eng. Camyle "•gehieten **queme **hulpe * 'hadde he •"ncman. 23 178 16080 Gemaket ende met gokelieo , Daer Camele af konde meer Dan ieman, die wiete eer, Sonder Arturs suster Morgane' Ende Merl^jns yriendinne* Viviane*, 16085 Die hi minde herde sere doe, Ende hadde haer geleert alsoe Al die wonder van der werlt nu, Alse dit boeck sal seggen iu Hierna, als dat tgt es ende stede. 16090 Ende by desen castele, wetet mede, Hadden die Sennen haer soccoers* daer Dat mense niet mochte bringen^ vorwaer Wten lande vor dien tyden, [striden Dat die koninck Artur op hem quam 16095 Entie* koninck Bohort ende koninck Ban, Diese hier namaels verdreven dan. Nu was' hier na desen in porre Die koninck Brangores van Estragorre Met drien^ dusent man, ende voer na dat 16100 Tote Estragorre in sine stat, Die daer by der reetsen stoet. Hi ontboet daer tors ende te voet Vrient ende mage, so dat hi* Hem* sesdnsent hadde by, 6105 Sonder die in der stat waren, Dier was vier'dusent, twaren; Dese scaden den Sennen sere nu. Dese koninck hadde , seggic in , Een her(]e edel w^jf, die was 16110 Des keysers dochter, als iet'*' las, Adrianus van Constantinople ; Dese was fier'* ende herde noble, Ende was noch metten** vader dan; Ende si hadde gehat enen man, 16115 Ende was wedue eer se Brangores Te wive nam , ende hadde vor des Den koninck gehat van Blakie Ende oec mede van Bulgerie, Ende si haddene maer*" vijf iaer; 16120 Een scone kint bleef daernaer. Dat scoenste een , dat mochte wesen , Dat nu 80 groet was, als wy lesen, Dat hi wael ridder'^ mochte syn nu, Ende hiet Sagrimor, seggic iu, 16125 Ende dade** sint menege vromechede *Morgeyne, Vivieyne 'vrendinne 'erhulpe *bren- gen •unde de 'waer ^dren 'he, eme 'veer *"ik dat »»^r *»mit den '•mer **ritter »»dede »«hoe In den lande van Logres, ende andera mede, Alse dit boeck wael seggen sal. Nu liep dor die werelt al So grote nyemaer van koninck Artaer, 16130 Hoe** vrome hi waer*' nu ter uer, Hoe** stout, hoe** koene**, hoe** mylde, Ende hoe** goet hi waer** ten scilde, So datter** Sagrimor dicke vor das Te Constantinople , daer hi was, 16135 Af hoerde spreken menege dinck, Ende was van vgftien* * jaren een jongelinc. Doe begeerde hi dickewile seer, Dat hi van so goeden heer Ridder*^ mochte werden, als hi es, 16140 Ende seide oec dickewile na des Tegen sinen hemeliken* * raet , Dat en mochte niet syn, hoet** gaet, Die ridder** worde van so goeden man, Hi en soudes** zgn leven syn voertan 16145 Te'* beter. Dit seide -hi dicwile daer; Ende als hem s^ n oude* * vader daernaer Vermaende , dat hi ridder* * soude wesen. Want dat keyserike op hem na desen Versterven soude** na siner doet, 16150 So antworde hi den keyser bloet, Dat hi niet ridder*' werden en wille Vor dat (hem) die koninck, lude ende stille, Artur, die van Bertanien es heer. Ridder** make, des begeerde hi seer. 16155 Doe gevil dat also hier naer. Datten die keyser, wet ?orwaer, Wael bereide ende sendene alsoe Toten koninck Arture doe, Diene** ridder** makede sint. 16160 Nu kere ick weder daoromtrint Daer ie mine materie liet, Daer ie van den koningen** sciet. Die van Soerhant thueswaert varen. Na den koninge Brangores, twaren, 16165 Es die koninck Carados dan** Gesceden met vier*dusent man , Ende voer te Margore nadas In sine stat, die herde vaste was. Die opter merse** stont in dat lant 16170 Van Estragorre ende Nortomberlant; Die stat hilt** hi, dat s^gic iu. 1 T weer **kone **dat dar *®v^jfftecn **hemeliken **wodat «»zoldcs »*de *»older ••solde "nicht ritter * 'de ene * 'koninge ' "van dan * *op der martae • "helt. IVÖ Van sines wives halven uu, Want hi haddese behowet an haer' Ende Rrangores gafsem* daemaer 16175 Ende groet lant mede nochtan , Want hi sgn maech was ende syn man ; Van siner moeder* wegen mede Haddine^ herde lief ter stede. Die stat was sere bedwongen mede 16180 Van den Sennen, die daer ter stede Doe lagen*, want si en was niet Gemnret; maer, als men siet, So lach al ombe een maras, Daer si vele te* sterker af was, 16185 Sonder tener stat te landewaert, Daer was ene intreïe waelbewaert. Doe Carados qaam in die stede Ontboet hi knapen ende ridder^ mede, Dier* hi wael sevendusent hadde nadat, 16190 Sonder die* waren in der stat; Ende hi ontboet steenbickelaren Ende dade die stat beteren, twaren, Ende torren** maken, daer men mede Houden soude'* oec die stede. 16195 Dns weerdi*' hem tegen die Sennendaer Ende scade hem dicwile daemaer, Daer si reden dor s^jn lant, Want hi was vroem ende yaliant, Ende Uep hem op, als een lewe doet 16200 Te siner spise, des sgt vroet. Hi hoede die mersen'* herde wale. Met sinen lieden, ende sine pale, Sodat sj Inttel goet mesdeden Dat en worde gewroken ter steden. 16205 Hi hielt dat orloge lange tgt Tegen die Sennen, ende den str^t Dicke yerloes hi, ende oec wan; Hi sloech hem af menegen man Wetet wael'*, dat hi hem best hout** 16210 Tegen die Sennen met gewout**, Entie** se meest scade als te voren, Alse gy hier na wel sult horen. Nu suldy** horen van Anguissant, Die here was van Scotlant: 16215 Hi was die machtechste' * van allen mede Yan magen, entie** rikeste ter stede *er *gaff ze em 'medcr ^hadde he ene •legen *de *ritter 'der * de dar *®toenie ** holden solde *'werde h© * 'martsen * *wal * •helt, gewelt * •unde de * 'zole gy * 'meditigegte **wiite he *«iB **8ioetse; doch zie 't Entie'* jongeste van hem allen nu. Die ie genomt hebbe, zeggic iu; Maer van wapinen wisti** min mede 16220 Dan ienech van den andren dede. Hi voer nu met sevendusent man Wael tors van Soerhan, Ende reet te Corenges na des ïn sine stede, die vaste es'* 16225 Endd herde rike; maer si hadde nu Grote scade gehat, seggic iu. Van den Sennen , die daer dicke leden Ende dat lant hadden dorreden, Want dat en was maer twintich milen 16230 Scoetse* ' van der groter** stat ter wilen, Windeberes, daer dat grote heer** Vor lach, daer men, min no meer. Dat getal niet af en wist, twaren. Van dien, die daer vergadert** waren, 16235 Entie** elck** dagelikes oec mede Quamen** beliggen daer die stede; Ende als die koninck Anguissant komen es In sine stede te Corenges, Warens*' sine liede** herde blide. 16240 Daer weenden binnen te dien tyden** Sesdusent ridder, sonder poerter * " ter stede Ende ander volc, dat men niet telt mede. Doe dade die koninck ontbieden te hant Ridder ende seriante in s^jn lant, 16245 So vele dat hi en hadde wale Dertien* 'dusent bi getale Mettien, die hi bracht hadde mede, Sonder die hi vant in der stede. Dicwile street hi grote stride 16250 Tegen die Sennen nu bj tyden; Hi wan dicke ende verloes met** Geljc** men doet in stryde, (dat wet); Oec dade hi weder sine stede maken Daer se vor die Sennen braken; 16255 Aldus hielt** hi sgn lant wel Tegen die Sennen , al waren si fel. Na desen reet dhertoge Escant Met vier**dusent lieden** in sjjn lant Ende voer so lange dagelgc 16260 Dat hi quam te Cambengc In sine goede stat sekerlike. Eng. XX acotyachmyU »* groten "her **vergaddert * • eiker * • quemen * * weren des * • 1 ude * • to den tyde ••porter . •*drutteen »»mede "gelyc dat ■*heU ••veer **luden. 180 Die Bcone was ende berde rike, Ende vol van allen goede mede. Vier^usent man waren in der stede, 16265 Die vrome ende scoene waren Enten* hertoge festeerden", twaren, Want si waren bedwongen nu Van den Sennen, seggic iu, Die daer quamen van Arondeel, 16270 Van den castele, die een deel Stont by der merse van Camben^jc Ende by der roetsen der Sennen desgel^c, Die die koninck Artur hadde ten tyden Doen warneren*, doe hi te Carmelide 16275 Voer toten hertoge Leodeganne. Doe die hertoge, ende sine manne, Qnam in sine stat, ontboet hy Ridder*, seriante, verre ende by; Sodat hi er vergaderde wale 16280 TwalefMusent by getale, Daer hi die Sennen oriogede mede, Ende bescermede tlant^ ter stede, Ende hadde menegen swaren stqjt, Daer hi in wan somege tgt, 16285 Ende onderwilen verloes hi mede, Alse men pleget te meneger stede : Daer men orloget daer wint men alse na Ende alsenn verliest men, zeggic iu. Aldus als gy hebbet vernomen 16290 So zjjn dese tien* prinsen komen Elck in sijn lant, ie zeg iu dat, Entie* koninck Uriens bleefin sine stat, Ende ontboet sine liede daeran, Ende vergaderde achtedusent man 16295 Sonder die woneden in der stede, Ende dier^* was sesdusent mede. Ende Windeberes was oec daer** Wael** in ener dachvaert naer**, Daer die Sennen vor lagen ter t^jt. 16300 Si hadden menegen pongys ende str^t Tegen die Sennen, ende wonnen daer Op hen menegen strgt swaer Ende oec vcrlorensi dicke mede, Datsi bescermeden lant ende stede; 16305 Dus hieldensi dat lant lange tyt In orlogen ende in swaren stryt, *veer 'unJeden 'feestededen ^^iï%. hadde wétü g ar- nysthed •ritter 'twelf 'dat L •tijn *undede *'der **da, na **wal **lude **ne **roveden '"op den >»de **vodcrcn **werde *"?reer **dede **joncheni. Sodat men daer en erde no kom wan, Ende tlant woeste wart daeran, Sodat binnen v^f jaren daernaer 16310 Die liede** van den lande vorwaer En'* leveden nergen mede nu Dan dene den ander, zeggic iu, Rovede** ende nam met crachtemede; Dus onthieldensi hem daer ter stede 16315 Lange tyt, by dage by nachten. Dat sy anders niet en wachten Dan dene rovede opten** ander daer. Entie* Sennen, wet vorwaer, Orlogeden oec die*^ lande seer, 16320 Oec dedensi daema noch meer: Si voeren voederen** in Arturs lande Ende deden daer scade menegerhande , Want daer en was nieman, diese daer Weerde**, dat en waer** also vorwaer 16325 Dat God, Onse Here, woude vorsien Als hi oec dade** seer nadien. Want hi daer sende vrome joncheren**. Die dat lant zullen** verweren** Toter** tijt ende toter** uer**, 16330 Dat die koninck Artuer** Comen sal vun Carmelide, Daer hi gevaren was tien tyden . Self veertechste** van ridderen** koene, Omb een huwelyc daer te doene 16335 An des koninges dochter Leodegan, Die hi daer met wapine wan , Ombedat hi daer den koninck Rioen** Verdreef als een degen koen**, Ende namaels oec nam sjjn leven; 16340 Ombe dit was hem Jenover** gegeven Tot enen wive in vrientlecheden**. Uier ende ie dit boeck ter steden Ende sal een ander nu angaen Van Graweins** kintheit, sonder waen, 16345 Ende alle siner broeder** oec mede, Wat si daden in meneger stede Eer si ridder* worden weren, Ende van Galescins, den heren, Die vrome was ende herde scone , 16350 Ende was des koninck Ventres** sone, Ende vanYweine* *ende vele ander tsamen; vcrwem **ïolcn tigeste *'rittern **'vrentl. **Gawtn8 **tot der **urep, Arturen **vier- Kioue, kone **£ng. Oinmotê **broder **Neutres **Ywaii©. as 181 Hoe dese' begonden ende opquamen, Dat sal ia dit boeck, groet ende smal, Van beghinne berechten* al. Van Gaweins kintheit ende siner broeder; ende wie* des koninck Arturs suster kinder waren; ende hoe si sijn lant bescermeden , theni die koninck Artur quam van Carmdide, 16355 In der soeter* tijt van Meye, Dat elc YOgelgn menegerleje Singet sinen soeten^ sanck, Ende doe dat wout* al gemanck Met groenen love* was bevaen, 16360 Ende als die werlt daerbj saen Ontsteken* ende ontsenget was van vroj- Ende van blyscap al verloyde, [den Entie soete* crudc ontspruten, Die den winter lagen in (der) maten, 16365 Doe die berge entie dale Met bloemen bestroit waren wale Ende bosch*, heide, ende bome becleet Met groenen loveren was bespreet, Entie aerde^* dede verharen 16370 Die vrachte, die bedwongen waren, Ende alrehande dinck^' gecomen voert Dat den winter lach versmoert, Dat die soete lucht doet openbaren Entie tyden** van den jare; 16375 Ende als die niewe soete minne, Die die jonge** herte hebben'* innc Van den sconen jongen joncfroawen Ende van den hoveschen gerakeden vrou- Ende van den jongelingen daeran, [wen, 16380 Ende van menegen hoveschen man, Die t**herte behagel hebben ende joljt Dor die soete nu we** tjjt, Die doe was angegaen; — In deser*' tjjt, heb ie verstaen, 16385 Doe gevü dat Gawein'* Ende Garies ende Agravein** Ende Gwerries**, ende Galescins, twaren, Entie** in haer** geselscap waren Wouden** varen ten koninck* * Artare ; 16390 Ende als iü sal tellen daventure *wo desse * berichten 'we ^soeten 'do de wolde 'gronen lobe ^ontsticket ■soten 'busch * "eerde * 'dinch * "tijde "jongen ** hebbet **de dat **de soeten nuwen ^^deuer '*Gawaen '*Egravaen *®Ëng. (?a^ riet '*ande de *'er * 'wolden, koninch **2eg ikiu Alle dese kinder nu** Waren Arturs susterkinder , seggic iu; Want Ygeroe , koninck Arturs moeder* *, Als ie iu sal maken vroeder**, 16395 Hadde twe dochter van horen'* man Den hertoge, entie** ene daeran Hadde te wivodie*' koninck** Ventres ; Daeran wan hi enen sone na des, Die Galescins was geheten, 16400 Die seder was een ridder vermeten, Als gj wel horen sult hierna; Entie** koninck** Lot, alsic versta, Hadde die ander dochter te wive, Ende hi wan an horen live 16405 Vier sone, entie** ene hiet Gawein Die ander Gwerriêa*" entie derde Agra- Entie vierde hiet Garies. [vein**, Si waren scone, sjjt seker des, Ende vrome alle te wapene daemaer, 16410 Doe si opquamen**, wet vorwaer. Nu hoerde Galescins, Co. Ventres sone, Sine moeder seggen dicke na datgone Dat die koninck Artur waer** sjjnoem; Doe nam hi des an haer goem, 16415 Ende sochte enen bode, dien hi sende An Gawine, sine neve*®, met genende, Ende an sine broeder, wet vorwaer. Dat hine quame spreken daemaer Ter nuwer**ferteit in Broserant**, 16420 Ende dat hi quame** daer te hant, So hi alrehemelecste** kan, Ende dade** ember den raet daeran Dat hi trecke, of hi mach. Des derden dages na Paeschedach. 16425 Dus reet die bode enwech, seggic iu, So lange dat hi te Gales quam nu, In die stat, daer die kinder waren, Metter moeder* * ; maer die vader, twaren, Was te*' Hauterive in der stat, 16430 Daer die Sennen lagen** bj dat. Alse die** bode te*' Gales quam Ende hi Gawine daer vernam, Dade* * hi den met , dat hine* " sprac daer Ende zeide hem, dat hem ontbode daemaer 16435 » Galescins, iu neve; ende oec wet, »»moder, vroder "oren "oren **qucmen ''weer '•neven "nuwen '^Eng. at newark in Drochclonde "quemo '^heimelikes "dede "mit dermoder "to "de Seynen legen ''de *®he ne. 182 Dat gy iu broeder brenget met* Ende kornet ter nawer ferteit inne, Also lief als gj hebt* sine minne; Hi sal uaer ember iegen ia wesen, 16440 Ende trecket des Paeschedages na desen Opten derden dach nadien'\ Doe die kinder hoerden van dien, Waren si des blyde , ende zeiden doe , Si souden daer alle komen alsoe, 16445 Want si wisten wael, zp seker das, Dat Bonder orbaer niet en was Dat hise so haestelic ontbode daer. Gawyn gaf een ors daemaer Den bode^, ende hiet hem also houde' 16450 Dat hi hem sinen neve groeten sonde*. Die bode seide , hi soudet* doen vorwaer Ende es na gesceden^ van daer, Ende voer so lange doe nadas, Dat hi quam daer Galescins was; 16455 Ende doe hi quam tsinen joncheer, Groete hine van Gawinshalven seer, Ende seide, dat hi hem gelovede nu, Ende sine broeder mede, seggic in, Datsi sullen ter nuwer ferteit al 16460 Comen, hebbensi geval, Opten dach, dat hise ter stede Comen hiet, sonder enege bede. Doe ginck hem Galescins bereiden Met sinen gesellen, sonder beiden, 16465 Ende voer ter nuwer ferteit daemaer, Ende quam opten Paeschdach .daer, Ende ontbeide daer sine neven nu So lange datsi quamen, seggic in. Daer dade dene den ander feeste groet, 16470 Doe vragede Gawin waerombe hine ont- So haestelijc? »dat sonde ie nu [boet Geme weten hier van in; Want en hadde in boetscap gedaen, Wi waren nu anderswaer sonder waen, 16475 Daer wy nu begeren te sine Hemelike ende oec stillekine". Als dat Galescins hoerde , doe zeide hi : »Neve, waer wildy varen sonder my? Gy en zoudt met rechten negene* dinge 16480 Doen, sonder my sonderlinge; Segget my, waer gy varen wilt nu 'med ^hebbet 'omber ^boden *holde, solde *zol- det ^gescieden 'gene 'willen ''deynen ^'sotesten **iinde den * •Cristenhede **ie **Got **mote gy Dan sal ie minen wille* seggen ia; Ende waerombe ie ia hier ontboet, Sal ie iu seggen, cleen ende groet'\ 16485 Gawyn seide doe: »bi Onsen Heer, Ie wil varen nu voertmeer Dienen** enen den airebesten man, Den soetsten* * enten* * mildesten daeran, Enten* * goedertierensten ende vroemsten 16490 Den edelsten van al Kerstenhede** [mede, Ende daer ie meer dogeden mede Af hebbe gehoert, na ter stede, Dan ie iu oit*^ seggen hoerde Van ienegen manne, in waren woerde'\ 16495 ^God*•'\ zeide Galescins nu meer, »Wie mach dit zgn. God**, lieve Heer, So moety** geven, dat moet** weaen Daer ie iu omb ontboet vor desen"". »By Gode", zeide Gawyn voertan, 16500 »Men soude* * niet verswigeh snlken man Maer hi soude genoemt sgn gereet Vor alle goede liede, God weet; Hi es geheten die koninck** Aitner Eude es in oem, entie onse ter uer; 16505 Maer met groten onrechte sekerlike Orlogen hem die barone van den rike, Diene* * met rechte minnen souden seer; Ende dat kenne God, Onse Heer, Dat ik swaert en'*gorde nembermeer, 16510 Hi en hebbet my selven gegort eer"'. Ende alse Galescins dit verboerde. En was hi nie'* so blide van weerde, Ende greep Gawyne in sine arme doe Ende helsedene van bliscapen aLsoe, 16515 Ende zeide hem, dat hine mede Nergent omb anders ontboet ter stede Dan ombe dese sticke*' openbaer; Ende doe seide hi hem daemaer Dat hi oit**, sint dat s^n vader 16520 Van der batalien komen was te g^er, Daer hi hiervor inne gesconfiert was, Wille** oec sint hadde, zgt seker daa, Dat hi ten* * koninck Artur varen wonde* *• G^wyn seide doe also houde**, 16525 Dat h^t** heeft horen seggen al Hoe dat gesciede, groet ende smal, »Ende mgn moeder zeidet oec my '*dat mote "solde nicht **de honinch **de ene *«ne *»8tuckc * «willen **to "wolde, holde ««hc dat 183 Hoe alle diuck^ gesciet 8j^\ Doe si lange hadden aldaer 16580 (besproken, doe visierden si daemaer, Welke tgt si' trecken wouden*. Si droegen* overeen , dat si souden* Binnen veertien* nachten trecken met. Dus sciedensi daer ongelet, 16535 Ënde elc voer thuesw'aerthem bereiden Al hemelyc*, al sonder beiden, Van orsen, van gereiden vorwaer, Yan sierheden* scoene ende claer, Ende van wapene mede nu, 16540 Alse hem betaemdo, zeggic iu; Galescins nam met hem daemaer Twehondert gesellen, vroem* ende claer, Wael* gereden ende wael* te harnas, Entie'* besten mede, sp seker das, 16445 Die in alle sinen rike waren, Ende es so hemelyc* enwech gevaren, Dat s^n vader niet en wiste nu, Ende quam ter nuwer ferteit, zeggic iu, Ende bleef daer so lange mede , 16550 Dat Gawyn quam daer ter stede , Ende sine broeder, die brachten daer Ygf hondert man, dapper ende claer, Ende wael* gereden ende te harnas, Ende wael' alle, z^t seker das, 16555 Hoger liede' * kinder, ridder ende knapen, Die wael dienen^* konden met wapen, Maer van den vgf hondert wasser zestich Riddei**, dapper ende snel, [wel* Ende van dien, die Galescins brachte daer, 16560 Wasser twintich ridder** maer. Doe si dus vergadert** waren Haddensi grote feeste, twaren, Ende bereiden hem daer ter stede. Daer droegen* si overeen oec mede, 16565 Datsi trecken wouden* te Logres In Bertanien, zgt seker des; Daer soudensi ierst vernemen nu, Waer die koninck, haer oem, es, zeggic iu. Dus es Gtawyn ende Gwerries 16570 Ende Agravein ende Garies Ende Galescins, met haren lieden** Ende met al horen masnieden, *di]ige *dat se * wolden, solden * drogen *veer- teen 'heimelyc ^zijrheiden •*lude **ritter *'denen 1 • ■vrorae 'wal *®unde de * * vergaddert * * laden Tcer *^hette Willen **do dat **de sotcn **jonch Van der nuwer ferteit gesceden Ende te Bertanien waert gereden, 16575 Ende voeren vier** dage alsoo. Des v^ften dages stondensi op vroe Ombe der hetten wille*' dordas. Die in midden den dach was. Dus redensi in der coelhede 16580 Des morgens, doet** scone was, mede Si minden sere die soete** tyt Als die jonck** waren ende jolgt. Si waren noch, wetet, te doene niet Grote pine**, si waren, dat siet**, 16585 Wel gewapent alse knapen doe** Plagen** te sine, ie segge iu hoe**: Elc hadde enen yaerinen hoet Op sgn hovet, vaste eude goet, Ende haer swaerde hingen doen** 16590 An den gereide, an den artsoen; Want dat lant en was niet alsoe Seker, ombe der Seunen wille, doe** Ende dat was een vol lant Van allen goede**, dat men vant, 16595 Ende was scade, z^t seker das. Dat al sulc lant gedestrueert was So lange t^t ende met onrechte. Dese kinder, daer ie iu af berechte. Reden te Logreswaert, al horen pas, 16600 Ende onderwegen, zjjt zeker das, Vondensi den koninck Gwinebante [lante, Enten** koninck Walebrone ende Mode- Enten** koninck Sornagut ende Sorin- Enten** koninck Kinehante; [gante, 16605 Dese hadden dat lant van Logres Gedestrueert. zgt zeker des, Ende gerovet, ende voerden daer Grote spise met hem vorwaer; Sovele hadden genomen sy, 16610 Dat lange haer liede mochten daerby Genoech hebben gebat daer mede, Vleesch, broet, wjjn, gerede; Want si hadden gerovet ten stonden Dhavene* ', daer si groet goet inne vonden, 16615 Wantsi vondense al vol** ter stede Van spise ende van comenscap mede, Sodatsi sevendusent somer** aldaer **ling. tender to tuffre grete travctyU **wefc, do,wo •■plegen **do **gaede '"unde den *'de havene ••vul **Eng. êomeret. 184 Ende vöfhondert wagene daernaer, Ende seshondert kerren loeden' mede. 16620 Dat karren* was so groet ter stede, Dat onvertallic* te seggene es; Ende aldaer si voeren, zjjt seker des, Stoef die moude* ongehicr", Ende si makeden so groet vier* 16625 In den dorpen^, die die Senen* Ontstaken*, daer si voeren henen', Dat men wel mochte sien*" Ene** halve myle van dien Waerheen datsi voeren mettesen**. 16630 Alse die kinder nakeden den resen**, Ende hoerden dat helpgeroep mede Van den lantlieden** ter stede, Ombedatse die Sennen* roveden daer Ende verbranden ; oec wet vorwaer 16535 Datter daer wel tien**du8ent was, Sonder dat voetvolc, die nadas In dat lant liepen ende roefdent* • al ; — Doe die kinder hoerden dat gescal Ende dat verdriet* ', die* • daer gescieden; 1 6640 Doe vrageden die kinder den dorplieden * • Waer die koninck Artur es. Die dorpliede seiden na des, Dat hi te Carmelide waer' • nu , »Ende te Halfvasten , seggic in, 16645 Voer hi rechte derwaert*®; Ende hi hevet hier also bewaert Sine borge ende sine stade, Dat hem nieman en kan doen scade. Des sjjn die Sennen so erre**, 16650 Dat sijt al verderven by ende verre**, Ende roven dat lant, als gy siet". Doe die kinder hoerden, dat die koninck niet In den lande en es, doe zeiden sy Datsi wouden verweren daerby 16655 Den roef, ende tlant houden daernaer Tote dat die koninck,ha<ïroem,komen waer. Alse die dorpliede hoerden die woert Vragedensi , wie si waren , voert. Doe zeiden hem die kinder daernaer 16660 Wie si waren. Des waren daer Die dorpliede herde blide seer, Want si hopeden, dat sine eer * loden *Enp;. cariage "unvcrtellic * molde •onge- huer •vucr 'de dorpe •Seynen. heyncn •ontsteken * °8cen ' ' cyne ' » inyt descn * ' Kng, chijvachie * * lunt- luden **tyn ^'dat * 'Eng. jo/ö/We?* '•dorpluden ''weer * "darwert ' ' irre , virre * * to hant * 'pinseden * * vren- Die koninck sonde behouden thanf, Overmyds hem, ende oec syn lant, 16665 Ende van den koninge, overmyds hem, Penseden*' si daer in horen sin , Vrientscap** zoude werden eerietlanc; Si wisten des den kindren** groten danc Ende pqjsedense herde sere daer, 16670 Ende si daden** hem oec daernaer In hoer geselscap, ende reden mede Daer die kinder reden ter stede. Enten** kindren** wies** haer herte Van den verdriete ende van den smerte, 16675 Die** die Sennen daer daden int lant, Ende riepen op haer liede** te hant: >Gy edele barone, bereidet in, Laet ons desen roef bescudden na, Dien** dese quade Sennen voeren; 1 6680 Laet sien , wie sal hem wel roeren ?" Doe vergordensi hoer orse daer Ende saten** daer op, ende daernaer Ordineerden die ridders** haer scaren. Die** daer wel tachtentich waren, 16685 Die vrome waren** ende getrouwe**; Ende alse die lantliede dat scouwen, Trocken** daer an hem, des zgtvroet, Wael vijfhondert tors ende te voet; Ende alsi** dus vergadert waren, 16690 Voeren** si alle gader daemare Ende ontmoeten die* * kerren ter stede, Ende hem vierdusent oec daermede, Die die** kerren geleiden daer; Ende dat was nonedages vorwaer**, 16695 Ende was oec wtermaten heet**, Ende dat sant stoef gereet. Daersi nu hene lieten draven Daer die viande vorscaven, Daer sloegensi iu met geruchte groet, 16700 Ende wondedense ende sloegense doet. Gawyn doeder sovele daer nu. Dat hi bebloedet was, zeggic in. Van boven tote beneden toe ; Daer en sloecher nieman doe 16705 Sovele, als hi dede, wetet vorwaer. Want hi droech ene gyseme** daer, Daer hi met beiden handen sloech mede ; soap **kindem ■•deden ••lude **8eten '"fitters wen **treckedcn "alse se •"voren ^*Eng. and it was passed mycUtay an ase. *'unde den ••der •* SS »s W08 **dat ••get ron- den * 'de de *»hiet weren 99 **Bng. 185 Wien* hi gerakede daer ter stede, Dien* clovede hi toten gordele toe, 16710 Eude eine broeder dadent' oecweldoe, Sodat nieman (en) dorste ontbeiden Hoers^ sla ge» ; oec en* wonde niet sceiden Galescins van Gawyne ter stede Die wonder oec met wapene dede; 16715 Hi sloech al doet dat vor hem quam. Maer van dien* wonder men noit vernam, Dat Gawyn dede , want vor hem ter uren En mochte jser noch stael' gednren, Noch wapene noch man negeen 16720 Die so sterck was, maer nembor een. Hier dadent* die kinder also wale Dat van den vier^dusent by getale, Die den roef geleiden daer. Niet meer dan twintich ontvoer daemaer 16725 Ende vloen ten andren* waert Dier* sevendusent was in der vaert; Maer si en hadden som gene wapen, Si hadden ») doen trossen hoer^* knapen Ombe der hetten wille*', die was doen. 16780 Doe dese twintich qnamen gevloen. Groet gerachte makedensi daemare, Ende riepen datsi al verslagen waren. Doe dit diegene hoerden vorwaer Die die** kerren leiden daer, 16735 Riepen si daer te wapen nu Die si daer hadden, zeggic iu; Maer terde* ' deel van hem, als men siet. En hadden daer haer wapene niet; Want die metten** kerren waren voren** 16740 Haddense met hem , des haddensi toren**, Entie** hadden die kinder gewonnen daer Ende sondense metten** dorplieden*' naer Te Logreswaert binnen der stede ; Entie** kinder volgeden oec mede 16745 Den twintigen, die daer nu vloen, Dat si quamen** op diegene doen Die hem daer wapenden metter vaort, Daer sloegensi in ongespaert. Daer wart die batalie nu groet, 16750 Ende daer wart so grote noet, Dat wonder was te** ansiene Tesen*" ingange, tesen** gesciene *wat *den 'deden dat *ore8 'ne 'staen ^vecr •an- dem 'der '^'oren * 'willen **den **dat derde **myt- dcn **vom, torn ''unde de "dorpluden **quemcn **io "•to dessen *'kone, Alebrone **to der **ko- Sloech Gawyn als die koene** Met siner gisermen koninck Alebroene** 16755 Dat hine** clovede toter borst toe; Ende Galescins sloech mede doe Den koninck* ' Soringanne doet ter stede Ende ander vele ridders** mede. Ende Agrawein** sloech in die porse 16760 Ende vellede menegen van den orse; Gaheries, die jagcde Gwinebaude Den koninck vor hom , al was dat scande, Ui vlo van siner geselscap daer Enen bogensiote verre vorwaer. 16765 Dit was ombedat hi stac ter aerde** Gaheriesse*^ van sinen paerde Ende gewont hadde met sinen speer**, Maer hi en hadde daeraf gene deer**. Dit woude Gaheries*^ wreken daer, 16770 Maer Gwinebant ontvlo daemaer Want hi siner niet dorste ontbeideo; Want hi sach hem daer in dat sceiden So vreselike slage slaen, Dat hi des blide waer kondi** ontgaen. 16775 Dit boeck secht oec*", hier ter stede, Dat hi niet vele min met wapene dede Dan syn broeder Gawyn vorwaer, Doe hi sine t^t hadde ende sine jaer; Ende alsi** sach datten** Gwinebant 16780 Ontwenkede, swoer hi te hant Hi en ontvoer hem so nembermeer, Hi en sonde sinen broeder wreken eer; Want hi meende** dat hi doet waer, Hi sloech sjjn ors met sporen daemaer 16785 Ende iagedene so verre nadas, Dat hi verre van sinen lieden was; Doe quamen tegen hem Gwinebannes lie- Al gewapent, ende elc daertyde [de** Te strydewaert ; ende Gaheries heeft ver- 1 6790 Den koninck,ende riep nu: » betaelt!"[haelt Mettien** hevet hi dat swaert verheven Enten** koninck** enen slach gegeven Tuscen den helme enten** scilt ter stede Optie* ^ scouderen, dat hi daermede 16795 Den arm metten scilde dade daer Ter aerden** vallen; ende daemaer Wart die koninck** versaget alsoe, ninch ** fitters **Egrawcyn **eerde "'Garicase, Garies '"sper, der **weer konde he ■^'ok "alsehe **dat em "mende ■*ludc ••mit den **undc den •'op de ••to der eerden. 24 186 Dat hi iu onmacht ter aerden vil* doe; boe keerde* Gaheries nadat, 16800 Ende was blide dat hi ter at^t Sinen broeder hevet gewroken an dien*. Desen slach hebben die Sennengesien*, Ende wouden dit op hem wreken daer , Entie* koninck üwinebant riep daernaer: 16805 »Gy lateien iu oevele* ontgaen". Doe sloegen si al op hem saen, Ende omberingcden ende staken mede Met glavien op hem daer ter stede , So datsi sijn ors doden daer 16810 Ende velden hem ter aerden naer^ ; Maer hi spranc op sine voete doe, Ende nam s^n swaert ende ginck* hem to( Ende weerdene* als een Ie we daermede; Daer en was negeen Senne ter stede, 16815 Die hem dorste iet genaken So verre** als sjjn swaert konde geraken, Maer si scoten op hem, weetvorwaer, Met speren, met swaerden,met kni ven daer. So lange datsine op sine kuien** 16820 Twewerf brachten mettien*»; Ui en hadde niet mogen geduren Hi en waer gevangen ocht* * doet ter uren. En hadde gedaen een knape nu Die sere quam roepende, zeggic iu, 16825 Ende mesbarende** in den pleyne, Met sinen handen slaende op Gawejne Die gereddet hadde Garietten, Sinen broeder op dat ors, sonder letten, Dat hl och te* * Sarnagut den koninck wan 16830 Die knape riep; »Gaweyn, edel man. Wat let iu ? my duncket , seggic iu , Dat gy Gaheries verliesen sult nu, Gy en voerten** bescudden, want hi es** So verre* gevolget, zgt zeker des, 16835 Enen koninge, dien** hi nu sloech; Des hevet hi nu syn ongevoech, Want menech Senne heveten nu Omberinget; oec*^ zeggic iu Datsi zyn ors hebben gedoet. 16840 Hi hevet soccoers** groten neet; Dat es* * scade blivet hi doet in den pleyn". Alse dit verstout Gaweyn**, »vel * kierde 'den ^geseen *unde de •ovclc 'dar- naer 'genk •werden ^''vere **kneen, mytdeen **off '•mysbamde ** vort ene **is "den '^ok *'halpe '•Gawyn * "hadde he **vul **ikene **he **knapen **buache * 'helpen *'to **leve * 'zegge gy ""solde Haddi** des rouwe ende riep seer An Onse Vrouwe ende an Onsen Heer; 16845 Ende seide: » Maria moeder vol* *alre doget, Ie bidde lu, dat gy my verhoget Van mynen broeder, dat icken** niet En verliese; want waer dat gesciet Ie en worde nembermeer blide dim , 1 6850 Ende nembermeer so en quame voertan Scilt an mgn hals!" — Doe vragedehi** Den knape** waer sgn broeder sy. Ende hi wiseden hem ter stede By enen bosche**; doe riep gerede 16855 Gaweyn sine gesellen na dien, Ende zeide: >nu sal ie wael sien Wie. (mi) helpen ** sal ter stede". Galescins tot** Gawine doe zeide: » Lieve** neve, wat segdy** nu? 16860 Hier sonde** nieman ander bidden, zeggic Maer elc sonde** riden dat hi mochte [iu, Si en sullen** hem doet** hebben als ie Eer wy daer comen, weet vorwaer".[dochte 'Doe sloe^ren die kinder met sporen daer, 16865 Ende Gaweyn reet vor, sg iu bekant; Hi hadde ene giserme in der hant Ende es** in hem gereden daer, Ende sloech op nem sulke slagenaer*^ Metter** gisermen, sonder vorste, 16870 Dat nieman siner ontbeiden dorste; Want wien hi gerakede bleef doet. Sine gesellen reden in dat conroet Ende vclder so vele van denpaerden**. Dat si met hoepen lagen*' ter aerden**; 1 6875 So lange vochten si ende streden , Datsi Gaheries ter** steden Geatrecket vonden liggen onder voet , Ende hadden hem den stalen hoet Afgedaen entie** cotiSe met**, 16880 Ende sjjn hovet ontwapent, dat wet, Ombe hem af te slane aldaer. Doe bedachtensi hem naer** Dat sine levendich wouden* * vaen , Enten koninck* * Barnagut senden saen , 16885 Horen** heren; want hi was Koninck* * van den Sennen , ende ombdas Bondensi hem sine hande recht **zolcn **dodet "Ms ••damaer ■•mitder *«perde erden *Megen ■•to der ■•unde de *«Eng. Ai* Ao/^^ o/ HM and hit coyf oj mayle **«e em damaer ** wolden **coninch **oren. 187 Opten* ragge, ende leiden averecht. Ende binnen dien daer* quam Gawein 16890 Ende sine broeder opten plein, Ende sloegen' op hem «lage so groet, Dat al moeste* bliven doet, Dat hem genakede daer ter stede. Gawyn dat meeste wonder dede, 16895 Dat ieman sach in genen dagen. Doe dit diegene aldus sagen Die sinen broeder hadden gebonden, Gingensi vlien* wat si konden; Ende Gaheries sach Gawine doe, 16900 Hi scamede hem dat hi lach alsoe Ende spranc op; ende daemaer Ontbondensi sine hande ; doe nam hi daer Sinen hoet ende settene nu Op sgn hovet, dat zeggic iu , 16905 Ende nam syn swaert in sine hant, Ende ginck hem weren, s^* iu bckant; Doe sach hi ombe ende vernam Waer sjjn broeder Agrawein' quam, Ende brachte hem een ors , ende soide : 1U910 » Broeder, nu sit op sonder beiden^, [socht" Dat was doerheit , dat gj so verre ver- Van ons te vaerne*, gy haddet verkocht Des waert iu'* genoech, zeggic iu". Hi sat op dat ors, ende daema nu 16915 Vergaderden die gebroeder haerliede*', Entie* " Sennen , met horen ongediede* *, Bliesen haer trompen ende makeden daei Haer batalien , wet vorwaer ; Entie** kinder vergaderden aen hem doe 16920 Entie dorpliede mede alsoe; Ende som voerden'* si den roef groet Te Logreswaert met groter speet, Ende was drie** mylen van daer; Si meenden altenen dat men hem naer 16925 Volgen mochte van den Seniien nu; Ter poerten quamensi , zeggic iu , Ende riepen : »laet in'*; doe vrageden daer Die die poerten hoeden daernaer: »Wies** es datgoet?" — Doe zeiden si*^: 16930 »Hier syn komen kinder vry, Gawyn ende sine broeder , dat wet , Ende Galescins, haer neve, niet, 'op der *dat dar "slogcn *mo8te •vleen 'i^ra- wcin ^beide •vere vlocht 'to varne ***wirt dir; Eng.: fttll nyffA hadde ye more lost than tconne * Mude ' *on- giede **unde de **vordcn '*dre *'wes *^gaet **do legeden se '*lade * «'stolt, gewolt '^ holden, scolden Die es des koninck Ventres soen, Ende hebben met hem sevendusent koen, 16935 Die jonge liede'* syn ende stout*", Ende «eggen datsi mot gcwout*" Horos omes lant sullen helpen honden** Ende nem berm eer, bi horer scouden*', Horen oem en zullen begeven ; 16940 Si quamen ridende hier beneven, Daer die Sennen dat' goet voertan Voerden enwech met vier* "dusent man. Si sloegen*' doe in den hoep Ende hebbense altemale doet, 16945 Ende bescudden t**goet aldaer Ende gaven dat ons te voeme daemaer Ter statwaert, ende si bleven daer an Vechtende tegen sevendusent man , Die alle volgeden den proye; 16950 Ondoet die po»rte met groter joye**, Ende voert hem helpen so doedy wale". Alse die poerter hoerden dcse tale, Waren si des blide ende ontdeden Haer poerten met groter haestecheden , 16955 Ende lietense inkomen, ende daernaer saen Gereidensi hem sonder waen Ende wouden den kindren belpen daer. Doe blies*' men een horen saen daernaer; Ende als men dit hoerde in der stat 16960 So vergaderde al dat volc nadat [daer Vor des borchgraven** hues, ende beiden Thent*' dat hi tot hem quam daernaer. Dese borchgrave was getrouwe mede Ende hiet Does van Cardoele , der stede, 16965 Doe ginck hi daer die liede" waren, Daer vant hi hem sevendusent, twaren, Wale** gewapent ende tors mede. Doe zeide hi tot hem : ^gy sult in der stede Som bliven , ombe die stat te"* bewaren, 16070 Ende som sullen wy wtvaren; Want wy en* ' weten niet, wat' * wy gemene Vinden , dat waer qnaet lietewy allene Onse stat". Doe seiden si daer Toten borchgrave: »gy zegget waer, 16975 Nu nemet so vele als gy selt"'*. Doe nam hi daer" vier'^dusentgetelt", Ende drie"dusent liet hi in der stede * * veer * ' slogcn * * dit * * Eng. and foughten taitA hem till theif have hem. all slai/n and disrounfi/ed, and sesed us with thepratf to bringe to this citee saf; and t her f ore open the yates. * •bleef *'borchgrcven *"wpnt **wal '•to "nc »*want '*er »*vecr "•wilt, getilt *«drc, 188 Die stat te houdene* mede. Doe voer die borchgrave gereet 16980 Daer men herde eere street; Maer die Sennen en mcrkeden niet das, Ombedat daer' niet herde vele en was Metten' kindren, ende oec, t waren, Ombedat die kinder jonck waren 16985 Ontsagen^ si se te* min ter stede, [mede Ënde oec en haddensi miier tachtentich Ridder* daer, ende seshondert knapen, Ënde driehondert lantliede in die wapen. Die an die kinder komco waren, 16990 Die zeiden, datêi liever, twaren, Te* stervene hadden dan si hem afgingen; Enter* Sennen was , in waren dingen , Sevendusent, entie koninck Modelant Was derselver een, ende Gwinebant. 16995 Dese makeden twe batalien naer*, Ënde in eiker batalien was daer Drie**dnsent ende vjjfhondert mede; Dese vergaderden alle ter stede Optie*' kinder, ende Gwinebant 17000 Hadde een scerp jser in der hant; Hi was groet, st^rck, ende koene**, Hiquam soovermoedech* *in sinendoene* *, Ocht hi'^ se alle woude veriagen Ende verblasen ende versagen; 17005 Ënde Gawyn, die vor hem allen was, Hielt sïjn speer'*, s^jt seker das, In siner hant ende quam hem tegen Daer die gene quam geslegen Ënde Gawine op sine borst stac, 17010 Dat sjjn speer in sticken brac; Maer sgn halsberch was daer so goet. Dat hi des stekes daer wederstoet; Ende Gkiwyn reet an hem daer Ende gaf hem enen slach so swaer, 17015 Dat hi lach op sgn artsoen, Ende hadde hem niet ontkeert doen Die giserme in der hant, Also als hem die slach ontwant, Hi hadde hem dat hovet geclovet 17020 Al toten tanden, des gelovet; Ende also als die slach scampede neder , Sloech hi den orse also weder *to holdene *er 'mit den ^ontsegen •de •ritter *to 'unde der •damaer *"dre **op de '*kone, done **overmodich **off he **8per ^•do vellen se, hc "to der "zegen '•menden *'weer *Marwert Den hals af; doe vielen si'* Beide ter'* aerdcn, dat ors ende hi. 17025 Doe die Sennen zagen'* vallen horen heer, Waren si rouwech herde seer, Si meenden** alle te hant Dat hoer koninck doet waer* •Gwinebant ; Doe sloegensi alle derwaert" 17030 Ombe hem" bescuddene ter vaert, Ënde Gawyn sloech in hem daer, Ende si staken** op hem daomaer Met horen speren*^ in allen sinnen; Si dorstaken** sgn ors daerbinnen , 17035 Sodat sjjn ors ter aerden vil doe** Ende hi spranc op ende ginck* * hem toe**, Ende sloech so vreeslick*', sonder vorste, Dat hem nieraan** genaken (en) dorste ; Ende sine broeder, ende sine gesellen mede, 17040 Quamen'* daer toe slaende ter stede, Ombe hem** bescuddene daer. Doe wart die stryt sterck endo swaer, Ende Gawyn vernam an den Sennen doe, Datsine wouden vaen alsoe; 17045 Doe zeide hi: »by Gode, Onsen Heer, Si en vaen my niet hudemeer, Alwaer ick hier allene nu!" Hi greep sine giserme, zeggic iu. Met beiden handen, ende liep te hant 17050 Daer hi enen Senne** vant. Die Agraweine, sinen broeder, doen" Hadde geboget op dat artsoen, Ombe hem sjjn hovet af te slane. Heer Gawyn , die dit sach ane , 17055 Was wel nae verwoedet** ombedat; Hi sette sine voete te gader ter stat, Ënde hief** die giserme doe Ombe den Senno te slane alsoe; Ende als diegene den slach sach komen, 17060 Heeft hi den scilt daer iegen genomen, Ende Gawyn sloech nochtan den scilt In tween** sticken, dien** hi vor hem hilt, Entie** slach ginc op diescouder** doe Ende sloechen ten** gordele toe; 17065 Diegene vil doet an dat sant, Eode Gawyo spranc op dat ors te hant, Ende riep die sine, ende seide mettien** : **em to * 'steken '^spem **veldo, to ••genck **?reslich *"neman **quemen '•Scynen *'do '^ver- wodet "hoeff **twen ■•den ••unde de *^8colderen ■•tot den ■•myt den. 189 >Di6 hem wael proevet aal men wael sien ^ , Want ie zeg iu , sonder waen , 17070 Des en macher een niet* ontgaen Noch in bosche' noch in hagen; Nu suldy* voertmeer zien mijn slagen'\ Mettesen* reet Gawjn daerin, Ende begonde te slane int begin 17075 So vreeslick met siner giserme saen, Datten nieman en* konde ontgaen; Wien' dat hi gerakcde na, Moeste* sterven, dat zeggic iu. Die nu G^wine verloren hadde mede, 17080 Hi hadden wael gevonden ter stede By den doden, die hi daer versloech Dier* daer te hope lagen** genoech. Doch daden' ' die Sennen so vele daer, Datsi Gwinebande daer naer 17085 Geredden; doe nam hi saen Een speer'* ende liet henegaen, Ende qnam op Agrawine gereden doe. Die enen sinen neve hielt alsoe Metten breidel, dat hine stac doet; 17090 Des hadde Gwinebant rouwe groet, Ende stac Agrawine daer ter stede Onder die decke" van den gereide mede Dat den orse ten buke dorginc, Ende dat vil doet, ombe die dinc, 17095 Met Agrawine optie aerde alsoe; Maer hi en quetste hem niet sere doe. Ende alse Garies ende Gaheries Ende Gulescins dat sagen na des. Dat Agrawein gevallen was, 17100 Waren si herde droevech ombe das. Want si meenden'*, dat hi doet weer; Si sloegen derwaert'* herde seer Ombe hem bescuddene van den vianden , Ende Galescins sloech op Gwinebanden 17105 Dat hine nicken dade" doen In sjn gereide opf artsoen, Ende Guries sloechen daerna mede. Dat hi hem den arm afvliegcn dede Van den lichame ter aerden daer; 17110 Ende Garies sloechen duernaer, Daer hi gebogen lach alsoe Opt'* artsoen van den gereide doe, *8ccn "nicht •buBche *2olegy 'myt dessen *neman 'wen *moste *der ^"legen **deden ''sper **deken "^menden **darwert ''dede *'op dat '•engestlike * 'vere * *dar, gewar * 'gevaem * *broder weren * 'to- dat *^andem '*to enen *"imde de *'en **halpe Tnscen hals ende hoet mede. Dat hem dat hovet vil ter stede 17115 Ter aerden; doe nam Galescins daer Den bueck ende warpen van den orse naer, Ende namt ors ende gaft Agraweine Die te voet stont in den pleine. Die daer op es geseten alsoe, 17120 Ende ginck den Sennen weder toe. Daer began die stqjt anxtlike'* baren Onder die viere die daer waren, Maer van Gawine en wisten si twent Waer hi henen was gelent; 17125 Want hi was so verre'* in die Sennen nu Al vechtende gereden, zeggic iu, Dat hi quaet te vindene was daer**; Ende als die Sennen worden gewaer** Dat die koninek Gwinebant doet was, 17130 Worden si versaget na das, Datsi niet en wisten wat doen Ende keerden alle ende vloen Op Madelans batalie ter vaert, Alse die en wisten werwaert. 17135 Ende alse Gawein sach, dat hi So verre gevaren*' was daerby. Dat hi niet en wiste ter stede Waer sine broeder waren** gerede, Doe hilt hi al stille daemaer 17140 Thent** hi siner gesellen wartgewaer: Doe die ene den andren sach daemaer, Warensi des blide ende bilden daer Tenen** ringe, entie** koninek Madelant Quam met sesdunent Sennen te hant. 17145 Daer sonde groet scade syn gesciet [driet, Den lande van Bertanien ende groet ver- Ten * ' hadde soccoers * * van der stat gcdaen. Die hem quamen te helpen** saen Met vier* *dusent mannen gewapent wel* ' 17150 Op (haren) orsen, dapper ende snel; Ende alse die kinder hebben vernomen Dat teken van Logres komen, Dat Does van Cardole voerde** daer**, Wordensi des bl^'de vorwaer, [staen. 17155 Doet** hem die lantliede** deden ver- »Nu ierst** sal men striden gaen'\ Seide Gawyn ende sloech in daer, **to helpe '"veer *»wal **werde **Eng. wAan tht childer«fn taugh the socour that com out of Logret, and the bawr that Do of Cardotührought. **doe — dat *»lantlnde **irft. 190 Ende sine gesellen volgeden naer, Entie' van der stat quamen daertoe 17160 Met stereken ji^lavien inbrekende doe, Dat daer menech dade sijn inde*, Daer si optie' Sennen staken geninde*. Daer wart die str^jt anxtlijck^ ende groet, Daer bleef menech ridder* doet; 17165 Sodat die beken van bloede* Daer liepen met groten spoede*, Ende daer wart vliegende die monde* So dicke ende so menech voude* Dat deen den ander^ onder hen beden 17170 Niet en konde bekinnen daer si streden. Dus duerde* even sterck die stryt Toter hoger Vespertjjt, In den plane van Logres. Daer bleef menech doet , s^jt seker des, 17175 Ende verminket* ende verwont. Gawjn makede daer ter stont Dat meeste wonder dat men oit' " vernam. Dat volc , dat van Logres quam , Sagen*' hem te groter'* vrouden an; 17180 Want hi sloech daer neder ors ende man ; Sines slages en dorste nieman* * ontbeiden Die koninck Madelant hadde vorwaer[daer. Afgesteken den borchgrave** nu Does van Cardole, seggic iu, 17185 Ende hiel ten metten** helme gevaen, En wonde hem dat hovet afslaen. Doe quam daer Gawyn gereden toe, Daer die van Logres sere vochten doe Ombe horen borchgrave* * bescudden daer; 17190 Maer nieman en konde hem genemen vor- So sterck was hi ende so groet; [waer, Ende Gawyn quam in dat conroet Ende sloech so vreeslick* ' onder hem lie- Datsi onder sine sloge scieden, [den** 17195 Ende vloen vor hem alle daer; Doe quam hi te Madelante naer** Ende hief* ®sine gisarme met beiden handen Ende sloech Madelante toten** tanden Dor den helm van brunen stale. 17200 Madelant vil daer te dale Van den orse ter aerden doet. Doe was daer dat iagen groet, 'undcde "sinenende, gcnende 'op de *engestlich •ritter 'blode, spode» molde, folde 'de ene den andcm •durde •vermenget *"ie **scgen *'to groten ' 'neman **greven **myt den *'borchgrcven *'?re8lich **ein laden **damaer **hoeflf ''to den »*zcen "jagede Want die Sennen gingen alle vlien; Alsi haren Heren doet liggen sien** 17205 Vloen si te Windeberes voert nu, Daer dat ander heer lach, seggic in; Doe Does van Caredol gereddet was, Jagedi** die Sennen, s^t zeker das, Stoutelike** met sinen lieden naer; 17210 Dus sloegen die kinder met Gode daer**, Ende metter hulpen van der stat. Dat van tien'*du8ent Sennen, wetet dat, Maer vierdusent en bleef die ontvloen. Daer duerde*' dat iagen ende dat doen 17215 Tote in die nacht, ende daernaer Trocken** die ander ter statwaert daer. Daer wart groet goet gewonnen, des gelo- Dat die Sennen hadden gerovet [vet, Op die lantliede** in allen sjnnen; 17220 Dit voerde men al te Logres bynnen. Enten ■• kindren, wetet vorwaer, Dede men groet** ere daer, Doe** mense kende, wie** si waren. Men brachte vor hem al dat goet, twaren, 17225 Ende seiden tote Gawine alsoe, Si hielden hem vor haren heren daer doe , Ende dat hi dit goet, Inde ende stille. Dele daer hi dat delen wille. Doe zeide Gaw^jn: »wat des gesciet, 17230 Boven den borchgrave en doe ie des niet, Want hi kent die liede** bet al, Ende weet bet waer hyt** geven sal An arme an rike, dan ie doe nu Diese niet** en sach, dat zeggic ia; 17285 Bi doe*' daermede al sinen wille, Ie orlovet mynes deels lude ende stille". Doe pqjsden hem die liede** berde aeer Ende zeiden : »daer en* ' gebreke nember- Goedes* * mans an* ', mach hi leven", [meer 17240 Aldus zijn*' daer die kinder bleven In der stat van Logres ene tyt, Ende beschermedense wael vor allen strgt. Nu zwiget hiervan daventuer Ende sal in tellen van koninck Artuer 17245 Ende van co. Bohort ende co. Banne, Die voeren toten koninck Leodeganne. he ** laden "eren gaden; doch verg. *t Eng.: ^Ao«f7yA t^e helpe of God and of htm that eome oute of the citie "tijn *'dnr(le "Ireckedeu *']uden '"unde den '* groten "do, wcr "lude •*hc dat "ne "do '^an "gaedes **Eng. and seide hemyffAtnol faUe to be a worthy man. *'zin. 193 Ombe vitalie, dat lant al duer', Die si doe hadden ter uer*, Si quamen vor CoTonasBe, die stede, AJ rovende , daer die koninck lach mede , 17425 Leodegan, ende hadde daer nu Sine liede* ontboden, als ie zeide iu, Die daer in der mersch lagen by; Ende daer die liede hoerden dat gekry Ende dat geruchte in der stede, 17430 Dat diegene makeden mede. Die den roef brachten daer, Dat si gerovet hadden vorwaer In den lande overal; Doe si hoerden dat gescal 17435 Entie* van der stat worden gewaer Dat viande s^n, die komen daer, Liepensi ten poerten vaste doe, Ende slotense allegader toe. Dat daer negeen^ viant binnen 17440 Comen en mochte in genen sinnen; Entie* ridder*, die daer lagen, Daer wi hier vooraf daden* gewagen. Gingen hem wapenen dapperlike daer Ende saten' op haer ors daemaer, 17445 Ende reden ten poerten van der stat* Ende samelden hem binnen dat. Daer qnamen die ridder* van der tafelron- Al op gewapent te dien^* stonden [den Ende theerscap* * van hem hadde een deel 17450 Hervy**, dien men hetet van Biveel, Ende Madinus, die swarte", mede, Ende Triales, die brune, ter stede; Ende haerre'* was twehondert wale Ende v^ftich mede, by getale, 17455 Die alle vrome ridder waren Ten wapene, sodat men, twaren. Negeen** beter zoecken mochte**; Dese waren alle sonder vrochte In ene batalie onder hem gescaert, 17460 Wantsi en wouden onder niemansruwaert* ' Wesen dan met hem selven allene. Bander**side bereiden hem gemene Die ridders van der stat nadas. Dier** daer wel tien**du8ent was. 17465 Die geleide die drossate na des, *dore, ure *lude 'unde de *en geen •ritter •deden ^seten 'stad •ritter *®to den '*undedat herscop ^'Uerriens; doch verg. het £ng. Hervy the Riveil, en verg. ook lager * '£ng. Jfa/^j /y dnou **er «•gene '*drochte *^nenuui8 roart ^•op ander **dcr Die geheten es Cleodales Van Coronasse, ende ter heervaert** Plach hi te voeren des koninges standaert; Maer sint die ridder van der tafelronden 17470 In dat lant quamen, van dien stonden, So en voerdene nieman dan Hervy; Maer die drossate voerde daerby Ene banier met kele ter stede, Met kronen van goude gesaeit** mede, 17475 Entie* banier voerde nu Hervy, daerinne stonden, zeggic iu. Vier kronen van goude**. God weet; Ende doe si alle waren gereet, Beidensi des koninck Leodegans aldaer ; 17480 Ende doe hi komen was , reet hi daemaer Ouder Hervis standert saen. Doe beide hi daer totdat si verstaen Hebben, dat die Sennen komen Al gebattelgiert, alsi** vernomen 17485 Hebben; dese dus komende daer Gescaerdensi hem oec daemaer. Entie* koninck Artur was oec waJe Gewapent, ende met al te male^ Sinen gesellen, ende oec mede 17490 Op goede orse gesoten ter stede; Ende Merljjn woude** Arturs baniere Voeren**, ende beval daer sciere Hem allen, dat si hem volgen nare Waer dat hi vor sal varen: 17495 »Ende des en laet om negene dinge, Gy en volget my alle sonderlinge". Si zeiden, si en soudens** laten niet Omb negeen dinck dat*' gesciet. Das voerensi daer te gader nadat, 17500 Die twe-ende-veertich gesellen, dor die Ende Merlgn voerde een teken daer , [stat. Dat menechwerf des dages, vorwaer. Te groten wonder was angesien**. Wat daer ane soude gescien**; 17505 Want hi voerde boven der banieren Opdat inde** in deser manieren Enen** clenen drake** roet, Die den staert** hadde so groet. Dat hi anderhalf gelacht*^ was lanck** 17510 Knde gekronkelt al ombeganck**. **t\jn **hervart **golde gese^et "'alse ze **wolde "•voren ••zolden des '^dingede ''angeseen **ge«chcen '•ende "'eyncn ■*draken "start ■*Eng. fadome '•lanch, ganch. 25 194 £nde hi hadde die kele so w|jt\ Dat allen diene sagen ter tgt*, Dochte die' tonge aldaer ter stede Vreeslyck* altenen bemen mede, 17515 Ende bi wilen* voeren hem ongiere* Uten monde vlammen van viere^, Die boven in der lucht aldaer Voeren bomende, wet vorwaer. Dit sach menech te wonder an 17520 Des dages, enten* koninck Leodegan Wonderdes meer dan ieman daer, Ende dachte daerop sovele naer, Dat hi hem daeraf vervaerde nn Van groten wonder, seggic ia. 1 7525 Mettien qaamen der Sennen koninge daer, Die baten der poerten waren vorwaer Entie Gigante, ende nadat Brakensi hore speer* ter stat Optie'* poerten van der stede, 17580 Ende keerden nederwaert oec mede, Daer die home stonden in bloje, Ende namen' ' daer die scaep ende coye Ende menech heeste; want hem daer Nieman verboet, wetet vorwaer. 17535 Ende Merlgn, die na vorreet, Quam tot voer die poerte gereet, Ende zeide : » poorter, ondoe die poerte na. Ende laet ons wt, des biddic iu*'. Die poorter zeide : » dat en mach niet wesen 17540 Die koninck en kome selve'* tedesen, Ende hetet my dat icse ondoe". »Dit moet 8^n'\ zeide Merl^jn doe'*, »Ter qaader t^t dat ie des bidde dy Want ie machteger' * hieraf ben dan gy, 17545 Ende Merlgn greep den slegel daer Van der poerten , ende trak hem naer, Entie'* poerte voer op daer alsoe, Ende si reden nte daertoe Wien* * lief, wien'* leet* *, ende also saen 17550 Alsi ater poerten waren, sonder waen, So sloet die poerte na hem alsoe Ende was also vaste besloten doe Alsi te voren was mede, Des wonderde horde sere ter stede 17555 Den koninck Bohort ende koninck Ban 'wjde *tjde *dat de ^vretlich *aren 'ongehuere ^vuere *ande de 'ore «per *'op de "neman **8el- ven "do "meohtiger **ande de **wen "leit '*den **der **abe8e '*yergadderde '*nenuui '*alM I Ende segenden hem hierombe dan; Ende Merlgn liet henedraven daer Ende reet so sere, dat hi daemaer Der Sennen verhaelde ene partje, 17560 Die daer in der'* praierie Enen roef hadden gedaen, Dier' * was wel sevendusent, sonder waen. Also vro alae'* Merlgn sach, Sloech hi in hem al dat hi mach, 17565 Ende sine gesekcap volgede naer, Ende vergaderde*' in hem allen daer Met gproter kracht, ende sloecher doet Vele ende wondede in dat oonroet, Si haddense gesconfiert in korter wile 17570 Dan men sonde mogen (gaen) ene mile, Ende namen' * dat goet, ende drevense ter Also vor hem ter statwaert. [vaert Ende alsi' ' vor die poerte qaamen , Onlanges daema si vernamen 17575 Die Gigante, dier wel was Sestien'^dusent, z^t eeker das, Die 80 groten roef brachten daer, Dat wonder was te siene** vorwaer; Ende doese Merl^n sach, zeide hy: 17580 >Na vaste alle volget my*\ Si zeiden, zi zonden, z^t seker des, Also vro alse Merl^n getrocken** es, Wispelde hi ende zeide sine woert, Die also toter*' dinck behoert; 17585 Ende altehant so quam een wint, Ende so groet stof omtrint. Dat onvertellech te seggene waar, Ende dat stof vil** daer maer** Optie'* Gigante, dat van dien 17590 Dene den ander" niet (en) konde den , Ende hem dochte" dat daer te samen Herde vele liede tegen hem qaamen. Daer sloegen' * die twe-ende-veertich ge- So menegen'* doet ende vellen, [sellen 17595 Dat wonder was te siene an. Doe geboet die koninck Leodegan, Dat men die poerten daer ontslate; Doe so voer daer ierstwerf** nte Die drossate met sevendusent man, 17600 Ende vier'*dasent bleven in der stat [voertan ie ^^lesteen **to lene >*getrecket «'to der "vel **meer '*op de "die ene den andem '*dachte *'8logen '^msnigen .'*iritwerff •*veer. 195 Die die stat zullen houden daer; Ende si namen den roef daernaer, Dien Merign met sinen gezellen brachte Ende voerdense in die stat met krachte ; 17605 Entie drossate Cleodales Es na komen daer Merl^n es, Ende sloech in met groter kracht* ; Daer wart gebroken menech scacht\ Entie swaerde hoerde men clinken 17610 Men ginck daervan slagen scinken*; Maer van den twe-ende-veertich gesellen, Daeraf mochte men wonder tellen. Ende als der Gygante konins^e sien', Dat mense aldus bestont, mettien ^ 17615 Deelden^si haer liede' in tween daer; Tien'dasent bleeffer stridene naer Tegen diegene die daer waren; Entie* ander sesdusent zgn gevaren Tegen diegene van der tafelronden, [den; 1 7620 Dier was twehondert ende vy ftich ten ston- Dese quamen metten* konmge Leodegau. Daer sloech deen in den ander'* dan; Doe daden daer die van der tafelronden So wael, dat men daer lange stonden 17625 Af spreken sal; want si twehondert Ende si vjjftdch al gesondert Streden tegen sesdusent man; Maer si hielden hem so vaste an , Datse nieman (en) konde dorbreken 17680 No dorriden no dorsteken. Alse dit sach die koninck Riolens" Ende mede die koninck Placiens'\ Hadde hem onwaert, dat si geduren Mochten tegen hem ter uren 17635 Ende swoeren datter haerre'* negeen" Ontgaen en souden'^ overeen. Doe sloegensi op hem daemaer, Datsire wel xl** velden daer, Ende haddense geme gequetset nu* * : 17640 Maer haer gesellen , seggic iu Bescuddense herde wel ter stede; Ende ten'* selven pongyse mede Was die koninck Leodegan, sonder waen, Afgestoken ende gevaen, 17645 Ende men voerdene met vyf hondert man 'craflt, scafft *8cenken "seen *myt den *deildeii •er lude 't^jn •unde de 'myt den > «die ene in den indem ''Caelons, Phalons; doch zie "t Engelsch. **erre **en geen **ne solden **wb1; doch lie *t Sng. mo than xl ^ *Eng. pegned hati to diffouk and Toten koninck Bione voertan Uerde blydelike, ombedat sy Hoer orloch inden, meenden** daerby Dat** koninckryke winnen mede. 17650 Si haesten hem sere enwech ter stede; Ende als die koninck sach, dat hy Gevangen was, doe zeidi**: »ochmy!" Ende vil dicke in onmachte daer; Want hi sach wel daemaer, 17655 Dat hgt** al verloren hevet nu. Hi clagede ende weende, zeggic ia, Ende hadden hem oec gevoert na dat* * Ene grote mile van der stat. Doe wart rouwe daer ende mesbaer, 17660 Doe dat sine liede sagen" daer Dat hoer heer voer enwech ter stede. Die twehondert ende vyftich mede Streden nu sere ende anxtleke'* an Ombe die sesdusent man, 17665 Ende zeiden, sint daertoe comen waer, Datsi moesten'* verkopen daer Horen doet , si zouden hem so verkopen al, Dat men daer embermeer afspreken sal. Doe trocken** si vaste tegader daer, 17670 Dat mense niet mochte sceiden naer**, Ende gaven* *biel, gelyc dat doet Een ever, ende sloegen menegen doet; Entie in der stat opter* * muren lagen , Ende dit grote wonder ansagen , 17675 Weenden* * jamerlick ende seer; Ende doe Jenovre sach horen heer. Horen vader sach enwech voeren* * daer, Makedesi so groet mesbaer**, Datsi hoer selve** wel na ter stede 17680 Hadde gedodet; ende doe si sach mede Den stryt so groet, ende tonder** soe, Ende in so groten anxte** doe Hoer liede*», des was si in vare Ende Cleodales, die drossate mare, 17685 Entie twe ende veertech gesellen mede Sachsi tonder** sere, ter stede, Ende gewont ende tachter gedaen; Maer die van der tafelronde, sonder waen. Waren** noch meer tonder** seer, 17690 Sodat die joncfrouw nembermeer to maymen "toden * 'menden **andedat **zegede He *'Iie dat **da8 **degeen '^engestlike "mosten ••treckeden *^damaer * •geven **op der **wecn- dense ** voren ••mysbacr **or zei ven **to onder **angeste **or lude * 'weren. 190 Horen vader en meende^ sien'. Doe si dos vochten scire mettien*, Voer Merlgn aten stryde daemaor Met siner banieren , ende riep daer 17695 Sine gesellen, diene volgeden saen; Ende hi liet vaste henegaen Wat sgn ors mochte gerinnen , Ënde verhaelde hierenbinnen Die enwech voerden den koninck Leode- 17700 Ende dier* was vijfhondert man. [gan, Doe spruc* Merlyn te sincn gesellen daer: >Gy, heren, bcsiet iu wel hier naer, Dat ons die zyn* in desen* hoep Negeen ontga, hi en s^ doet; 17705 Want ontgaet er iu ienich nu, Gy zyt onteert, dat zeggic iu^'\ Doe sloegensi met sporen in Met suiker kracht*, in dat begin, Datsi dat al doet sloegen daer, 17710 Wat hem iegen quam vorwaer; Ende in herde* korter uren daeran Hadden si dodet die seshondert man Sonder vive, die hem ontgiogen. Doe vernam van desen dingen 17715 Die koninck Leodegan, die here, Verwonderde hem utermaten sere Wie** diegene waren, zeggic iu, Die met so luttel lieden nu So menegen" man hadden verslagen. 17720 Doe sach hi daer den drakenwagen Dien** Merljjn droech op siner banieren Doe wisti** wel dattet die sondenieren** Waren* *, die hi onthouden* • hadde ere ; Doe anbade*' hi Gode ende danktene** 17725 Dat hi hem sulken troest aende nu; [sere Ende Merlyn voer tot* ' hem , seggic iu , Ende Ulfijn ende Bretel ten stonden Leodegan*" vonden aldaer gebonden; Doe stondensi af ende ontbondene daer 17730 Ënde wapendene wel daernaer, Ende holpen hem op een ors mede. Doe zeide Merlyn daer ter stede: »Dor God volget my! hier es te done*\ Doe reet hi ter statwaert na datgone. 17735 Daer vondensi die van der tafelronden *ne mende *7een, mytden *ande der ^sprach •zin 'dessen ^Eng for ye he h^trayed mtd deed yef eny of hem aacape •krafft •harder '*'we **manegen **den '•wiste he **8oldeniere * •waren **ontholdcn *^an- bcde '•d". hem **to em ••liegende; doch verg. het So sere vernedert in den stonden, Datter er van tweenhondert ende vyftich Maer veertich en waren tors voortan, [man Entie** ander waren alle te voet, 17740 Die vochten golyc** die ever doet. Die biel** gevet iegen die honde; Ende Merlyn reet te dier** stonde So sere dat dorse** dropen daer Van zwete; ende daernaer 17745 Vloech den drake** in der maniere Ute sinen monde vlammen vanviere*^, Dat** diegene die in der stat lagen** Op muren ende op palasen wtsagen**, Si sagent*" van over ene halve mile 17750 Dat vier** van den drake ter v?ile. Ende alsise sagen hem naken doe, Wistensi wel dat waren alsoe [an. Die twe-ende-veertich soudeniere** voert- Ende datsi hadden den koninck Leodegan 17755 Bescut**; des warensi alle blyde, Ende Jenever was t^^n selven tyden So blyde, doe si wiste na das Dat haer vader komen was, Datsi altemale verscoet 17760 Ende haer hadde wonder alte groet, Wie die** ridders* * mochten weseu. Nu es Merlyn komen na desen Met sinen twe-ende veertich serianten, Ende es vergadert** an die Giganten, 17765 Die die ridders** van der tafelronden Sere onder hadden gedaon ten stonden ; Ende die twe-ende-veertich gesellen Gingen die Giganten vellen; Si sloegen*^ so grote slage daer, 17770 Dat mense ten palase hoerde naer. Daer slocch nu die koninck Ban Doet menegen stereken man , Want helm no^* haJsberch negeen* • En was ncmber so sterck*" overeen, 17775 Hi en sloecht** al dor ter stede; Syn swaert was van so goeden snede , Hi sloech des dages menegen slach Dat die slach so sere wach , Dat hi ridder ende ors dorsloech; 17780 Ende Bohort, syn broeder**, droech Eng. taugh the kynge Leodegan bounden •'onde de ••gcljjck •*byl •^der ••de orse ••draken •'vurc '•sodat • 'legen, segen ••segendat ■*vuer ••soldcncr ••besend •*we de ••ritters ••vergaddcrt •^slogen ••noch ••engene **8tarch **d»t **broder. 197 Een swaert, dat oec wel konde sniden, Hi aloech oec menegen te dien' tiden Dat hine clovede mydden ontwee. Maer die koninck wracht woDders mee 17785 Dan men oit* sacli, s^j iu bekant; Hi hadde Galiburne in der hant, Sgn goede swaert, was so noyael, Dat konde sniden yser ende stael; Wat hi daermede rakede ter steden, 17790 Dat* hadde al syne tgt geleden; Ende hi pynde hem te breken die porse Ende reet so ver* met sinen orse, Dat hi qnam opten* koninck Caulant, Die hem daer sere pgnde te hant 17795 Die van der tafelronden onder te doene ; Hi was herde groet ende koene, Ende te hant doene Artur sach, Liep hi hem op, al dat hi mach; Hi was vijftien* voete lank ter are 17800 Artur hief' syn swaert Calibure Ende sloechen tuscen den helm, ter stede, Enten canteel van den scilde mede , Met so groter cracht* dat hi hem daer Syn hoeft afsloech*, wetet vorwaer, 17805 Ende dat ors liep metten'* bnke alsoo In den stryt onder die liede doe. Desen slacb sagen" die opter'* muren Ende ten vinster lagen'* ter uren In der stat, ende prysdeno'^ sere; 17810 Maer die joncfrou Jenever prysdene'^mere Dan alle die ander, ende zeidemaer'* Dat sines gelikes niet'* en waer. Oroet was die batalie entie'' stryt Vor die poerte van der stat'*, tertyt, 17815 Van den twe-ende-veerüch gesellen nu Ende van den ridders'*, dat zeggic iu, Van der tafelronden, die nu streden Tegen sesdusent Sennen**, ter steden; Si sloegen*' so vele ende vochten daer 1 7820 Dat van den sesdusent Sennen* * vorwaer En bleven nu maer vierdusent, die seer Tongemake waren omb horen heer, Den koninck, dat sine* * dus hebben verlo- Die koninck Ban sloech nu voren, [ren**. 17825 Ende quam an den koninck Pharoen, *to den *ie 'de *veer 'op den •vgflTteen 'ho 'kraffi 'affsloch *"mytdc **8egen **opder **leg( **pry8deD ene **meer * 'nicht **unde de "staJ * •fitter» ••Seynen **9logcn **ze ene '■verlorn hoef ;en stai Dat die meeste man was doen Van al den heer* ^, entie sterckste mede ; Entie" koninck Ban was ter stede Sterck ende groet, ende hevet verheven** 17830 Sijn goede swaert, ende hem gegeven Enen slach neven syn ore, Entie slach ginck nu dore Al die scouder** ende ribben mede Ende clovedene toten gordele, ter stede, 17835 Dat men hem lever ende longen sach; Entie koninck Bohort gaf enen slach Sarmadanne, die voerde*' die baniere, Den arm af doe herde sciere. Dat die arm entie banier mede 17840 Beide optie aerde vielen** ter stede. Den slach sach die koninck Leodegan Ende zeide: »in der werelt nu voertan En zyn negene ridders' *, die mochten my Bet helpen dan dese soudeniere** vry; 17845 God hevet se my angesant nu. Dor siner doget wille, seggic iu". Ende doe die Sennen* *haer baniere* *sagen Ter aerden, ende haren here verslagen, Vloen si alle, dene hier dander daer; 17850 Entie" van der stat, wetet vorwaer, Voeren*' wt diegene helpen slaen , Die daer dus sere vlien** gaen. Maer Merlyn en woude** hem volgen niet Ende voer in die batalie, die hi siet, 17855 Daer Cleodales, die drossate, vacht Als een lewe met groter cracht Tegen die tien**du8ent, die leide daer Die koninck Sorganus, wet vorwaer, Entie" koninck Saphamis** mede. 17860 Alse Merlijn quam daer ter stede Was Cleodales afgesteken, Ende stont opter* * aerden ende hielt syn Coenlike*' op, als die des niet [teken En wil begeven, wat des gesciet; 17865 Entie '^ sine hielden ombe hem daer Berin get, ende bescuddene'* daer, Maer niet lange en haddet mogen syn En hadde gedaen Merlyn, Die in hem sloech ter stede, 1 7870 Ende sine gesellen, die hem volgeden,m6de. **her **vorheven "acolder *^vorde * 'vellen ••sol- deners •®baneer "voren **vleeii "wolde '^tyn ■*Eng. Sorfrains "op de *'conelick "bescudden ene. 198 Die op goeden orsen saten doe; Ed tie koninckLeodegan volgede * ember toe Waer si vorreden, wet vorwaer; Dus yergaderdensi* an die Giganten daer. 17875 Doe wart die Btrgt so over stranck, Men hoerde van den swaerden dat ge- Wael ene halve myle verre, [clanck* Men sach daer vallen, sondermerren^, Toter aerden* die gewonden; 17880 Men sach die orse lopen ten stonden, Sonder here, die nieman en wilde, Ënde albebloedet, entie' scilde Sach men daer liggen dorhonwen te dale. Daer dadent die twe-ende-veertich so wale, 17885 Dat men daer embermeer af sal spreken, Si daden menegen dat herte breken; Si sloegen al doet dat vor hem qnam, Si makeden menegen oec so lam, Dat hi liggende bleef aldaer. 17890 Ende ombe haer grote* daden vorwaer So es wael recht dat mense, twaren, By namen nome, wie si* waren, Die dese* grote vromechede Daden hier ende anderswaer mede: 17895 Dierste^* was die koninck Ban, Hi was die vroemste tidder dan Die by sinen tjjden was; Dander^^ daema, zgt zeker das. Dat was die koninck Bohort mede, 17900 Die vader was der dogetsaemhede ; Die derde was die koninck Artuer, Die was een die stoutste'* gebuer Sinen vianden, die mochte wesen, Ende also als wy van hem lesen, 17905 So was hi moeder** der vromechede Ende snster van aller mildechede, Ende dat kint der wetenheit. Der eren, ende der hovescheit. Die vierde** was Antor ter ure 17910 Die ophilt den koninck Arture. Die vgfte was Bretel van der Mesleye Die seste ülfijn, die sevende Eeye Die achtede Grifflety die negende Lucan , Die tiende'* Mares, die elfte Gwinnan, 17915 Die twaelfte**Drians,die dertiende' 'Beliap Die veertiende'* Flandris, die vgftiende [Ladinas > volde ^vergadderden ze 'clank ^merre 'to der erden 'unde de ^groten *we ze *de desse **de Die sestiende Clavdas die rode mei. Die seventiende Bliot, die achtiende Maret, Die negentiende Blioberes, 17920 Die twintechste Canet es. Die een ende twintechste was MeUadas , Gwinadan die twe ende twintechste was , Die drie ende twintechste Bladite die Gaye Die vier' * ende twintichste Cristofles die 1 7925 Die v^f ende twintichste Plantales, [fraye, Die ses ende twintichste Lantoles, Die seven entwintichste CholesendeUrsgn, Die achtentwintichste Aj'ggn, Die negen en twintichste Calogrenant, 17930 Die dertechste die begeerde (Jrisolant, Die xxij* Breonder met, Die xxz^« was Lambalet, Die xxxiij* die stoute Eahenni, Die xxxii^* Maragni, 17985 Die zxxv* Agenan, Die zxxvj* was Modan, Die xzxv\j« Clarot was. Die zxxvi^j* Osenan nadas, Die xxxvii^j* was heer Galet, 1 7940 Die veertechste was Gongier die Cale met; Baryt, des koninck Bohortesj^te**, was Die een ende veertechste, ende nadas WasMerlgn die twe ende veertechste man, Entie* koninck Leodegan 17945 Was die drie*' ende veertechste mede , Die van hem niet scede** ter stede. Sint dat sine** verloesten vorwaer, Als gy hiervor gehoert hebbet claer. Entese** drie*' ende veertech quamen 17950 Den drossate te hulpe** altsamen Van Carmelide, die vrome was; Dat sceen daer wael, zgt seker das, Want hi ombe sterven nocht ombe leven Die banier** niet en wonde begeven, 1 795 5 N ocht ombe negene mesdaet, sonder waen, Die hem die koninck hadde gedaen, Leodegan, also als ie hier nu Te deser tjjt sal zeggen iu. Die koninck Leodegan hadde een wgf , 17960 Die edel ende scone was, sonder blgf, Die hi wan met siner vromechede. Die hi dade** in meneger stede irste * *de ander * *fttolteste * *moder " * veerde * *t|jnde "•twelfte '^druteende **?eerteeDde, eni. **vecr ••pette **drc **aciede "ie ene **andedetse **holpe * *deD bsnner * ^wolde * *dede {gtHjk ook boTen steeds). 19Ö Daer hi oeo diende^ in langen termyne Met wapene ombe den koninck Sorpine, 17965 Die koninck was van Arragoen, Ende van den castele ende Provensen doen; Ende omb den groten dienst*, dien hi [hem dede, Qaf hi hem al dat lant entie * dochter mede , Wantsi was ene enege joncfrouwe , 17970 Scone enten* vader getrouwe, Ende op haer^ stont te bliven al Dat konincrike, groet ende smal; Ende van den konincrike quam hem daer Groet soccoers*, die hem vorwaer 17975 S^n orloge halp inden* al, Alse in dit boec wael seggen sal. Ende als die co. Leodegun ten tyden^ Sgn wgf brachte te Garmeliden, Brachteai met haer ene scone joncfroawe, 1 7980 Die zjjn drossate minde met goeder tronwe, Ende hi bat sinen here, den koninck, alsoe* Dat hise bem tenen wive gave* doe*, Want hi hem lange hadde gedient Ende hadde gewesen alse s^jn vrient 17985 In Provensen ende anderswaer mede Dicke in sinen dienst ter stede, Ende van desmaels haddese die drossate Met herten geminnet bovenmate, Entie* koninck, dicne minde met trouwe, 17990 Gaf hem gerne die joncfrouwe; Ende doese die drossate hadde daer Onlangs getrouwet^*, satsi daemaer Tener tafelen by anderen vrouwen, Entie* koninck, beganse anscouwen , 17995 Endesi dochte*' hem so scone wesen. Dat hise begonde minnen na desen, Ende oec seghet dit boec datsi was Die scoenste vrouwe , daer men af las, Ende aldus bleef dit lange alsoe ^' 1 8000 Dat daer die koninck niet en ^ ' dade toe ' * . Daema ge vil op enen Sin te Jans* ^dach , Dat hi den drossate, sohiierst'* mach, Sende** in éne reyse vermogen Tegen die Sennen diene orlogen; 18005 Ende syn w^jf was nu bleven Metter** koninginnen, diese haer beneven * leende ^deentt 'undede, den ^er 'halpe 'holpen enden 'tijde 'also, do *geTe '''getruwet **duchte >*alio, to »*nicht »*Sunte Johans 'Mret »«8ande ^'myt de '*eren '*witticli; Eng. a goode ladf attd Gerne hadde, wantsi mindese sere. Doe gevil Leodeganne, den here, Dat hi lach by sinen wive, 18010 Ende wan een kint an haren ^* live, Dat Jenover wart geheten naer. Nu was die koninginne vorwaer Ene goede vrouwe ende wettich^* sere Ende diende gerne Onsen Here, 18015 Ende ginck te mettene alle tgt, Des gebrac selden, des seker zgt. Si en hadde dan sieck gewesen; Ende opten** selven nacht van desen Dattie koninck die dochter wan, 18020 Ginck si des morgens te mettene dan; Ende alsi' * tot des drossaten wive quam, Vant sise slapende, als ie vernam, So vaste, dat si se liet liggen doe*', Ende ginck allene enwech alsoe** 18025 Thaerer** capellenwaert, ende in hoere** Haren Salter**, zy iu becant; [hant Ende alle die wile si enwech es gegaen , Stont op die koninck daema saen, Ende ginc tot des drossaten wive mede ; 18030 Hi lescede*' die kersen alle ter stede, Doe ginck hi liggen neven haer; Alsi*^ ontspranc ende wart gewaer. Dat hise woude minnen doe'*, Si woude roepen, hi sprac haer toe'*, 18085 Ende zeide, hi zoudese slaen doet. Si lieten gewerden, clein ende groet; Aldus en dorste si roepen niet Ende haer* ' weren haer* * niet en diet**, Hi en dade** al sinen wille daemaer; 18040 Daer wan hi oec ene dochter an haer. Dus wan hi twe dochter, wet vorwaer. Ene an sinen wive ende ene aldaer. Ende alse die koninginne oec bleef Van horer** dochter, als ie bescreef, 18045 Vant men op haren scouderen*' staen Een teken als ene crone gedaen; Ende also saen als die koninginne Bleven was, in den'* beginne, So bleef des drossaten w^f ter stede 18050 Van ener sconer dochter mede, Ende was so gel^c** in allen sinnen Aofy of Uvinge **op den **al8 ze **do, alzo **to orre •♦ore «•Solter "losschede «'er "Eng. *¥^tói// availed her defente **he ne dede "''orre **erre Kol- deren '*ten **geiych. 200 Der dochter van der koninginDen , Dat mense niet en hadde, Bonder waen, Onderkent, en hadde dat teken gedaen. 18055 Endo men hietse beide Jenover daer, Ende waren* beide, wet vorwaar, Opgevoedet* te samene aleoe; Ende doe die koninginne doet was, doe Nam' die koninck des drossaten w^f 18060 Ende hieltse tegen den drossate^ 8t|jf, Ende sloetse in enen torre* daemaer, Ombedat hi niet en woude vorwaer Dat die drossate sprake' tegen haer*. AlduB 80 liet hise vgf jaer 18065 Ende als ment* den drossate verweet Ende hem lasterde, ende zeide gereet, Waerombe hi metten* koninge bleve, Diene aldus te** spotte dreve, Doe antworde hi also hoade, 18070 Dat hine niet begeven en woude , Hi en hadde sfjn orloch eer geint**, Ende hi en waer boven komen omtrint Van allen sticken, ende noch alsoe Hielt hi sjjn wjjf ember** doe, 1 8075 Die wile dat die koninck Artur daer was ; Nochtan en woude hem*' dordas Die drossate in den orloge begeven niet. Nu sal ie iu voert seggen daer iet liet, Daer die drossate onder den Sejnen 18080 Metter banieren stont in den plejne Te voet, da^r die drie** ende veertich [quamen**, Ende alsi den drossate te voet vernamen, Mochte mense vreeslickzien** gebsren; Daer en * ^ mochte hem nieman ontvaren 18085 Dien** si mochten daer geraken. Si gingen menigen dode maken. Die orse liepen daer achter velde Daer men die ridders ave velde ; Daer namen** die Sennen scade groet. 18090 Eer men den drossate uter noet Brachte, so was daer menech man Doet geslagen in den dan; Daer moesten die Sennen achtergaen, Ende als Sorganes hevet verstaen 18095 Ende Sarphanes die scade groet, 'weren 'opgevodet 'do nam Mrossaten •torn •spreke ''er *mendet •mit den '"to "gecnd * "omber 1 9 1 Tl nicht **dre '*quemen **vreslich zoen * 'ne «•den * •nemen "de ore «Uude »»Cri8tenen •»ttm- Dat die hare** aldus bleven doet, Ende si noch al so vele liede* * hadden nu Dan die Eerstene**, seggic iu, Dadensi haer tamboeren* ' doen slaen , 18100 Ende haer basune doen blasen saen, Ombe haer liede veigaderne daer; Ende Sorganis, haer koninck, daemaer Battelgierde sine liede, seggic iu. Die wile hi dit dede nu, 18105 Quam Eeye, die drossate, endeLucam Ende Griflet, met enen moede gram, Ende braken die batalie ontwee, Ende elck** van desen voerde mee Een sterck speer ende groet; 18110 Ende Eeye reet in dat conroet, Ende stac** den koninck Sornagwine Met enen speer, ende dede hem pine. Want hi gerakeden opten scilt. Dat hi moeste over tilt*' 18115 Tnmelen wten gereide int** gras. Üi vil** só sere, dat hi was In om macht ene lange stont , Ende sine liede'*, s^ iu kont. Meenden'* dat hi doet waer; 18120 Ende Lucam ende Griflet daemaer Elck** stac den andren in den scoet, Dat hi niet meer op en stoet. Als die Sennen sagen van Somagwine, Dat hi daer lach in dodes scine, 18125 Ombedat hi so lange stille lach, Sloech elck*^ derwaert wat hi mach, Ombe hem" bescuddene daemaer; Entie drie gcsellen hielden daer Boven hem, entie" Sennen woudene nu 18130 Daerop helpen, seggic iu; Maer die drie weerden' ^ dat daer alsoe , Datsi des niet en konden komen toe. Daer wart Sornagins, die here, Vertorden" utermaten sere 18135 Van den orsen, eer hi daer Gereddet mochte s^n vorwaer. Ende Merlgn hevet nu vernomen Gene drie gesellen, ende es komen Metter" banieren der^vaert", 18140 Wat gelopen mochte sgn paert"; *«in buren **elich ••ttarch sper "•stach "'tzilt dat ^•vel '"lude ■* menden '"em to ■■unde de •* wer- den ••vertreddet '"mit der ''darwert ''pert. 201 Ende Cleodales, die drossate, was Gereddet, daer ie hiervor af las, Ende volgede mede Merline, Metten drie'endeVeerticli in die grote pine, 18145 Daer die strgt staende was meest. Sine liede*, die dit hebben vereest, Beden hem na ende hebben alsoe Alle die Sennen dorbroken doe; Ende alle die wüe, dat dit gesciede, 18150 So quamen* deskoninck*' Gaulansliede Ende des koninck Pharaons mede Gevloen op Somagwine ter stede, Ende opten' koninck Sapharins met; Ende daer so wordensi nu belet, 18155 Datsi vorder niet en vloen, Ende bleven aldaer hondene doen, Ende keerden hem ombe met hem daer. Doe wart die str^t so swaer, Datsi des koninck'* Leodegans liede 18160 Achter deden te dien tyden^ Ene bogescote, horen wy tellen; Maer die drie*-ende-veertich gesellen En rumeden nie* plaetse daernaer Wat men op hem sloech daer; 18165 Maer so vele daden* die Sennen nu, Datsi den koninck*' Somagu Geredden, die tachteren^ was. Daer wart die strgt verswaert dor das Dat hi hem geme sonde* wreken, 18170 Ombe dat hi was afgesteken. Hi sloech met sporen in ter stede Ende sine liede volgeden hem mede, Ende hi omberingede die drie* ende veertich Ende liep hem vreeslick* * op vorwaer.[daer 18175 Ende als Merl^jn dit gesach Sloech hi met sporen, al dat hi mach, Ende dorbrac die batalie alsoe, Ende sine gezellen volgeden hem doe Coenlike**, sodatsi daer naer 18180 Braken bander*' sjde dor die scaer, Ende daer ontmoeten* 'si ten stonden Die heren van der tafelronden Die alle waren hermonteert Ende quamen te stridewaert gelaseert 18185 Daer*^ dat teken was van den drake; Mude *qaemen 'op den *to den tydc •nc 'deden 'to achtem 'solde 'dre *"vre8lich "conde- like * 'breken by ander "ontmotcn **dat; Engelech: a9ui wkan thei SAitgh before hem the tigne of tke Doe sloegensi in ombe dese sake Ende holpen den drie* ende veertich wel. Nu wart daer die str^'t fel; Want al dat tegen hem qaam daer 18190 Moeste daerde'* soeken vorwaer. Daer wart menech speer te breken**, Doe ginck men metten*' swaerden ste- Daer wart gegeven menech slach, [ken**; Die anxtl^ck** was ende sere wach. 18195 Daer vacht Cleodales, die drossate, seer; Maer dat en besloetne min no meer, Want hi ende sine liede**, twaren, Van der** plaetse gedreven waren Toter statwaert, want Saphar^jn, 18200 Die koninck**, dede hem sulken** fijn Met sinen lieden, sonder waen, Datsi des niet en konden ontstaen. Ende alsdat diegene hebben vernomen Die uter stat waren** gecomen, 18205 Daer ie te voren af zeide iu. Dat haer** drossate moeste nu Die plaetse rumen, doe redensi Tegen hem ende stonden hem bj, Ende vergaderden an die Sennen daer 18210 Ende sloegen** er wel dusent daernaer Van den paerden ter aerden neder. Die some nembermeer opstonden weder; Daer verkoverden hem Cleodales liede nu. Daer wart dat geruchte so groet, zeggic iu, 18215 Dat ment** mochte, te dier**wile, Horen over ene halve myle. Ende bander**syde vochtensi sere ten Die ridders* * van der tafelronden [stonden Entie drie'* ende veertich gesellen goet, 18220 Die Somagwine wederstoet Met vijfdusent mannen vreselike. Maer dese ridders** sekerlike En hadden niet lange mogen nu Tegen die vjjfdusent geduren , zeggic iu, 18225 Want en wasser maer drie *hondert daer Achte myn , wet vorwaer. Ende doe Merljjn sach dese dinge Riep hi tot** hem die drie** koninge, Ende zeide : j»edel heren, wat est dat gy 18230 Dat ie dese Sennen nusienmoet [doet. dragon, ''moste de eerde "tobroken, stoken *'myt den "cngestlyck *'lude *'den "koninch "zolken ■•weren **er "slogen ••men "to der "op ander ■•ritters '"unde de drc •Ho ''de drc. 26 202 Datsi vor iu so lange gedurenV Hier en syn maer tien Gigante ter uren, Ende waren die gesconfiert nu , So waerdy delivreret, zeggic iu'\ 18235 » Waer ejjn si?" zeide doe die koninck Ban; Doe zeide Merlyn: »nu siet voertan Waer Ulfijn, Keye, ende Bretel, Ënde Lucam ende Griflet also wel, Ginder stryden tegen hem nu; 18240 Volget my, ick ealso wisen iu". Doe sloech Merlyn dat ors met sporen Datten* tehant droech daer voren, Daer die stqjt herde groet was Ende anxtlike* mede, s^t seker das, 18245 Ende daer die vijf ridders* tegen die tienc* Streden met herde stercker pine. Entie* koninck Ban, die herde koene was, Reet vor die ander' alle nadas, Ende ontmoete' den koninck* Somagu, 18250 Die een swaert brachte getogen nu, Dat geverwet was met bloede. Doe sloech op hem met sulken spoede Die koninck Ban opten* helm alsoe, Dat hi ter aerde moeste* •• vallen doe, 18255 Hi sloech hem af lippe ende nese; Van den slach haddi** sulken vrese, Dat hi creet, ende ginck vlien Wat hi mochte, ende mettien** So sloech die koninck Bohort mede 18260 Den koninck Margaryse ter stede Opten* helm, des gelovet, Dat hi hem clovede daer sgn hovet Toten** tanden toe** gereet; Entie koninck Artur, God weet, 18265 Sloech Falente opten* helm daer Enen slach, die was so swaer, Dat hi den helme eensticke** afsloech; Die slach ginck neder endo droech . Hem den scinkel af daer, 18270 Doe vil hi** van den orse daernaer; Ende Ulfijn sloech Balame doet, Ende Bretel Cadroke*' in der noet, Ende Keye versloech Dandevare, Ende Lncam Terrine daernare, 18275 Ende Griflet Menadoppe, 'dat ene 'engestlych *ritter8 *t\jBe *aiide de *de andern ^ontmote 'koninch *op den '^'moste '^haddehe **mytdien ** tot den **to '*8tucke **vel he *^Eng. Cordauni **den vruchte **lude *®wene j Ende Galagrenans Cadoppe, Ende Blioberis Donate daernaer. Ende doe die Sennen dit sagen daer, Datsi haer resen daer sloegen doet, 18280 Haddensi des vrucht** so groet, Datsi lange hielden stille alsoe; Ende zi zeiden onder hem doe , Dat >niet goct comen en es Onder al snlke liede**, zjjt zeker des, 18285 Want dat en zjjn gene liede** in segn, Maericwane** dat Duveleuter Hellen zijn; Tegen haer slagen (en) kan niet gedoren No wapene no man no paert ter aren, Si en clovent overmydden** tsamen". 18290 Doe die drie* * ende veertich dit vernamen Entie** gesellen van der tafelronden, Datsi dus versaget stonden, Liepeusi hem op met so groter cracht, Datsise int** vlien hebben gebracht, 18295 Ende vloen alle, wat si conden, gereet, Tote daer die koninck Sapharin street Tegen Cleodales den drossate fier**; Ende als si waren** vergadert scier, Wasser daer wel twaelf*'dusent mede. 18300 Doe liepensi opten drossate, ter stede, So vreeslike ende so utermaten, Dat hi die plaetse moeste laten, Ende wart achtergedreven nadat Toter poerten van der stat. 18305 Doe si dit in der stat sagen, Begondensi hem so sere versagen. Dat haer** teken moeste rumen nadas, Ende dat noch der Sennen so vele was. Want der hare maer** sevendusent es , 18310 Enter*" Sennen twaelfdusent, sjjt gewes; Oec waren** si vervaert ten stonden Ombe die ridders* * van der tafelronden Ende ombe die twe-ende-veertich soude- Ende ombe den koninck, haren here, [neren 18315 Want sine wisten waer si waren. Die Sennen quamenvreeslick** gevaren Optie ander** vor die stede. Daer wasser in beiden siden mede Dusent nedergeslagen daer, [daernaer, 18320 Entie drie* '-ende- veertich ridders** **overmyddc8 **dre **ttnde de **in dat "'^r "•weren *^twelf **er * 'ore men *®ttnde der •* weren ■"ritters **vre8lich **op de anderen **dre. 203 Daer* si die Sennen deden vlien*, So en lietse Mer]^*n niet volgen dien, Maer dadese daer al stille houden, Ombedatsi hem verblasen souden, 18325 Ende dade se beten* daer ter stede Ende hoer orse vergorden mede; Si daden alle dat hi hem hiet. Als dit Hervy van Riveel siet, [daer Dat die drie* -ende- veertich stille hielden, 18330 Dade hi die van der tafelronden daernaer Al stille houden ende beten ^ ten tyden, Want si wouden sonder hem niet ryden Ende si vergorden oec haer*paerde ter stede Ende setten* haer* helme te poente mede. 18335 Daema quam die koninck Leodegan Tote Merline , ende sprac hem an : »Here", zeidi', »e8 dat iu wille nu , Dat die goede liede* komen met iu Tn dat geselscap?" Merlijn zeide: >Heer, 18340 By Gode, gaet, ende ie begeer dat seer, Want wy zullen des verbetert** wesen Als wy vergadert* * zgn". Ende na desen Zeide hem des die koninck groten danc , Ende keerde weder eer iet lanc 18345 Tote Hervine, die droech die baniere, Ende zeide hem dese dinge sciere , Datsi souden komen saen » Ginder daer die ridder** staen, Ende dat sy ende gy nu zult wesen 18350 In ener geselscap voert na desen. Hervy zeide: >e8 dat haer* wille, Heer, So begeerwy haer* geselscap seer". »Ja dat", zeide die koninck doe, >Ic hebbe des hem gevragetember toe; 18355 Nu sgt** vorwaert gesellen mere, Dat radic wel by Onsen Here". Hervy zeide: >van hem, by Gode, Soudewy die geselscap ontseggen node". Dus saten** si op in beiden syden, 18360 Ende voeren in ener' * geselscap ten tyden, Ende Merl^n voer, met siner baniere, Vor die ander die hem volgeden sciere. Ende al die wile dat dit gesciede, Was Cleodales ende sine liede*' 18365 Herde sere tonder*^ binnendien, *dat,vleeD *beiteii *dre ^beeten 'er •satten ^koninch *zegede he 'gaden lude '•vorbetert **vergaddert *»ritter "s^d '^seten *»ene '«Ittde *'to undcr *'to den '•vner *®8toeff ende vloecb **myt den Sodat si som gingen vlien; Ende doe si sagen komen den drake, Dien Merl^n brachte, dor die sake. Des warensi utermaten blide; 18370 Hem vloech uten monde tien** tyden Vlamme ende vier* *, ende dat sant vloech Ende stoef*" in die lucht hoech; Ende doe dat vier vergaderde daeran, Doe sceen dat al bemen dan, 18375 Die lucht metten** sande daernaer. Doe die vrouwen, die lagen daer, Opten muren, van daer nu sagen** Merline daer komen ingeslagen Metten** drake, doe riepensi: 18380 >Ha, ha! heer** drossate, waerzydy**? Denket ombe waeldoen ter vaert, Ende siet ter** donker valeyen waert, Wat troeste daer komet nu". Cleodales sach ombe nu, 18385 Ende sach ter** valeyen waert; Daer sach hi komen, dat hi begaert Lange tyt hevet, God weet; Hi dankede Gode ende riep g^reet Sine liede, ende dadese houden daer 18390 Al ombe hem, ende zeide naer: >Siet, ginder komet ons soccoers*^ groet, Dat ons sal losen uter noet, Gy moget nu wel s^n te gemake". Doe die liede sagen den drake, 18395 Ende tsoccoers*' dat hem quam daer, Men derf niet vragen, wet vorwaer, Ochtsi blide waren** van dienl Ende Cleodales sloech in mettien** Met sinen lieden in die Sennen doe**, 18400 Als ocht** geweest hadde des morgens Also gerasc ende anxtleken** [vroe** Ginck hi noch die scaren breken Opten** troest van den drake, Ende Merlgn quam met sinen gemake 18405 Tote by den** Sennen, wetet dat, Ende recht by der poerten van der stat Sloech hi met sinen gesellen in So anxtlike in dat begin, Dat si daer daden teraerden** storten, 18410 Ende met slagen ende met horten**. sa segen **mit den '^her **zin gy **to der •^hulpe **off ze bl. weren **mytdien *"do, vro •*off dat ■ *angcstliken ""op den *'de ■•deden ter eerden ■•harten. 204 Meer dan drie'hondert, sgt gewes, Ende si en fineerden oec niet vordes Eer dan si qnamen bandersyden*, Daer die drossate was tien tyden*. 18415 Ende doe si an hera vergadert^ waren, Riep Merlyn an die sine daernare: »0y heren, nu ierst sal men sien* al Wie* dat hier best doen sal; Ie hebbe iu hier te proevene' bracht, 18420 Hier sal ie merken uwe kracht*". Ende als die koninck Artur hoerde Merline spreken dese woerde, Doe zeidi* ten koninck Banne ter vaert : »Ic en sach nie*" so goeden viliaert*' 18425 Alse Merlgn es". Doe zeide Merlyn: »Laet iu scempen** nu maer syn, Ende scempet** al dese wekegenoech, Gy sults** dan wael hebben iu gevoech, Dene tegen dander**, wet vorwaer". 18430 Doe sloegen** si dorse daemaer Ende reden in die viande nadas, Daer haerre doen** alremeest was. Daer begonde die strgt nu groet, Daer bleef menech*' Senne doet; 18435 Daer dadet die koninck Artur so wale Ende dogede sovele te dien** male, By toedoen** dat daer Merljjn toe** dede Datt«n te wonder daer ter stede Alle die van den heer besagen, 18440 Hoe hi die pine mochte gedragen, Die hi daer dade te dier** stont. Joncfrou Jenover, sij iu kont, Des koninck Leodegans dochter vorwaer, Leide haer** hande tsamene daer 18445 Ende bat onsen lieven Hete, Dat Hine bescermen moeste voertmere Van scanden,van scaden,ende van der doet. Dit bat si daer met ernste groet, Ende weende van groter ontfermecheden 18450 Ombe die pine, die hi hadde leden Al den dach, daer si dat sach doe, Ende noch dade maer** ember toe; Des hadde haer wonder al te** groet. Dat hi 80 jonc waer ende so goet. 18455 Hi sloech met sinen goeden swaerde *dre *op ander syde *tyde *vergaddert •zeen •we *to provene •krafft •zegode he *''ne **EDg. so fifnanoUtt man **8cirnpen, scimpet * ■solen des **op anler *^slogen '•dat er do *'manich **to den **to Menech hovet af, dat vil ter aerde, Hande, arme, bene mede; Bidder** dorclovede hi daer ter stede Ende orse , ende scilde , ende helme met 18460 Grosseerde hi daer te sticken , dat wet. Hi vacht so sere, dat syn helm nu Al te sticken** was, seggic in, Sodat hem die rant daer sint Van den helme ombe den hals hinc; 18465 Maer hi hadde goede bescudders daer an Den*^ koninck Bohort ende koninck Ban, Die altenen te dien tyden Vaste waren by siner syden, Ende wrachten oec sulc wonder mede, 18470 Met steken, met slagen, daer ter stede. Dat die Sennen, in dien** dagen Niet en dorsten beiden hare* * slagen ; Entie* * dranck en was nember so groet , Si dorbraken** se met slagen groet; 18475 Ende oec mede die van der tafelronden Daden** dat daer waol tien** stonden. Dus was groet die stryt na dat Van Tomasse, die grote stat; Daer was menech scone ridderscap gedaan 18480 In beiden syden, sonder waen; Entie** stryt hadde geduret daer Van des morgens, wetet vorwaer, Al tot der demster** nacht toe; Maer van der none so wart doe 18485 Die stryt alremeest vorwaer, Want van aestien* *dusent Sennen daemaer So en esser maer** negendusent gebleven. Doe swoer Sapharyn , by allen die leven Ende by al sinen goede mede, 18400 Hi ne sciede nembermeer van der stede , Hi en sonde hem wreken an diegene saen, Die die sine aldus verslaen. Doe riep hi Clarele ende Sortibande, Ende G^ydone ende Mediande, 18495 Ende Tenebande ende Morise, Ende Malore. Dese*^ ridder** van pryso Waren sine naeste** mage daer; Dese*^ waren stout** ende openbaer, Ende hi bemaende hem daer saen, 18500 Dat si hem in staden souden** staen. doen **to **to der **legede er **mer no **alto **ritter *«to staken *'de **dcn *»oren ••unde de **dorbreken ** deden **icn ■* vinster ••snteen ■•is er mer *^desse * 'sinen naesten ••stolt * •solden. 205 Hi seide: smen sal wale sien' nn, Wie goet ridder* es onder iu". Daer nam elc* enen nuwen scacht, Ende reden daer in met groter cracht^ 18505 Wat haer orse gelopen konden. Saphargn stac Hervi tien* stonden, Dat hi ter aerden vallen moeste*; Hi stac oec, terselver ioeste, Antor metten' orse daer neder; 18510 Daema stac hi Qriflette weder Ëne wonde* dor den halsberch daer, Sodat hi vallen moeste* naer; Ende elck* die met hem daer quam Stac daer enen neder, als ie vernam, 18515 Maer si en quetseden hem niet so hier*. Van desen was een die bottelgier, Lncam daer vallen moeste nu; Die ander Gwinans, seggic ia, Die derde Gales, die vierde'* Merangys 18520 Die vgfte Keye, die seste Blioberys, Die sevende Winemers, die achtede met' * Was Brecians; ombedit, dat wet, So wart ginder een groet gehu, Ëntie strgt was groet daer nu. 18525 Si pgnden hem dese doet te slane, Maer si en konden daer niet komen ane. Al waren* * si te voet si waren' * stout' *, Ende weerden hem met groter gewout' *; Maer dat hadde onlange mogen geduren 18530 En waer Merlgn niet komen ter uren ; Want Sapharyn pgnde hem daemaer, Hoe'^ hise mochte gedoden daer. Hi es op Leodeganne nu gereden, Ende stacken met enen speer ter steden 18535 Dor den scilt, ende also als hy Don'* speer neder droech daerby, Stac hine dor die slippe mede Van den halsberch, daer ter stede, Dat die'* sper ginc dor dat ors alsoe; 18540 Daer vielensi beide ter aerden doe. Doe die van der stat sagen vorwaer, Dat haer heer ter aerden lach daer, Warensi vervaert daerby, Si meenden'* dat hi doet sy. 18545 Doe sloegen "si alle derwaert'*, 'seen 'ritter "eUck *krafft *tcii •moste 'myt den 'wolde *£!ng. bnt ther wu noon that was wounded to éeth *• veerde **med ' "weren ' 'stolt, gewolt **wo '"dat '*menden "slogen '•darirert ''gewar Ende alse Artur dat gewaert'* Van den Gigante**, die daer nu weder Vier so goede ridder stac neder, Swoer hi, dat hi hem proeven sonde 18550 Tegen hem nu met gewonde; Hi nam een speer in die hant. Doe sprack die koninck Ban te hant: »Here, wat wildy*' doen hiermede? Gy en moget niet ryden nu ter stede 18555 Tegen desen vreesliken Gigant, Gy zgt te** jonck, zy iu bekant, Dat gy soudet tegen hem josteren Gy en moget iu tegen hem niet verweren* *, Maer ie sal tegen hem varen nu'\ 18560 »By Gode, heer, ie sweert hier iu", Sprdc Artur, hier sal nieman varen Dan ie selve* ^, want ie segget iu twaren, So hi stercker ende meerre** es tontsien, So ie my bet proeven sal an dien; 18565 Want nembermeer en mocht ie weten Wat ie waer, no** my vermeten, En proevedic my an desen*' niet*\ Ende alse Merlgn dit nu siet, Riep hi: »quade, blode ridder! wi 18570 Houdy** stille? waerombe en doedy** Niet dat gy hebbet begonnen nu? Gy sijt vervaert , duncket my an iu". Doe die koninck Artur dit verstoet, Scamedi* * hem , ende sloech metter spoet 18575 Dat ors metten sporen, ende reet derwaert Die koninck Ban zeide, sonder waen,[8aen. Te Merline: »gy doet grote sonde. Dat gyne doet varen nu ter stonde Tegen den groten Duvel dan". 1 8580 Merl^jn zeide: » daer en es negeen anxt' *an, Maer nemet speer* ' ende volget hem daer, Ende iu broeder** ende Ulfijn naer". Si daden alle drie* "die dinck, Ende volgeden Artur, den koninck. 1 8585 Ende alse Sapharjjn Artur hevet vernomen, Es hi overmoedech** tegen hem gekomen; Ende alsi** daer byeen quamen, Lietensi dorse loepen tsamen Wat datsi gelopen konden. 18590 Dene stack dander** daer ten stonden wart **Giganten *'wil gy **to "erwercn •*8clven **merre **noch * 'dessen * 'holde gy, do gy **8ca- medehe * ''geen angest "^sper **broder •*dre**over- modich **als se **den andem. 200 Optie* scilde, datsi braken* doe Ende te* sticken vielen daertoe; Ende Sapharijn brac sjjn speer daer Tot siner hant toe vorwaer, 18595 Ende quetsede Artur in die side, Maer en scade hem niet se re tien tyden*; Maer die koninck Artur stac bem wederge- Met suiker kracht*, dathidorreet [reet Den halsberch enten lichaem* beide, 18600 Dat hi doet vil uten' gereide; Ende also als hy overleet, Brac hi sinen speer gereet. Dese* joeste sach Jenover nu, Die in ener' venstre lach, zeggic iu, 18605 Op enen palase by der muren; Si lovede ende prysede nu ter uren Den jongen man , ende vragede seer Wie dat waer*" die vrome heer. Die haren* * vader hevet onthouden' *daer 18610 »By Gode, hy scynt wel** openbaer Van groten ende van goeden lieden**, Ware hi komen van onnutten gediede**, Hi en hadde den arbeit niet dorren be- Dien* * hi al den dach hevet begaen, [staen, 18615 Hine hadde dan geweest, wetet gerede, Van al te hogen herten mede; Ende sine gesellen oec, sonder waen, Hebbent daer al te wale** gedaen, So dat mense** prysen sal embermeer. 18620 Die koninck Ban, als ie iu zeide eer, Ende sine gesellen volgeden Arture Daer hi was gevaren vuere*^, Elck hadde een speer in der hant, Ende zyn in den stryt gerant. 18625 Daer stac die koninck Ban Sortibande, Dat hi ter aerden vil te hande, Ende oec nembermeer op en** stont; Entie* koninck Bohort, s^ iu kont, Stac daer doen doet Clariele, 18680 Ende Ulfijn stac doet Oastinelc; Ende ter**8elver joesten so reet deen Moriase daer neder van hem tween, Entie ander Modianne, Entie derde Sortibanne. 18635 Dese bleven alle doet opt*' velt. *op de *breken *unde de *tentyde 'krafft *nnde den licham 'vel uiden •desse •enen **weer **oren * "onthelden '*wal **luden, guden **dcn **men *»?or **ne '•todcr *'op dat **hilt ene **myt der Entie koninck Artur was gestelt An Maleure ende an Ferant, Die boven Antor hielden te hant Ombe hem daer doet te slane; 18640 Dene hielten** metten** helme ane Entie* ander sloegen sere daemaer Met ener gisarmen. Doe verhief*' daer Die koninck Artur sjn goede swaert**, Ende sloech Maleure metter** vaart** 18645 Dat hovet af; ende als dit sach nadas Ferant, die s^n maech was, Doe verhief** hi sine gisarme daer, Alsc den koninck te slane daemaer Op sinen helm met gewelt. 18650 Doe droech die koninck sinen scilt Daertegen, ende Ferant sloechen daer In so menegen sticken** daemaer, Dat hi vloech te dale doe, Entie* slach ginck neder alsoe 18655 Ende gerakede den koninck daer ter stede Op sine scouder**, dat hi mede Boech op dat gereide noch mee*', Entie gisarme brac ontwee. Doe rechte** hem die koninck op, 18660 Ende gaf hem op dat hovet enen clop Metten swaerde so overgroet, Dat (hi) hem toten tanden woet; Entie* gene vil doet daer nu. Van den slage wart groet gehn 18665 Optie* Sennen, die sere verveert** Waren*", doe si sagen gesconfeert Haren heren ende verslagen**, Ende si nembermeer hulpe en sagen Dan Grandaue, die haer** baniere 18670 Droech , ende daer koninck Ban an sciere Doe vergaderde, ende sloechen daer Optie* scouder, dat hine daemaer Ontledede al metter** baniere, Sodat si ter aerden vil sciere. 18675 Doe vloen alle die daer waren ; Daer wart groet geiach nu, twaren; Van der vespertijt totten** avende toe Jagedensise, ende ginder doe Tote in die nacht, dat donker was, 18680 Si sloegen** er so vele, s^t seker das, **verhoeff **8Weert, veer **8tucken **scoldeTen *'meer **richte **ervecrt ""weren "'doetv. '"er ** totden "^slogcn. 207 Dat van sestien^düsent Sennen, t waren, Maer y^fdusent en mogen ontvaren, Dander* bleven alle doet ocht* gevaen; Entiegene, die waren^ ontgaen, 18685 Voeren* toten koniuck Rioene, Ende telden hem van haren* doene, Hoe^ die koninge alle waren* doet, Ende al te male haer conroet, »Sonder wy, die zyn* ontgaen". 18690 Doe swoer die koninck Rioen saen, Dat hi nembermeer sceide dan* Hi en soude den koninck Leodegan Doet hebben och te** gevaen. Ombedit hevet hi ontboden saen 18695 In Denemarken, op enen dach, Daer zgn meeste heerscap lach, Datsi daer brachten , arm ende r^jke , Ende spise mede desgelike, Tote tween jaren genoech voertan 18700 Te tweenhondertdasent man. Dat lant van Denemarken ter** tjjt Was herde groet ende herde wijt, Daer hoerden vele lande doe ane: Sassen, Almanien**, ende Polane, 18705 Hongerie, Vinegie, ende Vrieslant**; Dit was al onder sine hant, Ende noch meer, wetet vorwaer, Wasser die hem tins gaven** daer, Ende daertoe oec , tot al desen , 18710 Woude hi so groten heer wesen, Dat hi al die werlt woude** dwingen Entie* * Sennen die hi hadde doen bringen, Die hi in allen lande hadde gesent, Die daer die lande roveden omtrent; 18715 Dat was ombedat die baroene*^ Van den lande souden hebben te doene* * Genoech met hemselven, zeggic iu, Enten * * koninck Leodegan niet helpen nu; Ombedit haddise** over al gesent, 18720 Datsi die lande roveden omtrent, Ende si haddens** oec wael die macht Eiken lande te doene met kracht. Niet lang nadat koninck Rioen ontboet Sine heren te komene ende sine genoet 18725 Wt al sinen landen, wetet vorwaer, * zesteen *dc andem *off * weren 'voren •eren Eer iet** lanck so quamen** daer Dat hire** hadde, tors ende te voet, Twehondertdusent ende vgftichjsgtvroet, Vor die stat te Deneblase nu; 18730 Ende daer waren mede , zeggic iu , Twintich gecroende koninge ter stede, Ende hi was die een ende twintichste mede; Ende si hadden gebracht* * so vele spisen , Datsi en darven** in gener wysen 18735 In meneger ttjt ombe vitalie varen; So vol plauteit haddensi, twaren, Met hem wt twintich koninckriken ; Daer was so goet t^t zekerliken, Dat des nieman nu geloven sonde**. 18740 Menechwerven , met groten ge woude** So dade proeven die koninck Rioen, Ocht* hi die stat konde ondergedoen; Maer hi en konde niet ene blasé Geacaden der stat van Deneblase, 18745 Si was so vast in allen sinnen; Also lange alsi tetene*^ hadden binnen, Sone haddensi geen anzt** daeran. Si hadden den koninck Leodegan Dicke ontboden, dat hi quame** daer 18750 Ende hi se bescudde, want si vaer Ende menege anxt** hadden groet; Entie** koninck hem weder ontboet, Dat hi genoech nu hadde te doen; Maer waer* * hi verledeget hi soude scoen 18755 Komen, ende hem in staden staen Entie** stat ontsetten, kondi**, saen. Hier zwiget dit boeck van den koninck Ende van algader sinen doene , [Rioene Ende sal nu seggen voert ter ure 18760 Van den koninge Arture. Hoe'' die koninck Artur ende Jenoure hem ier8t**wer/ onderminden. Hier zeghet daventure , twaren , Dat die van der stat blyde waren Ombedat die Sennen waren doe Verslagen ende verdreven toe, 18765 Enter hare** in der noet So luttel** waren bleven doet, **quemcn **he er ** bracht **drofflcn *• solde, ge- it. 'WO "Zin 'van dan *®offte *'to der '*Almanigen | wolde *^to ctene **ange8t **quenie ""mer weer ^■Vreeslant ** geven * •wolde **unde de *'baronc, j ** konde he **irst **unde der erre »* luttel goet. done **imde den ''haddehesc *** hadden des **icht 208 Ende datsi dus oec waren gesconfiert, Dade Merl^n mede, dat hi visiert', Eiitie*twe-ende-veertich mede ten «tonden 18770 Entie* ridders van der tafelronden. Nu zeget dit boeck hier ter stede: Doe si alle verjaget waren mede, Keerdensi met bljjtRcap in die stat. Doe die koninck Leodegan- vernam dat, 18775 Quam hi tegen die twe-ende-veertich daer Ende dade hem grote feeste naer'; Ende doe si alle vergadert weren, Dede die koninck* daer presenteren Den twe-ende-veertich*, zyt seker das, 11780 Al dat goet datter* gewonnen was, Ende zeide , dat waer haer^ met rechte , Si haddent gewonnen met g^vechte, > Wy en hebbent gewonnen, cleen no groet; Oec hebdy my van der doet 18785 Bescut ende van gevcncnisse mede". Si dankedens den koninge daer ter stede, Ende zeiden zi en woudens* niet ontvaen >Daer* kornet noch tjjts genoech , sonder Dat wy gifte zullen*" nemen, [waen, 18790 Maer gevet dat nu anders, naiu betemen*'. Doe zeide die koninck* Leodegan: > Sintemeer dat gy des niet voertan Nemen en wilt, so nemet gy Ende deelet** waer dat iu wille sy". 18795 Merlgn seide ten drien** koningen doe, Datsi dat goet namen** alsoe. Doe namen*» sgt, ende deeldent* * daer Na Merlyns rade, wetet vorwaer, Sodat des hemselven en bleef niet 18800 Dat eens penninges vraert** was iet; Des worden si geprgset seer, So beiagedensi groet eer, In al den lande, daer ter stede, Ombe haer* 'grote daet ende* * mildechedi , 18805 Dat men nergen af en sprac vorwaer. Dan van hem lieden** openbaer. Si daden** so by Merlyns rade nu, Dattet** elc moste prysen, seggic iu; Ende Artur gaf sinen waerde** mede 18810 Ende siner waerdinnen**, daer ter stede, So vele goedes. datsi daernare *£ng. and were ditconfeiied he the eouiueile oj Merlin 'imde de 'damaer ^koninch ^v. soldeners •dat daer 'weer er * wolden des *dat * 'zolen * 'dei- let **dien '* nemen **deilden dat * 'weert **er *'endo ombe er **emluden * •deden **dat dat Altoes rike liede** waren. Doe dit gewin gedeelt** was, Zeide die koninck Leodegan nadas 18815 Toten twe-ende-veertich soudenieren**, Dat hi en woude, in gener manieren, Voertmeer si en souden bliven na In siner herbergen, seggic iu, Ende gesellen wesen voert ten stonden 18820 Der heren van der tafelronden. Dus warensi daer nu ontvaen; Men dade die heren ontwapenen saen. Doe sprac die koninck Leodegan daer Siner dochter, datsi ginge naer** 18825 Ende pareerde**, ende name* ' voertan Twe silverine beckene , ende ginge dan Ende wiesce** die heren met warmen Si was derwaert saen nu vome* *, [bome. Maer die koninck Artnr en woude niet 18830 Dat sine dwoege**, wat des gesciet, Vor dat Leodegan ende Merlgn daer Beide hem bieten doen. Daemaer Ginck si hem wasscen den hals sgn , Ende oec mede sgn anscyn, 18835 Ende drogedet* * met ener sconer* * dwale. Daerna ginck si wasscen wale Die ander** koninge, wet vorwaer. Entie ander Jenever, die vras daer Des drossaten wives dochter mede, 18840 Si dwoech die ander** heren ter stede Ende haren vader, den koninc, met. Doe ginck die ander Jenever , dat wet , Die des koninck Leodegans dochter was Van sinen wive, ende nam nadas 18845 Drie** mantele, ende bincse daemaer Den drien* * koningen ombe den hals daer. Doe was die koninck Artur voertan Een utermaten scone man, Ende Jenever besachen sere daerby 18850 Ende hi haer weder; doe zeide si Onder haer tanden: >der ioncfrouwen Mach wael te moede** zgn, by mynre [trouwen , Daer sulc een ridder* * begeerte hadde inne. Dat hi an haer woude soecken minne, 18855 Ende met rechte mochte si oec mede ** weerde, werd. '*lude »*godeilt **Boldieren **dar* naer **parreerde *'neme ••wosche ••innorme ••dwage **droget **8conen **andem **dre, drcn * •tomode **ialch een ritter. 209 Bljscap driven in eiker* stede Die minnen wonde alsolc* een man, Ende met rechte sondese voertan Vermaledjen God entio werlt mede, 18860 Die sulken manne minne ontseide, Ende nembermeer waer si eren waert, Diene ombe mynne iet* beswaert". Mettien waren die tafelen geleit Ende dat eten was al bereit; 18865 Doe dade* die koninck Ban sitten gaen Den koninck Artur vor hem saen, Tuscen hem ende sinen broeder nn, Wantsi daden* hem daer, seggic ia, Al die ere die si mochten an. 18870 Dit merkede die koninck Leodegan, Die daer ter selver* tafelen sat; By , der eren , die zi hem daden* ter stat, Dachte hi dat hi haerre* alre here was, Ende hem wonderde oec sere nadas, 18875 Wie^ die here mochte sgn. Hierombe hadde hi groten fijn, Dat hi dat wiste, wie hi waer, Ende sine gesellen oec daernaer; Dit liete hi hem vele costen ter stonde. 18880 Doe gingen sitten dio van der tafelronde Neven die soudenier*, want in een Droegensi van vrientscape* onder hem Die koninck Leodegan dachte doe : [tweeu. »God, Here^*, zeidi, »of dat mochte s^n 18885 Dat desescone vrome jonge man, [alsoe, Dien** si daer alle dienen voertan, Mine dochter getrouwet* * hadde ter stede ; Want ie weet wael die waerhede, Dat in so jongen manne, so hi es, 18890 Niet (en) mochte zgn, des ben ie gewes , Also vele groter vromecheden Als ie an hem gesien hebbe heden, En waer hi van groter** konne niet, Ocht** dat es een geest, als men siet, 18895 Dien** God hier gesant hevet mede, Ende sine gesellen oec ter stede Ombe dit lant bescermene met, Ende sterkene Godes wet". Doe dachte hi ombe dat wonder, dat hi dede 18900 Ende alle sine gesellen oec mede ; [doe** Hi dachte , hoe* * hi uter* * poerten reet, *clke 'alsalch "icht ^deden •selven 'erre ^we *8oldeneer 'vrentscapen **'den, groten **off **gctru- wet **wo **ut der **do, to **he ene *'er **cn- Die vaste stont besloten toe**; Hi dachte voert, sonder waen, Hoe* * hine* * verloste daer hi was gevaen, 18905 Haer*' twe-ende-veertich tegen v^fdusent Ende daema al den dach voertan [man, Anxtelike*' seer gestreden hevet. Dus dachti hierombe dat hi begevet Al s^n eten ende siner gaste** mede, 18910 Ende bleef sittende also ter stede. Dit merkede Hervj van Rivel daer. Dien** dat leet was, ende daernaer Stont hi op ende ginck toten koninck**, Ende zeide hem hemelde dese dinck* * : 18915 »Here'\ zeidi, >ic en sach iu nie eer Mesgrypen an negeen** dinck so seer Als gy iu nu ter wilen doet, Gy zondet** nu maken blydegemoet Dese heren, maer gy sittet nu 18920 Ocht** gy sliepet**, ende droemde iu Gy en zoudet* * iu dus niet gelaten". »Hervi", zeidi doe, »by karitaten, Ie dachte omb den edelsten, z^jt seker des. Enten** besten, die in der werelt es, 18925 Enten** vroemsten, ende ie en konde my Niet onthouden**, ie en moeste daerby Denken , ende omb dese dinck zeggic iu , En zonde men my niet blamen nu". Hervi zeide: >dat mach wael** wesen, 18930 Maer pinset daerombe genoech na desen , Als gy des stade hebbet ende respyt; Maer nu en eest geen denkens tgt Doer feeste ende blyscap deser heren. Die wel waert sgn aller eren". 18935 Dus liet die koninck dat denken varen Ende sgn dochter Jenover, twaren, Diende vor Artur ende scenkede hem nu, Ende knielde vor hem, seggic iu, Die wile dat hi drinken sonde**, 18940 Ende hi sach op haer*' also houde Met vriendeleken ogen te hant; Si was die scoenste, die men vant; Si stont in horen** rocke al bloet, Ende op haer hovet een hoet** 18945 Daer menech dier** steen an stont; Si hadde enen hals scoen ende ront Entie scoenste** vlechten mede gestlike *»ge8te * •koninck, dinck »*gene **w)lden * "sliepen **unde den "•entholdcn **wal *^8olde "•oren **ecn hoet op er hovet ■•duer "^sooensten. S7 210 Die haer sloegen, daer ter stede, Toten gordele nederwaert; 18950 Haer anscyn dat was so verclaert Rodelec* mynlic met witten gemene Gemenget, dat nataer negene Daer an gebrac; noch an hoer lede An hande , an voete , an vinger mede , 18955 Noch an lichame, wat hclpet messaket, 'So en sach men negene bet geraket; Tc* en kan haer scoenheit niet volprysen. Nochtan was si in alre wysen Ëmber' also volkomen ende volmaket 18960 In hovesceden, ende also wel geraket In goedertierenheit ende in mildechedeii In dogeden ende in soetecheden" Ende in gestadecheit* van sinne, Dit ende meer hadde si al inne 18965 Dat ie al niet geseggen en kan. Die kouinck Artur sachse doen an . Die niet scoenre (en) mochte wesen, Gelijc* als wy van haer nu lesen: Haer borsteline^ waren ront ende clene 18970 Alse twe appelkine gemene, Ende haer l^f was witter dan die snee; Wat machic an haer prysen mee? Si en was te mager no te* vet Maer tnscen den beiden, dat best set'. 18975 Die koninck merkedese doe herde seer, Ende dachte an haer ie lancie"* meer; Hi dachte so vele an haer nadat. Dat hi syns etens al vergat; Maer hi keerde sine ogen van haer**, 18980 Dat des nieman sonde werden gewaer**. Die ioncfrou nam doe den nap. God weet, Ende zeide : » jonchere , drincket gereet ; Wistic nu wael hoe** gy hiet, Ie noemde iu also ende anders niet; 18985 Drinket ende (en) scaemt iu niet sint, Ende en sgt niet versaget** een twint**, Want , by Gode , ten wapenen en zydy * • Niet versaget*', duncket my; Dat sceen wael heden**, zeggic nu, 18990 Daer er vijfdusent sagen*' na iu". »Ioncfrou", zeidi, >gy seght uwen wille. Van den dinck zwigic stille, Maer ie drinke geme, scone maget vry, Van uwer hant, ende God late my 18995 Des verdienen** sonder uwe noet. Dat gy my desen dienst** nu doet". >Here", zeide si, »gy en hebt des noch niet Te beginnen , of gy dat gebiet , Maer gy hebt my hondortwerf voertan 19000 Meer vergouden** dan ie iu kan; Want daer vergoudijt* * wel, sonder waen, Daer m^n vader was gevaen Ende gyne verloestet** uter noet; Ten* * andren male, daer gy staket* * doet 19005 Die mynen vader hadde ter aerden** Gesteken met sinen paerde**, Daer gy iu ombe aventuerdet sere, Eer gy bescuddet** mynen here; Daer dady*', here, met wapenen soe 19010 Dat al dat heer** vor iu vloe; Ay, wie** sach oit** so jongen man, Als gy zjjt, die dat dorste vangen an, Dat gy daer vinget** an gerede*'. Die koninck Artur liet haer* * ter stede 19015 Seggen van desen, al dat si wille, Ende sach vor hem ende sweech stille, Ende nam den cop ende dranc al ace, Ende zeide : »joncfnKi, staet op daertoe, Gy hebbet lange genoech gedient nu, 19020 Gaet sitten, joncfrou, des biddic iu". Haer vader zeide: » dat en mach niet wesen**. Dus diendesi voert na desen Van menegen gerechte* *, dat daer quam; Ende doe die maelt|jt inde*^ nam 19025 Entie** amlaken op sijn gedaen, Doe sprac die koninck Ban saen Tot* * koninck Leodegan, daer hi sat nu : »Here, my wondert sere van iu, Want men hout*' iu herde vroet, 19030 Dat gy iu dochter niet beraden doet, Die groet ende scone es mede. Dat gyse nu niet en gevet t-er stede Enen vromen machtegen** man, Die iu holpe bescermen voertan 19035 luwe lant tegen iuwe viande nu, Want my dunket wel te hoeme an iu. Dat gy niet meer kinder, hoe* * dat gaet. *rodeleclit *ich 'omber ^soticheden ^gestedicheit *geiycli 'bnisteline *to m. noch to "sit *®io lanch io **er, gewar '*wo *• nicht vortzaget **twinck **ne zin gy **hude * 'zegen **vordenen ^'denst ** vergulden * * vergulden gy dat * *verlozeden * "to den **8teken * •eerden, perde ^'bescadden *'dede gy "her ««we »»ie «^vingen *»er **gerichte »*ende »»unde de »*te »»holt »*mechtigen. 211 En hebbet, daer op te blivene staet Dit lant, dan haer* allene'*. 19040 Die koninck Leodegan sprac na datgene : »By Gode, bere,datdoet my torloge *8waer. Dat my bevet gedaen seveu iaer Die koniock Rioen van Denemarke, Die my bevet georloget stercke, 19045 Dat ie daer nie* eint toe konde komen Al bad ic8* my gebat ondernomen, Ende oec en quam my nieman* toe*, Dien* icse geven wonde alaoe*; Maer quame my toe een ionc baseleer 19050 Die macbtecb' waer, totdat bi uieer Ontsien waer dan ie nu bem*, Ende mijn orloge trac* an bem*, Ie gave bem mine dochter te wive Ende mjn rike** na minen live; 19055 Ende, by Onsen Here, ie seg bier iu: Ic woudet** also waer, als iepinsena, So sonde** mine dochter gehuwet sijn In drien** dagen, na den wille** mgn, An enen den besten baseleer, 19060 Enen ioncman, dien ic sacb niet eer Ende ten wapenen die beste mede; Oec ontboude*' ic, na der waerbede, Dat bi hoger man es dan ic 8y'\ Doe loecb** Merlijn een luttel daerby, 19065 Ende zei de toten koninck Bohort al stille. Dat bi dit zeide ombe Arturs wille. Doe sweech die koninck Ban ter stede Ende sprac van andren dingen mede, Ende liet bliven dat woert van dien. 1 9070 Die koninck Leodegan merkede mettien * ^ Datsi der talen niet en rechten**, Ende gaf daerombe een groet sochten, Ombedat bem dochte**, datdi niet En achten van den huwelike iet, 19075 Ende bi sacb die grote feesto mede. Die men den koninck Artur dede [nieren*" Overal van den twe-ende-veertich soude- Ende datsi bem dienden in aller* * manieren Ende onderhorich gelijc horen here. 1 9080 Dit wonderde den koninc Leodegan sere, Ende wart bedroevet seggic iu, Entie** ioncfrou wart oec nu *er *datorl. *iie *ick des *nemaii •to,den, also 'mech- tich 'bin, in •treckedc '•koninchrike *Mvoldet **2olde **drcn **willen **ontholdc '"lachgede *'mytden **rocchteii **dttchte * '•soldieren ** allen **unde de * 'nicht V. ; Eng. thcit she toas tgre iroubeled * * vrodeste Artur so sere minnende nadat, Datsi boers selves sciere vergat**, 19085 Ende si woude oec wael na desen, Dat bi haer geselle mochte wesen Ende haer man, si hadden liever nu Dan ieman die levet, seggic iu. Die historie scgget ons, dat si was 1 9090 Die vroetste * * entie scoenste, sjjt seker das, Entie beste geminnetste** mede, Die doe was in Kerstenbede**, Sonder Clarine, die was ter ure Des koninck Percides wgf van Casinure , 19095 Ende des koninck Pelles dochter nadas, Die van Listenois koninck was. Die nichte * ' was des koninges des visscers Entes* * koninges mede , dat wet , [met Die altoes zieck (was) van wonden**; 19100 Dene koninck hieraf biet, ten stonden, Alein van den vasten eylanden, Die tlant*" van Listenois hielt in handen; Alse dese koninck was van den wonden Altoes sieck in sinen stonden, 19105 Entie rike visscer gebeten was Die gewondede koninck, als iet** las Want bi was gewondet in sine dye, Ende in siner kintheit, secht men my, Dat bi Broen was geheten**, 19110 Maer bi biet die rike visscer, als wflt weten, Ombedat bi enen visc vinck. Dien bi sette na die dinck Optie** tafle van den belegen** (>rale, Als men hier na sal seggen wale. 191 15 Dese rike visscer hadde den Grael in hoe- Alse iu die historie vor bevroede**, [den. Dien** bem gaf Joseph van Aramatbien Met hem te voerae ende siner pertien ; Ende bi was vader des koninck Pelles 1 9 1 20 Des koninck Aleyns; ende tlant vanListones Haddensi gewonnen daema. Sint dat si scieden van India. Dese twe koninge bielden tlant* ' ; Des koninck Pelles dochter, sy iu bekant, 19125 Si hadde in hoede den Grael; Si was scone ende utermaten noyael Ende wonede metten** oudervader** * 'gemynnedeste * •Cristcnbede* 'niffte* 'unde des* 'Eng. that toas nece to the kynge Fesceor and of the seke kynges wounded **dat ïant **ikdat **gehieten **op de **hilgen "'bevrode **den *^dat lant **mytdeu * *oldervader. 212 Ënde hielt den Gi*ael altenengader Totedat Galaat quam, die dat wan, 19130 Alse iu dit boeck hier namaels dan Verklaren aal, hoe* die Grael nam ende. Nu eest* ï?oet dat ie wende Ende kcre ten twe-ende-veertich gesellen, Daer ie hier voraf liet mijn tellen. 19135 Doe die tafelen waren* opgedaen, Als ie hier voer dade verstaen , Nam Merlyn die drie* koninge besiden, Ende zeide: »wety* wat nu ten tiden In Bertanien gesciet* es?" 19140 Doe zeide die koninek Artur na des: >By Gode, Merljn, dat wistic geme". >Ic segget in , here , ende niet te scerne, Daer hevet geweest vor Logres nu Ene grote batalie, seggic iu, 19145 Van den Sennen, die tlant aldaer Gerovet hadden, wet vorwaer, Ombelanc dat oever' ende optie' zee; Ende alsi metten rove oec mee Vergadert waren* met tien 'dusent man 19150 Ende te Windeberes voeren voertan, So quamen*' vgf kinder op hem in scjjn , Die alle vive uwe neven sgn". Ende doe telde hi daernare Hoe* si alle vive gesceden** waren 19155 Van horen vader ende moeder mede Sonder haer' * weten; oec teldi* * ter stede Hoe si die poerten bescudden al, Ende haer*' doen, groet ende smal, Teldi hi den drien** koningen daer, 19160 Ende hoe* si ontvaen waren naer** Van der stat, ende hoe si zeiden Hoe si horeridderscap** saen ontbeiden Totedat die koninek Artur , haer oem , Haerre*' so vele wil nemen goem , 19165 Dat hise selve ridder make. »Laet varen", zeide Merljjn, snu die sake Voert te denken van iu lant, Gy hebbet daer nu so goeden** warant, Gy ne dervet nember sorgen nu; 19170 S^jt blyde ende denket, seggic iu, In weldoen nu vorwaeit meer**, Want uwen lande kornet te helpen* *, heer, 'wo "ist * weren *dre *wcte gy *gescheen 'over •op de •tijn '*quemeii **ge8chedcd **er * 'telde he **dreii **darnacr **ritter8cap *^erre '•gueden **Eng. now thinke fortodowele *®to hulpen » Menen »*rit- ter ïoU **hietcn »*unde de «*is **hietet *'Neutre8 ' Van Constantinopele des keysera sone, Die met hem bringet jonge barone , 19175 Dat edeler liede kinder syn nu ; Dese snllen iu dienen**, seggic iu , Ende si willen iu dienen ombe die saken Dordat gy se ridder zult ** maken, [dinck, Ende vele ander sullen komen omb die 1 91 80 Ende ombe dit suldy werden, heer koninek, Boven alle die werelt gehoget nu". »Merljjn", zeide die koninek, »ic biddes iu, Segget my hoe* die kinder heten'*, Die meest hieraf z^n vermeten'". 19185 >Here, die ene hetet Gawein, Dander Garies, die derde Agrawein, Die vierde hetet Gaheries, Entie** koninek Lot haer vad^r es'*, Ende haer moeder iu suster mede; 19190 Entie vgfte hieraf ter stede, Hetet** Galescins, ende es'* Sone des koninek Ventres*' Ende oec uwer suster kint, vorwaer; Entie'* seste, die komen es** daer, 19195 Hetet Sagrimor, ende es** mede Des koninges dochter sone , ter stede , Van Constantinopele; ende alle dese Sullen** iu dienen, daer ie af lese, Ende noch menech** ander here, 19200 Die nu iu viande zgn herde sere". Ende alle die wile dat Merl^jn daer Den koninge dit zeide, quamen naer'® Alle die gesellen , die des blide waren, Doesi hoerden dese niemaren. 19205 Doe sciedensi entie ridders** mede. Die daer waren in der stede, Tharer** herbergen waert saen, Ende bleven daer, sonder waen. Ene lange tyt, ende daden niet" el, 19210 Dan eten ende drinken , ende hadden spel. Enten * * koninek Leodegan quam daemaer Menech** man te hulpe" vorwaer Ende binnen der wilen datsi daer lagen , So gesciede in dien** dagen 19215 Den barenen, daer ie af hier vor zeide, Menege grote pijnlechede*^. Als ie iu hier vertellen sal , eer Ie** van Leodeganne spreke meer. "•solen **manich **qaemen darnaer **andederit- ters "'to erre ''anders nicht '^ andeden ■•toholpe ■•den "p^nlicheide **eer ik. 213 Van den honinck Tradeliant van Scotlant, ende van den honinck metten hondert ridders , ende van den S^nnen. Ons segget da venture tehant: 19220 Als die koninck Tradeliant Van sinen gesellen gesceden' was, Als ie hier te voren las , So haddi' vergadert twaelidusent man, Daer hi sgn lant mede hoede voertan 19225 Tegen die Sennen; daema gevel Op ener aventstonde also wel, Dat hem een s^n spie' zeide dan. Dat wael twintechdasent man Quamen^ dor z^n lant getogen 19230 Met groten getrecke also vermogen. Doe vragede die koninck : »nu zegget my, Te welker steden komen sy?" >Tuscen der reetsen ende ArondeeF'. Die koninck ontboet sine liede* een deel, 19235 Datsi hem wapenen ende volgen hem naer Dit dadensi sciere, wetet vorwaer. Doe volgeden hem tiendusent wale*, Doe redensi hemelyc in enen dale*, Des morgens in der dageraet vroe, 19240 Daer die Sennen gelogiert lagen' doe. Doe deeldensi haer liede* na das In tween, ende Pollidemas, Die neve was des koninges mede, Leide dene scaer' ter stede, 19245 Ëntie* koninck leide dander daemare. Doe die scaren gesceden waren, Voer Pollidemas ter reetsen waert, Daer die Sennen lagen bewaert, Entie* koninck voer tot Arondeel, 19250 Dat was des koninck Arturs casteel. Die wael was besorget vorwaer, Ëer Artur enwech voer van daer. Ende Pollidemas es so verre ^'' komen, Dat hi djè tenten" hevet vernomen, 19255 Daer si in lagen'* ende rasten'* nu Op haer bedde, seggic iu; Ende si en daden opter'* morgenatont Negene ^^ sciltwachte, sg iu kont, Ende Pollidemas sloech in hem daer 'gescieden 'hadde he 'speer ^quemen *lade *wal, een dal 'legen 'acar 'oude de **veer **derSeynen tenten; doch ook iu 't Eng. alleen tAe tenie ^ 'legen, resten "op de "gene "een "nnde "Eng. ^aini^éi to JUght in the forettet that toere nigh "legen 1 9260 Ende doede daer menegen , wet vorwaer , Op sinen bedde; entie* op konden komen. Hebben daer die vlucht genomen Beide tors ende te voet, ter stede. Ten" casteel waert , van desen mede 19265 Die der Sennen was; ende" oec twaren Syn si som in den bosc ontvaren Die daerby stont", God weet; Ende Pollidemas volchdem gereet, Ende versloecher tiendusent daer, 19270 Eer si ter reetsen quamen^ vorwaer. Doe Camillen ridders worden gewaer. Die den casteel hoeden aldaer. Si waren alle doe opgestaen, Ende alsise dus sagen" doet slaen 19275 Haer liede', gingen"si hem wapenen daer Ende trocken wt te" velde daemaer; Ende daer wasser met die gevloen quamen Wel tien'*dusent nu te samen'. Doe si alle vergadert waren, 19280 Sgn si t-egen die viande gevaren, Entie* ander op hem weder daemaer, So wart die strgt groet ende swaer; Ende alle die wile dat dit was. Voeren die van Arondeel wt nadas, 19285 Dier" wel hondert waren", seggic iu Ende zgn'* an die vitalie komen nu. Die Pollidemas bescut" hadde daer, Ende voerdense in haren' * casteel daemaer Also" vele als sire" begeerden doe, 19290 Ende sloten die" poerten toe Ende sagen hoe' 'vergaen zoude' 'diestrgt. Die koninck Tradeliant quam tier" tgt Te sinen neve ende halp hem daer; Want die Sennen, wet vorwaer, 19295 Hadden hem ge wapent nu meer, Ende hem toemde herde seer, Datsi den groten scade namen. Dub sgn si vergadert daer te samen Met so groter kracht, ter steden, 19300 Datsi den koninck achter deden, Entie koninck en konde oec mede Tegen hem gehouden negene" stede; Ende worden gedreven tot Arondeel. Daer blevensi houden'^ onder den casteel. a» gengen "treckeden ut to *'tijn "der » "weren **zin *'be8cad "«eren "cl«e *"zc er ••en; doch zie ook *t Eng. €aui shetten the yate» "segen wo "zolde '"to der "gene '^holdene. 214 19305 Ende daer worden hem oevele doe Des kooinges liede\ ie seg iu hoe. Want van tiendusent man vorwaer En blever maer vjjfdusent daer; Entie koninck was tachter herde seer, 19310 Ende hadde die str^jt geduert iet meer, Hi waer daer nu gesconfiert saen. [staen, Dit hevet die co. metten C. riddren* ver- Ende quam derwaert met vier "dusent mar Ende gemoete* in sinen wege dan 19315 Des co. Tradeiiant liede* gevaren Die vloen ende gesconfiert waren. Doe vragedi werwaert datsi vloen, Ende zeiden hem* die waerheit doen, Hoe dat die koninck Tradeiiant 19320 Op dat sconfieren nu bleef te hant Den castele van Arondele by. Doe riep hy: »God, Here, heipet my. Dat ik te tyde mach komen daer!'' Hi sprac tsinen lieden*: »nu volget my 19325 Ende sloech sjjn ors met sporen, [naer", Ende reet al dat hi mochte voren Ombe te tyde te komene daer; Si hadden gesconfiert geweest' vorwaer En hadden die van Arondeel gedaen 19330 Ombedat si Kersten- waren, sonder waen, Entie ander Heiden, seggic iu, Want die Sennen waren ongelovich nu; Ombedit holpen si die Kerstene-^ mede Met vier'dusent serianten ter stede, 19335 Ende troesteden den koninck Tradeiiant Wantet waren ridder valiant*". Die van Arondeel daer quamen'*. Maer doe si den koninck daer * * vernamen * * Van den hondert ridders, doe wart groet 19340 Die strjjt, ende sloegen daer doet Vier*du8ent in dat vergaderen** daer. Die strgt wart so groet ende so swaer , Ende daer bleef doe so menech** doet. Dat men daer reet in dat bloet 19345 Over den hoef van den orsen; So vele sloegen sire** in der** porsen, Dat daer der Sennen maer vj" quamen* * , Ende als die Sennen dit vernamen**, Worden si versaget nu, 19350 Si en wisten negenen troest, seggic iu, *lude *rittern •veer *geinote *zegedc here 'to s. laden ^geweset •Cristen •Criatenen **ritter faliante »>quemen, vernemen **do **vergaddren **manich Dan vlien* * ; dat dochte hem dat naeste. Doe gingen* 'si vlien met groten haeste Toten castele van der roetsen waert, Ende hem volgede, met groter vaart, 19355 Die koninck van den C. ridders nadas Ende Tradeiiant ende Pollidemas Entie ander, die met hem waren daer, Ende sloegen er so vele doetdaemaer. Dat daer van den vj^ die daer vloen 19360 Maer twe te live bleven doen. Entie van den casteel Arondeel, Doe si vluchtich sagen algeheel Die Sennen, bleven si houden daer Ende en volgeden hem niet naer ; 19365 Ende riet hem een, hiet Ywin Metten witten handen, hi zeide mettien* *: > Laet se hem volgen, ende nemewy datgoet Dit dunket my dat beste, dat men doet". Doe daden** si dat, en namen** daer 19370 Silver, gout, paerde, spise vorwaer, Ende voerden dat opten casteel daer na Sovele, dats hem nu sint, seggic iu, En gebrac te negenen tyden, Also lange alse geduerde dat strjden; 19375 Entie twe koninge, daer ie af zeide eer , Die den Sennen volgeden seer, Daden** den Sennen anzte groet Ende sloegener herde vele doet. Eer si quamen in den torre** nu; 19380 Maer als si in waren, seggic in, En dorstensi niet bliven naer Ombedat gescot datsi scoten daer, Ende hem dochte beter dat keren; Ende aldus voeren enwech die heren. 19385 Entie koninck*' Tradeiiant Dankede den koninck*' sere te hant Van den hondert ridders daemaer, Dat hi hem te hulpe quam daer Ende so wael stont in staden , 19390 Doe hi so sere was vQfladen, Ende hi zeide ten koninge saen: »En hadden die van Arondeel gedaen, Ie hadde doet geweest** daer ter stede Ocht** gevaen , ende mine liede* mede ; 19395 Ie mach hem des danken ende iu. Dat ie mijn Igf behielt** hier nu. 1» ze er '•den '^bleven *• vertegen **vleen * •gen- gen **myt den * "deden •*uemen **golt "'op den **tonie »^koninch **gewe8et **off *»behilt. 215 Die koninck van den G. ridders zeide daer: »Here, wy mogen zien openbacr, Dat onse Here genadech is met, 19400 Want hi der siner niet (en) verget; Waer si sgn, ende by aventuren Hi wil lichte nu ter uren Dat wy sine marteler* werden hier; Daerombe sent hi op ons die Sennen fier 19405 Ende si hier ie* lanc ie* meer komen; Ende oec heb ie dickewile vernomen, Dat wy by nieman* van onsen lande En werden bescut van desen bande. Des laet ons verkopen onse doet 19410 Dor die minne Onses Heren groet, Ende ie zondet anders korten , zeggic iu, Woude men mynen raet doen nu". >Hoe es dat?" zeide Tradeliant. »Ic zegget ia, here", zeide hi te hant: 19415 »Dat men ontbode alle die baroene, Ende elck brachte, tsinen doene, So vele liede* als hi konde, mede Tote Windeberes, vor die stede, Ende alse wy vergadert* hadden al onse 19420 Gingen stryden optie Sennen dan [man, Ombe Onsen Here, ende blevewy daer Doet, so sijn wy alle daernaer Onses Heren marteler; ende beter es Een goet inde*, zgt zeker des, 19425 Dan lange te levene met onneren". Tradeliant zeide: »maecty' iu sceren? Ende gy wet wel tegen enen man, Die wy hebben, si hebbender dan Twintech ende meer daer tegen met; 18430 Maer ie wille wel, dat g^t* wet, Willent* die ander dus vangen ane , Ie ben bereit** dit te bestane". »By Gode'*, zeide die koninck daernaer Van den C. ridders, »ic wil vorwaer 18435 Mine boden senden an die baroen, Ochtsi dese dinck nu willen doen, Ende dat syt my' * laten weten thanf'. >In Godes name!" zeide Tradeliant, tic volges dat gy draget overeen". 19440 Dus voerensi daer onder hem tween Tote daer die strijt hadde gewesen Onder Arondeel vor desen. Daer vondensi genoech van allen dingen ^mertelem *io 'neman *lude 'vergaddert *ende 'make gj *gy dat 'willen dat '^bereet *'zemydat Des men gedenken mochte sonderlinge ; 19445 Daer nam elc dat hi woude nu. Men deelde niet anders, zeggic iu. Doe** scieden die koninge daernaer; Tradeliant voer te Noergales daer Met v^fdusent man, die hem bleven waren 19450 Ende Agwiners voer daemare Met sevendusent mannen te Maloant; Ende doe hi quam in sgn lant, Sende hi boden ten tien* * barenen saen. Als ie iu hier voer dade** verstaen; 19455 Maer dit boec swiget hier ter stede Van den boden ende van den koningen Ende sal seggen van Anguissant , [mede, Die koninck** was in Scotlant. Van den koninck Anguissant y ende van den koninck Uryens, ende van den Sennen. Die historie zeget nu ter stede 19460 Van den koninck** van Scotlant mede, Dat hi so vele liede^ hadde nu Datter twaelfdusent was, zeggic iu, Ende op enen maendach daerna gevel. Dat der Sennen vgf ende twintich dusent 19465 Reden tuscen Toringen mede [wel Ende Lamwijck, ene goede stede, Daer haer provande soude komen doen, Die Mabon brachte ende Orioen Ende Sorbores ende Maglores. 19470 Dese bewaerden die provande na des Ende voerdense te Windeberes mede, Daer dat grote heer* • lach vor der stede. Si verbranden die dorpe aldaer Daer si voeren*^ verre ende naer, 19475 Si doeden w^f, kinder , ende man Waersise vonden ende quamen** an. Dit vernam die koninck Anguissant Ende dede sine liede^ wapenen te hant Twe myle vor den dage wel 19480 Ende quam ombe primetjt; daer gevel. Dat hi die Sennen hevet vernomen Met brande ende met rove komen , Ende si hoerden dat gekrgt Ende dat helpgeroep ter tijt 19485 Van den lieden** die si verslaen. Anguissant reet derwaert** saen **do **tijn **dede **koninch **her * 'voren **que- men **luden **derwert. 216 Met sinen hoepe, daerinne was Wel sevendusent , syt seker das. Ende Gandgii van Walefroi quam daerna* 19490 Met sevendusent man, als ie versta, Ëntie achterhoede daer. Die koninck reet in dat heer* daemaer Van den Sennen, dat seggic iu, Ende versloecher daer wel nu 19495 Meer dan tien^dusent sonder fijn, Onder hem ende sinen neve Gandijn, Eer die Sennen vergaderen konden. Dese Gandijn was groet ten stonden Ten wapene, oec was hi mede 19500 Daer men menege* vromecheit dede Vor den casteel van Brulant nadas Die miner vrouwen Lorien was, Die hi met krachte woude* winnen Ende hebben tener vriendinnen*, 19505 Ende vor die stat te Gandestroet met, Die heer Gawyn bescudde, dat wet, Met siner vromecheit, als ie versta, Als iu dit boeck sal seggen hierna; Maer hier latic van hem staen tebant , 19510 Ende sal seggen van den koninck Angnis- Die tegen die Sennen sere street nu [sant, Ende haddese tachter gedaen , seggic iu. Maer als die koninge komen waren Met horen lieden' toe gevaren, 19515 Die ie hier voer noemde iu. Die metten twintechdusentquamen* nu; Doe waren die Kerstene' tachter seer, Nochtan weerden* "si hem met groter eer, Maer niet lange en mochte dat duren 19520 Want den Sennen quam tallen uren Volkes genoech, sgt seker des. Want dat en was van Windeberes Maer tien* scottese mylen, ende ombdat* ' Quam des volkes so vele ter stat, 19525 Dat die Kerstene* onder moesten** gaen Want van veertien* 'dusent volkes, sonder [waen, So en blever maer tien *dusent te live daer, Ende en hadde gedaen daemaer Ene aventure, die nu gesciede 19530 Hi waer daer bleven ende al sine liede* *. 'damaer *her 'tyn ^manege •wolde •vrendinnen 'oren luden •quemen "kristenen * 'werden *^oml>da8 '*mosten '*veerteen **lude **veer * •wolde, zolde * 'weren *«olt, gewolt **twen *®unde den **tome Dat geviel dat die koninck Uriens nu Ende sgn neve Bandemagu , Datsi voeren uter stat Sorhant Daer hi Jonette inne liet te hant 19535 Met vier**du8eDt mannen, ombedathi Dat hi die stat hoeden soude* *. [woude* • Dese Jonet was Arturs suster sone, Hi was vrome ende herde scone, Ermosint hiet s^n moeder met 19540 Ende Bandemagus sone was Van sinen lesten wive, s^jt seker das; Dese twe en waren*' niet out** Ende hoeden die stat met gewent* * ; Ende met desen tween* * hoede die stede 19545 Ywen O verdoem oec mede, Die des koninck üriens sone was, Enten*" hi wan oec vor das ' An des drossaten wgf van Gorre , Die hi oec bilt in enen torre**, 19550 Ombe haer scoenheit, wael vgf iaer, Ende doe wan hi dit kint daemaer; Daema moeste** hise laten gaen, Want men te banne hadde gedaen In allen kerken, ende ombe die dinck 19555 So moestese doe laten die koninck; Maer dat kint nam hi met hem doe, Ende gaf hem groet goet daertoe, Ende dedet met Ywene den groten nu, Die zjn getrouwede** sone was , aeggic iu, 19560 Eude bevalne hem ombe trouwe** daer, Waut hi mindene sere vor waer; Ende omdat hi in overspele gewonnen es, Hiet menne Ywen overdoem doer des**, Entie** ander hiet Ywen die grote*', 19565 Die sint, doen** hi hoerde die genote Van den koninck Artur, sinen ome, spreken So ne woude hi sint zekerleken** Van nieman ridder* " werden , na der ure. Dan van sinen ome , den koninck Artnre. 19570 Dit zeide hi hemelde** te meneger stede Tegen sinen broeder* * ende ander liede Ende oec tegen sinen raet; [mede, Ende alse sgn broeder dit verstaet Zeide hi dit oec te meneger stede. 19575 Dese drie broeder» * ende Meliogans mede **mo8te **getruwede **trawe **Eng andforthat he wu geten in avoutery vhu he cleped &oein the aoouteret **unde do *'Eng. Ewtin the more **do **£ekerliken *'nemaiiritter *'heimclyc **drebrodcr. 211 Bleven hoedende die stat nu, Entie koninck Uriens, zeggio iu, Eode Brandemagas s^n neve met Qaamen' na ridende ongelet, 19580 Daer Angaissant gesconfiert was; Doen die koninck Uriens gewaer wart das, Was hi des erre herde sere, Ende dat toende wael die here. Want hi sloech in met tiendasent man 19585 Die hi met hem brochte daeran, Dier* in den vergadren' menech bleef* doet; Daer wart die strgt anxtlyc* ende groet. Hier namen* groten scade. God weet. Die Sennen , ende als Anguissant weet, 19590 Dat hem die koqinck te halpe es komen , Hevet hi sin e liede* genomen Ende hevetse vergadert die waren* gevloen Ende qaam hem te hulpe als een lioen. Doe began die strgt van ierst 19595 Die Kerstene* worden sere verfierst, Ende sloegen^* menegen Heidene doet; Aldus die str^t so lange stoet Datse die nacht sceden dede; Doe voer elc'^ te siner stede 19600 Van desen koningen al te hant. Die koninck Uriens voer te Sorhant, Maer die Sennen bleven liggende op dat In horen wapene met gewelt, [velt Wantsi vrachten verraetnesse, seggic ia, 19605 Entie drie' * koninge, die daer quamen'nu Den Sennen te hulpe in der noet, Die waren nu geslagen doet. Nu doet ons dit boeck hier verstaen Van den koninck Uriens, sonder waen, 19610 Dien** nu gevil een aventare Daer hi thueswaert voer ter ure: Also als hi henen zoude ryden Vant hi houdende** daer besyden Wel vier'*dusent Sennen, diegesceden 19615 Hier voer van der groter' * Bcaren, [waren Ombedat si eer ten heer' * zouden wesen. Die koninck Uriens sach na desen, Waer die Sennen saten ende aten, Daer dat scone was, by ener straten; 19620 Si meenden wael** seker wesen nu. Die koninck Uriens ende Bandemagu, ^quemen *cler "vergadclern ^manich bleff ^engest- l|jc "nemen 'lude •weren 'kristenen ''slogen **elic * *u. van dien * *den * * holdene * 'veer * * groten * 'her Sijn neve, zagen** in den** tenten daer Groet lecht bemen ende claer; Doe voeren si daer ende vrageden saen, 19625 Wie die tenten daer hadde doenslaen. Si zeiden: »die koninck Barnagus Hevetse hier doen slaen aldus". Si waren ongewax)ent daer. Die ^oninck Uriens riep daemaer 19630 Tsinen lieden : «vaste , haestet hem toe". Si gingen die tenten vellen doe. Die tafelen vellen, die spise storten; Van den slagen, van den horten Daer bleef doe menech Senne doet. 19635 Ie wane haerre** daer luttel ontstoet, Alse veertich van vierdusent mede; Si bleven alle doet ter stede Ocht* * gevaen eer dat ten dage qaam ; Die mane sceen scone, als ie vernam, 19640 Ende en konden hem verbergen niet. Des quamen*8i in swaer verdriet. Doe nam die koninck ende syn neve daer Al den roef ende voerdené daemaer Tote Sorhant in die goede stede, 19645 Daer si nu bliscap hadden mede. Niet lang daerna gevil* ' nadat, Doe si dus waren in der stat Dat daer boetscap** qaam van Gawine Ende van Garies ende Agrawine, 19650 Ende van Galescins, datsi sonder verlof SJjn** gerumet ha«»rs** vaders hof. Dat des vader no moeder* * en wisten niet Hoe dese** dinge nu sgn gesciet. Noch geen van horen vrienden* * mede, 19655 Ende z^n te Logres in der stede Gereden, ombe ridder'* werdene daer Van den koninck", openbaer. Merl^jn (en) es daer niet'* in datlant, Hi es toten koninge Leodegant. 19660 Dit was daer gerecht vorwaer, Maer die kinder willen daemaer In den lande nu algader bliven Ende dat lant hoeden ende bedriven, Tote dat haer oem wederkomet nu, 19665 Ende hise ridder** make, seggic iu. Oec seide men hem, datsi gproet goet Hadden gewonnen , daer si sloegen doet '•menden wal * •zegen «'de **wenc erre **off * 'ge- vel **bodescap »»8int "•eres *'no moder *^wode88e ••vrenden ••ritterto •>koninch(geHjk steeds) '»nicht. 38 218 Der Senncn een groet deel in datlant. Dese niemaer^ liep daer tebant, 19670 Sodat Jonet hoerde dese woert Ende quam tsiner moeder* voert , Ende zeide: » lieve moeder*, ie wil varen nu Toten* koninck Artur, zeggic ia, Ende ombe hem te dienen roede 19675 Alse minen oeme, in eiker* stede, Of dat iu wille sjj , vrouwe , verstaet Ie en willes niet, sonder uwen raet. Nu raet mi, moeder*, des biddic iu; Want myn vader hevet Bandemagu, 19680 Sinen neve, s^n goet gegeven, Ende dat hem van iu es bleven , En kan hi mi genemen niet; Also lange , Vrouwe , als gy gebiet , So en mach hgt nu* niet ontkeren. 19685 Nochtan, vrouwe, by Onsen Heren Al soudict al verliesen, zeggic iu, Ie sal te minen neve varen nu Dienen* den koninck minen oem. Nu nemet mjjns', vrouwe, eerljjc goem 19690 Dat ie suverlic* moge komen daer. Want ie hebbe liever, wet vorwaer, Daer te stervene dan hier ter stede In gevancnesse* liggene mede Als een vogel in ener'* gyole doet. 19695 Nu biddic iu, Vrouwe, dor oetmoet, Dat gy my uwen wille** secht nu". Doe si dit hoerde , dat zeggic in , Datsi weende van blytscepen Sodat si niet en konde gespreken, 19700 Doe si sach, dat hem dat herte alsoe Na synen hogen geslachte trac** doe, Daer si selve** af komen was. Doe sprac si tot Jonet nadas: > Lieve kint, wildy** my laten dan 19705 Ende uwen vader, ombe enen man Dien gy niet en wetet**, wat hi es?" > Vrouwe", zeidi**, >de8 syt gewes, Hi es iu broeder* ' ende m^n oem,God weet, Want al die werlt, secht, gereet, 19710 Ende oec zjjn mine neven nu daer; Ende blivic nu hier, wetet vorwaer, Ende ie hem niet en helpe sjjn lant ^niemeer *to s. moder *to den ''elke *he my dat *denen 'mines 'saverlich 'geTencknisse to *'eDen * 'willen * "slechte treckede "selven **wil gy * •we- ten **zegede he *'broder **weQ lieff wenleit * 'hei- Verweren , ie waer embermeer gescant, Gelyc dat myne neven nu doen; 19715 Ende weet oec wael: ombe geen ocsoen , Wien lief, wien leet* *,ic en blive hier niet". Alse die Vrouwe dit nu siet, Dat hi ember varen wil daer, » Lieve kint'*, zeide si, »wet vorwaer, 19720 Dat gy hemelgc** moet varen nu; Nu kies al hemelgc** die met ia Varen, ie wil iu, sonder beiden, Herde eerl^jc doen bereiden Van orsen, van gelde, van al, 19725 Sodat iu niet** gebreken (en) sal". Doe versach hem Jonet van gesellen, Oec ginc h^t** sinen broeder*' tellen, Ywen Overdoem, die zeide doe: »Ic wil met hem varen alsoe". 19730 Die moeder* * dadese hemelde* * bereiden Ende hondert gesellen met hem leiden, Ende in den iersten*' slape oec mede Dadesine** enwech varen ter stede, Ombedat nieman** weten soude**. 19735 Doe geleidene dor die wonde** Een ionchere, hiet** Frangolet, Die al die wege kende, dat wet; Ende Jonet was van desen male na (xeheten Ywein die grote, zeggic iu, 19740 Ende dat was s^n gerechte name met; Maer in sin er kintheit hiet men hem Jonet. Hier latic dese varen na, Ende sal vorwaert tellen iu Van den koninck Ventres**, ter stede, 19745 Ende van Doriles enten** Sennen mede Van den koninck Ventres**, ende van Doriles, hoe** si die Sennen verdreven. Daventare seghet hier ter stede: Doe die koninck Venter'* wiste gerede Dat sijn sone enwech was. Wart hi so erre, dat hi nadas 19750 Jegen syn w^f niet spreken woude In ener maent, no** gene vroude En mochte hi sien' * no' * horen ter stont. Doe geviel'^ op enen donredages avont melflc "nicht »»he dat "moder "iraten "dede ze ene "neman "solde, wolde "heet "neuties » 'unde den " wo » * neuter ' • noch * '«een ' ^gevel. 219 In den Meye , dat een bode quam daer, 19755 Die hem zeide, wetet vorwaer, Van ener groter* sconferturen tehant, Die hevet gehat die koninck Angnissant, Ende dat hi doet waer bleven saen En hadde die koninck Uriens gedaen, 19760 Die hem wael te hnlpe qnam daer. Doe quam een ander bode naer, Die hem zeide,hoediekoninckTradeliant' Die Sennen hadde gesconfiert te hant Ende doetgeslagen oec, dat wet; 19765 Entie koninck metten C. ridders met Qnam hem te hnlpe , ende wonnen ter stal Groet goet ende groten scat*. Des was hi bilde in dene zjde Datsi dus wonnen in den stryde, 19770 Ende in die ander was hi droeve* met Ombe datsi verloren hadden , dat wet. Doe dachte hi, dat hi oec ter uren Nu wil varen ende soecken aventuren Tascen Soreloes ende Nortgales, 19775 Daer een groet trepas tnscen es*. Ende alsi qnamen* buten der stat, Sach hi verre vor hem nadat Groet vuer ende groet gelnet, Ende al die lantliede' liepen wt. 19780 Dat sceen ochtet* al versinken sonde*, Daer si quamen* met gewonde*. Doe vragede die koninck wat daer waer ' *. Doe zeiden hem dio liede maer'*, Dat al die Sennen , die in der werlt zyn , 19785 In sijn lant waren comen in sc^n, >Ende si verbemen alle die lande Ende si geredden hem vor Brysolande'* Optie rivier van Saveme geheel By den wuter, vor den casteel, 19790 Ende ontbeiden haerre carinen daer, Ende daer es met hem, wet vorwaer, Die koninck Magondres ende Pompins Die neve was des koninck Hangins Entie (koninck) Galens ende Pinogres, 19795 Met hem veertiendusent, s|jt seker des; Ende dese destmeren al in 1ant'\ Als die koninck Yentres dit bekant Dat hi ember sal hebben str^t, Riep hi met luder stemme ter t^t 'groten *Cusebant; doch zie *t EngelBch 'scad ^drove *Eng.; tohere as the pauage waa right grete 'quemen 'lude 'scheen oflf 'solde, gewolde **weer. 19800 Op sine liede, z^t seker des: »Nu sal ie sien wie vromech es'". Die koninck hadde daer twaelfdusent man, Daeraf makedi twe scaren dan, Ln elke wasser sesdnsent vorwaer. 19805 Doe beval hi Dorilase daemaer Dene scaer te leidene also, Die een vroem ridder was doe Entes koninges neve was herde naer* * ; Dander scaer leide die koninck aldaer^*. 19810 Doe reet Doriles ende quam So verre, dat hi die Sennen vernam, Die doeden man, kinder, ende w^f Ende roveden ende branden, sonder bl^jf , Al datsi vonden, zgt seker das, 19815 Ende dier** wel veertiendusent was; Maer si en waren** niet al te gader doe Noch oec wael gewapent soe, Ende Doriles sloech in hem daemaer So vreeslgc , dat hi haer aldaer , 19820 Eer die koninck Yentres tot hem qnam, Wael tiendusent haer leven nam ; Entiegene**, die ontvloen te hant, Liepen ten castele van Briolant, Daer die vier** koninge lagen; 19825 Ende Doriles sloecher, in dat jagen, So vele, dat van veertiendusent man Maer** driehondert en bleven voertan. Ende doe diegene, die daer lagen, Haer liede aldus zagen** jagen 19830 Riepensi: » wapent iu, wapent iu!'* Maer niet so vro en kondensi nu [gewelt Hem gewapenen , die ander* * en z^n met Op hem daer komen, ende si hebben gevelt Yjjfhondrrt tenten, ende oec mede 19835 Tiendusent man verslagen ter stede. Doe began men die trompen blasene daer Entie Sennen vergaderden** naer, So datter wel sestichdusent was, Doe quamen die vier koninge nadas, 19840 Met vier** scaren geslagen toe Op des koninck Yeutres liede doe; Ende Doriles die quam hem tegen, Ende brachte een speer gedregen, Ende reet opten koninck Galant, 19845 Entie koninck op hem weder te hant; * meer ^'Eng. and were loigged hefore the eastel of Brolende **na, alda '"der •* weren **unde degene **veer *'men *'iegen **andem *'vergadderde&dar, 220 Ende hi Bloech Doriles ter stede Dat s^JD speer brac' gerede Ende quetsedene luttel daer; Ende Doriles stack'en weder naer 19850 Opten scilt, dat hi ginck doer, Ende doer den halsberch makede een scoei Dat die speer doer den lichaem weet Meer dan vierdehalve voet, Entie koninck' vil daer doet. 19855 Alse dit den Sennen (wart) bloet , Dat haer koninck lach doet vorwaer, Sloegensi op Doriles daernaer Yreeslike; maer Doriles Weerde hem wel, zyt seker des. 19860 Daer wart die stqjt vreealic* ende groet, Daer bleef menech Senne doet, Want die koninck Ventres Onder die pavelioene* nu komen es, Tuscen den bosc entie* riviere, 19865 Ende velledese daema alle sciere, Ende sloech doet, dat hi daer inne yant ; Want si waren', sjj iu becant, Al meest ongewapent daer; Si waren alle doet bleven vorwaer 19870 En hadde gedaen die koninck Pignores, Die hem te hnlpe komen es Daer, met sevendusent man; Doe wart die stqjt groet yoertan Maer die koninck' Yentres dade so vele 19875 Met wapene daer in den n^t>spele, Dat hi die sevendusent sconfierde nades*, Ende doet sloech den koninck Pignores; Doe waren' die Sennen (versaget) sere. Doe quam die koninck Popims ter were 19880 Met sevendusent man* ten stryde. Doe wart die koninck Venter ten tyden** Achtergedaen ene bogescotè wel Van den tenten; doe wart daer fel Die stqjt; doe riep die koninck Ventres: 19885 »Fy*\ gy ridder, vliedy** dor des? Weret iu , wy en mogen ons nembermere Bet verkopen iu meerre** ere Dan op in viande, die Heyden sjjn; Offert hier luwen lichaem fijn 19890 Onsen Here, die den Sinen ^brach ^stach 'ande de koninch ^vreslich *pawe- lune •busch u. de 'weren 'das 'mans *°tyde **phy **vlie gy "merre. **op andsr **lade **8trydene *'dcu '"neman **offte *®bu8ch **8pete; doch zie 't i Ombe ons liet toter doet pinen*'. Doe si den koninck dus hoerden spreken S^n si 80 vaste in een gestreken Tegen die viande, datsi se niet 19895 En konden dorbreken, wat gesciet. So lange hieldensi hem alsoe, Dat die Sennen alle doe Worden verwermt, ende oec mede Tenden horen adem , daer ter stede ; 19900 Ende Doriles hadde oec bander^^side Des koninck Galens liede'* in den stryde So mat gemaket, datsi vloen, Tote op des koninck Pompins liede^ * doen, Doe wordensi strydende^* alle daer 19905 Op des koninck Ven tres liede'* vorwaer. Dit duerde toter Vespertgt, Doe quam koninck Magondres in den strg t Met v^ftiendusent Sennen daeran. Dien" onwaert hevet, dat so luttel man 19910 Geduren mogen daer ter stede Tegen so vele volkes , als hi hadde mede. Doe riep op hem Magondres: >Gy Heren, ie bevele iu allen na des, Also lief als gy my hebbet nu , 19915 En laet nieman'* ontvaren van iu (iyne slaeten doet'\ Doe dit sach Die koninck Venter, dat hine mach Niet gedoen tegen die grote scaren. Is hi achterwaert gevaren 19920 An dat foreest in ener straten, Entie Sennen volgeden hem utermaten Ende meondense alle doden ochte'* vaen; Als hi in die strate quam, keerde hi saen Want hi hadde den bosc** achter hem nu ; 19925 Ende in ene hole strate, zeggic iu. Was hi, daer nieman** tot hem konde Dan van voer, hebbic vernomen : [komen Hi dade vor hem setten haer spere*\ Wie daer quame** dat hise gewere"*; 19930 Entie Sennen quamen*^ op hem daer Daer bleef er menich doet vorwaer; Daer duerde die. stryt toter nacht toe**, Dat deen dander niet en kende doe**; Doe* * moesten die Sennen sceiden vorwaer, 19935 Die grote scade namen*' ende svraer. Eng and pight theire tperet in the erthe *'qaeme **er genete, maar in H Eng. and were noeU araied hem to defende ^^gnemen "•to, do **Dit ^^nemen. 221 Entie koninck Yentres voer mede Sciere in ene sine vaste stede, Die Viscant^ hiet, daer lagensi Drie' dage ende rasten' hem daerby, 19940 Ombedatai moede ende gewont waren; Doe voereDsi te Polles daernare, In ene stede die sgn was, Die allernaeste lach des pas; Daer warensi sere begaen ter nre 19945 Ombedat haer wapene menege score Hadden; dus zeidensi, sonder waen, Datsi in noden waren bevaen Daer si snike scoer ontvingen. Si prysden sere van den dingen; 19950 Daer quam die biscop jegen hem alsoe, Die Uriens ende Ventres oem was, doe Met al den clerken van der stat Ende prysdene berde sere ombedat, Ende gebenedjedense daer ter stede; 19955 Entie biscop hadde geme oec mede Gesproken jegen den koninck Ventres; Maer ombedat hi nu te banne es, Ombedat hi hem sette iegen Artare, Ende an hem niet en hout nu ter ure , 19960 Want hi haer gerechte here es, Ombedit liet hi dat, s^jt seker des. Dat hine niet en sprac ombedat. Dus blevensi liggende in der stat, Ende daden hem te gemake nu. 19965 Hier sal ie vorwaert zeggen iu Van den koninck Clarione Ende mede van der Sennen don e. Van den koninck Clarione, ende hoe^ die Sennen branden in allen landen. Hier seghet daventure mede, Dat die koninck Clarion nu ter stede, 19970 Sine stede alle besorgede* doe* Met vleesce , met wine , van spise toe* ; Ende hi geboet syn lant aldoere'* Dat men al dat quick nu voere' Coye, Bcaep, ende paerde* mede 19975 Verre* in den wout** in hemeleke stede; Ende alle die spien*' die men'* vant, Dade hi vaen ende honden thant. *Eng. Wyndesore (Windsor) *dre 'resten *wo 'be- •orgen 'do, to ^dare, vure 'perde •vere * 'wolt * 'speer, er ' "jonch ritter "ïolde, wolde **vodereii '•berieht Ende op enen avont gevil daemate. Dat vele Sennen vergadert waren 19980 In des koninck Bamagus tenten ter stede, Ende in des koninck Malegans mede, Die koninge waren van Yrlant. Dese beclageden hem sere te hant Van der scaden , die si ;hadden ontvaen 19985 Vor der roetsen, ende mede nu saen Die hem alle dage comet te handen Van den genoten van den landen, Ende dat haer spise nauwede sere. Daer stont op een ionc ridder' *, een here, 19990 Die dapper was, ende zeide aldus Tot sinen oeme , den koninck Bamagus : »Ic soude" nu varen voederen' ^ thant In een herde groet vet lant. Dat nu wel vol van allen goede es , 19995 Woude" mi des orlof geven Amades, M|jn vader, ende myn oem Agla9,nt, Want sonder haren orlof, sfj iu becant, En vaer ie daer niet'\ Doe sprac Bamages : »Lieve neve, nu berecht'* my des, 20000 Welc es dat lant". Doe zeide hi: » Nortomberlant hetet dat ' *, koninck vry, Daer woudic neven der Savernen ryden Ende opter rivier van der Ombren tyden; Ende vor den casteel Dorelosen torre; 20005 Dit soude nu wesen mine porre , Ende hier ombelanck es dat vetteste lant, Dat men nu vint, sg iu becant". Doe zeide Barnagus: >gy zout" Eiesen die gy hebben wout", 20010 Die met iu sellen varen nu'\ >Here", zeidi, >des danckic iu". Doe nam Oriens scier daemaer Die hi hebben woude vorwaer Tote veertechdusent , sonder, dat wet, 20015 Die te voet liepen oec met. Dese voeren alle te Sorhantwaert Ende branden ende roveden mettervaert' *, Entie** koninck Mala&nt, hi es Met sinen lieden*' bleven na des 20020 Vor Windeberes, die vaste stede. Hi** riep Soriondes, sinen neve, mede: vWat eest*'", zeidi, >suldy** iergent va- » Jaic,here'*,zeidi* *,» sonder sparen, [ren?" '•zegede he "zult, wult ''wart "•myt der vart "•onde de "'luden **hie **i8 et **zole gy. 222 Haddic liede'". Doe zeide die koninck: 20025 sNemet mgns volkes , ombe dese dinck , Also vele als gy wilt tehant, Ende vaert in deR koninck Ydiers lant , Ende nemet al dat gy vindet daer'\ Hi dankedes den oeme sere. Daemaer 20030 Nam hi met hem Teertichdusent man, Die hi hebben woude' voertan; Sc es hi mettien* enwech gevaren Stoutelike', al sonder sparen. Daerna riep die koninck Amades 20035 Hertrante, sinen neve, na des, Ende zeide : »neve , gy moet varen thant Te Loenes in des koninck Lottes lant Ende in Orcanien mede, God weet, Ende nemet miner liede" mede gereet 20040 Also vele als gy wilt na mere". Hi dankede des sinen ome sere , Ende nam veertichdusent man ter stede , Ende voerdese in des koninck Lottes lant Ende begonden bemen daemaer [mede ; 20045 Ende te rovene, wet vorwaer, Entie* ander mede, sonder beiden, Daer ie hier te voren af zeide. Ende alle die wile , dat dese nu varen , Hadden die ander koninge, twaren, 20050 Een parlement, hoe si mochten nadat Windeberes winnen, die vaste stat; Daerombe ginck een water, diep ende wgt Men hadde niet mogen, doen ter tjjt, Met enen amborste overscieten' vorwaer. 20055 Daer gitck' een rivier ombe , ende daer En stonden maer twe poerten doe* , Ende menech torre* daer alsoe* Vaste ende so hoge mede, Dat men verre sach van der stede. 20060 Men mochtese niet lichte winnen En waer' * dat mense verhongerde binnen Die koninge gingen al ombe besien Ocht* * enech gewin daer mochtegescien' *; Doe zeidensi dattet' * daer niet toe dochte 20065 En waer ' * dat mense verhongeren mochte. Doe zeide die koninck Magondres Toten koninck Bamagus nades: »Dat es also hier gescapen na. Dat daer negeen* ^ gewin an es, zeggic iu**. ^woldf *inyt den 'itoltelike ''lade *andedo *over- •ooten 'ginch *do, also *toem **weer »*off **gc- loheen **dat dat *^geen ^*ze er; doch zie *t Eng. 20070 >Sekerl^c'\ zeide die koninck Mala&nt, » Des volge ie wael ; nu laet ons te hant Die stat van Clarense beleggen, Wantsi en hebben negeen** wederseggen, Oec en z^n in desen lande allegader, 20075 Al warensi vergadert al evengader, Niet dat tiende deel, dat zeggic ia, Also vele liede* als wire** hebben nu**. Doe zeide die koninck Bamagus daemaer : >Here, wie wildy** dat daer nu vaer?" 20080 >Ic salt iu seggen al te hant: Daer sal varen die koninck, heerGodebrant, Entie* koninck Magondree, Ende Sinatores ende Sorbares Die koninck Sapharys, die koninck Cohas, 20085 Die koninck Plantor,die koninckMathonas, Die koninck Somagn8,die koninck Ignores; Ende elc van desen, s^t seker des, Sal onder siner banieren*^ voeren dan Vor die stat twintichdusent man". 20090 Dit was dat inde** van den rade daer, Ende si lovedent** alle daemaer; Doe bereidensi hem met snelre vaert, Ende voeren daer nu te Clarensewaert, Ende belagen* ^ herde nauwe die stat. 20095 Ende alle die wile dat gesdede dat, So es Oriens metten Sennen komen, Als gy hier vor wel hebbet vemomen In Nortomberlant, wet vorwaer, Ende bernet ende rovetse daemaer. 20100 Doe dit die koninck Clarion vernam, Was hi des toemech ende herde gpram, Ende ontboet den^hertoge* * vanCambenick Dat hi ten passé quame** haestelic Jegen hem ter reetsen van Margot 20105 Met al den lieden*' die hi insgng^bot Hadde, ende verkrygen mochte nu. Doe hi dit hoerde, seggic iu, Dat hi doe nam twaelf* ^dusent man Ende voer ten passewaert wat hi kan; 20110 Daer vant hi den koninck Clarioen** Met dertien* *du8ent man, stout ende Ende doe si vergadert waren daer [coen**, Yoerensi op die Sennen daemaer, Daer sise sagen roven ende bemen tlant. 20115 In dat begin, daer si quamen** gerant, f o OW **we wil gy **banire **ende **dat * •be- legen ''hertogen **qaome *'ladeB **twelf *»Cla- rione, kone **dnitteeii *^qiMiiien. 223 SloegOD^si der Sennen vele doet, Want der Sennen een groet hoep Was gesceden aleo alsi* Den roef haelden verre ende by; 20120 Daer bleef er tiendusent doet ter Btede. Doe quamen* die gprote heren mede, Met al den Sennen, ingevaren; Doe was die koninck Clarioen , twaren, Yersaget* ende dhertoge mede, 20125 Noch tan haddensi groet volc ter stede; Oec qnam hem nn helpen meer Van den Dolorensen torre die heerj Ende Gristofles ende Sansidones, Ende Brioen sonder genade ende Mares, 20130 Entie* here van Saleme fijn Ende Caringes ende Grand^n, Die des koninck Arturs neve was. Dese lagen* daer vor den pas ^ Met v§f ende dertichdusent man, ter stede, 20135 In dat enge van der reetsen mede; Daer vochtensi vor den pas alsoe Yreeslike optie Sennen doe, Ende en hadde gedaen die pas ter nren Si en hadden daer niet konnen geduren, 20140 Wantsi en konden allegader niet komen ; Si hebben daer haer speer genomen Ende scoten dene ten andrenwaert. Daermede wart daer in der vaert Menech gewondet, sonder sage; 20145 Dos gednerdet daer nu drie dage Toten avende datsi binnendien Noit* ongewapent (en) waren gesien, Sonder des avendes alsi* eten vorwaer, Ende dat en was niet vele, openbaer. 20150 Das latic daer strjden dese alsoe Tote dat ie daer weder kome toe, Ende sal van den koninck Artur lesen Ende van Merline ende Sagrimor na desen Van den koninck Artur ende van Merline ende üan Sagrimor. Hier seghet dhiatorie^ vorwaert mere 20155 Dat die van Tomasse grote ere Daden* den heren, zgt zeker das, Om die victorie daer ie af las, ^slogen 'alzeze 'quemen, legen ^vortzaget * andede *ne ^de istorie 'deden *weer *^^En^. nouffAtforthat the londe hath etuf perecle ^'Inde '*at dien ^'ritter Die vor der stat gesciede daer nn. Die koninck Leodegan, seggic in, 20160 Ende sgn dochter daden* groet ere daer Den koninck Artar, wet vorwaer Si waer* hem altoes geme by Maer dat dat scande waer* , dachte sy. Op ene t^t nam Merlgn daer 20165 Die drie koninge te rade naer, Ende seide , hi moeste te Logres varen : »Men hevet daer rades te doene, twaren, Niet daerombe dattet lant hevet geen ra- Want die genote s^n so beswaiert [waert ' *, 20170 Van den Sennen, datsi en mogen Op nieman varen noch orlogen; Daer sgn liede** in komen ter heervaert Van over veertech dachvaert, Ende alle dage wasset dat heer twaren'*. 20175 Hi telde hem hoe belegen waren Die stede Clarense ende Windeberes, Ende hoe ene partye oec gevaren es Opten koninck Loth, ende ene ander mede Op Clarione ende Ydier ter stede; 20180 Hi telde hem alle die stryde daemaer, Die si gehat hadden vorwaer, Ende hoe Ywein die grote, ter steden, Ende Ywein Overdoem s^n gesceden Van den koninck Uriens, horen vader, 20185 Dat hi daer niet af en weet algader, 9 Ende Eeye van Strans ende Ladinas Ende Eeye die Clene", zeide hi nadas, »Dese sgn wt horen lande gevaren Te Logreswaert, sonder sparen, 20 1 90 Ombe ridder te ^ ' werdene van Artars hant, Ende si en mogen niet komen in dat lant , Ten^ * zjj by andren rade dan* * si hebben Des doet ia te gemake, seggic iu, [nu; Ende en varet nergen hier nochtedaer 20195 Totedat ie weder kome vorwaer". >Ja Merlgn'\ zeide die koninck Ban, Ende wildy'* ons nu begeven dan, So warewy verloren al te male*\ »Here*\ zeide Merlgn, >so meendy** wale, 20200 Dat ie niet wederkomen soude tot** ia? En denket des nember**, dat heticiu, Want gy haddet* * myne vrienscap* * ver- loren dan". to **dat en, dat **wil gy **mene gy * 'rolde tg "nomber * 'hadden **vren8cap. 224 >Ic en denke geen arch'\ zeide diekoninck >Tote ia , lieve vrient^ dan dat gy [Ban, 20205 Mgn viient' zgt, ende ie duwe daerbj"'. Ende Merl|jn zeide: »ic sal herde saen Hier weder 8gn'\ Dos es hi gegaen Van hem, also si en wisten waer, Ende quam opten selven avont daemaer 20210 Daer Blasys, s^n meester*, was, Die blyde es, B|jt seker das; Si hadden onder hem feeste groet. Daer telde Merl^jn Blasyse al bloet Alle die dinge, die gesciet waren, 20215 Den drien* koningen, ende daernare Telde hi hem die stride, groet ende clene, Waer si gescieden algemene; Dit screef Blasys al daemaer. Ende opten* selven avent, wet vorwaer, 20220 Dat Merlgn quam te Blasysewaert So was Sagrimor in der vaert Met drien 'hondert gesellen te vaeme* nn In dat lant van Logres , seggic iu , Ende quamen gevaren te Wyssant 20225 Ende voeren over te Doever* thant, Daer gereidensi hem ende zaten' op haer* Ende voeren henen hoerre vaerde*; [paerde Si en kenden den wech niet daemaer Ende si en wisten wien'^ vragen daer; 20230 Want dat lant al verbrant daer was. Die Sennen haddent' ' verwoestet vordas, Ende eer si des iet* * worden gewaer , Quamensi op een trop daernaer Van Sennen, die Oriens hevet gesent 20235 Wael twintichdusent daer omtrent. Die voeren ombe Sohant vorwaer Ombedat hem nieman*' en zonde daer Scade doen van den rove nu. Dien si gerovet hadden, zeggie iu. 20240 Doe quamen daer liede** roepende seer Ende riepen lude op Onsen Heer; Doe vrageden die kinder , wat hem es**V Si zeiden: »die Sennen, s|jt gewes**. Verbomen ende verstoeren** dat lant 20245 Ende doden dat hem kornet te hant Man, wijf, ende kinder. Doe vragede Sagrimor ginder, *vrent 'mester "dren *op den 'to varne 'dat overe; doch zie 't Eng. thei arived at the port of Dover ^seten 'er •orre verde **wen * *dat **icht "neman **lade **i8, gewis *• versturen * ^worden '*iegede he "•mote gy '^andem **wo **£n{;. (^ Waer die koninck Artnr nu weer >Te Camelide'*, zeiden si, >heer*\ 20250 >Ende wie es hier dan in siner stat?** »De8 koninck Lottes kinder**, zeidenii na- >£nde waer z|jn si nu ?** zeide hi doe. [dat^ >Te Logres**, zeiden die dorpers alsoe, »Ende by Gode, en vaert niet voert, 20255 Want gy werdet*' alle vermoert*'. >Ende waer staet Logres ?** zeidi^* naer; »Gy zyt wel in den wech**, zeidensi daer, »En daden die Sennen; maer ombedat Moety** varen enen andren** pat". 20260 »Ende hoe** verre es", zeidi**,» Carme- [loet*»r >Tien* ' mylen, maer si en zgn niet groet**. Doe sprac*" Sagrimor: »by Onsen Here, Ie en keer heden, ie en sal ere Stryden tegen dese Sennen nu; 20265 Mine gesellen, nu wapent ia! ^ Laet zien**, wie hem wel sal proeven**. Want wy des wel zullen behoeven** ; Si houden** in onsen wech hiervor; Condewy haer** scare breken dor, 20270 Wi zullen** wael komen te Carmeloet* * Es dat sake dat wgs** hebben noet**. Dus wapendensi hem alle daer, Ende vergorden haer orse daemaer, Ende saten** daerop ende lieten lopen; 20275 Si wouden** hem selven dure verkopen. Ende al die wyle datsi dus streden. Was Merl^n van Blasise gesceden, Ende was vor die stat komen nu Te Carmeloet**, zeggie iu; 20280 Hi quam als een out kranck** man Ende hadde enen gescoerden*' rockan Ende ene matsue haddi*^ mede Op sinen halse, ende dreef ter stede Een hoep vees tote vor die stat, 20285 Ende hi begonde roepene** nadat, Ende makede rouwe ende mesbaer**, Dat ment hoerde in der stat aldaer: >Acn arme. God Here!** riep hi doe, >Hoe scone kinder zullen ember toe [Here! 20290 Haer Igf verliesen* * ! koninck* 'Artur, lieve Dese** scade en verwindy** nembermere, melot **tyn **sprach **ïecn, proven **iolenbeho- ven » 'holden **e8 *»wy des ••«eten »* wolden ««olt kranch »»ge8corden •• hadde he '^to ropcne ••mys- haer '^vorlesen ■•koninch »*desen * 'verwin gy. 225 Verliesdy^ dese hier nu ter tyt! ^y 9 Sagrimor, die hier komen s^t Toten koninck Artur, ombe ridder* te ayne, 20295 Ie wane* ggs niet en werdet in scjne, Hoe goeden yrient^ soudy* wesen na Artur, mochte hi* behouden iul" Gawgn ende dne broeder mede Stonden opter mueren* van der stede, 20300 Ombe wtwaert te siene na den brant, Die al ombe daer was in dat lant; Ende si hoerden desen ouden* man Sere roepen*, ende spraken* hem an; Maer hi geliet ocht hgs en* * hoerde niet* * 20305 Ende sloech sine colve op die aerde, siet* *, Ende scudde metten** hovede daemaer, Alse ocht** hi ontsinnen soude openbaer; Hi sceen rouwe drivende swaer, Hi vil op die aerde saen daemaer, 20310 Alsocht** hi in onmacht hadde gewesen; Doe stont hi op thant na desen, [tien**, Ende nam sine heeste ende dreefse met> Ocht** hi te woudewaert woude vlien. Doe riep hi: > waer es die ritterscap gevaren 20315 Van Logres? men zeide, dat hier waren Des koninck Arturs neven komen. Die dit lant souden begomen; Vorwaer si hoedent*" oevele, seggiciu, Alse si sullen laten sterven nu 20320 Dat wonder van der werlt al rene'*. Alse Gawjn hoerde datgene. Riep hi driewerf: > vilein**, waerby En wiltu** niet spreken tegen my?" Entie vilein** keerde zgn hovet daemaer, 20325 Ocht* * hi niet en wiste waer dat waer ; Noch riep Gawyn driewerf mede; Doe sach hi opwaert daer ter stede Die ogen toe , ende metten* * monde daer Al grinsende* *, dat hem bleken daemaer 20330 Die tande, ende zeide: >wat wildy*'?" Gawyn zeide : »dat gy spreket* * tegen my Ende kornet hier nare nu na des, Ende zegget my , wat iu te wenene es'\ »lc soude i\i*\ zeide hy, »seggenesaen, 20335 En wouden my mine beeste niet ontgaen**. «Neensi, niet; maer zegget nu my. Wat iu dus te dagene sy, Ende ombe wien gy weent, des biddic iu'\ >Ic zoudet dy zeggen, woudestu nu 20340 Dy pynen hem te helpene mede'\ Gawyn zeide: »by myner waerhede , Ie gelove dy nu, dat ie van al Mire** macht hier toedoen zal". >Here'', zeide die vilein ter stede, 20345 Wie zgdy, ende hoe hety** mede?" >Ic hete Gawyn, nem des goem, Entie koninck Artur es m^n oem". >So sal iet dy** zeggen", zeide hidoe, >Nochtan en hebdy** dat herte niet soe , 20350 Dat gy se zult dorren** bescudden nu: Dat es des keyzers neve, zeggic iu. Van Constantinople ende hetet Sagrimore, Ende was ten koninck Arturwaert in rore, Ombedat hine ridder zonde maken, 20355 Met drien**hondert vromer sciltknapen; Ende drie**dusent Sennen hebbense be- Die in horen* *wech waren* *gestaen,[gaen, Daer si tegen stryden so sere sekerlike, Dat nieman (en) sach desgelike; 20360 Ende kondestu dese bescudden nu , Dune dades niet so wael, zeggic iu; Maer neen , gy en hebbet dat herte niet". Alse Gawyn dit hoerde ende siet, Datten die vilein** blode scout**, 20865 Scaemde hi hem des; met groter gewout* * Riep hi: » edele gesellen, wapent iu nu, Ende volget my na, des biddic iu". Doe hadde hire Yier**dusent saen bereet, Daer hi haestelic mede henen reet; 20370 Ende hi hiet** den vilein**, dat hi daer Op een paert saté, ende hise daemaer Leide daer die kinder vochten doe; Entie vilein dade** daer alsoe: Hi leidese daer die strgt was groet, .20375 Daer Sagrimor vacht ende sinegenoet. Doe si daer quamen, sagen** si wel, Dat die strgt was herde fel Ende dat Sagrimor anxtlike'* street Entie scare dorbrac gereet; 20380 Si hadden er driehondert doet geslegen* ' Sagrimore en dorste nieman * * komen tegen. *vorlie8cgy *ritter 'wene *vrcnt •zolde, mochte gy gy, wo hete gy **dy dat **heb gy **zolt doren *op den muer ^olden •ropen 'spreken '*off hedes **dren, dre **oren, weren **vilan **acolt, gewolt ** nicht, gedicht **mytden "dat **nlan **wultu **veer **heet "'dede *'quemen, xegen •*cnge8tlike "grensende *'wil gy **8preken **]nine *»we sint I * 'geslagen **nemen. 22C Hi sloecli 80 grote slage doe, Dat die Sennen vor hem vloen doe; Hem en dorste nieman^ genaken , 20385 Dan si van yerre* tot hem staken Ende scoten met speren tot hem daer; Maer niet lange, wet vorwaer, En hadde hi daer mogen gedoren. Doe qnam Gawyn terselver uren 20390 Inslaende met so groter mogenthede, Dat hire twedusent storten dede; Des was Oriens berde onbiyde, Want hi en sach nie' so luttel liede* Hem 80 vromelic hebben geweert. 20395 Hi nam een speer met snelre veert, Ende sprac, hi sal sulken steken daer, Die des berouwen sal daemaer; Ende hierenbinnen was Gawein So verre komen in den plein, 20400 Dat hi ten kindren komen es, Die moede waren, z|jt seker des; Maer Sagrimor stont vor hem daer Met ener axe , wetet vorwaer , Ende sloech alombe slage groet, 20405 Dat daer iegen niet en gestoet No* halsberch no* helm mede, Hi en sloech dat al doer ter stede. Hi was groet ende wael gemaket Ende van leden bet geraket 20410 Dan men enegen vant ten tyden. Daer Gawyn nu in soude ryden By den kindren*, daer si nu streden, Besouddise vromelic, ter steden. Daer wart die str^jt herde groet, 20415 Daer bleef der Sennen vele doet. Daer wasser twintichdusent vergadert nu, Want die gesceden waren, zeggic iu, Ombe dat lantte rovene quamen^ daeran, Ende Oriens hadde twintichdusent man, 20420 Daer waren veertichdusent mede; Ende Oriens hadde s^n speer' ter stede Ende reet op Agrawein, zeggic iu. Die sinen neve gedodet hevet, nu. Des hi herde droevech doe was. 20425 Hi stac Agraweine nadas Onder die scouder**, neven der** syde, Daer dat speer dorginck tien** tyden, Dat** hi ter aerden nederlach; Doe Gaweyn sinen broeder* * vallen sach, 20430 Meendi*\ dat hi doet hadde gewesen; Hi voer tegen Oriens mettesen**, Ende meendene met siner gisarmen* * alaen Ende thovet hebben geclovet saen; Maer Oriens droech daer den scilt tegen, 20435 Dien hevet hi te sticken geslagen**, Ende van den helme een quartier**; Ende also die gisarme* * scampelde* * hier Van den helme nederwaert, So dorsloeoh hi achter dat paert; 20440 Doe vielen si beide ter aerden** daer. Ende Garies sloech oec daemaer Solimanne dat hoeft af saen; Ende als die Sennen dit verstaen, Dat Oriens ter aerden** lach, 20445 Reet elc derwaert , dat hi mach , Ende hieven** hem op. zeggic ia, Maer hi was verduselt so sere nu Van den slage in 8|jn hovet , sonder vraen, Dat hi op sine bene niet en konde staen, 20450 Ende hi togede sulc gelaet mede, Datsi meenden dat hi ter stode Sterven zoude**; doe makedensi Alle rouwe ende zere daerby, Dat** die batalie scoorde*" daer. 20455 Ende hierenbinnen, wetet vorwaer, Hadden die kinder Agraweine na Wael gereddet, seggic iu. Nu hevet hem die vileyn , wetet vorwaer. Verwandelt in enen ridder daemaer, 20460 Ende quam te Gawine gereden, Ende zeide : » vrient ' * , ie rade iu ter steden, Dat gy trecket ter statwaert nu Met uwen lieden, dat hetic iu, Die wiie dat dese haer zere driven , 20465 Ocht** gy sult hier alle doet bliven, Ende voert die kinder met iu gesont, Gy en moget iu niet verweren ter stont". Doe Gawin hoerde desen raet Te Sagrimorewaert hi slaet, 20470 Ende heet*^ hem wellecome wesen , Ende Sagrimor dankede hem van desen. Doe vragedem Gawin, wie hi waer**, Hi antworde hem ende zeide maer. *neman * veren *Dy *lude •noch 'kindem 'que- ook vroeger en later steeds) ^'to stacken geslagen men 'sper •drovich *®scolderen **de, toden **8odat **quartecr **8camfelde * •eerden ** hoven **xoUle **broder **mendeho **myt desen * 'gisarinen (gel^k **8odat **8corde **vreAt *'off "'hiet **woer. 127 Dat hi des keysers neve es 20475 Van Constantiiiople , ende na des Yragedi Gawine: >liere, wie z^dy*, Die ons so wael gestaen beves by?^* >Ic ben* koninck Lottes sone'\ zeidi' doe, >Ënde koninck Artur es m^n oem daertoe, 20480 Ende ie hoede nu m^jns oem es lant Ende hademorgen quam my te hant Een out* man ende dade my verstaen, Dat gy van den Sennen waertbestaen; Doe quam ie iu te hulpe mede**. 20485 Noch zeide die man, daer ter stede. Die Oawine ansprac* daer te voren: »£n wiltu* mynes rades niet horen? Du heyes* genoech geclappet , zeggic iu , En siestu* niet, dat al die werlt nu 20490 Op dy hier thant kornet gereden?" Doe sach Gawyn ombe ter steden Der Sennen sovele komen utermaten, Ocht*" al die werlt waer** wtgelaten; Doe zeidi te^* Sagrimor daemare: 20495 >Here, laet ons te Carmeloet varen, Wy en mochten ons niet verweren nu !" >Gerne*\ zeidi, >ic vare met iu". Dus zgn si te Carmeloet gevaren. Die wile die Sennen onledech waren 20500 Met horen heren, die thant beqnam. Die des was utermaten gram. Dat hi so sere geslagen was; Hi sat op een sterck ors nadas, Ende nam een speer*' in sine hant, 20505 Ende swoer, mochti* * hem komen te hant, Hi soude hem den slach gelden saen. Mittien** liet hi henen gaen. Wat s{jn ors gelopen konde daer, Entie Sennen volgeden hem naer 20510 Ende verhaelden se met hem somen Eersi te Carmeloet konden komen. Maer Sagrimor ende Gawein Ende Qalescins ende Agrawein Ende Ghiheries ende Garies, 20515 Dese zesse, z^t seker des, Daden** die achterhoede wel Tegen die Sennen, al waren** si fel; Si ontfingen menegen steke groet *we zijn gy *bin *zcgede he *olt •weren 'sprach 'wiltu •hevest 'znstu ^®off **weer **to *'8per **moclite he **myt den * 'deden * 'weren *'que- men * 'Gawine **horet **den **8colder ** weren Eer si quamen*' te Carmeloet. 20520 Doe sach Oriens Gaweine*', Diene gevel let hadde in den pleine , Alse gy wel hoerdet*' hiervoren; Hi kendene ende sloech met sporen S^n ors, wat dat konde gelopen, 20525 Ende swoer by Mahomete hi soudet beko- Ende hi stac op Gawine alsoe [pen, Dat s^n speer** brac daertoe; Daer hi neven Gawine soude lyden, Sloechne Gawyn so sere ten tyden 20530 Met siner gisarmen opten* * helm mede. Dat hine ter aerden tumelen dede; Ende Sagrimor sloech Driante soe, Dat hi hem die scouder ontlede doe, Ende Galescins sloech Placidus daer 20535 Dat hovet af, ende Garies daemaer Stac daer neder Gwinebanden, Ende Gaheries stac Taurus te handen, Ende Agrawein Panelen mede. Dese bleven alle doet ter stede, 20540 Ende Gawein ende Sagrimor vorwaer Waren*' over Oriens gereden daer, Ende haddene geme nu gevaen; Maer die Sennen quamen*^ daer nu saen, Dier*' so utermaten vele was, 20545 Dat sine** hem namen*' saen nadas, Ende doe voerden sine* ' enwecb van daer; Maer daer bleef menech" doet naer. Eer sine** konden genemen nu. Doe reden die ander, seggic iu, 20550 Ter statwaert, al datsi konden, Ende lieten Gawine daer ten stonden Allene met hem twe gesellen. Alse Garies dit hoerde vertellen Ende sine broeder, doe zeidensi ten tyden, 20555 Dat si niet verder" en souden ryden, Si en souden' ' die drie hebben vonden. Doe keerdensi ombe, ende daer ten stonden Ontmoeten** si den vileyn mettien'*, Dien si te voren hadden gesien", 20560 Ende hi vragede hem, waer si reden, Ende si antworden hem ter steden: >Wy varen soecken'* Gawein, dat wet, Ende Galescins ende Sagrimor met*\ ih ift. quemen "'der * 'vorder ''aolden ' ^zoken. * 'nemen "ze ene *'manich **ontmoten "myt den **ge8eeu 228 »Oevele", zeide doe die vileyn, »zijdy* 20565 Hem ontvloen, nochtan komen %j Niet verre van hier"". Doe zagen daemaer Sise' tegen hem komen daer. Doe zeide die vilejn: »nu zie* icgereet, Dat gy wel zondet laten, God weet, 20570 luwe gesellen, ende vlien*, zeggic in. Als gy uwen broeder ontvliet* nu, Die iu ombe al die werlt niet en liete In genen vemoye no* verdriete". Doe sciede die vileyn van hem daer, 20575 Ende si scameden hem sere daemaer Van der talen, die zeide die vilein. Doe quam tegen hem Gawein Entie* twe ander gesellen mede, Die bebloedet waren te meneger stede, 20580 Alse die gestreden hadden stoutelike*. Gawein vragede doe haestelike Sinen broederen, waer die ander waren. >An Carmeloet"", zeiden si, >twaren, Daer beidensi nu te desen tyden. 20585 Doe gingensi vaste henen ryden Ende ontmoeten des vileyns paert Al bebloedet komen themwaert. Doe dit die drie gebroeder* zien Zagen' 'si daerop ende loechen' ' mettien. 20590 Doe vrageden Galescius waerombe si lach- Doe zeiden zgt hem daer, ende sachten [ten Alle die woerde, die hi hem alsoe Hiervor hadde gesproken toe; Daer dat gereide bebloedet was**, 20595 So meenden' 'si (daeraf) seker das Dat hi doet hadde gewesen. Gawyn vragede sineu broedren' * na desen Ochtei enege'* Sennen gemoeten daer Diene mochten doden. Si zeiden vorwaer: 20600 >Neen wy, broeder". Doe zeide Gaweyn** Laet ons dan soeken den vileyn, Want levede hi, dat waer' * scande groet , Lietewyse hier liggen vor doet". Si zochten alombe zeggic iu, 20605 Si mochten lange zoeken nu Eer sine vonden; want hi was Als een knecht gelopen nadas Met enen tronsone'* in dat heer doe'*. Doe zy des niet en vonden, redensi soe' * 'sin gy * zegen 'se *ne 'vleen, ontfleet *noch ^onde de 'sioltelike 'gebroder "segen "lachgeden '*aff was " menden '^brodem "offte enigen 20610 Ter statwaert, daer zy ten stonden Hoer** gesellen houdende vonden. Hierbinnen Oriens vorkomen es. Die wt sinen sinnen, z^t zeker des, Welna was komen nu ter steden, 20615 Ombedat hem Gawyn was ontreden; Hi swoer echt, hi soudet bekopen Mochtine enegessins belopen, Hi woudene levendich villen saen Ende dan doen slepen , sonder waen ; 20620 Dus dregede" hi Gawine, zeggic iu. Die met sinen gesellen was nu, Te Carmelot al in der stat. [nadat Doe si daerinne waren**, trac** men Die bmggen op ende gangen ten muren 23625 Ombe der Sennen wille , op aventuren , Ocht si iet* * komen wilden vor die stede. Neensi, niet; daer was groet vrede. Doe gingensi hem ontwapenen saen; Daer was Sagrimor groet ere gedaen, 20630 Doe men wiste wie hy was. Dus lagen*' si twe dage nadas, Datsi van den Sennen niet (en) vernamen. Anders dan si voeren** tsamen In des hertogen lant van Cambengc, 20635 Ende in Nortpmberlant desgelgc, Daer die ander Sennen waren. Nu latic van hem die tale varen Ende van den kindren te spreken mede , Ende sal voert seggen hier ter stede 20640 Van den koninck Glarione sekerlike Ende van den hertoge van Cambenike. Van den koninck Clariane, ende van dên her' toge*^ EscanSf die tegen Oriens streden. Nu seget voert die aventure Van den koninck Clarion, ter ure, Ende van den hertoge** Escans, twaren, 20645 Die nu sere tachter waren. Doen** Oriens wederquam in dat heer**, Hi was erre ende verwoedet seer Van der'* scaden, die hi hevet ontvaen Ende van der scanden, die hem Gawein [heeft gedaen. 20650 Hi vermaende sine liede* ' nu ter steden , '•Gawfjn '*weer "trinsone "do.aUo **er •'drou- wede **weren *'treckede **icht "lagen "Torcn ** hertogen **do **her "den "lude. ^29 Datsi koenlikd met hem streden, Doe hi ten passé komen was, Daer ie ia hier te voren af las, Ënde hi beval hem, sonder waen, 20655 Datsi haer' enen niet lieten ontgaen. Doe gringensi slaen endescieten* mede; Maer ombe negeen dinck' ter steden Datsi gedoen konden, s^t seker das, Si en konden gewynnen den pas. 20660 Doe togen si achter ende gingen logieren Opter^ Savemen, der rivieren, Ende zeiden, datsi den pas houden* Ende tlant alombe roven souden* ; Dus roveden s^t* alombe daemaer. 20665 Si vonden genoech te nemene daer, Want dat lant was vol, zeggic in, Si en hadden niet gevluchtet^ daer nu ; Si branden die huese alle doe, Si sloegen manne, wgf, kinder toe, 20670 Ende tvier*, datsi makeden daer. Was 80 overgroet vorwaerj Alse dit sach die koninck* Glarioen Ende dhertoge Escam, hi zeide doen: >Here, si verbomen fü onse lant! 20675 Dat wy hier liggen, sg iu bekant. Dat en heipet ons niet een twint; Ie riede wael, dat wy nu sint Beden op hem, daer sy sgn^* nu, Ende stryden op hem, dat radic iu". 20680 Doe zeide die koninck saen nadas: >Heer Hertoge, latewy desen pas, So trecken si over, groet ende smal, So eest** in dees** syde verloren al". Doe zeide dhertoge : »so laet bliven hier 20685 Een deel van onsen riddren** fier, Ende laet ons met ener ander*' scaren Tegen hem nu vechten varen In die syde van den bossce van Brekan; Daer zuUewy ons hemelgc houden* ^ an 20690 Tote datsi met hunnen rove henetien**. Dan zullewy op hem komen nadien**, Ënde hem den roef nemen dan". »Help !" zeide Glarioen , >si hebben c man Tegen onser enen! — Wat zegdy**?*' 20695 » Neen", zeide dhertoge, > gy ziet wel, datsy *er * scheten 'gene dinge ^op der 'zolden holden •se dat ^gevlochent 'dat vuer *koninch *®8int **e8 dat» des ^'rittem "andem * *heimelijc holden **hen wesen, na desen '*zegede he '*zegge gy '"gestron- Gestroyet*' sgn al dat lant duere, Daer en es nergent ter ure Twehondert tsamene, dat zeggic iu, Ende dat meestedeel legt vor den pas nu". 20700 Doeantworde Clarion, en zeide: »besiet, Heer hertoge, ie en zegget ombe my nu niet, Maer ie zegget ombe der goeder liede** [wille nu. Dat wyse niet doerlic leiden, zeggic iu, Daer si scade hadden ende scande". 20705 Doe antworden die goede *"liede** te hande, 'Ende ontfermeden hem sere met dien'*, Ende zeiden: »here, gy en dorvet niet ont- Onsliede , maer varewy wreken nu [sien Onsen lach ter"*, dien wy sien** vor iu, 20710 Dat ons die viande doen openbaer!" Doe weende die koninck van jamer daer. Sine liede** zeiden: >en wenet niet, Maer laet ons wreken onse verdriet; Wy hebben liever dat wy sterven, 20715 Dan wy tlant verliesen, ende onse erven". Die koninck zeide : »in* *Godes name dan!" Doe koren si wt hore man. Die den pas souden hoeden te hant; Dat was een die here van Norant 20720 Ende dhere van den dolorosen torre* * met, Ende Brune sonder genade, dat wet; Dese bleven met vele liede** nadas Ombe thoedene daer den pas, Ende dander voeren te wonde* *waert. 20725 Des nachtes ende in den dageraet Was dat weder scone ende claer, Entie** vogline songen daer, Meneger* 'hande soeten sanc; Een sticke vor der sonnen opganc 20730 Zagen si koye ende swyne mede Vor hem dryven daer ter stede; Ende alse die roef al vor was, Volgede die koninck hem nadas Ende dhertoge , ende sloegen in te samen, 20735 Daer si metten rovc quamen, Wael met v^fdusent man; Daer sloegen** hem dese heren an, Ende staken** menegen Senne doet. Die heer van Pame, een ridder* * goet. wet * 'laden * 'goeden **deen » "laster ■*en**toeme **to wolde "'unde de ■'vil manger ■*slogcn, ste- ken **ritter. 280 Ö0740 Nam den roef ende voerden e in behout* ; Doe quam hi weder met gewout Tsinen gesellen, wat hi kan, Ende al se die Sennen dit aagen* an, Datsi den roef hadden verloren, 20745 Haddensi des groten toren , Ende gingen vlien ten herewaert', Entie ander volgeden metter vaert, So na den heer, datsi des toren Wael mochten hebben, wantsi verloren 20750 Al datMaer wael mochte" hebben gewesen. Si sloegen* der Sennen daer mettesen* Sevendusent eer si hem ontvoeren. Doese Oriens hoerde dus in roeren , Die daer lach ende hoede den pas, 20755 Yragede hi den sinen wat daer was. Doe zeiden si, dat die Kerstine* Hem hadden gedacn grote pine, Ende al horen roef genomen daer. Doe geboet hi vaste daemaer, 20760 Dat men hem volge eer si ontgaen. Doe vólgede menech den Kerstenen* saen, Maer die Eerstene* waren ontweken Ende tot an den bosc gestreken; Daer beidensi der Sennen nu. 20765 Daer wart gestreden, dat zeggic iu, So anxteleke*, dat wonder was. Dat enech Kersten'* daer genas; Nochtan dor al dese grote noet. Bleef der Sennen tiendnsent doet, 20770 Entie*' Kerstene* moesten in den borch Entie" nacht quam mettien; [vlien En hadde die nacht entie borch gedaen , Si waren doet bleven ocht gevaen. Nu was Oriens onvro, twaren, 20775 Datsi hem waren dus ontvaren, Maer hi en dorste hem volgen niet. Entie koninck Clarion sciet' Des morgens van den hertoge alsoe, Ende den e gelovede den andren doe 20780 Soccoers' * te sendene , hadden si des noet Also vro als dene dander" ontboet. Die hertoge voer te Cambenycwaert; Des morgens, als die dach verbaert" Voer Oriens soecken metten Seynen 'bebolt *8egen 'herwart ^die, mochten 'slogen *myt desen ^cristine 'cristenen 'engestlike ^"cristen ''nnde de ^*halpe "de een den andem '^yerbart >»dede **treckede "veer ''gewar wart **mytder 20785 Die Kerstene* in bosce ende in pleine. Doe vernamen si dat si waren Te Cambenicwaert gevaren; Doe dade"hi gebieden vaste tervaert, Dat men trac" te Cambenicwaert, 20790 Ende sende vier"da8ent ribaude voren Ombe hem te bemen ende doen toren ; Entie ribaude liepen henen doe Ende branden tot Cambenyc toe. Ende als des dhertoge gewaert'*, 20795 Riep hi te wapene metter vaert", Ende voer ute met tweendusent man Ende bequam se daer in enen dan, In enen dale, ende sloecher daemaer Dat van den vier' 'dosent ribanden daer , 20800 Maer en bleven te live veertich man. Die sere liepen roepende** daeran [dy**? Ten Sennen waert: »hoerenkinder,waerzy- Waer wachty**, wanne stady*' ons by? Ende geonneert moete werden Orioen, 20805 Hine doe u allen ontliven doen, Want gy oimeerten nu aldus"*. > Swiget, galgaerdel"" zeide heerNapinus* *, My es liever dat gy alle verslagen zgt Dan wy ons scieden nu ter tgt, 20810 Ende wy daer dan waren bleven aldus ; sEnde waer zgn si ?" zeide heer Napinus* '; »Si voeren enwech", zeidi. » zonder waen, Also vro alsgt** hadden gedaen, Reden si te Cambenycwaert daemaer'*. 20815 Doe voeren die Sennen, wet Vorwaer, Over te Clarensewaert alsoe, Datsi daer niet meer en scadeden* * doe. Daer vondensi een-ende-twintich koninge, [zeggic ia, Die heer** Gk>debrant met hem hadde na. 20820 Doe Oriens in dat heer** quam na desen, Hietene heer** Godebrant wellekome* * Ui ontfincken** met groten spele [wesen Want hi spise brachte vele, Dattet** heer des voer te** bat. 20825 Si prysedene sere al ombedat, Si en achten niet vele op dat verdriet , Dat hem hier vor es gesciet, Opdat si die spise hebben daemare. vart *®ropende **ïin gy, wachte gy. sta gy *«hc na by 08; doch verg 't Eng. r iVoptit, an admjfraU **he nabius ^^ala dat **8eaden deden **her * 'wil- lekome **ontfenok ene **sodat dat **de 231 Ende doe dese^ dinge geleden waren, 20830 So sende die hertoge oec ter stede, Metten* heer van Parne mede, Van horen gewinne den koninck Clarioen Spise genoech, na Binen doen, Ënde yitalien, van dien, dat wet, 20835 Datai vor den bosce wonnen met. Nn latic hier die tale van desen , Ënde sal van koninck Uriens kindren' [lesen. Van Ywene, des kamnck Uriens sone, ende van sinen broeder y ende van Merlyne. Die historie* seget hier te hant, Doe waren gesceden van Sorhant 20840 Die twe broeder, dat si quamen Te Sorionden, dat si vernamen, Dat des koninck* Maglans sone was In dat lant gelogiert nadas Van Bredegan*, ende datsi daer lagen 20845 Ende hem rasten^ in dien* dagen; Want si waren moede*, sy iu bekant. Van bernene in des koninck Ydiers lant ; Ende als die kinder dit vernamen, Trocken** si tArondeel te samen 20850 Ombe der Sennen wille, die lagen* ^ daer. Ënde Gawyn vernam oec vorwaer. Die nu te Caredol lach, ter stede. Dat die Sennen daden* * groten onvrede Te Bredegan*, ende hi ontboet ombdat 20855 Hemeliken" alombe ter stat. Dat men hem soccoers** sende aldaer. Dat hi vergaderde daemaer Wael dertichdusent goeder man. Daermede voer hi te Bredegan*, 20860 Daer hi nu was wael ontfaen; Ëntie Sennen wilden**, sonder waen, In dat lant roven, hier ende daer, Ende waren mede vergadert, vorwaer, Ënde wasser wel veertichdusent bj getale, 20865 Ënde twintichdusent ribaude wale, Diet** al verbranden datsi vonden; Si quamen tArondeel, ten stonden, In des koninck Ydiers lant. Doe dat die koninck vernam te hant, 20870 Voer hi (hem) met veertiondusent man Toter*^ kachien** tegen voertan, Daer die Sennen souden Ijden; Daer street hi met hem tien** tyden, Ende dier* * was twintichdusent ter steden, 20875 Ënde daer wasser doen overleden Elve* *dusent, ende tiendusent oec met Haddensi vorgesant, dat wet, Ombe die verhoede te doene. Doe horden seggen die kinder koene, 20880 Dat die Sennen al leden waren Des koninck Ydiers lant, ende gevaren Te Bredegan waert. Doe meenden** sy Datter niet meer achter waer*' daerby, Ende si gingen hem wapenen daemaer, 20885 Dier vier* *hondert was vorwaer, Ende trocken** wt Arondeel tsamen, Ende reden so lange datsi quamen In drie** mylen na Bredegan. Doe si den pas leden voertan, 20890 So quam gereden Belias daemaer Met tien*'duBent Sennen vorwaer. Die daer hoede nu den pas, Want hi hem bevolen was Ombedat nieman** hem soude** 20895 Van Bredegan scaden met gewoude**. Dese quamen nu optie** kinder daer. Die hem seer weerden** vorwaer, Ende bander**syde vacht koninck Ydier, Als ie iu vor seide hier, 20900 Tegen die twintichdusent Sennen nu, Ende haddese alle dodet, seggic iu. En hadde gedaen Soriondes , Die nu wederkeerde dor des. Die een groet volc brachte daer. 20905 Oec suldy** weten vorwaer: En hadde gedaen grote aventure. Die kinder waren daer bleven ter ure. Die wile dat dese dinge nu waren, So es komen echter , tvraren , 20910 Die vileyn, daer ie hiervor af zeide**. Die Sagrimor bescudden dede, Ende quam te Bredegan te hant, Daer hi nu Gawine binnen vant. Hi nam gedane van enen knechte. ^dease •mit den *kindem ^ystorie *koniHch *Be- degan ^resten 'den 'weren mode **treckeden ** legen * "deden **heimelyc **halpe * •wolden **de dat , •* werden •*op ander **8olegy ' ^ (als steeds) zegede. »'to der '«Eng. ai a ehauckie **to den **der ' **Elven ** menden **weer '*der veer **treckeden **dre *'tyn **neman **zolde, gewelde *®op de 232 20915 Ende boven gogort ende gescort rechte, Ende qnam herde moeylike' ingegaen, Ende gaf Gawine een paar letteren' eaen, Ende knielde vor hem , ende seide daer, Datten* Twan sere groete daernaer, 20920 Syn neve, des koninck Uriens sone. Grawyn nam die letteren* na dien^ doene Ende bracse op ende vant bescreven: vAn Gawine ende an al myne neven. Ie, Ywen, des koninck Uriens kint, 20925 Groete iu sere ende doe iu bekint*, Dat ie sonder m^ns vader orlof nu Ben* enwech gesceden, zeggic iu, Ende Ywein Overdoem, myn broeder, Maer dat weet wael ni^n moeder, 20930 Ende wy s^n komen te Soridane; Daer qnamen* ons die Sennen ane Wael twintichdnsent, die op ons etryden. Dat wy niet over en mogen lyden; Entie* koninck Tdier voertan 20935 Strydet oec tegen twintichdusent man Opter* cachie van Arondele: Ende daer esser'* achter noch also vele. Ende als dese den koninge s^n leden, Comensi ons opten hals gereden, 20940 Ende zullen ons alle'^ doet slaendan. Want onser en es maer vier* *hondert man; Ende verliesewy daer onse leven nu. Men sal iu dat verwyten, seggic iu, Menechwerf* *; oec sal men seggen voertan: 20945 Zie** Gawine, den bloden man. Die by siner groter blodechede Sine neven niet en bescudde mede, Daer hjjs** wel die macht hadde doe. By God, nu denket om ons alsoe, 20950 Dat gy ons bescuddet iet 8aen*\ Alse Gawyn dit hevet verstaen. Riep hi, also lude als hi kan: » Vaste, doet uwe wapene an, Ende nieman en beide des , biddic iu'\ 20955 Dus gingensi alle hem wapenen nu, Ende Gawyn trac* * wt, so hy ierst' ' kan, Ende hem volgeden twintichdusent man. Die hi in ses scaren dede. Dierste** scaer leide mede 20960 Agrawyn, die hadde drie **dusent man; *moyelike *Utteren *dat ene *den •bekent 'bin ^quemen *unde de 'op de **i8 er **allen **mer veer * *nianichwerf **8e **hi des **treckede ^^irst Dander Graries, hem volgeden daeran Oec drie**du8ent; die derde na des Leide sgn broeder Gaheries, Hy hadder drie^'dusent in siner scaer; 20965 Sagrimor quam daemaer Ende leider drie^'dusent, zeggic ia; Ende G^escins, die hadder nu Oec** drie**dusent; ende daema quam Gftwyn , die daer oec** vierdusent nam , 20970 Ende hi voerde ene baniere goet Van swarten syndale, ende daerin stoet Gebandet een Ie we van sylver wale**. Nu latic hieraf zgn die tale, Ende sal van Tdier spreken mere, 20975 Die tegen die Sennen street nu sere. Van den koninck Ydier, ende hoe*^ Gawyn die kinder bescudde. Daventure seget nu ter steden, Dat koninck Tdier hevet gestreden Dat hi die 'Sennen sconfierde daer; Daer bleef menech doet vorwaer, 20980 In beiden zyden. Doe vloekede* * ter uren Die koninck* * Tdier der avonturen , Datsi oevele moeste varen Entie** hem dede setten, twaren, Tegen den koninck** Artur mede. 20985 Doe voer hi weder in sine stede, Ende Soriondes gemoete hem daemare. Diegene die gesconfiert waren, Ende vragede, wat hem es te** vliene. Doe teldensi hem al dat** gesciene, 20990 Maer hi** voer enwech, sgt seker das, Met synen rove, die groet was, Ende quam toter bruggen** van Diane. Hem volgeden veertechdusent ane; Som dadehise vor varen 20995 Die den roef souden bewaren, Ende dese quamen daer die kinder streden Tegen die** den pas hoeden ter steden, Ende si reden vaste derwaert; Doe worden die kinder sere vervaart. 21000 Maer Twan hevet nu vernomen Agrawein van Bredegan komen; Doe zeide Twan: »kinder, zflt blyde nu, '*de irste **dre **ok **£ng. beende ther in a fyom of iiher **wo **vlokedo **konincli **unde de »*to *»de **mer he **tot der brucgen ••de. 233 Ie sie Boccoers^ komen, zeggic iu'\ »Hoe mochtewy blyde zgn ?" zeidensi doe, 21005 »Men komt ons van vor ende achter toe, Wy moeten alle doet zgn ocht* gevaen". Doe zeide Ywen Overdoem saen: »Laet ons nu ombe keren scire, Ende slawy neder an' dese riviere". 21010 Doe sloegensi over die bmgge daemaer Ende dorbraken^ die ander scaer; Si staken^ daer neder drie*hondert wel*, Doe en daden ^ si anders niet el*. Dan si trocken an* die riviere. 21015 Doe meenden* die ander* scire, Datsi hadden gevloen daer, Ende volgeden hem doe vaste naer, Ende Soriondes trac over die bmgge, Ende hem volgeden vaste opten* mgge 21020 Die die brugge hoeden, twaren, Ende hebben die kinder nu ervaren'* In enen bosce tnscen twe rivieren ; Daer waren si bleven in deser manieren Alle verslagen, en hadde gedaen 21025 Agrawein, die hem te hnlpe quam saen, Die dese iacht hevet gesien^'; Hi sloech so vreeslyc in mettien'', Dat berch ende dal donrede gereet. Daer wart die strgt fel ende wreet, 21030 Dat'* men en sach nie luttel liede'* Hem bet weren; ende t'*ge8ciede Datsi se achterwaert dreven nu Meer dan ene bogescote, seggic in. Ywan die grote , ende sgn broeder met, 21035 Waren'* daer nedergesteken , dat wet, Maer si worden gereddet daemaer. [daer Doe quamen' * die vjjftien ' 'dusent Sennen Ende holpen die tiendusent Sennen saen; Daer waren' * die Kerstene' * ondergegaen 21040 En waer** niet gekomen Graheries, Die daer drie(dusent) brachte,z^t seker des; Doe staken*' si der Sennen vele neder. Daer verko verden hem dieKerstene' * weder Ende drevense toter brogs^en toe. 21045 Ywen ende sgn broeder vrageden doe Wie** diegene mochten wesen, Die die Sennen dus brachten in vresen. ^seholpe •off 'al ^breken, steken, deden •dre*wal, al ^menden *andern *op den *°iryaren ^ 'geseen '•mytdeen **8odat **lude **8ach dat * 'weren, quemen "vatteen '*mn '*crifltenen ••weer •'ste- Doe quam een jonchere tot* *hem daemaer, Aches van Sconenberge* ^,ende zeide daen 21050 » Wat z^dy * * hier komen te ziene, hoe dat Ende wie* * die scone slage slaet , [gaet, Ende ombe te vragene wie** si z^n nu? Gy zoudet** selve so slaen, seggic iu, Dat men zoude vragen wie** gy waert; 21055 An die slage kent men die aert, Waeraf dat een komen es* ' ; Gy hout hier stille ende vraget nades , Wie si** zgn die wale hierstryden? — " Die kinder scameden hem sere, ten tyden 21060 Doe si dit hoerden seggen Achesen; Si sloegen in den strgt na desen So vreesl^jc, ende dadent so wale Dat des in dat heer** ginck* * grote tale, Ende dat vor Agrawein komen es*', 21065 Ende na Gaheries. Die zeiden nades, Datsi die waerheit hieraf wisten fijn, Dattet** des koninck üriens kinder zgn. Doe qnam Agrawein an Aches daemare, Ende vragede wie die kinder waren. 21070 »Dat zjn^'i zeide hi, » des koninck üriens [kinder, Ende wie zgdy ' ' , here, en die hout ginder"? »Ic ben Agrawein ende dat es Gaheries, M^n broeder, ende z^t zeker des. Dat die koninck Loth es myn vader, 21075 Entie koninck Artur es mgn oem algader'*. Doe wart daer blyscap groet te hant. Dat dene den ander levendech vant; Daer duerde die str^t lange tgt. Doe quamen'* daer, des seker sgt, 21080 Diegene die die name** brachten, Ende dient'* bevolen was in wachten, Dat was Magalant*^ ende Pignores Met twintechdusent man, s^t seker des ; Ende doe si ter bruggen quamen* ' daer, 21085 2^idensi onder hem daemaer, Dat si in die syde bet bleven ter tyt, » Totedat inde** nemet die strgt, Want achter ons en hebwy negene* * noet ; Oec suUewy*' wael verweren al bloet 21090 Die bmgge, datsi ons sullen niet Die name ne** konnen genomen iet'\ ken **we ••to •^Eng. Acet de Bemont **zin gy **zolden *'i8 "'her **genck '"datdat '"wezingy *»Eng. the pray »*den dat »*Eng. Maglans **cnde **gene ''zole wy ••name. 80 231 Doe sloegensy die tenten ende logierden Sorionder qaam tot hem daernaer [daer. Ende vr&gede , waerombe si logieren nu? 21095 »Wy sjjn hier sekerre, seggenwy in, Metter spisen dan ginder", zeidensi. Doe beval hi hem sere daerby, Datsi hem te hulpe komen daer, Opdat hi des te doene hevet naer. 21100 Si zeiden, si zonden \ Doe voerhiseer Weder over die brngge toten heer*, Daer groet strgt was nu ter nre. Daer was so groet die scofelture, Dat daer menech man doet bleef. 21105 Doe qnam Sagrimor, diese dreef Achterwaert an sine fortse mede; Hi sloech der Sennen daer ter stede So vele, dat wonder was; Maer wat si sloegen*, sgt zeker das, 21110 Dat en halp niet een twint. Doe qnam Gralescins sint Met driedusent mannen gereet; Hi sloech in, daet men dus street, Ende riep »Clarence" ter uren, 21115 Dat plach te roepen' die koninck Artnre. Daer moesten die Sennen achterwaert. Want Galescins quam met suiker vaert, Datsi vor hem niet duren mochten; Want so oversere si vochten, 21120 Dat sise tot optie ^ brugge dreven. Daer wart menech slach gegeven. Want van dertechdusent Sennen nu En bleef er maer* seventien'duseut, seggit Ende en haddensi negeen soccoers* daer[iu. 21125 By hem nu gehat, vorwaer. Si waren* daer alle bleven doet Nu, in deaer* groter noet. Doe Pignores ende Margolant Dese noet sagen, quamen'* si te hant[daer; 21130 Hem helpen met twintichdusent Sennen Doe waren die Eerstene' *in anxte daernaer Ende si en hadden maer v^ftien'dusent Tegen dertichdusent;nochtan voertan[mau Drevensise achter in der noet 21135 Ende sloegen daer oec^* vele doet. Agrawein ende Gaheries, Ende Galescins ende Garies, Ywen Overdoem ende Twen die grote, Dese deden menegen ontmoete, 21140 Wantsi waren die beste'* vorwaer; Si en hadden niet mogen duren daer En waer Gawyn niet komen nu. Met hem vyfdusent, seggic iu; Hi quam so vreeslyc ingeslagen 21145 Dat al die strijt moeste verwagen'^; Hi hadde sine gisarme'* in sinerhant, Daer hi mede sloech, zg iu bekant; Man ende paert sloech hi daer neder, Wat hi gerakede en stont niet op weder ; 21150 Want syn slach was so groet. Dat hi dat al sloech doet, [daer Helm no^* halsberch en ontstont** hem Hi en sloeget al ontwee, wet vorwaer. Dus vacht hitoter nonen met gewout'*, 21155 Doe wart hem sine kracht' • twevout'*, Daer na so (en) was nieman** voertan, Hine vlo van hem, wat hi kan; Doe dreef hise over die brugge daer. Daer vieler in dat water, wet vorwaer, 21160 Dusent, die daer nederwaert vloten, Die in der rivier verdrincken moeten. Alse Soriondes dit gesach Haddi*' des herde swaer verdrach, Hi hadde geme tegen Gawine gewesen, 21165 Haddi*' konnen komen te desen; Maer si waren* so dicke, tien** tyden, Optie brugge , men mochtse niet lyden, Al** hadde men daer mogen overvaren Si was so wale bewaert*^ twaren, 21170 Want Gawyn ende sine broeder mede, Entie ander** kinder ter stede, Dese hoeden die brugge so ten tyden. Dat daer nieman dar** overlyden; Aldus was die brugge bewacht] 21175 Thent** dat quam in die nacht; Doe voer Gawyn eiltie kinder mede Te Bredeganwaert** in die stede, Daer men blyde was, sonder waen, Dat die kinder waren** ontgaen. 21180 Si waren** des avendes te gemake daer, Ende aten** ende dronken , ende daernaer 'zolden 'ten her "slogen, ropen *opde *men •teen 'gene halpe 'weren 'dcsser ^"segen, quemen **cri8- tenen **erokdaer * 'besten **mo»tc vorwagen '*gi- , *'wcnt **Bcdeganwert * •weren '"eten. '*entstont '•gewolt, volt **craflPt * •nemen *' hadde he **t§a **ande al **wal bewart '•andern *"daer isarine (gelijk trouwens ook vroeger steeds) ^*noch ' 235 Gingensi slapen , dat zeggic iu ; Ende Soriondes, die bleven was nu Yor die bmgge, hi nam raet 21185 An sine hogeste liede\ dat verstaet. Doe seide daer een, hiet Magolant: »Ic sonde wel* raden, dat mentehant, Sonder beiden, die name voere' nu Ten herewaert*, dat radic iu, 21190 Ende laetse leiden Pignores dan, Ende men hem geve tien*dusent man, Daer ki dat kerryn* mede sal bewaren, Ende wy sullen na hem komen varen; Ende al ontmoeten hem nu Eerstine*, 21195 Si en sullen hier letten metten kerrine*, Maer si sullen ten herewaert^ varen [gereet". Doe zeidensi alle : »dese raet. God weet, Dunket ons goet*\ ende men dade alsoe Ende men ginck vaste torsen doe; 21200 Ende Pignores ginck enwech vorwaer Metter* name, ende daemaer Volgede Soriondes met siner cracht. Dus redensi daer al die nacht, Datsi nieman ontmoeten nu; 21205 Si reden so lange, seggic iu, Datsi te Windeberes eer dage quamen, Daer al dat heer lach te samen. Daer warensi blydelike ontvaen Ombe der spise wille**, sonder waen, 21210 Die si brachten; want daer was nu Spise gebreck, dat seggic iu. Nu zwiget dit boeck hier van desen Ende sal van Keyen van Strans lesen, Ende van Gawy ne ende Ywen metten * * 2121 5 Wat si nu daden te hande. [witten handen Van Gawyne ende van Keyen van Strans^ ende van Ywene metten*^ tuitten handen. Die historie segget nu, twaren. Dat die kinder blyde waren, Ombedatsy te** gader nusgn** komen. Des morgens hevet Gawgn genomen 21220 Enen bode*^, ende sendene saen Toter bruggen, ombe doen verstaen**, *lude *wal 'vore *herwert *tyn •karyn; doch zie *tEng. the eariage. ''cristenen *carinen; %iïg. cariage. •mit der * •willen **myttcn, mytden **to **zinnu **l)oden **ver8laen * •weren *'we **weer '•zenden Ocht die Sennen noch daer waren. Die bode liep daer ende quam daemare, Ende zeide si waren** enwech gereden, 21225 Daer (en) was nieman bleven ter steden ; Des was Gawyn erre vorwaer. Dus blevensi ene t^t aldaer. Daema vragede Gawyn Ywene saen , Wie*' hem hadde doen verstaen, 21230 »Dat ie hier waor**, doe gy sendet** my Letteren ombe iu bescudden daerby". ^Trouwen, neve, daerafen wetic twent**, Van my en was iu noit letter gesent* * No bode mede, dat seggic iu'\ 21235 Des wonderde hem herde sere nu, Ende hem allen diet** hoerden daer; Si daden soecken den knecht daemaer In der stat, maer si en vondens niet, No** nieman diene gesien hevet iet. 21240 Daema quam bodescap Gawine saen, Dat in groter anxte** nu staen Die soudenier die tArondeel lagen, Want si meenden** van dage te dagen Den casteel ende tljf verliesen** mede. 21245 Des was Gawyn droevech** ende zeide Tot sinen gesellen: »wat radet*' gy? Wildy** in Scotlant varen met my? Dat waer derwaert goet nu varen; Oec zoudic daer niemare**, twaren, 21250 Van mynen vader vernemen nu". » Waer gy varet", zeidensi,» varewy met iu". Doe gereeder** hem tien* 'dusent wel** Sterker liede**, jonc ende snel, Ende reden met Gawine enwech alsoe. 21255 Si reden al meest by nachte doe Ende hemelyke wege, ombedat zy Niet bekant en wouden z^n daerby; Ende doe si lange hadden gereden, Quamen* *si by den casteel ter steden; 21260 Daer hoerdensi een groet gehu, Want Brangoris sone was komen nu Van Leonois ende haddet** al verheert Ende was ten castele komen naer**, [daer, Dien** hi sere stormede ter stede, 2 1 265 Ende hadde twe vorborchte verbran t mede. Ende in desen tyden waren in porre *®twint, gesint **noch **dedat **angeste '^menden ••verlesen **drovich *'rade ••wilde gy '•vernemen; doch zie H Eng skolde toe Acire tidinget ••gereider, tijn '"wal ••lade **quemen •*hadt ••damaer ••de. 236 Joncheren, die qaamen van Estragorre^, Die Keye van Strans geleide daer Ende Keyadyn. Deser was vorwaer 21 270 Hondert ende vgftich jonger liede * tsamen; Ende eer dese daer in dat lant qnamen, So waren die Sennen (van hem) bestreden; (Van) den torre* waren* si som gesceden Ende in* dat lant gevaren daemaer 21275 Ongescaert, dene hier dander daer, Ende qnamen* som also daernare Optie* kinder, die qaamen* gevaren; Si sagen* wael dat waren Eerstine*, Si liepen hem op ende daden hem pine, 21280 Ende sine hadden hem niet mogen verwe- - Maer opten castele die ioncheren'** [ren, Namen* ' hem te hulpe drie* * hondert man; Ombedatsi kerstene* * liede* waren* * dan, Ontfermdes hem ende stonden hem insta- 21285 Wantsi alte* •seer waren* * verladen ; [den Dese qnamen* met suiker cracht* *gereden Datsi se alle dorbraken*' ter steden, Ende sloegen daer menegen Senne doet. Doe dese dus waren** in deser noet 21290 Die Sennen bliesen sere haer bosine** met Ende makeden teken daer, dat wet, Datsi soccoers** hadden noet; So qnam daer een hoep groet** Van den Sennen ingeslegen , 21295' Entie Kerstene* * setten hem daer iegen. Die vrome waren, wet vorwaer. Daer was Ywen, Gossemaer,' Ende Ywen metten** witten handen, Die wael dorsten horen lachter* * anden ; 21800 Dese waren tArondeel bloven nu Ende ontbeiden des koninck Artur, seggie Ombedatsi ridders wouden** wesen [ia, Van siner hant, dus blevensi by desen Liggende opten casteel, gelgc soudenie- 21805 Ombe winnene in aller manieren ; [ren* *, Want si wt haren lande scieden Hemelyc met een ende dertich lieden* * Sonder goet; ombedit diendensi nu Ende hadden gedaen sovele, seggie iu, 21310 Optie Sennen hiervor vorwaer, Datsi genoech gewonnen hadden daer. *Eng.iS/raM^0r0 *ludc "torn ^hadden •weren in 'que- men ^op de 'zegen 'kristine ^ *mer de i. op den c. weren **nemen **dre **criatene '*weren **alto **kraffl ** breken **bo8une * •hulpe * "groet hoep "'myiden Die twe , daer ie af spreke ter steden , Yrageden Keyen ende sine gesellen mede, Wanensi waren**; doe zeidensi: 21315 ^ Heren** van Estragorre zgn** wy, Ende soeken den koninck Artur, t waren, Ombedat wy geme ridder** waren Van siner hant'\ Daer zeide doe Ywen: »wy zgn oec komen alsoe 21820 Ombe ridder** te werden in der manieren, Ende sjjn hier worden nu soudenieren**; Ende wildy * " met ons bly ven, sonder waen, Wy en sullen iu niet afstaen; Ende als die koninck komt nades, 21325 Dan varewy te gader daer hi es". Si zoudent* * geme doen , zeidensi saen ; Ende binnen desen datsi dus staen Ende spreken, so qnamen hem an Van den Sennen wel twintichdusent man , 21380 Die allo op hem gingen slaen, Ende van koninck Arons lieden** saen Quamen twintechdusent bander**syde Tegen die kinder oec te stryde. Doe haddensi geme tArondeel 21385 Getogen weder in den casteel; Maer si on konden , si waren* * so begaen; Si waren* * daer doet bleven ocht* * gevaen, En waer Gawyn niet komen doe** Met hem tiendusent, die sloegen toe** 21840 Ende makeden in die Sennen een gat; Daer bleef menech doet ter stat, Hi dade daer menech averecht tumen; Si moesten** doe** die plaetse ramen, Ende doe Gawyn ten kindren* ' quam daer, 21345 Yragede hi wie si waren daemaer; Ende Ywen metten witten handen Berechte hem des daer nu te handen; Ende doe vragedi** hem wie hi sy, Die hem so wael nu stout by: 21850 »lc ben** Gawyn, Arturs sustersone , Ende quam hier gevaren ombe datgone, Ombe te helpen hier een deel Die daer nu sgn in den casteel'*. Doe bedankedes Ywen Gode daer, 21855 Ende si sloegen** in den strgt daemaer, Ende sloegen** der Sennen sovele doet , » "laster •"rittcrs wolden **Boldieren ••Inden "•we- ren *'here **no zin ••ritter ••wil gy ''zoldent •»op ander •*off •*do ••slogen to ••mosten **kin- dem ••vragede he ••bin ^•slogen. 237 Datsi met hopen lagen ^ gi^oet, Ende Gawyn dade daer groet wonder, Ende sine broeder alle bysonder, 21360 Ende Galescins, entie kinder mede Des koninck üriene ende Ales ter stede Ende Aches. Dese sevene waren doe Vor in den strgt ember* toe, Ende sloegen so sere die Sennen daer, 21865 Datsi vor hem vloen daemaer Thent* optie batalie daer Aron lach, Ende Gawyn yolgede, al dat hi mach. Doe quam daer een out* man gereden: » Gawyn", zeide hy, »nu went ontbeden*, 21370 Ende en volget hem niet meer, radic dy, Ende vare met dinen gesellen hierby Op desen casteel, want du ne machs* niet Dy nu verweren, wat des gesciet". Gawyn sach op den ouden* man 21375 Die enen swarten toi hadde an, Ende enen blomen hoet* op dathovet; Hi sceen so out*, des gelovet. Dat Gawine wonder wesen dochte. Dat hi opten paerde sitten mochte; 21380 Hi hadde enen witten baert* Toten gordele hangende nederwaert*, Ende hi zeide : » Gawyn , laet iu geraden Eer gy nu kornet in meerre'° scaden; Want dese kinder, die hier z^n komen, 21385 Mochten noch komen te groter* * vromen Den koninck Artur, uwen oem*\ G^wyn nam des goeden mannes goem, Ende dachte sinen raet te done'*, Ende riep al sine gesellen na datgone, 21 300 Ende voerdese met hem tArondeelwaert*; Entie* oude man reet met snelre vaert* TOrkanienwaert*, wat hi kan. Ende alse Gawyn ende sine man In den casteel nu waren** komen, 21395 Gingensi ten cantelen ende hebben verno- Den koninck Aron , die nu brachte [men Menege*^ Sennen optie'* borchgrachte. Die koninck Lottes lant hadden verheert. Die koninck Loth haddem dicke verweert, 21400 Maer int inde** worden si overkrachtich [daer, Dat hi sgn w^f moeste vluchten daemaer * legen * omber *went ^olt *£ng. do af ter my rede reinm 'machst ^olden 'Eng. a cAi^let ofcoton *bart, wart, vart * "meren ** groten **docne ** weren **ma- nigen **op de **ende **wentc **vor8lagen ^'ghecre- Thent*' in den casteel van Glacedoen. Als hem die koninck Loth sach doen So groten scade in zgn lant, 21405 Entie* sine verslagen** vor siner hant, Vermaledyede hi dicke die ure. Dat hi ie dade tegen den koninck Arture; Want daerby hevet hi syn lant verloren Ende sine kinder; des hevet hi toren, 21410 Entie* koninck Aron hadde belegen Die stat, daer hi selve in was ghetegen * *. Doe dade** hi sine barone te rade Ende vragede hem wat hi best dade; Ende haer raet droech overeen daemaer, 21415 Dat hi sine vrouwe name*' daer, Ende sgn kint Mordret alsoe. Dat maer** drie** jaer out* was doe, Ende v^f ridder oec mede, Ende voere te Glacedoen ter stede; 21420 Alle die ander souden voertan Die stat houden met sesdnsent man, Ende si en znllense oec niet opgeven Also lange alsi** mogen leven. Desavendes trac die koninck Loth gerede 2 1 425 Ende s^jn wyf ende sine ridder* * uter stede Met Mordrete synen kinde dan, Dat die koninck Artur an haer wan. Als ie hier vor dede*" verstaen. Tener poerten** redensi ute saen 21430 Enes** nachtes hemelike doe, Ende reden die nacht ende dages toe Al toter nonen. Doe sach die koninck* * Den koninck Tauruse na die dinck** Met drien**du8ent Sennen tsamen , 21435 Die van A rondeel quamen, Ende geleiden des koninck Arons roef daer. Doe si den koninck Loth sagen** daemaer Sloegensi in hem, met snelre vaert**, Daer haddet** die koninck Loth wel [haert**; 21440 Maer* *hi en hadde maer* *vïJfhondert man Ende hi weerdem stoutelike** nochtan; Want hi koene** ende groet was; [das, Maer** dat en halp hem niet**, sgt seker Si moesten achterwaert trecken ende vlien, 21445 Entie* koninginne was gevangen mettien; gen ••dede **neme **men **dre **al8e ze **ritter * 'porten **eyne8 **koninch, dinch **dren "zegen •* Tart, hart •*hadde ''men^mer *^stoUelike ••konc ••nicht. 238 Maer een ridder* ontvloo in der vaert*, Die vaste reet tArondeelwaert*. Hier latic dese tildas nu bliven , Ende sal in van Grawine scriven 21450 Ende van den ridder, die daer ontvaren es, Wat hem gescien «al nades. Hoe* Gawyn ende sine broeder haer'^ moeder verloesien. Daventure secht, dat die kinder waren Blyde, datsi nu waren ^ ontvaren Tote Arondeel, dat zeggic ia; 21465 Ende daer binnen doe* si waren ^ nu, Quam een ridder^ haestlic gereden Op een ors van groten leden, Ende s^n scilt dorhouwen mede, Ende sgn halsberch te meneger* stede. 21460 Hi sach opwaert in den casteel Ende sach daer driven gix)et riveel; Doe riep hi of daer ieman binnen es. Die hem volgen dar nades. Dat hi van genen manne van al 21465 Negeen ruwaert hebben en sal'. Doe vragede Gawyn den ridder* daer, Waer hine leiden wonde daemaer, Entie* ridder* vragede: »wie zgdy?*" »Ic ben dat, Gawyn", antworde** hy, 21470 »So sal ie dat hier nu seggen dan. Dat gaet in meer an dan enegen man : Hier es in den bosc nu een aventure, Die eerlicste, gevallen nu ter ure. Die se gedoen konde , dat hy embermeer 21475 Prgs daeraf sonde hebben ende eer; Maer ie weet wel gyne hebbets herte* * niet Dfit gy se gedoen sult dorren*" iet. Ende al en wildy niet volgen my, Nochtan sal ie daer varen, seggie dy". 21480 Gawyn was erre nu ter stat. Dat hine blode hiet; ende nadat Es*' diegene enwech gevaren. Hi kende Gawyns herte wel, twaren; Ende Gawyn riep: »ontbeidet na my, 21485 Ontvaert my niet, indien** dat gy My wilt geloven, dat gy my niet *ritter,cr *vart,wart 'wo * weren «dflt •tomanigcr 'Eng. tJiat k0 fholde have drtde oj no man •unde de •zin gy *"2egede ** hebbet de» herten * «doren »»80 is "*inden *»quemen **zolden **mer **wolde Leiden en sult daer my arch gesciet, Ende helpen met sult iegen alle man; Ie sal ia geme volgen dan'\ 21490 Doe gine hem Gawyn wapenen saen; Doe quamen** daer sine gesellen gegaen Ende zeiden, si souden'* met hem varen. Gawyn zeide, si en souden twaren, »Hi en wil my maer** allene daer^\ 21495 Doe vragede Sagrimor den ridder daemaer, Of hy anders daer ieman woude** nu? »Hier z^jn^* sine gesellen, zeggic iu, Diene node allene laten varen, Maer gy werdet*" des meergebetert, twa- 21500 Datsi voeren** hier met iu, [ren, Ende oec biddewy des iu alle nu'\ Die ridder zeide: »die wille, komemet; Daventure is alsulc, dat wet. Wie** dat daer komet nu ter ure, 21505 Hi sal daer vinden aventure". Doe was Sagrimor berde blyde Ende alle die ander, ende ten stryde Hem wapenensi**, dat si daemaer Hem sevendnsent wtleiden vorwaer. 21510 Ende alse Gawyn ten ridder quam, Ie segget iu, dat hisyn trouwe** nam. Dat hine omb negeen arch haelde nu, Dat swoer hem die ridder, seggie iu. Dus redensi metten** ridder* daer 21515 Die nacht ende den dach daemaer, Entes* * morgens gemoeten* ' si ter steden Enen knape** met enen kinde gereden In ene wiege, dat hi vor hem daer Brachte, ende vloe** daermede naer. 21520 Doe vragede hem Gawyn daer, Wat hem also te vliene waer? Die knape zeide doe, dat hi es Metten koninck Lotte, endesecht: 9 vor des Hebben hem die Sennen gesconfiert nu 21525 Ende s^n wgf genomen, zeggic iu, Daer hise soude voeren'* te Glacedoen; Nu ben ie met desen kinde ontvloen, Dat koninckLottesende s^ns w^jfs' *es met, Ende dat iongeste van viven , dat wet, 21530 Ende zoudet'* geme voeren'* in sekerre Doe zeide Gawyn te hem nadat : [stat". **8int •••werden **voren **we **8o **tniwe •*myt den **unde des "'gemoten **knapen **t1o ••voren •'wives **zoldet. 239 »En' vliet niet meer, maer* voert saen Tot in genen bosc, dat gy (moecht) verstaen Hoe dat met onR nu vergaet', 21535 Wy sullen iu daer nu wael geraet* Geleiden daer gy seker sgt". Ende hi geloevedet hem du er ter tjt. Doe Bciedé Gawijn van hem daemaer, Entie ridder haeste hem sere daer 21540 Ende reet vor hem, ende zeide dat hy Hem dapperlike volgende zy; Ende si volgeden hem vaste naer Ende quamen^ onlanck gereden, daer Die koninck Loth nu gesconfiert was 21545 Ende vloe* te Glacedoen nadas Metten riddren* die hem gebleven waren; Ende Gawgn sach ombe daemare Ene scone vrouwe, die die Seynen Hadden by den haer in enen pleine, 21550 Ende sloerden^se also na haer paert; Ende si riep op Onse Vrouwe, metter vaert Genadelic* dat sise bescudden moete. Doe sloechse Taurus herde onsoete* Met siner wapen der hant alsoe, 21555 Datsi in ommacht op daerde vil doe; Ende hi namse ende settese op sgn paert* *. Ende si kreet sere ende gebaert** Als een wgf die men slaet'^, Ende liet haer weder vallen geraet**. 21560 Ende alse diegene sach ter stonde Dat hi se niet gemeestren*' konde, So nam hise bi den haren doe*' Ende slepedese na hem alsoe**, Ende sloechse in hoer ansichte nadas, 21565 Datsi overal daeraf bebloedet** was, Uter neaen** ende uten** monde mede. Hi slepedese so lange daer ter stede, Datsi niet meer en konde gegaen. Die riddet seide te Gawyne saen: 21570 »En kendy*' die vronwe iet**, segget my, Mindegy se ie, so wreket se daerby'*. En alsse* * Gawgn sach , kende hise daer, Ende hi wart so erre*" daernaer. Dat hi wel na verwoedet was, 21575 Ende sloech met sporen dat ors nadas. Hi hadde een scerp speer in der hant *eiide *mer * vergeet, gereet ^quemen •vlo •rittem ^•loiden •genedelijc *OD8ote ^^jMirt, gebart ** sleet, gereet ^'gemestern ^*do, alzo ^^beblodet ^^nasen '•ut **kennegy **ieet **alze ze **irrc **horen Ende riep met luder stemme te hant: » Hoeren "'sone, dief, mordenare, Gy sult die vrouwe laten dare!" 21580 Doe sach Taurus Gawine komen, Hi liet die vrouwe ende hevet genomen Een speer, ende reet te Gawinewuert; Si qnamen te samene met snel re vaert Entiegene brac sgn speer daer, 21585 Ende Gawyn stacken daernaer Metten speer** dor den lichame**. Dat paert ende man vielen** tsamen, Ende hi brac den hals ter** stede. Agrawein ende sgn broeder bede 21590 Sprongen van horen paerden daer, Ende houwen hem te sticken daernaer. Daer sloegensi in die Sennen oec nu; Eer si op bilden, dat seggic iu, Doedensi haerre* * tien* 'dusent ende moer. 21595 Gawyn was verwennet so seer. Dat hi 80 vreeslike slage sloech, Dat daer nieman** dat l|jf ontdroech, Dien hi daer** geraken konde; Alle die Sennen vloen ter stonde, 21600 Ende waren blide , die mochten ontgaen. Doe keerde** Gawyn tsiner moeder saen, Daer hi se hadde laten liggen mede; Doe hi daer quam heette** hi ter stede, Ende namse in sinen arm alsoe, 21605 Ende drreef so groten rouwe doe, Ende. al sine gesellen quamen daer, Doe sine sagen maken selc mesbaer**. Si weenden met hem alle doe; Maer doe sine broeder quamen* daertoe, 21610 Doe began van ierst** die rouwe, Ende als die woerde hoerde die vrouwe Ende dat geween ende dat mesbaer**, Sloech si haer ogen op daernaer, Ende sach datse Gawyn hadde doe 21615 In sinen arme; si sprac hem toe. Si kendene wale ende seide ter stede: »Ach, God! Vader der ontfermechede, Ende Diner moeder van Hemelrike , Iu tween** danke ie sekerlike 21620 Van desen** edelen troeste nu, Dien** Gy my gesent hebt; ie biddein, **8per * 'lichamen ** velen **dar ter **er *'t|jii **neman **den he dar **kierde, beitte **my8bar **irit **twea **de88e **den. 240 Lieye kint, Gawyn", zeide sy, >Dat gy niet meer (cd) weent ombe mj ; Ie en hebbe geen noet nu mere, 21625 Maer ie ben geqaetset na Bere*'; Ende si vragede waer sine broeder waren. Doe qnamensi vor die vrouwe gevaren Met groten rouwe ende beetten^ nu Ende zeiden : «vrouwe, wy sgn hier by iu'\ 21630 Des dankedesi Gode al te voren, Daema zeidesi; »ic hebbe verloren Mordret, m^n kint, ende minen here. Die hem heden* plJnde sere Ombe my te bescuddene, seggic iu, 21635 Want ie sachem allene nu Vechten tegen v^fdusent Seynen, Nadat sine liede* uten pleine^ Verdreven waren* ende Rom doet; Ic sach dat men op hem scoet 21640 Met gaveloten* ende met speren, sonder So vele en mochtes nieman ontetaen[waen. Ende hi en wpude my laten niet By negenen* dingen, wats gesciet, Toter t^t dat icken mede 21645 Beswoer ende van my sceiden dede. Doe sciet hy also droeflicke* van my dan Alse men ie sach sceiden enen man'\ Doe zeide Gaw^n: » vrouwe, icseggeiu Wel, waer Mordret es nu, 21650 Want die knape, diene voerde heden*, Gemoete ic ende dadene ter steden Beiden in dat foreest hierby; Maer ic en weet, waer m|jn vader 8y\ Doe was die vrouwe vertroestet aldaer. 21655 Gawyn dade*" water brengen daemaer, Ende dwoech sine moeder da ermede Haer'^ aensichte; hi dade daemaer ter Gereiden daer een leitiere, [stede Daer hi se op dade leggen sciere'*, 21660 Ende si namen ^* al die name aldaer. Dat die Sennen brachten daer, Ende voeren** daermede tArondeelwaert, Ende si vonden den knape in der vaert Metten kinde; des waren si blyde. 21665 Si reden so lange, datsi ten tyden TArondeel quamen**, ende dreven doe Blyscap groet, ende bleven alsoe 'beitten 'hnden 'Inde ^pleinen * weren *gabeloten 'genen •droflike *haden *"dedc **er **8chyre * "ne- men **voren ^*knepen "quemen ''Inden **eer Binnen den castele totedat genesen Haer*' moeder was, ende doenadesen 21670 Voerdensise met hem te Logreswaert, Ende haren jongen broeder mettervaert, Ende si lieten van haren lieden* * een deel, Ombe daer te houdene den casteel; Oec swoeren die kinder, dat nembermeer 21 675 Haer * * vader en krege haer* * moeder weer, Hi en soude versoenet sgn eer ter ure Jegen haren oem, den koninck Arture. Des was die moeder blyde ter stat , Doe si die kinder hoerde seggen dat. 21680 Si waren te Logres wel ontvaen. Doe dade Gawyn vragen saen, Ocht ieman den ridder** kende daer, Die Gawine hadde gehaelt naer, Daer hi sine moeder bescudde** nu; 21685 Hem en kende** nieman, seggic iu, Noch en wisten waer hi gevaren es. Dese niemare ginc so verre** na des, Dattet* ' Does vernam, die herde vreet was, Ende g^c tot Gawine nadas, 21690 Ende zeide: »Gawgn, kendy iet** nu Dengenen die die boetscap brachte iu Van Sagprimore ende voertan Van Ywene te Bredegan?'* Gawyn zeide: >van desen no** genen 21695 So en kendic er niet enen". Doe loech** Does herde sere; Des wonderde Gawine noch mere, Waerombe dat hi loech*' alsoe; Daer beswoer hy Doese doe [tnre, 21700 By der trouwen* ', die hi es sculdech Ar- Dat hgt hem** seggen soude** ter ure. Does zeide: »gy hebbet besworen my Ende ic moet iu seggen daerby, Maer gy moet my geloven vorwaer, 21705 Dat g^ t ' * niemanne (en) sult seggen naer'^. Gawgn zeide doe: »neen ic, niet'\ Does zeide: »nu merket ende siet: Dit was Merl^n, al sonder waen, Die hem vermaket, als hi wil, saen 21710 In allen manieren, groet ende clene , Ende alle dinck oec weet gemene". »Hoe**, zeide Gawyn, ves dat die man, Dien** die Duvel hier vormaels wan **rittcr ••besendden *»kande »*vere **dat dat •*hcnne jcy icht **ne **lachgede "'tmwen "*he hem dat •*zolde '*gy dat SI we sa den. 241 An ener joncfrouwen , entie^ nadas 21715 So wel* met Uter-Pandragone was?" »Die selye is dat", zeide Does daer. »God, Here!" zeide Gawyn daernaer, »Hoe' mochte dat embermeer geselen^, Dat icken hebbe also gesien* 21720 In dus meneger* manieren nu?" »Hi es dieseWe, seggic iu", Zeide Does, »want hi dat met gewelt Met nigromancien doet, wat hi welt". Doe zegende hem Gawyn daer 21 725 Van groten wonder , ende zeide daernaer, Dat hi geme met hem soude^ wesen Bekant, »want ie weet wel* van desen, Dat hi ons minnet, alse hi dus dede Dese dinge dor ons". Doe zeide Does mede: 21730 >Gy sult* hem sien*», wilde** hi, Want dat wy seggen onder iu ende my. Dat weet hi al te** male nu". Des bleyensi te Logres, zeggie in, Ënde hilden dat lant tegen die Sennen daer 21735 Stoutlike** ende wel* vorwaer. Hier zwyget dit boeck van desen nu, Ende sal van Merline seggen iu. Van Merlyne ende siner prophecien^ ende van Blasyse, sinen meester^". Nu zegget voert die aventure, Doe Gawyn bescut hadde t«r ure 21740 Sine moeder, daer hem die ridder** toe Hier vor geleit** hadde alsoe, Doe sciede hi van Gawyne te hant, Hi voer in Nortomberlant , Ende dit was Merlijn die nu vaert*' 21745 Te Blasise sinen meester** waert**, Ënde telde hem al daventnre na** des Die in den lande van Logres gescien* es, Ende Blasys screef dat, groet ende smal, Ende van hem so wetewy dat al. 21750 Doe hine gesproken hadde, nadien Zeide hi, hi moeste varen besien Dat koninckrycke van Bonewgc, »Dattet* ° negenen* * scade neme sekerl^c; Want die koninck Bohort ende koninckBan ^unde de *wal *wo ^gescheen ^geseen 'maniger ^zolde 'wal •zolen ''zeen **wolde **to ' *stoltlike **mcster **ritter * 'gelet *'vart '•wart "•do na *®dat dat ** genen **8in *'getruwe '*let6 ie '*8int * 'er * ' hulpe * "getrecket * •heze begome ; Eng. ttoeyne 21755 Sgn** twe herde getrouwe** man, Ende lietic** hem scade doen, datwaer Want si s^n** nu ter stonde [sonde, Te Carmelyde metten koninck Arture; Want die koninck Clandes es nu ter ure 21760 Man worden des koninges van G^es Ende s^n lant opgedragen, ende es Met hem te Romewaert vorwaer, Haer** lant van den keyser daemaer Beide tontfane op die maniere , 21765 Dat hem die keyser sal senden sciere Soccoers** op Bonewyke nu Ende Gaunes te destruceren , seggic iu ; Entie van Rome sjjn nu oec mede Getrocken** met vele liede ter stede, 21770 Ende si sgn bevolen, wet vorwaer, Pontes (ende) Antonys te* * leidene daer; Hem es bevolen, dat sise begomen**, Dene was een radesman te Rome** Ende es een rikeman, dat wet, 21775 Ende dor haer vrientscap** komet met Frolles, een hertoge, die oec es ' Antonys ( ende) Pontes maech* * , z^t zeker Ende brengct ute Aelmanyen daer [des, Twintichdusent man, wet vorwaer, 21780 Entes** en weten die van Gaunes niet No die van Bonewyck, dat dit verdriet Hem aldus nu nakende*' es, Ende souden groten scade hebben des Quamensi op hem daer onversien". 21 785 Doe dit Blasys hoerde began hi mettien Te wenene, ende zeide te Merlyne eaen : »Lieve meester**, gy moet nu staen In staden Eerstenhede** als te voren, Dattet** niet en werde verloren". 21790 Merlgn zeide: »es dat nacht och te*' dach, Ie sal hem helpen waer ie mach, Ende in rade ende in dade met; Nochtan en es negeen lant, dat wet, Dat ie met rechte meer haten soude nu 21795 Dan dat lant daer**, seggic iu. Want die wolvinne** es nu komen daer. Die den lewe** sal binden vorwaer Met banden, die niet en zullen* zyn Van houte** nochte** oec ysergn of the coumeÜon of Rome **vrai8cap **£ng. and ie cotin german to J. and toP, ••undedes "makende "•mester * »kri8tenhede **dit dat *'offte "dat ••wuWynne **lewen ** holte **noch. 31 242 21800 Noch van syWer noch van goade* Noch van lode noch mot gewonde* Van negenen dinge, dat nu den* dach Water noch aerde gedragen mach. Noch tan aal hi so vaste z^n gebonden 21805 En de so nauwe, dat hi ten stonden Hem niet verroeren* en sul daerby" »God, Here!" sprac Blasys, »wat zegdy*? En es die lewe niet veel sterker dan Ende meer oec ontsien* daeran 21810 Dan die wolf?" - »Jahi", zeide hidoe, >Ende dese weert horen mysel ven toe", Zeide Merljjn, »nochtan en sal ie niet Deser dinge my konnen gehoeden iet: Met deser wolvinnen* meent hi een wgf , 21815 Die sint so bant den keytijf Met woerden, die hi haer' selve leerde , Daer sine embermeer mede onteerde, Als iu dit boeck hierna wel* Altemale van hem seggen sel*". 21820 Blasys zegende hem ombe die woert, Ende vragede ombe dat lant vanGales voert Dat die Sennen nu woesten sere, Wat des gewerden soude vortmere. »Des en roeket iu niet**, zeide hy, 21825 »Want die koninck* Artur sal daerby Bet te* * vrede komen dan tonder* * wesen Den elven baronen**, ende na desen Sal hi die Sennen doen mmen saen; Ende bander** side, zuldy** verstaen, 21830 En dade die grote vrientscap mede Van den wonderliken luparde ter stede Die komen sal uten koninckriko'* Van Bonewgc, die sekerlike So groet sal sgn ende so sterc mede 21835 Ende so fier** in eiker stede Boven alle beesten, groet ende clene; Ende uten bloienden Bertanien** gemene Sal komen die grote lewe daernaer Dien alle beesten, wet vorwaer, 21840 Nygen sullen**, ende daerby oec al Die hemel mode verklaren sal; En waer dit niet , so en pfjnde ics niet Den lande te belettene dit verdriet, Daer nu Bonewyc in komen soude**; ^golde, gewolde *der 'verroren * zegge gy *ont- seen 'wolftonen 'er 'wal, sal *koninch *®to **to under **barone **op ander **zole gy * •koninchrike '•fgr **britanien * "zolen *»zolde, gcwoldc ■•to 21845 Ende ombedat my God met gewonde** Den zin hevet gegeven ter uren, Dat ie soude helpen, dat daventure Van den Grale soude komen nu Tenen inde**, ende oec by iu 21850 Ende by des koninck Arturs tyden mede , So sal ie pinen hierombe ter stede, Hoe* * dese dinge sullen mogen geselen ; Nu en vraget my niet meer van dien* *". Blasys, diet** al hevet verstaen 21855 Settet** in gescrifte, sonder waen, Ende Merlgn voer te Bonew^cwaert , Ende hevet hem daer geoi>enbaert Leons'^n van Parne, diene mettien Bekende, want hine hadde gesien** 21860 Te voren in des koninck Arturs lant; Hi dede hem grote feeste te hant , Ende Leonse zeide tot Merlgn nu: »Gerne wistic een dinc van iu". Merl^u zeide: »ic weet dat also wel als gy, 21865 Wat gy nu hier wilt vragen my". Leonse zeide doen: »of gy dat wet, So zegget dat my dan, ie lyesiumet". vic wilt doen", zeide Merljjn nu, »Want ie herde lief hebbe iu: 21870 Gy wilt my vragen, by karitaten, Waer ie die drie koninge hebbe gelaten, Ende waorombe ie hier ben* * komen mede". Leonse zeide: »my dunckt** ?Ö^** wetet Des hadde ie wille* * te vragene in [ter stede; 21875 Oec zoudict* * gerne weten ter steden nu". »Ic salt iu zeggen", zeide Merlgn doe: ^Die prophecie es nu komen toe. Dat dat serpent sal lagen ter stede Den lupart aten wilden woude'* mede 21880 Enten** ouden lewe**,diedaer te voren So sterc was ende so verkoren. Dat hem alle die beesten , twaren , Negen, die daer ombe hem waren; Ende gy hebbet enen quaden gebner, 21885 Die Claudes heet'^, ende herde stuer, Ende hevet sfjn lant ontvaen dor des Van den coninge van Gales Ende van den keyser van Rome mede, Ende hebben hem hulde gesworen bede. enen ende **wo **deii "'de dat ** zette dat **vor- geseun **biu *'donket *»gy dat * •willen '•zolde ik dat **woldc **unde ut den "oldcn lewe "^Uiet. 243 21890 Entie keyser hevet hem gelovet te bant Hem na te destrueeme dit lant, Ende een hertoge mede, heet Frolles, Die van Aelmanien kornet na des, Dese willen dat lant wjnnen saen; 21895 Maer dat en aal na haren' wille niet gaen. Ombedit ben ie hier komen tot iu, ! Ende gy alombe solt ontbieden nu | lu vrient* ende iu mage mede, I Ende al dat koren ende dat quick' ter stede 21900 Doet driyen in gewarender^ bant, Ombedat, alsi komen in dit lant, Datsi negeen dinck vinden dan, Daer si mogen vangen an Ocht* daer si van mogen doen scade. 21905 Oec s^n si worden des te rade, Datsi ia vreesljjc zallen* oplopen; Maer doet hem dat weder so sere bekopen, Dat men daeraf spreke embermere, Ende gy des hebbet lof ende ere; 21910 Maer hoedet ia also lief als gy hebbet nu luwe twe heren. Dat verbiede ie iu, Dat gy niet ut er stede en keert, Want gy zoudet* werden al onteert; Ende wet wel* gy sult hebben saen 21915 Qroete hulpe sonder waen Des Qoensdachs* na Sinte Jans^^dach, Want, als ie iu seggen mach, So sal die strgt s^n tuscen Trebesdan Tnscen Loire eude Arsonne vortan 21920 Twe ueren" vor den dage, syt gewes; Daer sullen die Bomeine entie van Gales Entie van Almanien oec mede wesen Gelogiert; dan trecket iu na desen, So gy hemelikest moget, te bant, 21925 Dor dat foreest van Darvant, Ende en doet dit niemanne^' te verstane Sonder Pharyne ende Graciane, Dese twe sgn getrouwe** ende goet; Nu siet, dat gy den orber wel doet, 21930 God hoede iu , ie vare henen nu !" [get iu: » Waer zuldy varen?" zeide Leonse. » Ie seg- Ic sal varen int* ^ lant van Carmelyden Toten drien** koningen, nu ten tyden, Ende sal hem wysen ende oec leren ■eren *vrent 'qneck ^gewemder •otPt •vreslyc zolen * tolden *wal 'Gudendachs ^^snnte Johans ' 'mylen * *neman ' 'getmwe * *iii dot * »tote den dren ^•unde de * 'Pinxterdage *"Eng. the tkurtddÊ^ after Fcntteoëtn '*ne **vrwidelyo *^daDt}en; Eikg.fiinjor 21935 Hoe si die Sennen sullen onteren Entie** Gigante vangen mede; Daer sal groet nu zyn ter stede Die batalie in den Sinxendagen** Des Donredages**, sonder sage, 21940 Dat men nie** sach desgel^jc". »Here, nu biddic iu vriendeljjc*", Dat gy myne neven groetet my. Die twe koninge, ende oec daerby Den koninck Artur, des biddic iu". 21945 »lc salt geme doen", zeide Merlyn nu. Doe reet hi enwech , ende quam nadas An enen cast^el, die scone was, Daer ene joncfrouwe op woende doe; Entie** casteel stont alsoe 21950 An ene scone valeye daer Op enen berch ront vorwaer; Een bosc stont daerby, heet Briokes, Daer herde goet in iagen es Herte, hinden, ende damen** mede. 21955 Die joncfrouwe, daer ie iu af zeide, Was dochter eens mans, hiet Dyonas Ende Vrou* * Dyane quam dicke vor das, Die Godinne van den woude waa mede , Ende was by Dyonas te meneger stede, 21960 Want hi was haer pete** doe; End daersi van hem soude sceiden alsoe Gaf si hem gichte also boude, Dat hem vele goedes gescien soude, Ende si zeide doe Dyonas: 21965 »Die mane entie sterren** geven dy das, Dattu** ene dochter zals** wynnen dan, Die lief sal hebben die vroedeste man Die van Vertegiers*' tyden ie was; Ende ombe die mynne, sgt seker das, 21970 Sal hi haer leren al die wgshede Die ienech w^f mach konnen mede, Ende al datsi hem bit sal hi ane gaen , Ende doer horen wille'* al zijn gedaen". Dit gaf Vrou* * Dyane in gichten* 'Dyonas; 21975 Daema, alse Dyonas groet was, Wart* " hi een goet ridder* * ende een scone, Ende diende lange t^jt na dat gone Den hertoge van Borgonien soe, Dat hi hem sine nichte** gaf doe, io hmtte at hertes and at hyndes, andbukke and doo and wilde swine **vrow **petrc **aterven **dat du «•aalt »'ütegir» »*orcn willen »*gifften »«»waert **ritter ••nifllc. 244 21980 Die herde scone ende vroet was. Deae Dyonas mynde, zyt seker das, Yogele ende honde, in siner kinthede^ Ende dese hertoge hadde oec mede Deel an deo bosce van Briokes, 21985 Sodat die helchte* sine es, Entie* ander was des koninck Bans; Ende doe die hertoge gehuwede thants Sine nichte , bo gaf hi haer^ S^n deel van den bosce dacrnaer 21990 Ende al dat «^oet, dat hi hadde daer. Sose Dyonas hadde vorwaer, Dade hi doe in den wonde maken saen Enen sconen casteel, sonder waen, Op enen sconen viver al wt, 21995 Ombe van jagene hebben dednut*, Ende met vogelen ende met honden Te korten daer nu sine stonden. Dus quam hi wonende opten dan; Hi was dicke metten koninck Ban 22000 Ende halp hem met tien riddren* snel Te menegen stonden herde wel Tegen den koninck Claudas* , Want hi den koninck Ban getrouwe was Enten* koninck Bohort mede; 22005 Ende ombe sinen dienst* ende trouwec- Gaf hem die koninck Ban daernaer [hede' * Dander helchte van den bosce daer, Eode rente ende lant mede, dat wet, Ewelyc te hebben , ende sine erven mot. 22010 Ende Dyonas was so dogentlgc doe, Die daermede ombe gingen ' ^ dat sine alsoe Daerombe minden. Dus woende hidcver Lange, ende wan ene dochter daernaer An sinen wive, die heet Nymiane**, 22015 Die was van herde scoener gedane; Ende Nymiane es in Dietsce** nu Also vele te seggene, leric in, Alse »in sals niet doen''; ende dit woert Sal op Merlyne al keren voert, 22020 Als gy hierna snit horen wel. Dese joncf rouwe wies* * op ; daema gevel, Doe Merlgn orlof hadde genomen An Leonsen, dat hi es komen In den wout** van Briokes voertan, 'kintheide *helffte 'undede ^er *Eng. thitDionas ïoved mticA the dedwft ofihewode *rittem ^Claudea ■oode den *deiist **tniwichede * ^gengen '* anders veelal Viviane ; doch evenzoo in 't Eng. , met toevoeging van it it a name of Mrewe, that aeith in Frensch 22025 Ende nam die gedane van enen ouden man Ende ginck ter fonteynenwaert saen, Daer die viver af quam , sonder waen ; Entie** fonteyne was herde scone doe, Entie** gront sceen onder toe, 22030 Ocht hi al te male sil veren waer, So sere blicte dat sant daernaer; Ende optie fontein e quam Nymiane, Dickewile spelen , dor s^n scone gedane; Ende oec was si nu daer komen alsoe, 22035 Daer Merlgn doe quam gaende toe Ende als hise sach , dachte hi saen , Datsi scone was ende welgedaen, Ende besachse daerombe te** meer. Doe zeide hi voert, dat waer onneer, 22040 Dat hi sine konst ende sine sin Ombe haer verliesen sonde meer ende min; Ende als hi lange gedacht hevet alsoe, Ginck hi tot haer ende groette** se doe. Doe antworde si hem ende zeide sint: 22045 »God, die alle herten nu kint**. Die geve iu te** willen nu voertmeer. Dat iu goet s^ ende niet** en deer, Ende negeen man el**, ende geve iu Also vele alse icselve** ter stede [mede 22050 Hebben woude'\ Doen** hi hoerde dit, Ginck hi optie fonteyne ende sit, Ende vragede der jonef rouwen wie* ^ si es ; Ende si zeide tot hem nades: »Ic ben** eens edel ridders** dochter nu, '22055 Ende in den castele wonic, seggic iu; Ende wie** zgdy**?"zeidesidan. [man, »Joncfrou'\ zeide hi, »een wandrende** Ende soecke** minen meester**, wat ie [mach, Die my scone konst telerene** plach". 22060 » Wat konste leerde hi u ?*' sprac die jonc- [frouwe. » Hi leerde my",zeide hy,»by myner trouwe, Dat ie wel enen casteel hier soude** Te hant doen staen opdat ie wonde**, Daer vele liede in souden s^n nu; 22065 Noch zondic wel meer doen, seggic iu, Ie soude wel over desen viver gaen [waen, Ende myne voete** niet netten, sonder •ment nen ferai", that is to say in EngUth »I ahall not lye" **du8chc **wo8 **wolt **unde de *'de *,*gTotte * *kcnt ■ *ok nicht * * geen man andera • *8elven **do **we **bin **edeln ritten **zin **wandemde ••anke * •mester *'to leme * •solde, wolde ••vote. 245 Oec soudic ene* rivier, z\jfc zeker das, Doen loepen, daer negeen en was". 22070 »By Gode", zeide die joncfrou to stede, »Dit zyn konste! oec woudic mede Dat ie se konde ende my herde vele [spele", Hadde gekostet !" — Noch kan ie ander Zeide Merljjn, > want men sonde mogen niet 22075 Negeen speP nu gevisieren iet, Ende also lange als iet' wonde doen duren Dat condic wel maken nu ter uren'\ »By Gode", zeide die joncfrou nu, i^Waer dat iu wille, so soudic van iu 22080 Geme leren uwer konst* ter stede, Ende op die vorwaerde, dat ik daermede Iu vriendinne* ende iu amye waer; Dit woudic iu geloven wel openbaer". »By Gode", zeide doe Merlijn, 22085 » Joncfrouwe, gy dunket* my so soeto sjjn Ende so mynlyc ende so scone mede. Dat ie nu^ alhier ter stede Van myner konst wil tonen iu Opdat gy myne vriendinne* wilt wesen nu, 22090 Wantanderdinc en eescic niet een twint**. Die joncfrouwe wilkoerde dat doe sint, Die haer* niet en hoede tegen baraet; Ende Merl^n nu daer besyden gaet, Ende makede enen caryn, ter stede, 22095 Met ener roeden*, ende quam doe mede Neven der joncfrou wen sitten naer. Niet lange en haddi'° geseten daer, So quamen ridder** ende vrouwen Uten foreeste gereden, ende joncfrouwen 22100 Ende knapen een goed deel met, Ende hielden hant in hant, dat wet, Ende quamen al singende alle mede. Ten* • mochte iu nieman vertellen gerede; Ende daervor quamen trompenaren 22105 Ende gingen in den caryn daernare*' Dat Merlyn gemaket hadde daer; Ende doe si daer inquamen naer, Begondensi dansen ende reyen alsoe Men kondet** half niet vertellen; doe 22110 Dade Merl^n enen casteel daer staen Die herde «cone waa gedaen , Ende daert** herde wel roek ter stede, *enen *8pil 'ik dat *kost •vrendynne •donket 'iu nu "er •roden; Eog. a cerne toUh a yerde * "hadde he ^'quemen fitter **dat en **damaren **" kunde, dar dat *^blonieu ' "so se ue *'endet Ende daer bloemen** ende vrucht stont Die soete lucht gaven daer. [mede, 22115 Doe si dit sach, wart si daernaer Herde seer verscricket alsoe Van den wonder, datsi sach doe. Sine** wiste niet wat anegaen, Si was oec tongemake , sonder waen , 22120 Datsi die liedekine en konde niet Verstaen, wat si daerombe merketende Dan dat reprys , ende dit was nu [spiet Als ie hier sal seggen iu: >Myiine begint met feesten openbaer, 22125 Ende si indet** met rouwen swaer". Dit duerde aldus, des seker sjjt, Van der nonen toter vespertyt, Ende men hoerde daer herde verre** nu Haren sanck**, dat seggic iu, 22130 Want si songen hoge ende claer; Ende desen sanck hoerden daernaer Die in den castele waren** doe, Daer die ioncfrouwe hoerde toe, Ende quamen al wt ende zagen** hier 22135 Den sconen casteel staen in dat vergier, Entie** dans ende rey was so groet, Sine sagen nie** des genoet; Hem wonderde sere van den castele Ende van den vergiere in enen dele, 22140 Datsi nie*' so scone en sagen nu; Ende van den vrouwen, seggic iu, Ende van den ioncfrouwen wonderdem das. Dat elke so wael** gepareert was. Ende doe die dans lauge hadde gewesen , 22145 Gingen die vrouwen ende ioncfrouwen na Sitten in dat groene gras, [desen Entie ridders oec nadas Rechten** ene quinteine daer, Ende gingen al boerdende daernaer; 22150 Ende bander**8ydejoesteerden, seggic iu, Die joncheren tegen die knapen nu Ende al in der prayeryen doe. Ende Merljjn quam toter* ' joncfrouwen Ende namse metterhant daer nu, [alsoe 22155 Ende zeide: » ioncfrouwe, wat dunket**iu?" >Soetelief', zeidesi, »datbehaget80 my, Dat ie al te male iu eygen sy". » Joncfroa,nu hout* *myne vorwaerde dan". * •veren ^•sanch * •weren ** zegen ne **ande den »»ne **wal * •richter **op ander *'toder ••donket ••holt. 246 »By Gode, dat sy vor alle man, 22160 Maer gy en hebbet my noch niet gedaen Dat gy my gelovet te leerne saen'*. Merlyn ze^de: »ic aalt leren iu, Ënde gy sult dat scryven nu Want gijt* wel kon net, ende oec zgdy* 22165 Wel geleert", dat zeide hy. >Wat wety*"*, zeidesi, »dat ie scryven kan Ënde dat ie geleert ben' daeran?' >Dat wetic wel", zeide hi doe, »Want m^jn meester leerde my alsoe 22170 Dat ie weet al dat men doet*'. »By Gode", zeide die ioncfrou goet, >Dat es die scoenste konst, here. Die ie noch sach entie^ ie ere Leren sonde; ende wety* iet van dien 22175 Dingen, die nu sullen* geacien*?" »Ja ie", zeide hi, »mijn soetelief, wel". »God, Here", zeide si, » wat soeckty* nu el? Gy moget nu' wel laten genoegen iu*". Al dese wile datsi spraken^* nu, 22180 Gingen bant in hant, in snelre vaert, Ridder** ende vrouwen te boscewaert Al singende, ende onlanges daernaer Wast** vervaren, si en wisten waer: Die casteel entie^ dans vervoer alhier, 22185 Sonder allene dat vergier**. Dat bleef daer staende lange nadat, Ombedat hem des die joncfrouwe bat; Endet** vergier** hiet men daer doe >Die stede van vrouden" cmber toe. 22190 Doe wonde Merlijn enwech syn gekeert; »Wat?" zeidesi, »ik en ben** noch niet [volleert". Meriyn zeide: »gy komet daer tyde genoech Want te leerne beheert stade alsoe, [toe Ende oec en ben** ie niet seker nu 22195 Van uwer minnen, dat zeggic iu*\ »Ënde wat zekerheden wildy** Dat ie iu doe*', dat segget my". »Ic wille, dat gy my iu trouwe gevet, M^n lief te B^n also lange als gy levet, 22200 Ende mynen wille** met iu te done". Die joncfrou bedachte haer ombe datgene, Ënde zeide: »dit sal ie doen daerby *gy dsit "zin, wete gy *bin *ande de * zolen 'soke gy * 'vigier 'm 'nu spreken ^^ritter 'gescheen ^ >*was dat **vigier **unde dat **bin * 'wille gy iT^o * •willen **dcn *»wolde, folde »*ko>t »»Sunte In dien** dat gy eerst leret my Al dat ie wille". Ënde hi zeide saen: 22205 » Aldus wil ie dat hier anegaen"; Ende si gaf hem haer trouwe alsoe. Daer leerde Merlyn der joncfrou wen doe Ene rivier te makene nu Waer si wonde, dat seggic iu, 22210 Ende staende also lange alsi wonde**; Ander konst* * leerde hi haer menechfou- Die si screef alle daernaer. [de**, Dus was hy toter vespert^t daer, Doe nam hi orlof ende wonde gaen; 22215 Doe vragede hem die joncfrouwe saen, Welke tijt hy weder konde komen daer? >In Sinte Jans** avende", zeide hi, »vor- Sal io hier weder tot iu komen", [waer Dus hevet Merlyn orlof genomen, 22220 Ende voer te Garmelydewaert saen. Hier laet* * dit boeck s^n spreken staen Van Merlyne , ende segget voert, seggic iu. Van den koninck metten C. ridders nu. Die sine boden wt hevet gesant, 22225 Als ie iu hiervor dede bekant. Van den tien baranen ende horen raet, Daventure segget hier ter steden. Dat des koninges boden so lange reden, Datsi tallen** den vorsten na das Quamen**, daer hem dat bevolen was. 22230 Ende haerre** aller antworde was daer, Datsi alle te Sinxen*' daernaer Vergaderen** souden ende beraden dan, Ende doe Sinxen** was, quamen** daeran Die barone te Lessester daernaer, 22235 Ende elc quam maer** self vierde** daer. Doe* * clagede elc sinen scade daer saen. Dat hem die Sennen hadden gedaen, Entie* koninck Anguissant hadde nu Den meesten scade, dat zeggio iu; 22240 Oec zeide hi, hi ht^dde liever* * doet te syne Dan langer te dogene dese pyne. Die koninck metten C ridders, zeide daer : »Gy heren, ons waer, wetet vorwaer, Beter, dat wy voeren** sterven nu Johans **lat **to alle **quemen **erre **Pinx- tem **vcrgadderen **mer * •veerde '*dii9 ** lever •* voren; ï£g. wente. 247 22245 In onses Heren dienste^, seggic in , Ende wreken onses Heren ande, ter stede, Ende onaer vriende* doet oec mede, Dan wy leven in desen rouwe, Die ons dagelikes es anscouwe, 22250 Want die Sennen doen ons scade groot; Oec es ons die meeste noet, Dat ons spise ontbreket tehant; Oec wety* wel, dat in dit lant Negeen* goet mach komen binnen; 22255 Negeen* goet mach men hier winnen. Want die Sennen nemen ons dat mede, Ende wat wy hem doen ter stede. Dat eu mach hem gescaden niet; Des dunket my* beter, na besiet, 22260 Dat wy alle op hem yaren, Ende verkopen ons so diere', twaren Dat men daer ember'raeer afspreke". Alle dander* prinsen sekerleke*" Prysden sere sinen raet ter stede , 22265 Ende accordeerden alle daermede. Doe setten** si enen dach daernaer Te komen in een velt daer Van Snret, an enen casteel nadas. Die des hertogen van Cambenjc was, 22270 Ende dat elc daer bringe die hy mach, Ach te dage na Marien Magdalenen dach. Doe sceidensi tharen lande waert, Ende elc ontboet daer mettervaert An vriende* *, an mage , in eiker' * stede, 22275 Waer** si se verkrigen konden mede; Die vergaderde** elc nu ter stat. Ende doe si vergadert** waren** nadat, Voer elc metten sinen daernaer In die iegenode van Loveseph daer, 22280 Ende vergaderden** daer nu alle mede Ende sloegen* ' haer tenten daer ter stede Tnscen twe armen van der zee; Ende daer quam oec invallende mee Die riviere, die Saverne** geheten sy, 22285 Ende daer was oec dat foreest by Van Briskeham, dat vol wildes was. Dns blevensi daer liggende nadas Ende ordineerden sonderlinge**, Hoe** si mochten haer dinge** 'denite *vrende *wete gy *en geen •unde geen *donket my dat 'dure •omber •andern '•zekerlike ^'satten **vrende **elke **waerdat **vergadd. ••we- ren '^slogen '•Saverire; doch »e*t Eng. ^'sonderlin- 22290 Handelen ,' ende hoe'* anegaen. Dns latic se liggen ordineren saen, Ende sal van Merliue seggen ter stede Ende van den drien** koningen mede, Ende hoe" die koninck Artur Jenoveren 22295 Hieraf sal ie ia seggen voertan , [wan ; Knde hiermede indet dat ander boeck al Dier noch twe hier volgen sal. Hier begint dat nntlcr boeck van Merlyne ^ hoe die koninck Artur Jenovren wan , ende van den tween*^ koningen^ ende van den koninck Rione. Dat gesciede'* in somertyde, Dat al die werlt was blyde, 22300 Omtrent Sinxen, als iet las. Rechte als die Meye utc was, Was Merljn gesceden, sonder beiden, Van der joncfrouwen daer ie af seide. Ënde quam te Tornasse gevaren, 22305 Daer nu die drie'* koninge waren. Doe sine zagen**, waren si blyde Ende daden hem grote feeste ten tyden ; Oec hadde die koninck Leodegan Nu vergadert menegen man , 22310 Want al s^n volc, dat onder hem was, Was daer nu komen, z^t seker das. Want hi wonde nu ontsetten Die stat van Deneblat^e, sonder letten, Ocht'* vor der stat nu doet bliven , 2231 5 Ocht* * hi sal den koninck Rione verdriven, Die daer licht met groten heer", Die machtech es ende van groter weer". Nu namen'* dese drie koninge Merline Ende vrageden hem rades daernaer, [daer, 22320 Wat si daer anegaen zullen nu. Merl^n zeide: »ic zegge t iu : Men zal Leodeganne doen verstaen Dat hi sine liede vergadere'* saen, Ende doe sine batalie ordinieren al , 22325 Dat'* men in Sinzendage* * trecken sal, Ende dat hi vor sende tien"du8ent man Ombe dat lant te versiene vortan Ende besorgene , ende datsi vaen gen, dingen *'wo '*dren "twen ^'gescech **drc '•zegen ."•off *'her, wer * 'nemen **lude vergad- dere **8odat '^Pinxtcrdage '"tgn. 248 Alle die spien* die si vinden saen, 22330 Ende datsise doetsloen alle daer, Ende datter een niet en wederkome naer. Die hem moge vertellen iet* Van desen lieden*, wat dacr gesciet*; Ende men brI des nachtes varen gereet 22335 Den hemeljjcsteu wech , dien men weet; Ende gy ende uwe gesellen zult* daer zjjn [mede Entie* van der tafelronden telker stede" Doe Merljjn hadde gesecht dese dinck, Vragede* hem Artur, die koninck, 22340 Wat zijne liede' daden in zyn lant. Doe vertellede hem Merljjn tehant Alle die dinek*, die daer zjjn gesciet Sint dat Merljjn van hem sciet*, Ende van des koninck Lottea kinder mede. 22345 Hoe* • si haer moeder hescudden ter stede, Ende datsi den vader nembermeer Die moeder en gaven* \ »het en soude eer Gesonet zyn tusoen hem ende in'*. Des was die koninck Artur bigde nu. 22350 Doe telde hi voert den koninck Ban Ende sinen broeder Bohort daeran Van Claudas ende Pontes (ende) Anthonijs Ende van al den dingen in zekerre wjjs, Als si gesciet** zjjn, groet ende clene; 22355 Doe telde hi hem voert na datgene, Hoe hi Leonsen gesproken hevet nu, >Die iu sere groetet, dat zeggic iu, Dat ie hem hebbe gesecht nu al Wat hi doen sal, groet ende smal". 22360 Doe dese twe koninge hoerden dose sake Waren** si des herde aere tongcmake** Ende herde sere tonvreden** ter stat. Doe die koninck Artur vernam dat, Was hi des so droevech**, dat hi daer 22365 Began te wenene**, ende zeide naer Tote Merlyne : » vrient* ^ hel pet hem nu, Ende staet hem iu staden, desbiddiciu: En heipet* ■ gy hem niet, si zjin vorwaer Verloren , ende oec en werdic** daernaer 22370 Nember blyde". Doe zeide Merlyn: >Here. hieran en es geen fijn Also lange als ie mjjns selves bem*'; *9peer Meet "laden *geschect *zült •undede 'dar- navr. ■diiich •reet ' "wo * 'geven "«gesoheen • 'weren **to ong , to onvr. **drovich * 'to wcynenc "?rent » •helpc ' •werdich » "^biu * *geleget * * uude de » Mcwen Ende wetet oec: an iu ende an hem Geligget** grote pine, dat zeggic iu, 22375 Want die prophecie, zi zegget nu. Dat die grote drake komen sal. Die*' den Ie we** sal iagen overal Uter bloyeuder Bertanien**, ter stede, Ende metter hulpe, die hi sal mede 22380 Hebben van den dertich serpenten groet, Ende ombe die minne, die dese al bloet Hebben sullen** van der gekroender ser- [pent jne , Dar die van Bertanien* ^ al die Kersüne* * Entie* ^ van Carmelyde iegen sullen** dan 22385 Nigen moeten, dat sal sgn voertan Ombe sine grote fierheit* • als te voren ; Macr noch so en es niet geboren Die mogende lupaert, daerby dat sal Die grote lewe ontbonden sgn al, 22390 Waerby dat die drake negene** macht En sal hebbeu no negene** kracht. Hem te verdrivene met negener pine". Als die drie*" koninge hoerden Merline Also bedectelike spreken na, 22395 Worden si verscricket**, seggic iu , Want sine nie** dus spreke a hoerden. Doe vragedensi hem , na desen woerden, Wat hi meende**. Doe zeide hi daer: » Gy en moget des niet weten vorwaer, 22400 Maer also vele seggic des iu ter ure: Dat meeste deel sal gaen an koninck Ar- Hier af lieten si die tale daer. [ture". Doe vragede hem die koninck Ban daernaer Wat hi met sinen lande nu doen sal? 22405 »Dat sal ie iu seggen*\ zeide Merlyn, >al : Alse wy dese Sennen hebben verdreven, Dan zulle wy ons nemen l)eneven Alle die macht, die wy mogen, Ende sullen daer mede henen togen 22410 Te Logreswaert te Bredegan**; Ende daernaer sullewy** nemen dan Den groten scat** die legget* ' ter stede An den ongewegeden foreeste mede, Endedaerinne liggen** twaelf swaerdefijn, 22415 Die beste** die in der werelt** syn , Entie** koninck Artur sal daer ridder [maken **ut den bloienden Brytanien * •zolen **kri8tine * 'unde de * 'syrlieit ; doch in 't Eng ptreetusne * 'gene *"dre ■* vorser. **ne ■■meynde '*bcdegan '•solewy **8cad '^leget '•liegen ••besten ^•werldc. 249 Sine neven, die ombe sine saken Horen vader hebben gelaten In swaren verdriete ntermaten 22420 Ende haer moeder ende haer vrientS Ende hebben iu, here, wel gedient, Ende wy sallen se met ons voeren dan Te Bonew|jc; want menegen man Snllewy tegen ons vinden daer; 22425 Daer sal vernomen werden, wet vorwaer, Die grote lupaert, die so fier* ter stede Ende overmoedich' aal s^n mede, Dat bj sinen groten ontsiene te bande Die grote drake van den verren^ eilande 22430 Achterwaert tyen sal dor den lewe groet, Die gekroent sal sgn dor die noet, Nochtan sal hi hem negeen arch doen daer Al sal hi des macht hebben vorwaer; Maer int inde* sal hem die lupaert 22435 So castyen, dat hi ter vaert Hem sal doen knien vor den lewe nu Alse genade te bidden , seggic iu'\ »Here'\ zeide doe die koninck Ban , »Wety iet*, hoe' dese sticken* voertan 22440 Sullen vergaen, daer wy nn ter stede Hier in dat lant syn komen mede?'* »Daeraf ontsiet iu niet een twent*. Eer gy embcr van hier went, Sal dit koninckrike, wetet wale, 22445 In Arturs hant sgn al te male'\ »Here", zeidi**, dese donker woert, die gy Hier segget, en versta wy niet, daerby Biddic, dat gy se ons zegget nu'\ »Ic en machse niet, zeide hi, seggen iu, 22450 Maer ie wil, dat die koninck Artur weet al Dat by sinen live gescien'* sal". Binnen desen quam daer een bode gegaen In die herberge ten koninge saen, Die hovesc was ende scone, twaren, 22455 Endejonck, van vgf ende twintich jaren, Ende was geheten'* Guiomer*' met Ende dit was diegene, dat wet, Daer die ridders van der tafelronden Ombe pine hadden tener'^ stonden, 22460 Want hem die koninginne Jenovre mede Hier namaels grote scande dede , *vreiit '^er '80 overmodich * veren •in dat ende •wetc gy icht 'wo •stucken 'en twint *®zcgedc he ''geacheen ^'gehieten **6iiionct; doch zie 't Eng. **to enen '^bodscap **Ynyt dendren *^zeten '•myt Ombedat hi minde so sere nadas Morgeinen, die Arturs suster was, Alse iu dit boeck hierna seggen sal; 22465 Maer ie latet hier nu varen al, Ende segge iu die boetscap** vorwaer Als hi in die camer quam , seggic in, [nu : Daer Merljjn metten drien* • koningen was Groete hise alle , ende zeide nadas , 22470 Datse die koninck Leodegan, ter stede, Geme nu soude spreken mede; Si zeiden, si souden dat geme doen. Op haer paerde zaten ^' die baroen Ende reden alsoe te hovewaert; 22475 Entie koninck Leodegan quam metter- Eersi kume waren** geheet, [vaert** Ende namse metterhant gereet, Ende leidese in ene kamer daer, Daer maer si vive inne waren** naer. 22480 Doe sprac die koninck Leodegan: »Ic houde iu vor herde vroede man Ende vor herde trouwe mot, Oec hebbic iu herde lief, dat wet, Ende liever dan gy wanet** mede; 22485 Dat es recht, want gy my ter stede Mgn Igf behieldet* * daer ie was gevaen, Ende negene dinge, sonder waen, En** soude ie eer weten van iu. Dan wie* * gy zgt ende wie gy waert* * nu, 22490 Ende gy zult' * my dat seggen, wetic wel. Als iu dat goet dunket**, ende niet el**, So en biddic iu noch en doe kracht, Dan als gy te seggene zgt bedacht*^; Oec wil ie iu vragen, wat wy nu 22495 Doen willen, want ie segge iu. Dat die koninck Rioen es in minen lande Ende hevet belegen nu te hande Mine beste stat, die ie hebbe, mede Met sestien** koningen nu ter stede, [man, 22500 Ende elc koninck hevet twinticbdusent Ende bander**syde sgn myne liede komen Maer daer es luttel goet tegen die ; [an ; Dor God, 80 geradet nu my, Want ie wil werken by uwen rade**". 22505 Doe sprac** Merl^n daer met staden: »Heer** koninck, en ontsiet in niet nu, der vart * 'weren * 'weent **beliilden **80 ne **we ** weert, zolct '•donket * •andere niet al *'Bng. foT othcrwUe I toiü not oj'yowdenre "•zesteen **op ander •• raden •*8prach '*her. 82 250 By der trouwen , die ie ben sculdech iu, Die koninck Rioen soude willen wesen In sgn lant eer iet lanck^ van desen, 22510 Ja, want* hem hadde gekost sine beste stat Die hi hevet; ende oec wetet dat Gyne z|jt so niet tonder', dan Gy hebbet noch seventichdusent man. Ie seg ia wat gy doen snit nu: 22515 Gy sult senden tiendusent ridder, radio in, Vor in ia lant, ende die sullen dan Ribaude ende spien* vangen an Die si vinden , ende die begaden alsoe , Datsi negene boetscap dragen toe 22520 Den Sennen van uwen dingen nu, Daer si mede mochten verraden iu; Ende maket tien batalyen voertan , In elke doet sevendusent man, Ende wy sullen en maendage vroe 22525 Twe uren* voer den dage alsoe Trecken , ende weet wel , dat wyse daer Inden heersallen vinden slapende vorwaer, Wantsi hebben herde goede* tgt Van etene , van drinkene, des seker zgt, 22530 Ende si drinken so sat ende eten, Datsi al des anders vergeten, Sine doen gene sciltwacht , sonder waen, Maer sovele hebbensi nu gedaen, Datsi in dene syde van der stat 22535 Een bordys hebben gemaket doer dat, Dat hem nieman van daer sal komen, Ombe hem te doene enege on vrome'; Maer ie weet daer ene hemelike stede , Daer tegen si hem niet en hoeden mede, 22540 Ende daer wy se slapende vinden selen*, Daer selewy* onses willen vele spelen, So vele, datsi in menegen tyden Dit lant niet weder en sullen anstryden". Doe die koninck Leodegan hoerde 22545 Merlyne spreken dese woerde, Hadde hem des groet wonder daer Ende besachne sere daernaer; Daema saeh hi op sine gesellen doe , Ende daer en sprac nieman den ander toe. 22550 Also lange als hi op hem hevet gresien*, Versuchte hi herde sere mettien'*, Ende dachte dat si edeler liede' ' waren, Meet lanch 'went dat 'to under ^ speer *mylen "goeden ^onvromen •solen, solewy 'geseen *®mytdien »»lude '*erdenken **er votc ** willen **unde den Ende hoger vele mede oec twaren Dan hi verdenken'* mochte nu. 22555 Doe began hi te wenen, seggic iu, Ende en konde een woert niet spreken doe, Ende liet hem vallen daerna alsoe Op haer voete", ende bat hem genade , Ende bat hem, dor Grodes wille' *, in rade , 22560 Datsi sgns landes ende hem daer nu » Ontfermen ende bescermen, biddiciu, Want en dade God ende gy mede, Ie moestet verliesen uu ter stede'*. Den koninck Artur enten andren'* heren, 22565 Dien gaf dit nu so grote seren, Ende namene' * op in haer arme daernaer, Ende hoevene'^ op ende troestene daer So si best mochten, ende gingen doe Op ene coetse tsamene sitten alsoe. 22570 Doe zeide MerlgD: »Here, en zoudy'* Nu niet geme horen van my. Wie** wy zgn ende waeraf geboren?" » Negeen dinck en zoudie nu eer horen", Zeide die koninck, i^dan dese dinge'*. 22575 »Ic salt iu seggen sonderlinge", Zeide Merl^n: »nu siet desen iongen man, Hi es goet ridder, dat scinet daeran, Ende hi es oeo hoger dan gy zgt , Ende hi en hevet geen wgf nu ter tgt, 22580 Ende wy zoeeken aventure, wetet dan, Ocht** wy quamen*' an ienegen hogen Die hem s^n dochter gave* * te wy ve,[man, Die hi mochte trouwen** te sinen live". » Ach, m^n God ! here, genade!" zeide hy, 22585 »En** hebbic niet ene dochter vry, Die scoenste entie vroedeste mede, Die nu in der werelt es ter stede? No** van hoecheden no** van ryeheden So en machse nieman calengieren mede, 22590 Ende waert in wille ende sine. God weet, Ie gavese hem tenen wjre gereet, Ende en hebbe niet meer kinder daernaer, Daer mgn lant op blyvet,dan haer**". Doe*' zeide Merlgn: sdit en sal hi niet, 22595 Ocht»* God wil, nu ontseggen iet". Doe dankeden hem des die koninge seer, Ende zeiden, si willen dat dit doe haer heer, Ende dat hise neme nu geraet**. andern '"nemen ene '^hoven ene ' 'solde gy '*we off "'quemen "*govc **truwen "^er *»ande «o en **noch **ande * 'gereet 251 Die koniock doe selve' ombe Bioc dochter 22600 Ënde dadese bereiden daer ter stede [gaet * So hi rikelecst konde mede, Ende leidese met hem blyde utermaten, Daer hi die drie koninge hadde gelaten ; Daer volgeden ridder* vele naer. 22605 Doe quamen uter cara eren daer Die drie koninge in die* sale; Doe seide Leodegan dese tal e So hoge, dat 8J}t* hoerden , sonder waen , Alle die in der* sale waren ^ gestaen , 22610 Ënde zeide: » edele joncheer ende here, Ie* en kan in genoemen* min no' * mere , Want ie en weet niet hoe** gy heet**, Nu eiet myne dochter gereet** Tot enen wy ve , si es scone ende vroet, 22615 Ende al die ere ende al dat goet, Dat daertoe behoert na myner doet, Gevic iu daer mede, ciene ende groet, Want negenen so goeden man, No'* so wysen, no** sokoenen voertan 22620 En mochticse geven, wetensi wale Alle die hier nu staen in der sale"'. Doe ginc Artnr die koninck vorwaertdaer. Ende dankedes hem sere ; ende daernaer Gaf hise hem metter rechterhant, 22625 Ende si lovedent*' beide te hant. Doe zegendese die biscop van Tornas, Die daerombe ontboden was; Daer wart die bruetlocht** groet alsoe. Doe quam Merl^jn gegangen toe, 22630 Ende sprac so hoge , dat sgt* alle daer Horen mochten, verre ende naer: »Gy heren , zoudy gerne weten den fijn, Wie die brudegoem * 'es ende wie wy zgn?" Die koninck Leodegan zeide doe : »Heer, 22635 Ie en ger negeen dinck te wetene meer , Ende by Gode, ten waer* ' geen wonder nu Dat iet gerne wiste , seggic iu , Wien* * ie myne dochter hebbe gegeven*'. Merlgn zeide : »die iu daer staet beneven, 22640 Entie** uwe dochter nu hevet ontvaen, Dat zegge ie vor alle die hier staen, Hi es die koninck Artur gênant Ende es here van Bertanien**iant, 'selreii *geet "ritter *dat *se dat 'den 'weren *icb 'genomen **noch **wo **hiet, geriet **dat '^bmtlacht '*bradegam '•geen *'wer '*wen**unde de **britanyen ** solen **tyde **gebroder "^ge- Ende syn vader was koninck Uter-Pandra- 22645 Ende ghy ,here, ende alle uwe baroen,[goen. Die nu behoren tuwen ryke. Sullen** syne man sgn sekerlike; Nu doet hem hier manscap nu ten tyden* * So sullewy hoechlyk varen te stryden 22650 Tegen den groetbamden koninck,seggic iu. Die dit lant meent wynnen nu; Maer dit sal anders dan hi meent gaen ; Ende wety wie dese s|jn, die hier staen ? Dit sjjn twe ge broeder** zekerlike: 22655 Dit es die koninck Ban van Bonewyke Ende dander die koninck BohortvanGau- Ende sgn komen, zgt seker des, [nes. Van den hogesten geslachte** mede» Dat men weet in Eerstenhede**; 22660 Ende alle die met hem sgn komen nu, Sgu koninges kinder, dat zeggic iu, Ochte** hertogen och te** borchgraven, Wael geboren ende ryke van haven". Doe die koninck Leodegan dit verstoet 22665 Ende dander* ^ heren, ende des waren** Dat die koninck Artur was dat, [vroet, Waren** si alle so blyde ter stat Dat men nie sulke blyscap en sach Nergent hebben , op ienegen dach. [den 22670 Doe quamen** die heren van der tafelron- Ende ontfingen' * daer ierst* * manscap ten Want si haddens lange begaert' *;[8tonden; Daema quamen** dander ter vaert Metten koninck Leodegan, 22675 Ende daden hem al die manscap daeran. Doe ginck men eten, ende hadden groet Daer was gedient ten etene wel, [spel** Entes'* avendes dade hem kennen daer Merl^n den gesellen, weet vorwaer, 22680 Die men heet** van der tafelronden**; Die bruet was oec blyde ten stonden** Van horen brudegoem, ende Leodegan Was nu die allerblydeste man, Ende zeide, God*^ dade hem vele eren , 22685 Dat hi hem geselscap gaf van sulken heren, Ende dat sine dochter soude hebben dan Te manne sulken goeden man : [men sy, »God* ', Here!" zeide hy, ©sint dat dus ko- slechte **kri^tenhede **ofifte *'andem * 'weren * *quemen * 'ontfengen * ' erst ' "begert * ■spil * * iinde des »*biet »*Ufelronde, stonde *'Got. 252 So ne roeket my wat gy doet met my , 22690 Sint dat mine dochter bestadet es du An den besten , die levet , dat seggic ia". Daema gingen si slapen saen, Entes' morgens, als si op syngestaeu, Sende' die koninck Leodegan voren 22695 Tien'dasent ridder^ wtverkoren, Alse bem Merl^n nu riet, twaren; Daema ordinierde hi sine ander scaren. In tien' scaren deelde bi se daemaer: Dierste voeren* die drie koniogre daer, 22700 Ende Merlgn metten drake ter stede Entie* van der tafelronden mede, So datter sevendusent was ; In dander scare quam nadas Gwinemar, des koninck Leodegans maecb, 22705 Sevendusent ridders baddi niet traecb; Daema quam der Vrouwen sonegereet Van den wonde ^ dat sonder keren* beet*, Sevendusent badde bire in siner scaer; Die vierde'* batalie leide daernaer 22710 Belias met sevendusent man; Andalus, bi volgede bem dan Met sevendusent man ter stonde; Daema quam Belis die blonde, Ende bi badde sevendusent man mede ; 22715 Die sevende scaer leide ter stede, Ydiers van Noyors *■ ' met sevendusent man, Dien bier namaels gesciede dan In des koninck Arturs bof ter stede , Dat bi vgf vingerlyne wttrac gerede 22720 Enen ridder, daer iu af al bloet Dit boeck sal wonder seggen groet; Die acbtede van desen gesellen. Dat was Landan, als wy dat tellen, Hi leide oec sevendusent man; 22725 Die negende batalie quam daeran. Die leide beer G-roine plettenere Sevendusent man baddi ^' in derwere; Die tiende'* leide die koninck Leodegan, Daer waren inne negendusent man, 22730 Ende Gleodalis, sgn drossate, mede. Doe dese tien scaren daer ter stede Geordineert waren alle daer, Des andren dages so bielt daemaer Die koninck Leodegan sgn bof nadas , ^ande des *8o seide 'lijn ^ritter ^deirste voren *ande de 'wolde 'kieren; Eng. the f wette tem» re- tour. *hict » •veerde *»Bng. Nonoa^ **tgnde, tijn 22735 Want des andren dagen Sinxen'^ was; Daer was grote feeste, God weet, Na messe ginck men eten g^reet Entie vier'* koninge gingen daer Tener tafelen sitten , ende daemaer 22740 Ginck elc sitten na siner waerde; Daer was alles, des wies'* opteraerde Ëlcken genoecb gegeven daer. Vor die vier** koninge, wetet vorwaer, Saten die twe Jenoveren nu, 22745 Die scone waren , seggic iu , Ende van maten gel^c, syt seker das; Maer Arturs w^f langer was Ende redeliker, in alle sake, Haddesi oec gerede ende scoenre sprake 22750 Dan dander Jenovre; oec was sy Die wetenste entie* beste daerby, Entie* meer dogeden badde mede Dan enege vrouwe ter werelt dede; Oec badde Jenovre baers meer 22755 Dan dander dede, daer ie afzeideeer; Maer anders waren si also gelyke, Dat nieman*' en was sekerlyke, Diese badde mogen onderkennen daer. Die etentgt leet entie* dacb daemaer, 22760 Ende men ginc slapen daer niet lanc, Want die daer ierstwerf ontspranc, Hi weckede dander'* wt boren slapen; Men ginck vaste daer ten wapen, Ende Jenovre die wapende daemaer 22765 Den koninck Artur , ende gorde bem daer S^n swaert, ende nam oec mede Sgn sporen, ende spien'* se bem ter stede Al knielendp. Doe loecb** Merl^'ndaer Ende wysedet* ' den tween koningen naer, 22770 Ende zeide: «besiet, boe** bebagetsiiu, Datsi den koninck Artur dus dient nu ?" Dit pryseden die twe sere doen, Ende si baddes oec sint goeden loen, Doe si den koninck Artur badde verloren 22775 Daer si ombe badde groten toren** Van Bertalie**, den quaden verrader, Alse iu dit boec bierna segget allegader. Doe zeide Merlgn al lacbende, ter ure, Ende in scimpe toten koninck Arture: 22780 »Here, niet en waerdy** vor deser tjt **hadde he **Pinxtem **!mde de veer **wo8 *^ne- man **de sndren ^'spen **lachgede **wy8. dat * *wo * 'toem * *Eng. Bertelan» Fr. Beriolait * • waer gy. 253 Gterechtelike* ridder*, als gy nu zgt, Ënde iu en gebreket maer een dinc nu , Gy nuwe ridder, seggic iu, Ende wel moechdy eeggen twaren , 22785 Als gy nu sult wtvaren, Dat eens koninges dochter welgeraket Enen nu wen ridder hevet gemaket". Die koniuck vragede Merl^n doe, Wat dinge hem gebreke daertoe, 22790 »Datsi niet gedaen hevet, segget my, Si salt doen opdat niet oneerlyc sy". Doe zeide die maget: »Here, watic doe Iu hier, Here, ie kenne iu alsoe Hovesc ende vroet, sonder waen, 22795 Dat gy my node sult laten anegaen Ocht' laten doen ocht' ansoecken mede. Hier ocht* anders in negener* stede, Des ie lachter mocht hebben iet Ocht* dat men my mochte, wat des gesciet, 22800 Hierna verwyten tieneger stede, [mede". Ombe den best«n casteel, dien gy hebbet >Joncfrou'\ zeide hi, »gy zeggetals die [vroede* Van der dinc* die icseide, zytsonder hoede, Daer sal in negeen arch afkomen vorwaer'\ 22805 Doe vragede die koninck noch daemaer Merlyne, wat hem gebreket ter stont: »Here, een cussen an horen mont, Ocht* dat der ioncfrouwen lief waer'". »By Gode", zeide die koninck, »maer' 22810 Sone bleve dat heden*, ie* en sal wesen Nuwe ridder!" ende si zeide nadesen: >Wete Kerst**, dat en sal, daten blivet By desen dingen , wat des gesciet, [niet Gyne sult nuwe ridder syn, 22815 Want ie ben** uwe ende gy mgn, Ende m^n vader hevet my iu gegeven, Gy moget met my doen, al iu leven. Dat gy wilt". Doe namse die koninck* ' In sinen arm daer, na die dinck*, 22820 Ende helsedese ende sine weder nu Vriendeleke**, dat seggic iu, Ende doe kuste dene dander daer Herde soetelic, wetet vorwaer. Binnen desen waren* ^ die orse gereet *gereckeUke; Eng. rm/y *ritter *oflF *gener •vrode *dinch 'weer, Imeer *hadeA *ich * "krist ' *biii **koDinch **vrendelcke **woitai **uiide men **aii- dern * 'voren **tyn * •speer» ••jjcvenchnisse *'hoet- 22825 Men** brachte se vor die heren geleet ; Die maget nam sinen helm doe, Ende settene op dat hovet daertoe; Doe nam hi orlof ende dander** mede, Ende voeren*' alle enwech ter stede, 22830 Dene vor ende dander naer Ende alle gebattelgiert vorwaer, Ende reden henen horen pas. Die tien**dusent ridder, syt sekerdas, Die vor waren** gereden daer, 22835 Si hadden wael veertich spien * * vorwaer Gevangen, die koninck Rioens waren. Die si in gevancnesse** legeden twaren; Ende si hoeden* * tlant so wel daer doe, Dat negene niemare** quam toe 22840 Den koninck Eione. Dus quamen* * si g^- So lange , datsi tener steden reden Op enen Goensdach** quamen gereet In des koninck Rioens heer**. God weet, Ende Merljjn reet metten drake vor daer 22845 Tote in die tenten, wet vorwaer; Entie mane sceen donker nu, Ende si sliepen vaste, seggic iu, Want dat was des dages heet** Ende si hadden wael gedronken. God weet; 22850 Ende Merl^n dade syne liede vergadren* ' An enen bosc** in enen dal [al Op ene rivier, ende hi verboet daer, Datsi niet en souden** trecken naer** Vordat hi bliese een hoem nadas. 22855 Ënde alse dat heer vergadert*' was. Blies hi sijn hoem daer ter stede, Ende riep op Onse Vrouwe** mede: > Maria*', zeide hi » moeder** Onses Heren, Biddet uwen kinde vor minen heren 22860 Ende vor ons allen in dit begin". Doe riep hi lude: >nu slaet in!" * Ende si sloegen* * in dat heer , seggic iu, Die alle vaste slapen nu**, Ënde Merl^n dede komen sulken wint, 22865 Dat niet (en) bleef staende tente omtrint. Si ne vielen** den viunden op dat hovet, Daer si sere af worden -verdo vet; Entie Eerstene** sloegen in rede Tallen staden, ende dodeden mede den * "niemare **quemen * ^gadensdach **her **liiet *'vergaddem, vergaddert **bu8ch * •solden **dar- naer *' vrouwen ••moder **tlogen **ïeg ik iu ** vellen **unde de kristenen. 254 ^2870 Menegen man eer si geweten konden, Wie' si waren te dien' stonden. Daer wart »help'* geroepen ende groet ge- Die grote ^ heren stonden op ter tg t, [krgt; Ende wapenden hem met haeste daemaer, 22875 Want si hadden des te doene* vorwaer Ende vergaderden vor des konings tente Ende daden basine* blasen doen, [Rioen, Entie Eerstene' sloegen in deser noet Wael twintichdasent Heidene* doet, 22880 Dander iageden si tes koninges tenten toe Ende daer gaven* si hem biel alsoe; Doe wapenden hem die niet gewapent wa- Binnen dien* began die dach baren [ren, Entie batalien trocken'* achter daer 22885 Ende elc gaderde sine liede naer, Ende Meriyn hoef sgn teken nu Ende sloech in die (xigante, seggic in; Ende als die koninck Rioen vernam das. Dien scade^', die hem gedaen was, 22890 Wart hy so erre ombe datgene nu, Dat hi al verwoede, seggic iu; Hi sat op een ors groet ter stede Ende hi nam ene gisarme mede , So groet was si ende so swaer 22895 Een man hadde daer wel te dragen an haer: Hi voer besien** die weken vor nu Ende achter mede te troestene, seggic iu. Doe riep hi Solinas daemaer Ende hiet hem leiden dierste scaer 22900 Met tiendusent man, ende beval hem daer Sinen lachter** te wrekene vorwaer. Doe voer henen Solinas, Die herde stout'* ende koene was, Ende Merlgn sachen komen ter stede; 22905 Doe zeide hi iegen Artur mede: »Nu siet dattet'* cnssen sy So diere*' verkocht, dat men daerby Ember**mere uwes gedenke daeraf. Dat iu iuwe lief so vriendelike'* gaf'; 22910 Hi zeide, hi soudes'* doen die mackt. Doe vergaderdensi met so groter cracht, Daer dade die koninckArturvromechede* * , Die sere besien'* was daer ter stede; Want hi vergaderde an Jonappe nadas *we *den ■gcropen * groten 'to donc 'besunen 'kristenen •heidenen 'den ""treckeden '*den scaden »Mar » «beseen »*U8tcr *»8tolt **dat dat »'dure ^•ombe **vrend. * •soldes »*enevr. **be8een **re8en 22915 Die een wtnemende groet rese was; Ende doe hem die rese sach komen daer, Ontsach hine luttel, wet Torwaer, Waut hi en sceen maer een kint Tegen die rese** daer omtrint; 22920 Si quamen te gader met gewelt Ende Jonap dorstac Artura scilt, Ende neven die syde stacken ter ner* ^ Artur dor scilt, dor halsberch duer**, Ende dat dor die scondere mede ginc; 22925 Maer die Qigante ombe dese dine En toende niet dat hem dit dede lenech verdriet, so sterc was hi mede Van herten, ende si qnamen daer Metten** orsen te gader daemaer , 22980 Dat die orse storten weder Ter** aerden met hem beiden neder. Daer blevensi liggen also te samen Ene wyle, eer si weder verqoamen, Doe sloech men in beide syden toe 22935 Ombe helpene*' haren heren doe; Daer wart menech speer tebioken saen, Ende menegen slach sach men daer slaen; Daer verloren die Gigante meer yele Dan die Kerstene' in den ngtspele, 22940 Ende daer worden hermonteert* * doe Beide die koninge; daer ginc men toe Dene den ander** vreeslyc** ter stede. Die ridders van der tafelronden mede Daden wonder in den strgt, 22945 Entie** twe ende veertich, des seker sgt, Sloegen** doet so menegen man, Dat buten getale ginc daeran; Dese dreven die Sennen nu achterwaert Thent bander* *8iden horen standaert; 22950 Daer bleef die strgt staende fel , Daer dadent*^ Artnrs liede** so wel. Dat wonder waer te seggene in; Si makeden menegen Senne** scn. Maer boven dander dadet daer te voren 22955 Een ridder, heet Does , als wy dat horen , Want by Uter Pandragoens tyden mede Ende by des koninck Artnrs oec ter steden, Daer hi ridderscap hanteerde by, So was hi goet ridder ende vry; **ure, dure **mytden **to der *'to b. ••gcreddet **andem '•vreslyc , '^unde de '«slogen •*wente op ander *^dedsB d^ ''lade ••Seynen. 255 22960 Dhistorie segget ?aD hem das, Dat lii Feneyalen^ neve was Van siner moeder halyen mede; Hi was Enisenten* sone mede, Die Joaepes suster was entie Broen 22965 Tenen wive genomen hadde doen, Daer hi twaelf sonen af hadde met, Daer sent Bertanie mede, dat wet, Sere verhichtet wart, ende oec was hi Gelidonis maech, des ridders vry, 22970 Die Nasciens sone was, Die dat grote wonder Tor das lerstewerl sach van den Grale; Ende hi was maech, wetet wale, Des koninck Pelles ende siner broeder* 22975 Ende hiet Nasciens, dat wet, [met, Entie' Nasciens hadde GalaS.th Lange in siner behoat nadat' , Als in dit boeck sal seggen hiemaer; Ende dese Nasciens, wetet vorwaer, 22980 Wart sint yan goeden leyene doe; Doe hi die ridderscap begaf alsoe. Wart hy heremyte goet ter stede, . Ende Onse Here gaf hem mede. Dat hi priester* wart ende messe* dede; 22985 Ende hi was een snyer maget mede Aiso lange als hi leyede vorwaer. Desen Nasciene gesciede daemaer, Dattene dingel voerde gereet In den derden troen, Qod weet, 22990 Daer hi sach ende hevet verheest* Den Vader, den Sone, den Heiegen* Geest; Ende hi hadde sint dhistorie** met Van den heiegen* Grale, dat wet, Gescreven met syner hant gereet 22995 By Onses Heren gebode, God weet, Ende hi voegede dat an Blasys werc mede, Dat hem Merlgn maken dede; Oec gaf hi sint den koninck Arture Baet, daer hem terselver ure 23000 Gala&th" wonde af winnen sgn lant. Die dertich koninge hadde in siner hant, Die hi met krachte alle wan. Hierna suldy'* dat wel horen dan, Daer iu dit boeck dan wel sal leren; 'perseTolen ^eniscenten 'broder ^ande de * nadat lanen in siner behelt ter stat; doch zie *t Eog. tAü knight hadde af ter Oalaad many a day in hia kepinge *preeiter ^misse 'vonecht 'hilgen '^de hilge g. 23005 Maer ie moet hier ter historiën keren, Daer ie dat liet, van den stryde, Daer men sere vacht tien tyden. Enen strijt van den koninck Rione tegen die vier koninge. Daventnre segget hier ter steden , Dat Leodegans liede'^ sere streden 23010 Tegen koninck Rioens liede** van Irlant. Die van der tafelronden, sg inbekant, Streden so wtermaten sere daer. Dat wonder vras; maer wet vorwaer, Dat Nasciens street so fierlike", 23015 Dat nieman'* en was sine gelike; Ende Adegans, die bmne, dat wet, Hi gesellede hem den koninck Artur met ; Dese drie waren so verre voren, Datsi dander alle hadden yerloren, 23020 Ende werwaert datsi voeren ter stede, Die drake volg^ede bem ember mede, Ende haer gresellen panden hem te volgene Maer si en konden, wetet vorwaer, [daer, Wantsi waren*' so verre gereden, 23025 Datsi en konden niet ter steden Dat volck dorbreken, dat tnscen hem was; Entie drie** gesellen, s^t seker das. Panden hem sere , datsi in der vaert [aert. Mochten komen an koninck Rioens stand- 23030 Dien drie'* olifanten droegen** daer; Ende koninck Ban ende co.Bohort vorwaer, Doe si den koninck Artur, zeggic iu. Verloren hadden, lietensi nu Haer orse lopen met groter porsen, 23035 Ende braken' ' die batalye metten' ' orsen, Ende sloegen'* metten" swaerden doet Wat dat quam in haer gemoet; Ende si en rasten'* niet van slagen, Thent" si Merline vor hem sagen 23040 Metten drake, dien hi droech'nn. Doe dese vive vergaderden, seggic iu, Gingensi so vreeslyc'* slaen. Dat hem nieman en" konde ontstaen. Doe quam die koninck Rioen ter steden 23045 Met siner gisarmen'* toegereden. *'unde »»Galaoth "zole gy **lade »»l^rlike *«ne- nan *^ weren **ande de dre **8tandhart **dre ** drogen, slogen * "breken **mytden "* resten **tot den dat ^'vreslijch *^neman ^'gbarinen. 256 Ende dit was die meeste man Entie vreeslikeste oec daeran, Die men in der werelt' wiste doe, Ende higemoete den koninckBohorte alsoe, 23050 Die jagede den koninck Faveroene, Die ontvloen was in den doene* Enen bogescote* verre vorwaer Van sinen gesellen; doe qaam daer Die koninck Bioen met xxvi koningen nu, 23055 Die hem alle volgeden, zeggic iu, Ende reet vor dander* daer alsoe, Hi hadde sine gisarme in siner hant doe, Ende sat op een groet swart ors mede. Daer brachte geiaget jegen hem ter stede 23060 Die koninck Bohort den koninck Faveroene Ende hielten so kort na dien doene, Dat hi hem gaf daer enen slach Dat hi vor op sinen gereide lach, Ende hi hoef den ander* daer iegen 23065 Ende meende hem dat hovet hebben afge- [slegen*, Maer dat ors hadde den breidel metten [tanden Ende droechen over also te hande* Van onder den slach ; maer hi sloech daer Dat ors achter doer, wetet vorwaer, 23070 Dat* si beide vielen' ter aerde (Die koninck Faveroen metten paerde); Doe overreet hine daer ter stede, Oec hadde hi daer afgegaen mede, Uadde hi des stade gehat ter steden; 23075 Maer die koninck Rioen quam daer gereden Ende riep met ener lader kele: »Heer ridder, gy hebbet des gedaen te vele Oec sal iu dat rouwen , sonder waen , Want ie kome in doet te slane saen, 23080 Ende gy sult te hant weten, sgt seker des. Dat tuscen hem ende my vrientscap* es". Doe sloech hi dat ors met sporen daer, Die koninck Bohort sloech op hem daemaer Wantet dochte* hem een Duvel wesen ; 23085 Hi was hem so verkomen binnen deaen. Dat hi hem konde gerumen niet, Ende achter hem so vele volkes komen siet Dat hem dochte* dat daernare Alle die velde bedecket waren, 'werlde 'done 'bogensc. ^den aadem * plagen *han« den ^sodat •vrenacap *dachte ^•'doed **vcrnienget * "Bohort * 'op den '^tostucken '*(aU altijd) gisarine 23090 Ende hi sach wel doe al bloet, Ontbeide hi sgns, hi waer doet. Doe seide hi : »G-enade , God , edel Here ! VUe ie nu, ie en gewinne nembermere Negene ere in al dat leven mgn, 23095 Ende embermere soudet my verweten sgn; Noch hebbic liever te siervene met eren Dan te levene met onneren; Nu doe God Sinen wille met my, Ie sal s^ns ontbeiden", seide hy. 23100 Doe makede hi een cruce vor hem daer, Ende hielt sgn swaert in der hant daemaer Ende ontbeide des Duvels daer alsoe; Entie koninck Rioen quam op hem doe , Ende gaf hem enen slach so groet, 23105 Dat wonder was hi en haddene doet^* Ocht verminket^'; maer die koninck Bo- Hielt sinen scilt daer iegen voert [hoert^ * Dat die slach quam opten^' scilt daer, Die al te sticken^* vloech daernaer 23110 Op sgn gereide, wetet vorwaer. Nu was die Gigant erre, seggic iu, Dat hi gemist hadde, ende keerde nu Ende brachte die gisarme** verheven; Entie koninck Bohort sach hem beneven 23115 Menegen man komen gevolgen naer, »Ic waer'* wel sot", zeide hi daer, »Bleve'' ie hier langer hondene** mede". Doe sloech hi achterwaert ter stede Daer sine liede streden met gewonde**, 23120 Daer sach hi Bot^rne vaste houden** Hervy van Riveel metten helme daer, Die te voete stont vorwaer, Dien si geslagen hadden ten stonden, Dat hem dat bloet wt nese* *ende wt monde 23125 Storte, ende hadden'* hem dat hovet t-e Afgeslagen, en waer Agregans [hants Die Brune, diene nu daer Sere bcscudde. Doe quam daemaer Die koninck Bohort , ende was hem leet, 23130 Dat hine in desen anzte** weet; Doe sloech hi s|jn ors met sporen, Ende hevet Aroanse** daer verkoren, Den koninck, ende Boteme, dien hi daer Opten helm so sloech vorwaer, 23135 Dat hi ter aerden scire lach 1* weer *'blive '•holdene **gewoldc, holde *®naaen *' handde "'angeste "Harhansc; doch zie 't Eng. ArooM, en verg. ook vervolgens. 257 en hoerde noch en sach, dren sloech hi mede, viel daer ter stede. lorvy was delivereert' alsoe, ia hi dat ors en de sat daerop doe, E ode sloech in die batalie ter vaert, Die ie* lanck ie* meerre wart, Want alle die batalien' te dien tyden Waren vergadert* in beiden syden; 23145 Entie* koninck Rioen volgede ember naer Den koninck Bohorte ende yerhaeldene [daer, Daer hi den koninck Aroanse* ter stede Van den orse geslagen heeft mede; Ende also vro als hine sach, 23150 Meende^ hi hem geven enen slach, Ende thoeft' hebben geklovet daer; Ende alsi Bohort sach daemaer, Die negenen scilt en hadde doe, Hi sloech s^n ors vorwaert alsoe, 23155 Ende hy gemyste sgns ter stede, Ende gerakede dat ors achter mede, Ende sloech hem den rugge duer*. Dat daer ter aerden storte ter uer* , Entie koninck Bohort vieP * mede daer ; 23160 Maer hi spranc van den orse daemaer Optie aerde**, want hi was dapper sere ; Doe wart die drangh'* ombe den here Herde groet van skoninck Rioens lieden, Die hem volgeden na ten tyden , 23165 Dat hi kume bekeren mochte Ende hem geweren onsochte. Daer wart doe die strgt so groet, Datsi moesten*' achter voet Enen bogescote** ende oec meer; [seer, 23170 Daer wart die koninck Bohort gequetset Want hem die koninck Rioen dede noet Ombedat hine geme sloege** doet; Ende alse Hervi den koninck sach doe. Dat hi tonder** was alsoe, 23175 Want hine vier* 'werf sach vallen saen Over sine knien ende weder opstaen; Sloech hi derwaert ombe hem daemaer Thelpene**; hi hadde vorwaer In dner hant ene spere groet, ^teli vereert *ic 'batalie ^vergaddert 'unde de ^hanse 'mende *dat hovet *dore, ure *'vel de eerde **dranck **mosteD *^bogeDacote ^ **to onder *'veer '«to helpen **kriitenen 23200 23180 Ende stac die daer in sgn gemoct Den koninck Rioen dor den scilt ter stede, Ende ontmalyede sinen halsberch mede In dene syde, maer niet in dat Igf. Die koninck Rioen hielt hem stgf [stede, 23185 Entie koninck verhoef die gisarme ter Daer hi menegen Eersten** doet sloech Ende hi meende Hervi nu sgn hovet[mede, Geclovet hebben, des gelovet, Maer hi hielt den scilt daertegen; 23190 Des hevet hi een quartierafgeslegen**, Ende daer die slach te dale ginc doe , Sloech hi den orse den hals af toe , Datsi beide ter aerden vielen** daer. Doe Adragans sach daemaer 23195 Sinen geselle** ter aerden vallen nu*'. Was hi des herde erre, seggic iu**, Ende reet an den koninck Rione, den here, Ende sloechen met sinen swaerde so sere Opten helm, dat hine nicken dede Op dat artsoen, ende hadde hi mede Hem niet gehouden an den hals naer* ' Van den orse, hi waer gevallen daer, Ende hadde hem mogen keren* *Adragant, Hi hadde sinen geselle* * gewroken thant. Doe sine liede haren* ' koninck sagen alsoe Op sgn paert* * liggen waren sgs* * onvroe ; Daer was een koninck, hiet Solinas**, Die des koninck Rioems maech was, Ende hi was herde overmoedich mede ; 23210 Doe hi dit sach, nam hi ter stede Ene spere in sine hant, Ende reet so sere op Adragant, Dat hine ter aerden** droech aldaer; Maer Adragant spranc op daemaer, 23215 Entie drie** gesellen holpen hem doe Ende weerden* * die liede van hem alsoe. Dat hem nieman** genaken dorste, Doe scotensi na hem, sonder vorste, Met daerden** ende met speren mede, Dat sise mede wondeden ter stede; Maer si waren van so goeder herten, Dat hem niet en konde gesmerten Want wat hem genakede sloegen si doet. Die koninck Rioen ende sgn hoep 23205 23220 t*, * *qaarteer afgeslagen ** vellen ''gesellen **do '"nu «•daer » «kieren «Mudeneren '«pert '«se des '•Ce- lidas; doch zie 't Eng. en lager '* eerden '«onde de "drewerden '^nemaki ''dayre; Eng. dartet. 88 258 23225 Hieltee ro kort, datsi gevaen Hadden geweset, en hadde gedaen Nascien , die toe qaam gereden , Die hadde in siner hant ter steden Enen spiet ende sloech in alsoe, 23230 Ende wat hi daer gerakede doe, Moeste' ter aerden vallen daer. Doe qnam die koninck Bioen daemaer, Dien stac hi int opene van den geilde nn Ende opten halsberch, seggic iu, 23235 Ende stacken ter aerde averecht, Ende bereidene so na sfjn recht Eer hi opstont, z^t zeker das, Dat hi en wiste waer hi was; Ende Nascien overreeten daemaer 23240 Twewerf ochte drie*, wet vorwaer; Ende alse dat sine liede sagen, Gingensi vaste derwaert iagen; Daer wart Nasciens ors gesteken doet, Daer hadden die drie 'horen overwiUe groet 23245 Ende Merlgn die dit wiste ter ure, Riep doen daer den koninck Arture Enten koninck Ban tien^ stonden, Entie heren van der tafelronden, Ende zeide : » na volget my saen , 28250 Want die koninck Bohort vechtet, sonder Ginder self vierde*, dat zeggic in , [waen. Tegen al te maJe gene heren nu , Ende es sere tondor, want die koninckBioen Hont'ee so kort ende sine baroen, 23255 Ombedat hi se doden sonde* dan'\ Alse dit hoerde die koninck Ban, »Here God!" zeidi, »w7setmy waer dat es, BHvet m^n broeder doet , zgt seker des, Nembermeer so (en) werde ie blide, 28260 So lange als ie leve in negenen tjde\ » Volget my'^zeideMerlgn ten koninckBan, Want hier en es geen beiden an". Daer makede Merlgn doe nadas Ene toverye, die wonderljc was, 28265 Ende dade* een gestof van sande komen Ende enen wint, die se hevet genomen Ende op die Gigante al daer droech So dicke, datsi haex ongevoech Hadden, want voert van dien 23270 En konde dene dander* niet gesien. Doe wart daer een gehv nadas, Ende Merlgn, die ember vor was. Keerde'* den drake" in siner hant; Doe vloech daerwt al snlken brant 23275 Ende vier", dat die drake warp wt, Dat die lucht stanc overluet, Entie brant hi vil'* daer sciere Al op der Heidene'* baniere, Ende dit versagedese sere daemaer; 23280 Doe sloech Merlgn in den drangh daer, Ende dorbracse al daer ter stede, Hi ende sine gesellen mede, Ende quamen ten'* koninck Bohort toe, Die op sinen voeten'* stont alsoe, 23285 Ende sine gesellen, die daer waren Haer helme alsoe dorslagen, twaren, Datsi hem over dogen hingen ter stat, Ende haer halsberge hadden menech gat; Maer si en hadden negene wonden 23290 Die hem iet'* scadeden tien'* stonden. Si hadden haer s waerde in haer hant bloet. Si hadden so menege heidene doet'*, Datsi met hoepen lagen** daer. Doe quam die koninck Ban daemaer, 28295 Ende sloech den koninck Mynappe alsoe, Dat hine clovede toter borst toe; Entie koninck Artur sloech ter stede Enen Senne sgn hovet af mede, Ende vor den koninck Rioene vloech daer; 28800 Ëlc ander geseile sloech daemaer Den sinen doet, die vor hem quam. Doe die koninck Bohort dit soccoers* ' ver- Spranc hi, ende sine gesellen mede, [nam. Over die dode, die lagen ter stede, 28805 Ende elc nam een ors daemaer, Ende ander helme, wet vorwaer, Ende saten op ende reden nadas Daer die strgt ten meesten was. Das duerde die strgt daer alsoe 28310 Al toter vespert^t nu toe, Doe waren die Eerstene** sere tonder, Ende** dat en was geen wonder; Want die koninck Rioen hadde hondert Tegen enen Korstene** voertan, [man 23315 Daer wart geruchte so groet, zeggic iu , Dat die van Deneblase der stat nu 'moste 'off dre 'dedre *ten * veerde *holt ^zolde ' den ^*manigeD heidenen doed '* legen *'de8M holpe *dede 'den andem ** kierde ^ ^draken **vacr '"vel j '*Crif tenen **wint '^heidenen **qaemen tot den **voten "icht '*to ' 259 Wtwaert sagen' ende veraamen* naer*, Dat die hare* te quaet hadden daer. Als Sjdonies, die borchgrave, na das 23820 Sach dat s^n oem tonder was, Die koninck Leodegan , ende so die mede Gesconfiert hebben geweest* ter stede, En* hadde die koninck Artnr gedaen Ënde sine geselscap, sonder waen, 23325 Dier maer^ driehondert en was, Want alle vloensi op hem nadas, Doe riep hi: » edele ridders*, wapent iu Want hier es des wael te doene* na, Wy moeten noch heden verliesen ai 23330 Ochte'* winnen nu groet ende smal, Ënde onse erve behouden te hande Tegen die Heidene, Godes viande; Entie^' stervet dor die Godes minne, Ui bliyet behouden in allen sinne, 23335 Ende wy en mogen nembermere Bet sterren met meerre ere Dan nu, want siet ginder ter ure Onsen gerechten here, den koninck Arture, Die die beste van der werelt es, 23340 Onder genen drake'*, sgt seker des; Ui es ons te hulpe komen nu Ënde settet sinen lichaem, seggic iu, Vor ons ende aventure mede*'; Nu waert** wel recht, dat wy ter stede 23345 Ons aventnerden dor hem dan". Doe bereide hem daer menech man Ënde togen wt ende reden ter vaert Dapperlike ten Heidenen waert. Doe riep die koninck Leodegan; 23350 »Stoutelike** slaet in, mine man! Siet mynen neve Sydonies nu, Hi bringet ons soccoers** seggic iu'*. >Uere'\ zeide doe Gwinemar mede, »Wat vermaendy" ons ter stede? 23355 Wy sgn nu so verre gevaren Dat wy alle doet** bliven, twaren, Ocht** wy moeten** verweren ons hier; Daerombe sonde eic s|jn so fier*' Ënde met wapene hier gebaren, 23360 Dat si hem souden** van ons vervaren". Doe sloegen** si onder den drake daer *zeg«D * vernemen *dar ^er ^geweset *unde en 'men •rittcrB •cone **offle '^undede '"draken *'Eng. tktU ut for to weoure put hynuelf in aventure of deth ** weert '*sioltelike **halpe *'vermane gy Ënde volgeden Merlyne aJso naer, Daer die koninck Artur entie koninck Ban Ënde Bohoert ende menech* * ander man, 23365 Ënde mede die van der tafelronden. Wonder wrachten daer ten stonden. Daer worden des koninges liede so mach- tech doe**, Datsi die Sennen dreven daertoe**, Datsi moesten ach ter waert tien 23370 Ënde tot onder haer baniere*' vlien; Daer wordensi houdende** voertmeer Ënde weerden** hem wtermaten seer, Ënde Merlyn was an dene syde gevaren Ënde die van der tafelronden, twaren, 23375 Tot hem komen, ende hi dadese naer Haer orse vergorden alle vorwaer, Ënde haer wapene te poente setten, Ënde spere** nemen, sonder letten, In haer hande, ende hietse soe** 23380 Haren vianden varen vaste toe**. Nu waren dieSennen vercoevert** daer, Ënde dreven dander** achterwaert daer- Doe quam dese inridende mede, [naer; Ënde Merlgn riep op hem ter stede: 23385 >Nu sal ie sien , wie* * dat wel sal doen , Ëlc sfl hier nu een lyoen!" — Hi** zeide den koninck Artur nu: *^y gedenkec oevele, seggic in. Van den soeten cusse mede, 23390 Dat iu lief iu gaf ter stede , Doe gy van haer sciedet**. God weet. Noch hebdy*' oevele verdient gereet". Doe dit die koninck Artur hoert , Scaemde hi hem ende reet voert, 23395 Ënde versette hem in sinen stegereep doe Met so groter kracht daertoe. Dat die yser bogen, wetet dan. Doe loech** daerombe die koninck Ban, Ende wysede dat sinen broeder alsoe; 23400 So fier gelaet hadde hi doe. Datten die van der tafelronden daer Te wonder ansagen'*, wetet vorwaer. Ënde zeiden, mochte hi leven enegen dach, Dat men siner gelijken nie^** en sach. 23405 Doe riep Merl^n »Glarense*' daemaer, **doet moten **off *®moeten **^r * "solden ""slo- gen "^manich **do *'to *'banieer **holdende "•wer- den *"8per **8o, to '"verlovert '"andem '^we ■•do **8cieden "hebbe jqr **lachgede '*ansegen ••ne, 260 Ende sloech in die batalie daer; Si voeren* in met groter cracht Ende elc hadde ene sterke scacht', Ende staken* al neder dat vor hem qnam. 23410 Die koninck Artur, als iet vernam, Hadde gesteken den koninck Clarele , Dat hgs genoech hadde tsinen dele; Doe verkoes hi den koninck Bioene daer- Want hi verkendene, wetetvorwaer, [naer 23415 By der^ covertnren, seggic in, Want die covertare, die hi droech nu , Was met barden ende met kronen Al gesaeit*; doe hi sach dengonen Die koninck Artar , hi* hoef s^n swaert' 23420 Ende sloech dengenen, metter vaert*, Dor den scilt enten* halsberch mede, Ende haddene al dorslagen ter stede, En hadde een porpoent gedaen Dat van enen serpente, sonder waen, 23425 Gemaket was, dat halp hem daer. Dat hi der doet ontginck vorwaer; Want dat vel van den serpente was Boven dat porpoent, sgt seker das. Dat was so hart ende so sterck met, 23430 Dat ment niet* mochte dorslaen, dat [wet; Doch was die slach so groet ter stede, Dat hine ter aerden vallen dede. Doe die Gigante haren heer sagen' * vallen. Voeren' si derwaert saen met allen, 23435 Ende streden den koninck Artar so an , Datsi hem ende sgn ors dan Vallen deden ter aerden saen. Doe riep Merl^n, sonder waen. Die ridders' ' van der tafelronden daer, 23440 Dat sine varen bescadden naer. Daer wart die strgt groet bysonder, Entie' * koninck Ban wrachte daer wonder; Want hi met crachte bescudde te hande Den koninck Artnr onder sine viande; 23445 Entie' * koninck Leodegan ende Sydonies Dadent' * dan wael, sgt seker des. [teert' * Maer die koninck Artar, doe hi hermon- Dade hi so g^oet wonder nadas, [was', Metter hulpen des koninck Bans ter stede. 'voren *8caffk 'steken *den *geseit; Eng. hucove- rmg eote, that taaa fuU of hertUt crowned *ande 'zweert, veert *imde dor den *dat nicht '® zegen ^'ritters '*ande de * 'deden dat **gereddet ''geaf- 23450 Entie'* koninck Bohort oec mede. Metten ridders" van der tafelronden, Datsi al die Gigante wederstonden, Ende dreven van den plane daer. Daer was die koninck Rioen vorwaer 23455 Seer geaffelgiert'* eer hi bescut was; Ende als hi vernam die waerheit das, Dat sine liede gesconfiert waren , Ende hi vlien moeste'* daernare Ocht" hi moeste'* doet bliven daer, 23460 Vloe'* hi met groten sere daemaer. Doe dit sach die koninck Leodegan , Dat die koninck Bioen daer te vliene began. Volgede hi hem ende Sidonies Ende- Gwinemar ende Cleodales ; 23465 Ende bander' *Bide die van der tafelronden Volgdeden oec mede te dien** stonden, Ende sloegen* ' daer so vele in dat jagen Datsi met groten hoepen lagen ; [vlien**, Ende doe die koninck Bioen dos ginc 23470 Sone heveten nieman** daer gesien** No*^ gekent, dan die koninck Artner; Hi merkedene daer terselver uer**, Ende reet hem al stille swigende naer. Dat nieman van den sinen wiste daer, 23475 Waer hi was henen; ende bander* *- [syden Jagede die koninck Leodegan tien tyden Gloriante, Mynados, ende Golifere, Dese drie koninge jagede hi sere Allene dor den bosc alsoe; 23480 Ende dander gesellen waren** doe Gesceden*^, üene hier, twintech daer; Dus duerde die jagerande daemaer Toten dage eer si scieden. Si sloegen doet van den lieden** 23485 So vele, datter maer on** bleven daer Twintechdusent te live vorwaer Van tweenhondertdusent man**, die si ten Bracht hadden daer te striden. [tyden Nu zwiget dit boeck hieraf tei ure, 23490 Ende sal iu seggen van den koninck [Artnre Ende van den koninck Bioene vorwaer. Dien*' hi nu vaste volget naer. felleert ''moste "off '*do vloe ''op ander ••to den *'8logen **vleen, geseen **neman **noch **ar "•weren "'gescieden ••lupen **iner ne ••mans *'den. 261 Van den honinck Artur ende van den koninck Rione^ enen*^ camp. Na segget voert die aventure Van den koninge* Arture, 23495 Die den koninck Bione volgede nu, Sodat hine verhaelde', seggic iu, An ener valeyen in een boscel^n; Doe riep hi: » blode Gigant, koeken, Wendet in, ocht* gy syt nu doet; 23500 Ie ben* sonder hulpe cleen ochte^ groef'. Doe dit die Qigant boerde daer, Haddi hem des* berde ommaer, Want bi docbte bem berde clene; Hi en eceen maer een kint gemene 23505 Tegen den Gigant, die bem daer Ombe keerde' te bant daemaer; Hi nam sine gisarme nadas In sine bant, ende sinetargie*, die was Gemaket van enes olifants bene, 23510 Die droecb hi vor bem gemene; Entie koninck Artur hadde een spiet Herde scerp, ende en* lette niet Hi reet op bem ende stackene doe Dor scilt , dor balsbercb daer alsoe , 23515 Ende atac bem ene wonde tien tyden^^ Boven die hanke in die slinke syde, Dat bem nederwaert liep dat bloet. Doe hi bem gewondet verstoet, Beet bi sine tande ende keerde' daer 23520 Sine ogen van quaetbeit , wet vorwaer , Ende boef die gisarme ter stede, Ombe den koninck Artur' ' slanedaermede. Hi was g^oet, sterck ende stranck Ende siner voete veertiene'* lanck, 23525 Ende bi was tnscen beide sine ogen daer Anderhalve palme breet vorwaer; Dus brachte diegene daer den slach. Doe die koninck Artur dit gesach, Reet hi op bem met suiker snelbede, 23530 Datsi ter aerden vielen'' bede, Maer si waren '^ thant oppe ter stede; Die koninck Artur was eer oppe mede, Want hi was ionck' * ende hadde maer' * Tuscen seventien'* endeachtien'* iaer, 'eynen 'koninch 'erbaelde ^off *bin 'em do 'kierde *targe 'ne ''ten tyde ^^toslane '*?eerteiie "Telen '* weren '•ionch '•mer "teen '•treckede * 'off dat *"gloiende * 'geslagen **£Dg. as the booke teith, it wu tome tjfme nercules **dat '^Colcas **Tlae8 23535 Entie koninck Rioen hadde wel nu Twe ende veertich iaer, seggic iu. Ende doe si beide op waren' ^ gestaen, Trac'* Artur Galibumase saen, S^jn goede swaert, dat sceen te bant 23540 Ocht'* hadde geweest een gloeiende** Van groter claerheit. Doe sloecb by [brant Den rese daermede, die droecb daerby Sine grote gisarme daertegen; Die hevet bi ontwe geslegen*', 28545 Nochtan was si met yser gebonden; Doe was die rese toernech ten stonden. Doe trac bi wt dat beste swaert een. Dat in der werelt en was negeen; Dit boeck segget dat Hercules was'*, 23550 Daer" hi Jason mede leide in Golchas*^ Ombe dat guldene vlies**, ende daermede Sloecb Hercules menegen Gigant ter stede Toter doet in dat lant, daer Jason na Sine vriendin ne** in voerde, Media, 23555 Die by des koninges tyden Adrastes was. Die koninck was in Grieken*' nadas, Ende die dat swaert in siner stat Menech iaer hadde, ende nadat So haddet** Chodidinnus na datgene, 23560 Die des koninges sone was vanCalsedone * * , Doe quam dat van ore tore daer, Dattet die koninck Rioen hadde naer; Want bi van Hercules geslachte'* was. Ende dit swaert biet, sgt seker das, 23565 Malmiadorse, ende doen" Artur sach Dat also blicte alse die** dach Van groter claerheit, begeerde bgt" daer Met al siner* ^ herten, wet vorwaer, Ende zeide ter goeder tgt quame** by [daer doe, 23570 Mochte by dat swaert gewinnen alsoe. Doene koninck Rioen sach so stille staen, Seide bi: »gy zgt wel koene, sonder waen. Heer ridder* *, ie en weet wie* ' gy zgt , Dat gy my dus verre volget ter t|jt 23575 Allene; ende ombedatgyz^t dus koen**, Sal ie iu doen ene hovesceit scoen**, Die ie nieman** en dade** dan in: Gevet my in swaert ende iu wapene nu, **Trendinne **greken **hadde dat **^f^. I^deus tAe mme of the Buke of CaleedoyM **ge8lechte "do dat **der "he dat '^allesinen **qaeme **herrit- ter *'we **kone, icone *'neman **dcde. t^2 Ënde Mgget mj hoe' gy heet* daerby, 23580 Ie aal ia dan laten qogt ende vry, Want my jamert sere van ia Ombedat gy mj so jonck dancket nu'\ Dit hadde die* koninck Artar onwaert, Ende antworde hem fellyc , mettervaert: 28585 »Meendy^ dat ie my op sal ge?en gemene, Ombedat gy groet sgt ende ie clene? Maer legget «eWe* neder iu swaert Ende in wapene , ende komet ter ?aert My te genaden ende mynen wille 28590 Met ia te doene, lade ende stille, [in Ende wetet wael ie en verseker geens dinc«* Dan yan der doet , des seker ie in aa". Doe loeeh* die Gigant , ende vragede doe Hoe hi hiete ende wie hi ware* toe, 28595 Ende beswoeren by sinen gelove* daer; Doe zeide die koninck Artar daemaer » Wildy ' * my zeggen des ie ia vragen aal, Ie sal ia hieraf seggen die waerheit al". Doe gelovede h^f hem ter stat. 28600 Doe zeide die koninek Artar nadat: » Wetet wael dat ie des koninges sone was Uter-Pandragoens , sgt seker das, Ende hete^ * Artar ende ben' * komen na Dit lant te beseermene, seggie ia, 23605 Want dat mgn es, wetet gerede, Ende hebbet behnwet na ter stede, Entie'* koninek sel?e'* Leodegan , Ende oec mede al'* sine man Hebben'* dat lant van my ontfaen, 23610 Ende alle oee mede manseap gedaen'*. > Hoe ' * ",zeide die koninek Rioen daemaer, > Besta die koninek Artar vorwaer Ende Üter-Pandragoens sone mede. Die Angwise doet sloeeh gerede?'' 28615 »Ja'\ zeide hi, »ende nn willie weten Wie'* da best ende hoe'* men dy sal [heten?" Ie segget dy, ie hete die koninek Rioen Ende Uaat es onder mgn doen, Ende onder my sgn alle die lande alsoe 08620 Al toter Heidene lande toe, £)nde oee soadet m^n sgn bander* * syden, Waert* ' dat men daeroTer moebte lyden, 'WO *hiet 'den ^mene gy *telTeii *geen dinck «lachgede *were *geloven '* wille gy "hie dat > «hiete **bin *^ande de '«selven >*alle «^oiideh. **wo **we **op ander ■» weert **mer8teen ""de Maer neen dat nembermeer, agt seker des, Also lange als daer bynnen es 23625 Die leetlyke creatare overeen, Ende dat es een merosteen**. Dien Jadas daer warp, ende dat was Dat h^t lant gewonnen hadde tot das; Ende donder*' seggen, dat also saen 23880 Als die mercsteen** enwech es gedaan. Dat da?entaren ?an Logres al Snllen* ^ vergaen , beide groet ende smal, Entie'^ den mercsteen sal oec mede Enwech doen, hi moetene ter stede 23685 In die goeffre dragen nadien [genen, Van Sathanie , dat* * hi nie meer en wert Want hi es ?an snlker manieren na, Dat al gescien moet, dat seggie in. Na weetsto wie ie ben ende hoe ie hete' *; 23640 Maer ie segget dy na, dat ie niet meer en ete Also lange als ie dy leyendich weet. Want ?an dy heb ie al dit leet. Dat ie ben veijaget, hebbic ▼emooaen. Es my al te male van dy gekomen; 28645 Hierombe sal ie hier wreken my En al m^n leet na over dy'*. »By Gode'\ seide Artar , »80 staet ia dan Lange te Tastene; want wetet voertan Ie** en sterve van nwer bant nembermeer, 28650 Ende ie ontsegge in na yoertmeer; Ende zgdy** so koene**, so wreket in". Doe die Gigant dit hoerde na, Qaam hi tot hem ende toemde hem doe, Ende sloeehen met sinen swaerde** alsoe, 28655 Dat hi hem afsloech daemaer Een stieke** van sinen scilde daer; Ende Artar reet op hem ter stede Ende dorsloeeh sinen helm, ende oec mede Die eoffie'* in die rechte syde, 23660 Al doer, ende wondedene tientyden*', Ende en hadde dat swaert* ^ niet gewent, Hi haddes die werelt verlaten sent; Ende als die Gigant gevoelde dit bloei, Wart** hi al te male verwoet, 28665 Ende reetene an ende meende naer** Metten armen hem grepen daer; Maer Artar was licht ende ontsprano. oldem '^iolen '*daer,£ng. /^la^ '*wirt **ieh **a^t gy ••kone ••awecrde *'ttucke "oonfie "ten tyde * ^zweert ** waart ** mende damaer. 268 Ende al die wile, eer iet lanc, Quam daer NascienB ende Adragant 23670 Ënde Hervi, ende brachten gejaget thant See Sennen, die alle koninge waren, Ende die aldus hieten twaren: Bahamins ende Matailes Ende Frenitars ende Brecaines 23675 Ende Cohars ende Mahidrant; Dese koninge qnamen daer vliende thant, Ende alse die koninck Bioen he?et vorsien Die ses koninge also sere vlien , Want dese herde stoat^ waren, 23680 So dachte hj wel by dien* daemare, Dat hi doet sonde bliven daer; So spranc hi op s^n ors daemaer. Ende daer hi opgeseten was doe Sloechen die koninck Artnr soe, 23685 Dat hi boech op dat gereide daer, Ende hadde hi noch mogen hem vorwaer Enen slach geven , hi haddene nn Ter' aerden doen tamelen, seggic ia, Maer^ dat on vervaerde hem ter stede 23690 Van den slage, ende droechen enwech mede. Ende doene Artnr enwech saoh lyden Spranc hi op sgn ora tien tyden* Ende volgede hem na , al dat hi mach ; Entie* koninck Rioen hem achter aach, 23695 Ende sach waer hi op hem quam daer, Ende begondene te slane naer. Doe riep Bahamins die quam gevloen: sGj latene hier; wat wildy* doen? Ter quader tgt z^dy nu gesceden* 23700 Van uwen geselien dus verre* ter steden"'. Als die koninck Artur dengenen alsoe Hoerde roepen, keerde** hy hem doe Ende sach waer diegene op hem quam daer, Ende gaf hem enen slach swaer, 23705 Entie koninck Artur sloechen weder Dor die scouder'* alsoe daer neder. Dat men hem leveren ende longen sach ; Doe kreet diegene, al dat hi mach, Ende brulede** als een varre'* doe. 23710 Ende doe die vgf koninge sagen also Den koninck Bahamins sware gewont. Waren* ^ si des erre ende liei)en terstont *itolt *byden 'to der *imde *ten tyde 'imdede *wille gy 'geadeden *Tere **kierde '^soolderen ^*bolede **yaer; fing. Ae eried amd hrayed at a bok * * weren * 'op den * "noch * ' wolde * 'to desen * *ruige Opten** koninck Artur beide sere; Entie koninck, die min no** mere 23715 Vlien en wonde**, deckede hem wale Metten scilde, ende tesen** male Sloech hi daer doet twe der koninge Van den viven, ende also geringe** Quamen** daer die drie gesellen doe, 23720 Diese hier vor jageden alsoe; Ende alse die ander koninge dat sagen , Eenden **8ise en begonden iagen Watei mochten, sgt peker das, [was, Den wech , dien die koninck Rioen voren 23725 Entie koninck Artur volgede hem naer, Diese niet laten (en) wonde** vorwaer. Nu swiget van hem daveniure Ende sal seggen van Go. Ban ter ure Ende van Co. Bohort oec mede, 23730 Dat hem nu gesciede ter stede. Hoe** die koninek Ban entie* koninek Bohort seoen koninge jageden. Hier segget die historie voert Van den koninck Ban, als gy gehoert Hebbet, dat hi iagede mede Drie koninge, sodat hise ter stede 23735 Verhaelde op enen sconen plaen, Daer si hem keerden, sonder waen, Ende sloegen*' op hem alle daemaer, Wantsi vonden hem tiene*^ daer Van hoerre** geselscap, die daer nu 23740 Den koninck Ban opliepen, seggic iu; Maer die koninck Ban sloec den ieraten* * Dat hovet toten tanden toe, [doe Enten** ander sloech hi ter steden Die sconder*' dor tote beneden, 23745 Enten** derden sloech hi daemaer Dat hovet van den buke daer. Ende mettien** datsi daer streden, Quamen daer die vier* * koninge gereden. Die die koninck Bohort brachte g^aget. 23750 Daer quamen op die tien koninge die so [versaget Die koninck Ban, ende so kort hielt daer Dat sine konden niet gevlien vorwaer* * ; **quemen *'kanden **wo **8lógen **tyne ■•ore '"irsten *'imde de **myt den **veer **ISng. dui- deiyker: tkei ttode »tify fór ther thei overtoke s of her fthwei that romne vpon the kinge Ban. 264 Dus qaamen dese op hem gereden, Ende bleven alle veertiene^ ter steden 23755 Houdende*, entie koninck Bohoert, Diese vor hem daer brachte gevoert, Beet in hem ende stac enen daer, Dat hi doet bleef; daemaer Sloech hi enen andren dat hoeft af: 23760 Enten derden hi enen slach gaf, Dat hi viel van den paerde alsoe. Daer vont die koninck Bohort sinen broe- [der* doe, Die wonder wrachte aldaer ter steden; Dus streden si daer onder hem beden 23765 Tegen die twaelve lange tgt. Binnen dat si sgn in desen strgt Quam die koninck Rioen , gequetset seer Van den tween wonden, die hem gaf eer Die koninck Artnr; ende doe hi sach 23770 Den strgt, sloech hi daerin dat hi mach, Want hi herde toemech was doe; Ende hi sloech den koninck Bohort alsoe, Dat hi metten paerde vü" daer Ter aerden neder, ende daemaer 23775 Quamen* die ander op hem doe*, Ende wondeden eude qnetsedene toe*; Want sgn ors lach op sine been Ende en konde hem geweren niet,dat sceen; Ende ombedit was die koninck Ban, 23780 Ombe sinen broeder*, een droevech man, Ende hi yerhoef sgn swaert ter steden Daer hi Magloras, den koninck, mede Dat hoeft afsloech , ende enen ander daer, Dien dorsloech hi dwers daemaer. 23785 Dus hielt hi boven den broeder* daeran 8o lange, dat hi sgn leven gewan Van onder dat ors, ende binnendien Quamen die drie* koninge getien*. Die die koninck Artur iagede nu, 23790 Entie drie* gesellen, seggic iu. Die gj hier vor hoerdet* nomen. Doe si so verre nu s|jn gekomen, Entie koninck Artur hier hevet gesien Den koniuck Rioen vechten mettien'* 23795 Tegen koninck Bohort eude koninck Ban, Die te voet stonden, verhoef hi dan Syn swaert ende sloech MartaïUe * 'veertiene *boldene *broder ^vel *qaemeii *do 'geteen *dre 'hoerden '"mytteen ^'scolderen *"dtt *»mer •♦weren «•op den "«dtt sweert »»he Op sine scouder* ' met groten wille, [bloet Dat hine ontlede ende men sach daer* * 23800 Leveren ende longen, ende hi vil doet; Entie koninck Bohort spranc op sgn ors doe Ende ginc den koninck Rioen toe, Ende sloechen opten helm aldaer, Dat hi hem des afsloech daemaer 23805 Een quartier, maer** hi ne hadden niet In dat hovet gewont. Als Artur dit siet, Sloech hi in ende sine gesellen mede; Doe wart daer doet geslagen ter stede Minodap ende Bafirmes, 23810 Ende Golirans ende Maigoles. Des was die koninck Rioen erre nu. Want dat waren • * sine mage, seggic iu ; Doe verhoef hi dat swaert ende sloech so Opten** scilt Artur, den heer, [seer 23815 Dat hine clovede toter bokélen toe, Ende tswaert'* inne stekende bleef doe So vaste, dat hgs* * met negenen* * dingen Niet weder wt en konde gebringen. Doe gaf die koninck Artur , al warm , 23820 Den koninck Rione enen slach opten arm, Dat hine quetsede herde seer; Doe liet dat swaert gaen die heer, Ende Artur liet oec den scilt vallen doe* *, Want hi hem verwoech, ende reet hem [toe**, 23825 Entie koninck Rioen nam hem daemaer Metter scouder** ende woude hem daer Met hem voeren met crachte nu, Ende also haddi** oec, zeggic iu, Hadde hgs** stade gehat allene; 23830 Doe nam Artur sgn ors, na datgene, Ombe den hals ende hielt hem daer aen* * So vaste, dat hine niet van daen** Gebringen en konde met negenen * * dingen. Doe die koninck Ban sach die worstelingen, 23835 Hadde hi anxt* * ombe den koninck Artur . Ende sloech met sporen ginder toe * *[doe * * Ende verhoef sgn swaert ter stede Daer hi den koninck Rione mede Onder die scouder** stac ene wonde. 23840 Doe hem die koninck voelde ter stonde Also sere g^wondet vorwaer, Ende hi sine l^ede** verslagen sach daer des * 'genen **do, to ^'scolderen **hsdde be **an, dan **ange8t **8Ciilder '•lade. 265 Hadde hi anxt^ ende ginc ?lien Wat hi mochte, ende mettien* 23845 Vermaledjede hi sinen God ende sine eer, Ende swoer dat hi nembermeer En raste* hi en sal gewroken wesen; Want als hi te lande kornet na desen Soude^ hi so vele liede ontbieden dan, 23850 Dat negeen* lant no geen man Daertegen eoade^ mogen gestaen, Ende dan sonde ^ hi Artur doen doet slaen Ochte* doen hangen, ocht* doen villen met Ende al siue helper*, dat wet, 23855 Ende al Bertanien* slechten^* daernaer Ende al doden, dat hi vint daer. Dos voer enwech die koninck Rioen Toemech ende onbljde ombe sgn doen, Ende reet so lange dat hi quam 23860 Te sinen lande, maer hi en vernam Van sinen lieden, cleen ochte** groet, Of si levendech waren ochte** doet. Daema quam die koninck Ban gegaen Ten koninck Artur ende vragedem saen, 23865 Hoe** dat met hem stonde daer** Of hi iet** sere gequetset waer**. Hi seide: »ic en hebbe negeen arch nu, Maer ie hebbe gewonnen , segg^c iu , Httden dat scoenste ende dat beste swaert * * 23870 Ende dat meer goedes** es waert** Dan enech in der werelt es, Des ben ie seker ende gewes"'. 9 Waer es dat?'^ zeide die koninck Ban ; »Ic salt iu togen**", zeide hi dan; 23875 Doe stont hi van sinen orse daer Ende trac dat wt sinen scilt naer**, Ende hinc dat ombe sinen hals alsoe, Ende spranc weder op sinen ors doe, Ende togedet* * den koninck Ban daer nu, 23880 Die dat sere prysede, seggic in, Ende zeide : »nu geve ons God aventure , Daer wj dit swaert saen proeven ter ure Of dat also goet es alset** es 8cone'\ Dat en sal niet** Ijden na datgene, 23885 Si en sullen vinden aventure so koene**, Daer si genoech an sullen hebben te doene; Maer ie zwige van hem voertan *ange8t »inyt deen "rcste *8olde •geen •oflte 'off •hulpcr 'britanyen ** slichten **off **wo ^'damaer **ichl **wcer * •zweert, weert ''guedes "■tonen ^•treckede **toende dat **alze dat >>nicht **kone Ende sal seggen van den koninck Leodegan. Van den koninck Leodegan ende van sinen gesellen. One segget daventure, twaren, 23890 Doe die Sennen gesconfiert waren, Dat die koninck Leodegan jagede doe Stoutelike theat** in die nacht toe, Ende sloech vele Sennen doet daeran. Doe geviel, dat koninck Leodegan 23895 Ende Cleodales gesceden waren Van haren lieden* * ende quamen* 'gevaren In enen foreest in den nacht alsoe, Endet*^ was herde donker doe, Want die koninck Artur ende Leodegan 23900 Ende sine twe ende veertich gesellen Noch die heren van der tafelronden[ voertan En keerden niet** vor dien stonden Dattet* * dach was, maer dander* * gemene, Die keerden des avendes thneswaert** [allene. 23905 Maer daventure secht* * hier dat Leodegan Ende Cleodales, sgn drossate, voertan Jageden Caulus** ende Ydorasse Ende Lamathoure ende Dorilasse; Ende alsise lange hadden daer 23910 Gejaget, verhaeldensi se daernaer Ende haerre** gesellen hondert mede Ende veertich houdende** tener stede; Doe die vier koninge zagen, die daer vloen, Datsi soccoers** daer vonden doen, 23915 Doe keerdensi hem ombe ende sagen, Datsi twe maer*' daer en iagen; Doe liepensi hem op sere nadas Ende onder enen eyke, daer dat scone was, Ontbeiden die twe daer alsoe; 23920 Daer wart die koninck Leodegan doe Daer neder gesteken ende sgn ors mede ; Alse Cleodales dit sach ter stede, Beette** hj neder ende halp hem daer Dat hj op sgn ors quam daernaer, 23925 Ende bat hem dat hi enwech rede, Hi sonde Yor hem bliven ter stede. Alse dit die koninck hoerde suchte hy **stoltelike went **lnden "•quemen »'nnde dat ••nicht "'dat dat '•andern ''to huswert '"zeget •»Cloulu8 •*erre ••holdende ••holpe •'meer; doch zie *t Eng. oftd taugh they ipere but twejfne ••heitte. 84 266 Ende hadde grote ontfermnesse daerbj, Ende beroawede' hem berde seresaen, 23930 Dat hi tegen hom hadde mesdaen, Ende zeide tot hemselven, seggic iu, Hi 8oade hem dese doget lonen nu; Die Sennen liepen hem op ter stede, Ende si weerden* hem sere mede 23935 Entie ejke halp hem wael daer ; [naer. Men konde hem van achter niet komen Ende al dese wile geviel* oec mede, Dat Gwinemar ende Sjnados bede Jageden seven Gigante aUoe; 23940 Daer quamen' op T^ftich Sennen doe Ende si volgeden hem doe so nare, Datei in die v^ftich gejaget waren Eer si dat iet wisten al bloet. Doe wart die strgt herde geroet, 23945 Want die twe waren herde koene; Ende niet lanc na desen* doene Qoam hem een ridder te haipe nn; Ende al dese wile, dat seggtc in, Dat dese* aldus daer nn streden, 23950 So jagede Antor daer ter steden Die Sennen, ende Keye ende Griflet Ende Lucam ende Amorasis met Ende Arogans ende Cladise Ende Abechin ende Blioberise 23955 Ende Galesconde ende Gkdegresante Ende Eeyadgn. Dese twaelf' seriante Jageden die Sennen in den foreest Ende sloegen'se doet alremeest, Ende jagedense so lange daer, 23960 Datsi qnamen in enen plaen daemaer, Daer si vonden den koninck Pantyne Met twecnhondert Sennen in scine; Ende also vro alsi die twaelve sagen Sgn si haestelic in hen geslagen 23965 Met groter cracht; doe d aarde daer Die strgt toter middernacht wel naer. Dus vochtensi nn te dier steden: Die koninck Leodegan ende Cleodales Tener* stat, ende Gwinemar [streden 23970 Ende Sjnados tener* ander **vorwaer; Entie *' van der tafelronden mede Die streden daer ter derder* * stede , [wet, Ende ter vierder* * die koninck Artur, dat Ende koninck Bohort ende koninck Ban [met. 23975 Ende dander waren alle ter stat waart Ende alsi daer quamen^ waren* " si ver- [vaert ; Ombedat die koninck Artor ende koninck [Ban Entie** koninck Bohort ende Leodegan In der stat na niet en waren , 23980 Meenden** si dat si doet sgn, twaren, Ende hadden des roawe herde groet ; Ende ombedit 8loegen*8i daer al bloet Haer** tenten Yor die stat alsoe In der* * prayerie , die daer stont doe. 23985 Ende in desen doene als** dit was, Was Merlgn oec gevolget nadas Met siner banier wei tiendnsent Seynen Ende brachtese gejaget in enen pleyne , In enen dale tnscen twe berge toe; 23990 Ende dese leide die koninck GalaAt doe , Die here van den lande dier* * syden was. Ende doe si quamen^, sgt seker das , Makede Merl^n een chantement, Ende dade daer komen een water omtrent , 23995 Dat herde groet ende stuer was daer, Datsi niet vorder en dorsten naer** Biden, ende so in angeste waren, Datsi weder wouden keren**, twaren. Doe sagensi enen nevel so groet 24000 Die hem so grote donkerheit doet, Datsi nergent en mochten riden; So moesten** si daer bliven ten ty den, Wantsi vorwaert no achterwaert mede En dorsten varen daer ter stede; 24005 Ende waerombe Merl^jn dit dede nu, Sal ie hier al vertellen in, Want in die merse** van Garmeliden Lach een herde goet lant tien** tydon In dene syde an des koninck Rioens lant. 24010 Entie** koninck daeraf hiet Amant, Ende op desen koninck hadde vordas Die koninck Uter-Pandragoen , doe hi levende was, Lange georloget** op dat lant, Ombedat s^n man die koninck Amant 24015 Niet werden en wonde; maer nochtan 1*, *berow; doob zie *t Eng. and rtpetUc ia Au hert6 **veerder '* weren *werden 'gevel ^qaemen 'deteen 'desse ^twelff ; **darnaer * 'kieren *8logen *to ener **andem **ande de ** derden | **orlogede he lange. **nienden **er *'de *•»! *»de **mo8ten **martse **ten 26? Orlogede hine so lange, dat hi wan Enen herde riken casteel daernaer 24060 Die Caroie hiet, wet yorwaer; Ëntien* casteel hadden te leene 24020 Driehondert ridders*, als in desen gemene Datsine elk* jaerlykes . twaren , Twe maent scnldech thondene waren, 24065 Welke tgt dat men wonde indeniaer; Entie heerscap daeraf dnerde^ aldaer 24025 Twinticli milen verre daeromtrint; Enten casteel gaf üter^Pandragoen sint Den koninck Banne ende sinen broeder 24070 * [mede, Bohorde , ende hem te bliyene ter stede Ende oec horen ervenden embermeer* ; 24080 Wantsi h<>m geholpen hadden seer In sinen orloge; ende daema than^r^^ 4^^075 Doe sine hadden in hore hant, Ghiyen* sine Owinebande daernaer, Horen broeder*, die doe was vorwaer, 24035 Die beste van nigromancien , dien* men [yant , 24080 Ende oec ten wapenen een yrome seriant ; Entie koninck Amant was droevech des , Dat s^n casteel yerloren es , Ende als hi sach, dattie* koninck Artur nu 24040 In Carmelide was , dat seggic ia , 24085 Entie Sennen in s^jn lant mede, [stede Doe dachte hi, sonde hi des embermeer Ochte^ • stonde yerkrygen, dat hi vorwaer Sinen casteel mochte winnen daernaer, 24045 Dit sonde nu met rechte wesen; 24090 Hi ontboet sine liede na desen, 9odat hi hadde sevendusent man, Ende yoer enwech so lange daeran, Dat hi quam varende in dat dal, 24050 Daer die tien' 'dnsent Sennen lagen' * al, 24095 Daer se Merlgn dade bliven also [vro Als gy yoerthoerdet'*,entes'^ moigens Was dat water enwech, ende twas Herde scoen weder; ende nadas 24055 Oeredensi hem ende reden van daer, Ende te hant gemoeten' 'si naer 24100 Den koninck Amante met sinen lieden' *; Doe meenden '*si in dien'* tyden, 'ande den ^ritters * eiker ^durde *ombermeer "geTBD *oren broder "deii «dat de '•offte *»tjn '•legen ''boerden **unde dea '*geinoten **luden '^menden '"den »»dat dat "•lude *'qaemen ""na- Dattet' * des koninck Leodegans liede^ * Die hem geyolget quamen^'nare* *, [waren Ende sloegen** in hem daer ter steden; Doe wart daer herde seer gestreden. Hier latic dese dus striden nu, Ende sal yan Artnr seggen in , [hoert* ^ Die den koninck Ban enten koninck Bo- Dat swaert togede,al8 gy hebbet gehoert* *, Dat hi nu gewonnen hadde daer, Datsi sere pryseden yorwaer. Doe reden si daer onder hem drien** Te Deneblasewaert ; mettien** So hoerden si grote slage daer Eer si iet yerre reden yorwaer, Ende twas donker daer si reden In den bosc, ende doe ter steden So en sceen die mane niet doe; Daer ai die slage hoerden alsoe, Derwaert redensi dapperlike naer, Daer vondensi Synados ende Gwinemaer, Maer den derden kenden** si meer no min. Doe si dit sagen** sloegen si in, Ende dodent** al dat voer hem quam; Daer proeyede Artur, als ictyemam**, Makninadorse , dat goede swaert**, Want eer die strgt geïndet waert**, Sloech hi daermede doet tien Gigante. Doe die Sennen, die quade*' seriante. Hem sagen sulc wonder maken daer, Gingensi ylien alle daernaer. Doe yolgedensi hem daema ten steden, Maer si en sgn niet verre gereden. Si en hoerden echt g^clanck daeran Met swaerden; doe zeide die koninck Ban: »My dnnket, dat wy ons sullen nu Al die nacht meyen, seggic in, In desen bosce** met strydene mede'\ »By Gode, dat es my lief', zeide ter stede Die koninck Artur, >so sal ie daeran Mgn swaert te rechte proeven** dan". »Hoe* ^, en hebdy ** dat noch niet geproe- [vet**r »Neen ie, here'*, zeidi, »also alst* * behoe- Want der Sennen was te luttel goet[yet* *, Ende gy ende dander sloegense doet. ren **8logen **Boboii, gebort **dren, mytden **kanden **8egen **doden£t * •ik vornam * "sweert, irart *^qnaden ** dessen buscbe **proven **wo **beb- be fff **nicht geprovet. bebovet *'al8 dat. 268 Sodat iet' Da min en wille doe Niet en konde geproeven daer al8oe*\ 24105 Doe loechen'si sere ombe sine woert; Dus quamensi gereden voert Ende vonden die twaelf ridder' vechtende Tegen hondert Sennen, seggic ia; [nu Daer sloegensi in ende vochten alsoe, 24110 Datsise alle doet sloegen doe Tote veertiene^. die hem ontvloen alsoe. Daer proevede Artar sgn swaert doe So wael*, dat hi zeide ter stat Dat Calibamus iegen dat 24115 Ene bone niet waert en ware*; Dub voerensi in goeden hogen daemare Ende blyde, ombedatsi daer ter stede Die twaelve bescnt' hadden mede. Doe quam daerop Merlfjn ridende nu, 24120 Die sere nu riep, dat seggic iu, Opten* koninck Artur, ende seide: »heer, Nu haestet in een luttel meer, Nu vaert ende bescuddet den koninck [Leodegan , Die nu vechtet tegen hondert man 24125 Ende oec twintich, hi ende Gleodales, Ende si sgn* beide te' * voet, s^t seker des. Want haer orse sgn'' gesteken doet Onder hem; nu volget my bloet*\ Ende si volgeden hem, ende aldaer 24130 Vloech den drake uten'* monde vorwacr Groete vlamme van viere" nu, Daer si mede bj sagen, seggic iu. Doe reden die een ende twintich gesellen Datsi qnamen toten ejke toe, [alsoe 24135 Daer si sagen Gleodales ende Leodegan, Die den eyke vaste stonden an, Ombedatse nieman' ^ van achter en sonde' * Mogen bestriden met gewonde, Ende wat hem toe quam van voren 24140 Moeste'* daer die" doet bekoren. Doe Merlyn sach genen stqjt Ende sine gesellen, des seker syt, Doe sloegensi in, ende daemaer Wrachtensi dat meeste wonder daer, 24145 Dat ieman (oit) sach met ogen , Daer en konde nieman'* vorhem gedogen; *ik dat ^lachgeden "twelff ritter *veertcyne 'wtl •were ^bescud 'op den *Bm ^•to **8iiit **at den »*vure **neman '*ne solde '•moste *'deii **neinan ^•8e dat *"der **to onder '*ande deandem **on- suet ^^begonde **er **qaemen, vernemen ''was daer Moer in dat leste hadden sgt' * haest ge- [noech. Want die Gigante daden hem ongevoech. Dier** daer was wel sestich onder. 24150 Doe Merlgn sach die sine tonder*'. Reet hi besjden in den foreest aldaer Ende beide een luttel daemaer; Doe quam hi weder ende brachte doe Dertich ridder van der tafelronden daartoe, 24155 Die groten moert wrachten nu. Daer stredensi so lange, seggic ia, Datsi den koninck Leodegan ter stede Daer bescudden ende Gleodales mede, Ende sloegen die rese ende dander* * doet, 24160 Datter hem maer sevene ontstoet*'. Doe leidese Merlgn uten bosce daer, Ende doe si daer wtquamen, wet vorwaer, Began * * dat te dagene ; doe reden si saan Daer si haer** tenten sagen staen; 24165 Ende doe si in haer** tenten qnamen** Ende haor** liede dat vernamen**. Wasser** grote feeste ter stede; Daema gingensi hem rasten** mede Ende sliepen een luttel nadat; 24170 Ende na den slape waren ter stat Die tafelen gereet ende men ginc eten, Ende na den etene, gy sult weten, So dade die koninck Leodegan Al dat goet vor hem brengen dan, 24175 Dat in den stryde gewonnen was. Dat deelde men daer doe , sgt seker das, Den** koninck Artur enten** koninck Bo- Enten* * koninck Ban also voert* * ,[hoert * ' By Merlgns rade, dat hemselven daer 24180 Een penninck niet en bleef vorwaer. Doe dat goet also gedeelt was, Dade die koninck te wetene na das In dat koninckryke overal, Den jongen batselieren, groet ende smal, 24185 Waer** daer ieman die wille winnen daer Ende met hem woude varen daemaer. Ei soudene rike maken. God weet; Ie segg^ iu, dat niet lange en leet, Hi en hadde daer wel xx* batseleer , 24190 Ende hi hadder oec gehat wel meer, **re8ten *Me '•onde de »*Bohort "«In 't Kig. daarentegen: and Arthur it departed 6e tAe eornnieiU of Merlyn , that the kynge Leodegan vould mot medle therin ''weer. 26d Hadde hi gewilt; maer neen, hy; Hi en wonde niet dattet lant ydel bj Ende ong^mannet oec mede. Ende na desen doene^ reet enwech gerede 24195 Die koninck Bohort ten* castelewaert' Van Garoie, met snelre vaert*, Ombe dien^ bescnddene nn daemaer Tegen den koninck Amante vorwaer; Want Merl^n dade hem ventaen, 24200 Als ie in hier vor zeide saen, Datten die koninck Amant wonde winnen; Dns voer hi enwech hierenbinnen , Ende nam met hem v^fdnsent man Wael te hamap, ende reet dan* 24205 Met sinen lieden*, datsi qnamen, Daer* si den casteel van Garoie vernamen, Daer si wael inne waren ontfaen. Nn sal ie iu aventure doen verstaen Van den koninck Gala&t, ende oec mede 24210 Van den koninck Amante ter stede. Van den koninck Amante , ende van den koninck Bohorte, ende van Gtoinebandey sinen broeder*. Dayentnre segget ter stat, Dat groet die strgt was nadat, Daer Amant vergaderde na desen An den koninck Gala&t metten resen , 24215 Dier tien'dnsent was, wael opgeseten, Tegen sevendusent, suldy^* weten. Daer wart een vreeslyo** strytgedaen; Maer in dat inde'*, wetet, sonderwaen, So wart die koninck Amant gesconfiert, 24220 Ende eer die strgt was gefiniert So bleef daerbinnen van Giganten dan Vgfdnsent doet, ende voertan Van des koninck Amantes lieden daemaer Bleef er driednsent doet vorwaer. 24225 Ende doe die koninck Amant gesconfiert Was hi droevech ende reetnadas [was, So verre dat hi in enen bosce qnam, Daer hi des nachtes sine herberge nam, Entes^' moigens qnam hem niemaer*^ 24230 Dat die koninck Bohort gevangen waer* * * laden * *ende 'done *to den 'wart ^den to *Tan dan 'dat 'brodep 'der tifn **Eole gy **vre8lyck ^'imdedes * ^niemeer, weer »*heim. **8peer '*weent ••■olewy '*mytdeen *<^dnchte "^mede **Artup, ur Toten casteel van Garoie; doe seidehy Tot sinen hemeliken'* rade, dat hy Enen spie** hemelike'* senden soude , Ende gaen liggen selve met gewonde 24235 So hi den castele naest kan, >Encie als si wt wanen*' trecken dan Sallewy'* op hem komen onversien, Ende op hem stryden mettien**"; Dese raet doch te** hem allen goet. 24240 Binnen desen doene*, des sgt vroet, Dat dit gesciede, nam orlof saen Die koninck Artur, sonder waen, Ende oec met** die koninck Ban An den koninck Leodegan; 24245 Doe vragede hi den koninck Artner**: >Here", zeide hy, »te welker ner** Ende te welker t|jt, segget** my nu, Sal mgn dochter gekroent syn van iu ?" Doe zeide Merl^jn, dat hi moet varen 24250 In dat konincrike van Bonewyc, twaren, Eer hi sine dochter nemen soude* ^. Doe zeide hi hem daer also honde** Bedene, waerombe dat waer** nu, Maer dat was in hemeliken rade, seggic iu. 24255 Doe dit Leodegan** hevet verstaen Doe bat hi den koninck Artur saen. Dat hi wederquame*' so hy ierst kan. Merlgn seide doe weder daeran: »Men darf daerombe niet bidden nu, 24260 Hi sal dat gerne doen, seggic iu". Daema nam orlof die koninck Artner** An Jenovren, diene ter uer** Guste an sinen mont soetelike** Ende bat hem herde vriendelike**, 24265 Dat hi scire wederqname daer, >Wantnembermere",' zeide si, > vorwaer En** ben ie blyde, gyne zjjt komen". Aldus hevet hi orlof genomen, Ende an al die van den hove daer 24270 Nam hi orlof, ende daemaer Dade** oec datselve die koninck Ban; Ende doe namen** si enen bode daeran, Ende senden te** koninck Bohorte nu Toten castele van Garoie, seggic in, 24275 Ende ontbodene**, dathite** Bredegan **zecget **8olde, holden **weep ■*koninch L, *'queme ■•sot, vrend. **So ne ■•dede, nemen •*to * "ontboet em. 270 Tot hem quame', ende sine man; Si zonden egns onthelden daer. Entie' hode reet enwech daernaer, Ende hi voer met sinen twintichdnsent man 24280 Die hi hadde onthouden' voertan, Ende z^n opten wech komen nu; Entie* hode, daer ie afzeide iu Eb toten koninck Bohort komen mede , Ende zeide hem sine hoetscap^ ter stede. 24285 Doe die koninck Bohort die hoetscap^ ver- Trac hi te hant daer metter* spoet, [stoot Ende Gwinehant, syn hroeder', reet Met hem wtwaert. God weet; Doe Toerensi so lange datsi quamen 24290 In dat sorgelike foreest te samen, Dat sint oec geheten* was Dat wout souden keren , z^t seker das, Als iu dit hoec sal seggen hiemaer. Doe die koninck Bohort, wet vorwaer, 24295 Ende Gwinehant , s^n hroeder, quamen In den foreest, haddensi daer te samen Also luttel met hem alse Teertich man, Ende si reden in den foreest voertan, Sodat si enen wech daer vonden 24300 Ende ene wonderlike aventure,ten stonden , In ener sconer* stede, die daer stoet; Want si vonden, des z^t vroet, Den scoensten, dien si ie zagen Van riddren'ende vrouwen in horen dagen; 24305 Ende handersyde vondensi sittende mede In enen setel, daer ter stede. Die scoenste ioncfrou die mochte wesen ; Niet** verre van haer** sat na desen Een ridder wel van hondert iaren 24310 Die den dans dade hewaren; Doe die koninck Bohort sach die ioncfrou Beete hy ende s^n hroeder daemaer, [daer Ende doeae die joncfrouwe komen sach, Stont si op 80 ai ierst mach, 24315 Entie* koninck groetese daer nu Ende si dankede hem des weder, seggic iu. Ende si gingen daer sitten in dat groene Ende hesagen** den dans nadas; [gras Ende Gwinehant hesach die ioncfrou daei , 24320 Die hem so wel heviel*' daemaer, Dat hi s^ns selves al nu vergat 'queme ^unde de 'ontholden ^bodescap *inyt der •brodcr ^gehieten 'sconen •rittem XS besegen * •bevel ^^gedanken **wecr **iiicbt »*cr «•off * 'solde Van groten gedochte* \ daer hi inne sat. Doe zeide die ioncfrou, daer si toehoren : »Tener goeder tgt waer** hi geboren 24325 Die altoes sulke feeste, als dit es, Mochte hebben ocht** gelyke des, Also lange als hi leven zoude* **\ Gwinehant zeide, also houde**: » Joncfrouwe, wildy, dese feeste mede 24330 Suldy** altoes hebben ter stede". »Daeran'\ zeidesi, »en salt hliven niet, Ie en salt wael willen wat des gesciet ; Nu secht my alse hoe' •?" — »Ic zegget iu : Woudy** myne vriendinne** wesen nu, 24335 Dat in dier manieren* 'alle die hier quamen Souden hliven dansende te samen Toter" tyt dat een ridder daer Comen sonde, die vor no naer'* Yalsceit tegen minne en dede, 24340 Ende oec moeste hi die beste sgn mede, Die by synen tyden soude wesen*\ Doe zeide die ioncfrou te desen, Dat syt geme sonde doen alsoe Indien dat hi den dans makede doe. 24345 Gwinehant zeide: »des ben ie gereet"; »Ende ie oec'*, zeidesi, »Gk)d weet". Doe ontfinc Gwinehant die maget, Die haer selve" daer op draget; Doe zeide die oude ridder ter stede 24350 Hi wonder'* sinen setel toe geven mede , Daer die getrouwe' ' ridder op sitten soude; >Ende ie g^ve daertoe myne krone van [goude", Zeide die koninck Bohort, >te deser joie Die ie nu brenge van Caroie, 24355 Dat die ridder mede gekronet sal R^n daer Brake" die dans by hem vorwaer". Ende Gwinehant makede den dans nu. Dat hi niet en cesseerde, zeggic iu, Toter tgt dat sonde'* komen mede 24360 Een ridder, die nie tegen minne en dede, Sonder also lange als si aten** dan; Ende na den eten gingensi weder an. Doe hi dat gemaket hadde, bat hem daer Die joncfrouwe , dat hi makede daemaer 24365 Een ander spel ombe horen wille doe, »Dat nembermeer en breke daertoe holde *'ïole gy '•wo ""woldegy '*vrendimie ""in den m. dat *'tote der '^ne damaer "er selveti '•wolde daer "getruwe "breke * •tolde "•eten. 271 Daer al die werelt af spreke bloei Van groten wonder na myner doet". Doe makedi^ haer een scaecspel boude* 24370 Daer dat ene deel af was van goude* Ende tander van yvoren bene claer. Doe hi dat beide gemaket hadde daer, Bert' ende spel, sodat daermede legelic^ mochte spelen ter stede, 24375 Dade hi sine nigromancie daertoe, Dat alle diegene, die daer alsoe Tegen gingen sitten, ombe spelen, Welke tgt datsi trecken selen' Es dat Oude of Rock of Vinde , 24380 Dat daer een tegenkome met geninde Van denselven dathi trecket daer, Ende hi nembermeer vorwaer So wael en spele, hi en werde mat, Hoe dicke dat hi spele ter stat, 24385 Ende tspel mach nembermeer gemat wesei Tote des maels, dat daer* komet te desen Die beste ridder^, die in der werelt es, Ende oec moet hi syn, sgt seker des, Coninges kint ende koninginnen mede, 24390 Die hem verweren aal ter stede. Aldus makede daer Gwinebant Dat scaecspel enten* dans te bant. Daema dede hi menech scone spel Ende leerde der joncfrouwen so wel*, 24395 Datsi menege dinck dede nadaa , Sint dat Gwinebant doet was, Ende si dede sint keren ten** casteel, Entie danse te Menragueel Maken** in der stat sonder name**; 24400 Dit brachte toe die joncfrou bequame Als gy hierna wel sult verstaen. Ende Gwinebant nam die joncfrou saen, Entie koninck Bohort es van daer gesceden; Ende dit hadde algader doen beleden 24405 Die koninck Amant , ende wiste wael das 6y enen spie**, dat hi gesceden was Van den casteel van Caroie nu, Ende nam sine vyfhondert man, seggic iu, Die hem bleven waren *^ in den strgt; 24410 Daermede lach hi hemelike ter tgt In dat wtvaren van den foreeate daer. Daer die kouinck Bohort riden soude naer, Daer dede hi aine tenten slaen; Entie koninck Bohort reet enwech saen 24415 Doe die danse gemaket was, Pie alsulc was, als ie dat las. Dat alle die ridders die daema quamen, Alle bleven dansende te samen. Totedat Lancelot qnam van den Lac 24420 Die daema den dans tebrac Ende tscaecspel wan, ende sende dat Der koninginnen Jenovren ter stat. Ende ombedat al die daer quamen toe , In dat foreest bleven dansende alsoe, 24425 So biet men dat sint, weet vorwaer, Den wout sonder keren daemaer. Düs ea dose dinc nu gesciet, Entie koninck Bohort en lette niet Hi en reet enwech al sinen pas, 24430 Ende quam gereden te hant nadas Op des koninck Amantes tenten vorwaer. Doe vragede die koninck Bohort daemaer Wies** die tenten waren te hant? Men seide hem doe: «deskoniuges Amant'*. 24435 Doe dit Bohort sach, doe dade hi saen Sine liede** tehant wapenen gaen , Ende trac* ^besyden ende ontboet daemaer Den koninck Amante, dat hi quame* *daer. Want hine geme spreken soude. 24440 Die koninck Amant quam alsohoude** Tot hem ende groetene daer, Ende doe zeide hi tot hem daemaer: »Here, gy doet groet onrecht my • Ende ie mach iu seggen waerby: 24445 Gy onthout** my mynen casteel, Ende** ontervet my algeheel, Daerby biddic iu, dat gyne my Weder wilt geven; ie sal daerby Iu goede vrient** sgn vorwaert meer". 24450 Bohort zeide doe : »heer** koninck, heer, Ie en hebbe iu den casteel genomen niet, Maer dat namen* ^ iu, ocht* * gy dat gebiet. Diegene, daer gyne af hieldet doen**. Dat was die koninck Üter-Pandragoen, 24455 Dies*^ man dat gy te rechte met Soudet** hebben geweset, dat wet. 'makede he *bolde, solde 'bret ^jegel\jch *zoIen **lude *^treckede ^*queme * 'solde, holde ^'ontholt •dat *ritter *iinde den 'vel * 'kieren deii '* makede i ■*dc ■■vrent *'1Sag. and ike Karoks that Merangifê fonde ajtw ' * 'solden. üt th4 aUee of NameUs * 'spiere ** weren **we8 i "her '^nemen "off *'doe "des 272 Maer gy waert' so overmoedich vortan, Dat gy niet (en) werden woudet' sgn man; Des nam hi iu den caateel daerby, 24460 Ende doe hine iu nam gaf hine my, Want ie hem lange hadde gedient Ende waa mede syn goede vrient*; Ende noch wil hy scone vordel doen^ iu : Es dat gy wilt varen met my nu 24465 Toten koninck Artur te Bredegan , Ende werden g^tronwelike* sgn man, Ie sal iu den caateel geven thant'*. Doe sprac te hant die koninck Amant, Dat hi nembermeer (en) worde Arturs man 24470 Ende hi en dadet ombe geen goet daeran. Doe zeide die koninck Bohort saen: sEn wildy* des niet doen , sonder waen, So es iu die casteel ongereet'\ Doe zeide die koninck Amant, God weet : 24475 »Here*', zeidi', »gyne hebbet hier met iu Niet vele liede' gebracht nu, Ende ie en hebber oec niet vele, Nochtan hebbic er meer te dele, Ende es dat wy vechten tesen* tyden 24480 Hier sal gescien"' in beiden syden Groet scade, dat wetic wel. Want gy sult sjjn te verdrivene fel, Oec sellewy * * ons node verdrivene laten, Maer, woudy * *, wy zoudent anders saten: 24485 Gy zgt hier vor den koninck Artuer** Ende ie vor my selven ter uer**, Nu laet ons vechten man tegen man Tehant, ende bekortent dan Op die vorwaerde: verwyndy** my 24490 Dat die casteel sjj qugt ende vry, Ende so willic met iu varen dan Toten koninck Artur, te Bredegan, Ende werden sjjn man van sinen goede , al Dat ie hebbe, groet ende smal; 24495 Ende verwinne ie iu, so gevet my Mynen casteel weder quyt ende vry Sonder enech calengieren daeran". »Ja, ende ocht ^^evallet dan'\ Zeide die koninck Bohort ter stede, 24500 »Dat onser enech doet blivet mede, Hoe** salt dan syn daerbyV" 'wcret "wolden *vrcnt *don ^getruwelike 'wille gy 'segede he 'lude '10 desen '•gescheen **8olewy **wolde gy ** Artur, ur **bek. dat **verwyime gy '•wo ^^truwen '•slien * •zolen **blyvc gy »*an- >By trouwen' ^, ie segget iu**, zeide hi , >£8 dat gy my hier slaet** doet, So sullen* " mine liede , cleen ende groet, 24505 Met iu varen alle gader dan Ende werden des koninck Arturs man ; Ende biyfdy** doet hier ter stat, So blivet mgn die casteel nadat, Ende iu liede sullen dan enwech varen 24510 Qugt ende vry, sonder sparen, Ende willensi oec werden mine man, Ie sal hem mynes goedes geven dan*\ Doe sekerdensi by trouwen* *, na datgene, Dene den ander** dat te done; 24515 Doe quam daertoe Ul^n ende Bretel Ende alle die ander* * gesellen also wel, Ende zeiden : »Here, wat wfldy** doen ter Wildy** vechten enen wych mede [stede? Tegen koninck Amante, den barone! 24520 Des en suldy** nu niet doen, Maer*^ laet ons alle vechten met iu, Hine mach tegen ons niet duren nu, Ontsiedy** iu ombedat wy in scyne So luttel liede** sgn iegen die syne, 24525 Wy willen dat gy ons nember vor goet En hout*', en slawy se niet al doet, Ocht** wy sullen eer doet bliven Eer wyse ons laten verdriven; Ende latewy iu vechten man tegen man, 24530 Dat sal ons grote scande sgn daD^\ »Swiget!'' zeide hi, die koninck Bohoert**, »Ende en spreket des nu nember woert. Sint dat iet'* hem hebbe gelovet nu, Ie en ga hem des niet af, seggic iu, 24535 Want ie en krege nember eer". Doe en spraken** si hem niet meer; Enten** koninck Amante oec bandersyden Spraken* • sine liede* * an tien tyden**, Ginganbrysiel ende zgn heer Brandelga, 24540 Si zeiden : »Heer koninck, waerdy** wgs, Gy en worpet iu niet in dese neet, In aventuren van der doet, Want gy hebbet hier liede'* genoech Mede te vechtene na iu gevoech'\ 24545 > Also helpe my God !** zeide die koninck, »Ic en lietet niet achter omb negeen** tdinck". dcrn *» wille gy **zole gy **mcr **ont8ee gy «•Inde »'holt **off * «bohort **ik dat *>8pt«kai **imde den **lude **ten tyde **wecr gy **gMB[L 273 vBy myncr trouwen", zeide Gwinebant, »Mes?alt^ dat iu, heer koninck, te hant, Dat God verbieden moete* daeran, 24550 Ie en werde nember koninck Arturs man'\ Doe die koninck Bohort boerde die dinge, Doe sende hy derwaert* haestelinge Gryflette ende Gwinrecke mede: tVaert", zeide bi, tAmante ter stede 24555 Ende secht hem, eest* dat ie blive boven, Ie wil hem dat wel geloven , Dat iese quijt aal scelden dan , Die niet en* wil werden des koninges man; Ënde dat hi hier niet ombe dinge sint 24560 Tegen sine liede* noch boude parlement". Doe voeren diegene toten koninck, Ende zeiden hem aldus dese dinck; Dit prijsde die koninck Amant serc. Doe keerdensi weder tboren' here 24565 Die bereet hilt in den plane aldaer; Entie koninck Amant was oec vorwaer Bereet ende quam derwaert gereden. Doe ontseide elc andren daer ter steden Ende lieten die orse lopen daer, 24570 Ende onderstaken* hem daernaer Dat haer* speer braken* bede, Ënde si reden so na ter stede, Datsi hem metten lichame daer Onderhorten*® so vreeslyc** vorwaer, 24575 Dat hem die ogen dochte vergaen; Entie koninck Amant viel doe saen Wt sinen sadel ter aerden neder nu, Ende lach in ommacht, secgic iu, Maer die koninck Bohort bleef sittende 24580 Want hi een sterc ridder was; [nadas, Ende doe hi sach dat hi dus lach, Beette hi so hi iersten** mach, Ende gaf sgn paert thoudene*' daer Enen knape ende ginck daernaer 24585 Daer die koninck Amant lach alsoe**. Die noch niet verkomen was doe**; Daer trac* * hi s^jn swaert, dat scone was, Daer hi mede sloech sint nadas Menegen slach; doe sette hy daer 24590 Dat swaert op sine borst daernaer, Ende zeide : >heer koninck, staet op nu, ^mesfalt *mote 'derwart *ist •nicht •lude 'to oren ■steken, breken 'or ' "hurten * * vreslijch * 'ersten * 'to holdcnde **also, do *'treckedc **dat geet * 'solde, gcwolde * "op den **vorwcrt *®mar ** bohort ** wille Gy slapet te lange , secgic iu , Ende tgaet*' ten avendewaert seer Ende ie hebbe anders te doene noch meer 24595 Ende gyne doet gene hovescede , Dat gy my so lange doet beiden mede". Ende onlanges daema so verquam doe Die koninck Amant , die hoerde al toe Des koninck Bohortes woerde nu , 24600 Ende prjsdene sere, secgic iu, Dat hine daer spaerde sonder slacn Ende dat hi hovescer waer, sonder waen. Tegen hem dan hi soude*' Hebben geweset met gewoude*', 24605 Hadde hi siner weldich gesijn alsoe. Hi spranc op dapperlike doe, Ende scaemde hem ende trac* * sijn swaert, Ende quam ten koninck Bohortewaert ; Hi sette den scilt vor z^n hovet, '24610 Ende sloech den koninck, des gelovet, Opten*' scilt, dat hine ter stede Clovede toten bokele mede; Maer Bohort galt hem den slach genoech, Want hi den helm van den hovede hem 24615 Ende sulc gat hadde mede daer, [sloech Dat hi des nembermeer m och te daernaer Orboren vorwaert**, des gelovet; Doe deckede die koninck Amant sjjn hovet Alse die den slach ontsach daer, 24620 Want hi en hadde opten hovede maer*" Ene coyfie; ende als die koninck Bohoert* * Den koninck Amant dus sach gevoert, Dat hi sinen helm hadde verloren, Doe leide hi hem dit te voren : 24625 »Ëeer koninck , wildy** vrede maken nu? Gy siet wel hoe** dat staet met in; Yaert met nu ende doet manscap daernaer* Den koninck Artur ; wantet waer* * [leet". Scade , sloege ie iu doet ; oec waert* * my 24630 »Meendy* • my dus doet hebben gereet?" Zeide die koninck Amant, »ombdat ie nu Negenen*' helm en hebbe, ie seg iu, Dat ie iu hier defiere** ter stede. Mettien** liep hi hem op mede 24635 Ende meendene'* slaen opten hovet daer; Maer die koninck Bohort droech daernaer gy "'wo **w&nt dat weer * •weert **menegy * 'ge- nen ■■deflere; doch zie 't Eng. / the diffye **mit den *®mende ene. 35 274 Den scilt tegen den Klach alnoe, Daar hi op 8loech, dat hine doe Niet en quetaede ; entie koninck Boboert 24640 Brachte doe enen slach voert Ocht* hine slaen wonde an die been, Dit docbte* hem daer dat so sceen, Ende nam den scilt ende droechen daertege • Maerdie koninck Bohort hevetengeslegen * 24645 Op dat hovet ende clovedem dat doe Van boven toten scouderen toe , Ende hi viel neder ter aerden doet. Ende als dit Ginganbrisel verstoet Ende Brandelys ende Giromelant, 24650 Dat doet was die koninck Amant, Zeidensi, si en worden nember vortan Des koninck ArturH vrient* no sine man, Nochte nieman , die hem bestoet , So en dadensi nembenneer goet. 24655 Ende dit was diesol ve Giromelant, Daer men in Gawino af bescreven vant, Ende Ginganbrisel oec mede, Daer hi enen camp sint tegen dedc. Dese drie voeren* aldus van daer 24660 Met hem drie*hondert , wet vorwaer, Ende twehondert bleven daer oec mede. Die zeiden datsi nu t<)r stede Metten koninck Bohorte varen daer Ende geme wouden' werden daemaer 24665 Des koninck Arturs man, wantsi* Negenen* beteren here begerden dan hi". Doe riep die koninck Bohort tot heme Alle sine gesellen, als ie verneme, Ende zeide , dat hi daer geme ter stede 24670 Een gasthues dede maken mede, Daer men embermeer messe dede daeruaer Vor koninck Amantes siele vorwaer , Ende ombe sine victorie mede Die hem daer God gaf ter stede. 24675 Daer was een clerc, die den koninck Amant Gedient hadde, ende des'* men te hant So ordinierde , dat die koninck Bohoert Met hem dese provende voert, Ende gafse hem ende sovele daermede, 24680 Dat hi des wael gedede ter stede. Ende doe die koninck Bohort hadde daer Den koninck Amant doen graven naer, Ende dat gasthues gemaket mede *off ^dachtc 'geslagen *vreüt *voren 'dre 'wol- den •se, hc *genen **da8 **wert **broder **lude Voer hi te Bredeganwacrt**, ter stede; 24685 Daer vant hi den koninck Artur voertan Ende sinen broeder'*, den koninck Ban; Ende doe hi quam vor den koninck Artare Zeide hi hem sine aventnre Al te male, dat secgic in; 24690 Hi zeide (hem): »ic brenge hier nu Des koninck Amantes liede*' met mj Op myn geleide, ie zecge in wi**: Ombedatsi iu man willen werden mede Ende haer goet houden van in ter stede*'. 24695 Doe hietse die koninck Artur na desen Herde lieflyke** wellekomme wesen, Ende zeide, hi woude" hem al etïr Ende al goet doen voertmeer. Doe dadensi hem manscap daer; 24700 Doe vragede hi den ridders" daemaer. Wat manne was die koninck Amant; Doe weendensi, ende zeiden thant Algader, hoet** waer** met horen heer, Ende zeiden hem also min no meer 24705 Aho al» hem es ge«ciet. Doe die koLinck Artur dit hoert ende siet, Entie*" koninck Ban, waren* 'si des blide Dut den koninckBohortgeviel**al8oe.[doe, Doe qiiam Merljjn voert gegaen 24710 Toten koninck Bohort , ende zeide saen : » lieer koninck, gy en secget ons niet vele Van der brulocht ende van den spele, Die iu broeder* * hevet gehat ende gy". Doe zeide Artur, die koninck vry: 24715 »Mer)gn, nu doet ons verstaen Van der brulocht, hoe si es vergaen". Doe zeide hem Merlgn van den dan se daer Ende van den scaecspele daernaer. Dat Gwinebant makede ter stede 24720 Dor sgns lieves wille, dor haer** bede. Doe vragede hem die koninck Ban,ocht hy Iet wiste wie dio ridder sy, Die den dans stille soude** doen staen. Merlyn zeide doe , sonder waen , 24725 Dat hi noch niet geboren weer, »En roket iu niet te vragene mecr'\ Doe die liede wisten , dat die koninck Bohoert»* Den koninck Amant doet hadde. voert Zeidonsi doe ende prysdene seer, **wie 'Meeflykc ••wolde "rittcrs •■wo dal **weer *»ondc de »*werea ««gevel ««er «•»olde ««bohort. 275 24730 Dat hi enile sijn broeder grote eer Hadden beiaget, endeen waren' si daq, Die koninck Artur waer*eon verloren man Dus dageden die twe daer; Doe Bende' die koninck Artur daemaer, 24735 By Merlijns rade, dat secgic iu, Daer die acat* gelegen was nu, Daer ie iu hier te voren af zeide Seshondert wercliede*, sonder beiden*, Met Merlyne, daer die scat was; 24740 Daer dadise^ graven den scat so groet, Dat nieman (en) sach des genoet, Daerna loet men den groten scat Ende voerdene te Logres in die st^t, Daer Gawjn ende sine gesellen, secgic in, 24745 Den koninck Arturs ontbeiden nii. Ende doe die scat enwech was, Dadese' Merlgn graven nadas Onder enen eyke berde diepe doe; Daer vondensi een vat van leder alsoe, 24750 Daerin vondensi xij die scoenste swaert* Entie beste**, die meer waren waert Dan men ienige vant tien** tyden; Doe was die koninck Artur blyde Van den scatte ende van den swaerden* * 24755 Orobedatsi scenen van groter waerden**. Des lach hi met sinen lieden daor Met groter blyscap, wet vorwaer, Ende hadden vroude ende groet spel, Ombedat bem vergaen was so wel 24760 Haer aventure te meneger stede. Oec inde** ie dit boec hiermede Want ie iu voert een ander sal tellen Van Gawyne ende sinen gesellen, Die ridder sullen werden nu, 24765 Daer ie af vele sal seggen iu Eer dat boec ten inde*' sal komen; Want nie en hoerde men van so vromen Ridderen , alse si alle weren ; Nu moetese God in dogeden meren. Dit boec secht ons^ hoe Gatcyn ende sifie gesel' len ridder tcorden, ende hoe die koninck Claudas tcart verdreven. 24770 Ie beginne in Godes name * weren "weer 'zegede *8cad •werclade 'beide 'dede be ze *do dede *ze de acoensten zweert; doch zie *t Eng. Ttj th€ bette neer de* *® besten **tcn ** zweer- ' Van enen ridder, die wel bequamO Menegen es die daerat' hoert , Dat es Giiwyn , hoe hi quam voert Dat hi ridders** name ontfinck. 24775 Ende met hem menech iongelinck , Daer sint af gesciede mede Menege aventure te meneger utede. Die koninck Artur lach tesen tyden** Te Bredegan met sinen lieden*' blyde, 24780 Ende woude** te Logres varen nu, Daer Gawyn lach, secgic iu, Met sinen gesellen in der** poert. Die dat sciere hadden verboert, Dattie** koninck Artur ende sjjn gesinde 24785 Derwaert** quame** met geninde; Des warensi alle herde blide Ende saten** op haer paerde tien** tyden Ende reden tegen hem daemaer. Ende doe si by den koninck quamen daer, 24790 Doe nam Merlyn die drie** koninge besy- Ende dadese beten te dien tyden [den Onder enen sconen boem mede, Ombedathi woude, datsi** ter stede Der kinder ontbeiden* ', ende daden daer- 24795 Alle dander** vorwaert varen [nare Die thant** die kinder ontmoeten** daer; Doe vrageden die kinder hem daemaer Ombe den koninck Artur, sonder waen, Doe wysdensi hem den boem saen 24800 Daer hi onder geheet weer; Doe voerensi alle derwaert meer Ende Gawyn reet vor, want sine daer Alle vor horen meester vorwaer Ende vor horen here hielden mede, 24805 Waer si voeren** in eiker stede; Ende si hadden alle recht daeran. Want hi was die beste geleertste man Die ie was entie'* hovescste ter stede Entie** wiseste van der werlt mede, 21810 Ende dit was hem angoboren al Ende van naturen , groet ende smal ; Dus redensi so verre alsoe Datsi ten bome quamen toe, Daer die drie koninge saten*' onder. 24815 Doe heetten*' die kinder alle bysonder. den. weerden **ende **ritter8 * *to desen tyde ''In- den **wolde **de *"dat de *Merwart '^qaeme **8ctcn **to den "'dre ""he "'ontbeide **deandem * *den to hant * *onlmoten ' ' voren * * unde de ' 'beten, 276 Ende doe die ridders' sagen van dertafel- [ronde Die kinder so edelike komen ter stonde Ende so wel te gerake en de gecleet, Doe stonden si jegen hem op gereet, 24820 Want in haren gelate dochte hem daemare Datsi van hogen geslachte waren. Daer bat Gawyn die heren daemaer, Datsi hem w^sden Artur duer; Doe zeide Nasciens, die hovesc was: 24825 »Siet*f hi sit ginder in dat gras Ende es die ioncste van den drien'**; Ende Gawyn dankede hem van dien^, ' Ende ginc tot hem ende knielde daer Ende alle sine gesellen daernaer, 24830 Ende groetten* die koninge hovesclike Ei ende sine gesellen algelike. [iu, Doe zeide Gawyn: » here, ie ben komen tot Ende myne broeder ende myne neven nu, Alse tot onsen gerechten here, mede; 24835 Wy hebben gehoert solke dogelichede Van iu zeegen, dat wy daemare* Ombe wapene tontfane sgn komen hare*, Ende dat gy ons ridder salt maken; Wy sullen iu voert in allen saken 24840 Dienen alse wy sculdech sijn daerby. Opdat iu onse dienst* genoechlic sy; Ende oec sgn hier sulke, die iu, here, Gedient* hebben wel ende sere Sint dat gy waret* uten lande [viande ; 24845 G^lyc ochtet*® hadden geweest** haer Enten** goeden, ik wil oec ggt wet, Sal men verwiten die doget met**, Die men doer hem hevet gedaen. Enten** quaden helen, sonder waen, 24850 Want hi en roket des te lonen niet Want sjjn oge negene doget ansiet No sjn herte en denket twint Der doget, die men hem doet omtrint". Doe die koninck Artur hoerde die tale 24855 Behagede hem dat kint herde wale, Ende nam hem metterhant saen Ende dadese alle daer op staen, Ende vragede hem , wie si waren : >Here'\ zeide Gawyn, »twaren, *ritter8 *seet *dren *den * grotten •darnaer, her ^denst 'dient 'weren * 'off dat **geweset **unde den *'med '*weer **ontholden *'zolewy * 'holde, wolde "selven *• willekome *'vrent **weer, beger 24860 Eer wy secgen wie wy s^n nu. Waren** wy gerne onthouden** vaniu, Ende alse wy weten daeraf den fijn Sullewy** iu secgen, wie wy sgn". Doe die twe koninge hoerden die woert, 24865 Die dat kint daer sprac voert, Behagede hem dat wel, ende hieldene daer Vor wgs ende vroet vorwaer. Doe zeide die koninck Artur also houde' *, Dat hise gerne onthouden** woude*', 24870 Ende wilse selve** metterhant Alle ridder maken, sg iu bekant, »Ende gy zjt my wellekome** alle nu, Ende ie sal iu vrient*" zgn, secgic iu , Ende ie wil dat gy myne gesellen sgt 24875 Ende alle van mgnre herberge nu ter tgt". Doe die kinder dit hoerden daer, Knielden sy alle vor hem naer, Ende dankeden hem alle sere saen; Doe dadese die koninck opstaen, 24880 Ende vragede Gawyne, wie hi waer**, »Want ie dat van iu te wetene begaer**". Doe zeide Gaw^n: »here, men heet** my Gawjn, entese drie** kinder, diehierby Nu staen, sjju** myne broeder**, 24885 Beide van vader ende van moeder, Entie koninck Lot onse vader es Ende es here van Orcanie ende Leones ; Ende mijn outste** broeder** naestmy Heet Agraweyn, entie*' daernaest sy 24890 Heet Gaheries , wet vorwaer; Ende onse moeder** doet ons gewes, Datsi des koninck Arturs suster es Van hoerre** moeder** wegen nu; Entese** ander** ioncheren , seggic iu, 24895 Die hier staen, sjjn onser moeyen* * kinder, Ende Galescins heet, die staet** ginder Ende es koninckVentres* * sone van Garlot, Entese ander twe, so help my Got, Z^n des koninck Uriens kinder'\ zeide Ga- 24900 »Entie ene heet** Ywein*\ [wein**, Entie ander hiet Ywen oec met, Ende es sgn broeder , here , dat wet , Van sgns vader wegen, sonder waen, Entie ander joncheren , die hier staen , **hiet ''unde dese dre "^zint "'broder *'olde8te *'unde de *'moter *'orre *'andem **moyen **8tect **Neutres •* Gawyn, Ywen. 277 24905 Sijn alle edeler liede kinder nu; Entese* lange bnine, seggic iu, Es koninck Beliantes sone mede, Entese* twe, die hier staen ter stede, Synodes koninges neven van Astragone met, 24910 Dene heet' Keye van Strans, dat wet, Ende dander Keyadyn die clene; Entese* ander* syn neven gemene Ende bestaen mjnen vader na ter steden, Ende zyn hertogen kinder ende graven* [mede; 24915 Ende dene heet* Ywen metten' vntten [banden, Die wel sal noch syn lachter* anden. Dander heet' Ywen van Riveel, Die derde Ywen van Lyoneel, Dit vierde Ywen Dcclains mede; 24920 Entie* ginder staet te gener stede Die scone, die wel geleerde met, Hi es des Keysers maech, dat wet. Van Constantinople , ende is geheten •• Sagrimor, es ons doen weten, 24925 Ende es hier komen , seggic iu , Ombedat gyne ridder*" sult maken nu, Ende wilt iu dienen** getrouwelike , Oec wil ie syn geselle wesen, sekerlike, Van wapene also lange als hi nu 24930 Hier wil bliven, dat secgic iu'\ Doe die koninck Artur hoerde die tale* * Van den kindren*', behagedensi hem Ende nam hem in sinen arm daer, [wale* *, Ende custene menechwerf daernaer 24935 Ende hietene menechwerf welkome wesen Ende alle sine gesellen na desen. Doe zeide die koninck Artur daernaer: »Gawyn, lieve neve, wet vorwaer, Ie wil dat gy conincstavel syt 24940 Van alle mynen lande nu ter tjjt Ende van mynen hove, sonder waen, Ende al dat gy wilt, dat sjj gedaen". Doe knielde Gawyn ende dankedet hem doe Entie* koninck gaf hem met sinen bant- [scoe** 24945 Dese gichte**, ende hoevene op aldaer**; Doe satensi op haer*^ paerde daernaer *ande desc "sin 'hiet *andem •greven 'mTtden ^laster 'unde de *gehieten **ritter **denen **dit al, wal **kindem **haii8cho *»giffte *«Eng. f Aa kyng kym feffed toith hia right gïove *'cr **inoder Ende si reden al te bant nadat Te Loajreswaert in die stat. Doe koninck Artur te Logres quam 24950 Ende hem sine suater daer vernam, Gawyns moder* •, es si iegen hem gegaen Ende bieten** welkome wesen saen; Ende Morgeine quam oec nadas. Die des koninck Arturs suster was. 24955 Ende doese die koninck kende, wet vorwaer, So dade hi hem grote feeste daer Ende si voeren ten pala8e**waert na des Daer dat scone met biesen gestroyet* * es Ende met sydenen clederen behangen wel; 24960 Men hadde daer feeste groet ende spel, Entes** selven dages biet die koninck Den kindren**, datsi bovenalle dinck*' In die hovetkerke souden gaen Ende Gode daer anbeden saen, 24965 Ende waken alle die nacht daerin: Ende dit was na Sinxen** meer no** myn Veertienacht** dat dit gesciede daer. Die kinder lagen die nacht daernaer In der kerken tote des morgens vroe; 24970 Daer quam die koninck Artur tot hem doe Ende dade ene messe singen saen ; Ende alse die messe was gedaen, Nam die koninck Artur syn goede swaert, Dat meneger mark was waert, 24975 Dat hi wten anebelte*' trac hiervoer, Ende gordet Gawyne, enten rechten spoer Spien** hi hem, entie koninck Ban Den linken spore, ende voertan Sloechen die koninck Artur in den bals daer: 24980 »God make iu goet man !" zeide hi daer- [nfiier ; Doe makede hi ridder** sine broeder nu Ende gaf eiken een zwaert, seggic iu, Van den twaelf** zwaerden, die hi tien** By Merlyns rade hadde vonden, [stonden 25985 Dus worden die kinder gemaket daer, Ende alle diegene die wouden* ' daernaer, Nuwe* * ridders van koninck Arturs bant ; Ende daema, dat sy iu bekant, Sanch die aertsebiscop Drubrices 24990 Hoemesse, ende alsi gesongen es, **hietene ^^'palaise **ge8trouwet **andede8 **diiich **Piiik8ten **noch **Tierteenacht *^anebalt« **»pcu **twelff ••ten ■* wolden '"neuwe. 278 Gingen?! te hovewaert alle nadas, Daer dat eten bereet doe wa». Daer bielt die koninck Artur feeste groet, Daer was ten etene menech genoet, 24995 Ënde men diende daer wel utermaten Al dengenen die daer aten. Doe waren daer die quinteinen geleget Daer men op te joesteerne pleget, Entie batselieren waren* bereet; 25000 Maer Merlgn verboet dat, God weet, Ombe des orlogeu wille* ,doe liet ment daer. Drie dage rastensi hem daernaer; Daer gaf sgn goet doe myldeliken Die koninck Artur armen ende riken 25005 Ënde iongen batselieren, die daer quamen Die hi onthielt al te samen Wel veertich'dusent, sonder die met hem Entie hi vor hem bracht-e, twaren, [waren, Uten konincrike van Carmelyde. 25010 Doe si daer lagen* dus tien* tjden Makede kennesse* Morgeine nadas An Merlyoe , die ene grote clerckerse was Ende dade' so vele iegen hem daer , Dat hi haer leerde sint daernaer 25015 Van Nigromancien menech wonder, Ende si onthielt dat al wel bisonder. Daema opten* derden dach mede Sprac Merite Artur an ter stede, Ende sprac , dat hi hem gereide saen , 25020 Daer waer negeen* beiden , sonder waen, »Want Ponces, Anthonys, ende Frol les Zgn ember toe getogen, sgt sekerdes, In dat lant van Bonewyc ende mede Die koninck Claudas oec ter stede 25025 Entie koninck van Gales mede'\ Die koninck Artur zeide: »ic trecke gerede, Welke t^t iu goet danket wcsen'\ Merlgn zeide: »dat secht uwen lieden * * na Datsi noch tavent hem bereiden' * [desen 25030 Ende in den iersten slape, sonder beiden' ' Opsitten, ende varen henen dan, Ende voert met iu twintichdusent man, Die gy met iu brachtet' " van Carmelyde , Ende Does van Caredolsal tien ty den" 25035 Hier blyven ende hoeden dese stat". Doe sciedensi onder hem nadat, 'weren "willen *viertich *legeii •ten •kantnisse 'dede "op den 'weer geen *"luden "bereden, beden **brachten "tyde '*ton **we ^'wete gy "off Entie koninck beval Gawyne dit saen, Also hem dat Merlgn dede verstaen; Ende Gawyn dede nu daer alsoe 25040 Ende hietse hem alle bereiden doe. Daema es hi te sinen oeme gegaen Ende zeide datsi gereet s^jn, sonder waen. Doe zeide Merlgn ten' * koninge nadas : »Here, vraget Gawyne, wie'* diegene was 25045 Diene leide , daer hi sine moeder alsoe Verloeste, daer hine leide toe'\ Doe zeide die koninck: »Gawyn, wety'* Ocht'* kendy iet'*, wie" die ridder sy Die iu leide, dat gy in moeder" 25050 Bescuddet"?"— ^Here ie en hens" niet [vroeder'*" Zeide Gawyn, » want ie en kennes twent'\ » Vraget hem voert, ocht" hiiet'* kent", Zeide Merlgn, »wie hem die letteren gaf, Daer van Ywen stont inne gescreven af, 25055 Des koninck Uryens sone, dat hy Hem te hulpe quame** daerby?" Doe vragede hem des die koninck daer Ocht' ^ hi den knecht iet kende daernaer. Gawyn zeide doe: »neen, hy, niet; 25060 Ende Gawyn doe Merlyne nauwe besiet Ende wart*' ombe dese** pinsende, secgic Die dat hiervor gesecht hadde nu**, [iu. Dat dit Meriy n was , ende na dese dinck Zeide bi doe tot Artur, den koninck: 25065 »By Gode, Heer, in** weet; men zeide my, Dattet een iu vrient*' Merlgn sy, Ic wonde dat icken wael kende nu. Want hi hevet my gedient, secgic iu: Hi dede my van des keysers neve verstaen 25070 Van Constantinople, ende oec mede saen Ywene, mynen neve, die in groter noet Was, dede hy my bescudden van der doet, Ende my selven onder Arondeel Halp hi mgns lives een deel, 25075 Eude en es man in aertryke. Dien ic eer kennen woude sekerlike".[daer, »Gy zulten wael kennen", zeide Merlgn » Als hem dat lief es". Doe loech* * daernaer Die koninck Artur ende zeide saen: 25080 » Gawyn, sieten hier by my staen, '*kcnne gy icht '*nioder, vroder *° bescudden "'bins **queme **waert **du8e **Eng. and remem- iered the toordea that Doo of Cardoel hadde io hym tiddéf **en *'vrent **lacligcde. 279 Ie sai iu met hem bekant maken'\ Doe gingensi sitten na dien' saken Op ene coetse onder hem drien. Doe zeide koninck Artar : »hier moechdy 25085 Den man die iu voerde tArondeel , [sien* Des dages, doe gy vor den casteel Kejen van Strans ende Dodinas, Daer eic in groten anxte' was, Beschuddet*, ende iu selvea dede 25090 In den casteel daer gaen ter stede, Doe iu der Sennen te vele quam daer; Des sondy* hem danken openbaer Van desen dienste ende ander* mede, Die' hi iu gedaen heeft* te meneger stede". 25095 Gawyn zeide doe: > lieve here, Ie en weet hem wat bieden mere, Maor seker mach hi wesen van my, Dat ie al syn eygen sy; Ende hi es so vroet oec mede, 25100 Dat hi m|jn herte wel kent ter stede. Want dat te* hemwaert es al te* male". Merlgn zeide: »ik kenne iu'* wale , Ende ie wil oec, dat gy nu sjjt Mjjn hemelike vrient** in alre tflt". 25105 Maer hi zeide hem, dat hi hoede wale Dat hi nember negene tale En makede van dingen , die hy Hem seggen soude, so wat dat sy: >Ende gy sult** my in so meneger forme 25 110 Dat iu sere wonderen sal van dien, [sien * * . Ombedat ie niet (en) bekent wil syn Moet Want die nyt van der werelt es groet". Aldus dade hem kondech'^ Merlijn daer Gawyne vor sinen oem vorwaer; 251 15 Ende doe si genoech gesproken badden nu, Doe zeide Merlijn , dat secgie iu : » Gawyn", zeide hi, > lieve vrient* *, vers taet Ie seege iu, dat gy an uwe moeder* * gaet, Ende nemet orlof ende vaert henen'* saeii 25120 Met uwen lieden'' ende treeket, sonder [waen, In den iersten' *slape,ende treeket ter vaert Reehtevoert te Doevrewaert'*; Ende als gy daer komet, so doet, God weet, Dat gy te scepe** genoech hebbet gereet ^den *mofl;e gy seen 'angeste ^bescadden *sole gy 'andern 'de •hevet *to *®ia herte '*heimelike vrcnt '*9olde "zeen ' *kundich **moder ''hene * 'luden * *irstcn * 'to Oevrewart; doch zie 't Jfing. atul f Aan goUh Jortk your wey towardc Domtr '"toschepe 25125 Also vro als iu oem komet daer , Dat hy scepen moge daemaer, Entie twe koninge oec mede Ende al dat met hem komet ter stede ; Ende, doer Gode, doet ere hem beden*', 25130 Want si sijn getrouwe in der waerheden* *, Ende al uijn sy metten koninck Artur nu , Si sya hoger liede*', dat secgie iu, Van geslachte*^ dan die koninck es, Ende hoedet iu berde wel des , 25135 Dat gy nieman en sogget waer gy vaert". Gawyn zeide doe: »8yt onvervaert, Ie sal den orber wel doen. God weet !" Doe sciet** Gawyn ende ginek gereet Te siner moeder** ende nam orlof daer; 25140 Doe ginek hi te ainen broederen daemaer Ende tYwene, sinen neve, mede, Ende tallen den andren*' ter stede, Daer hi daer voer mede plach te gane ; Dese** sprae hi alle ane, 25145 Datsi sine gesellen na desen Altoes hier namaels sullen** wesen; Doe gingensi slapen een luttelkijn. Niet lange en haddensi in slapegesyn, Datsi opstonden ende wapenden hem daer 25150 Ende voeren** vaste enweeh daemaer, Ende reden so lange, datsi doe Te Doevre* ' quamen* * eens morgens vroe; Maer die koninck ende Merlyn ende veer- [tich met** Die van Carmelyde quamen**, dat wet, 25155 Die des koninck Arturs gesellen waren, Daer hi mede was tote daer gevaren, Dese bleven met hem tien** stonden, Entie ridders** van der tafelronden Ende Gawyn, die nu te Doevre** was, 25160 Hi sende in alle havene nadas Ombe die scepe, die daerinne waren, Ende dade se hem bringen daerna, twaren, So vele dat hire** genoech hadde daer. Ende alse Merlyn wiiite vorwaer, 25165 Dat die scepe gereet waren, Dadi * * die drie * * koninge derwaert* * varen Eode hiet hem te Rotsele varen doe*'. Doe seiden die drie** koninge alsoe: "'beiden **waerheiden **lude * ^geslechte **8ciede **müter *'andem **de88e * 'zolen * 'voren ** tot den Oevre '*quemcn *"mcd •*tcn * • unde de ritters **to Oevre *'liier **dede he •*dre *'darwert **to. 280 »Wat, Merljjn, en suldy* met ons niet* [varen V" 25170 »Neen ie , here", zeide hi, vmaer, twaren, Gy en sult* daer enen dach niet* hebben [gewesen , Ic en sal daer tot ia komen nadesen"'. Doe Bciet dene van den and ren daer, Endo Merlyn voer te sinen meester daer- 25175 In Nortom berlant , die hem dede [naer Grot« fecste, doe hi quam ter stede; Daer zeide hem Merlyn n1 dat was geuciet, Ëndc en liet des een twint achter niet , Sint dat hi daer lestwerf was; 25180 Ende Blasys screef dat al nadas, [frouwen, Ende doe Merl^n hem zeide van der jonc- Die hi so mynde met goeder trouwen, Daer ic iu hier voraf dade verstaen, Dat was Blasyse leet, sonder waen: 25185 Hi dachte, dat sine bedriegen* soude Ende began hem* castiene also houde. Merl^n zeide, hi en verstonde niet van dien * >Dat gcscien sal, moet gescien''; Doe zeide hi hem voert die prophecyen 25190 Die nu gesciet' sjn ter stede [mede Entie gescien' sullen al, Alse iu dit boec hier wel scg'gcn sal Hier namaels; ende daer ter stede Settet* Blasys in gescrifte mede; 25195 Nu sal in dit boec voert tellen Van den koninck Artur ende sinen gesellen. IJoe* die casteel van Trebes belegen icas. Hier segbet daventure mede. Dat die koninck Artur, nu ter stede, Trac*" opten iersten** dach 25200 Die in Braeemaent gelach, Ende voer met sinen lieden tsamen So lange datsi te Doevre** quamen, Daer si Gawyne vonden al gereet Met menegen scepe daer, God weet, 25 205 Scepeden si ende voeren daernacr Te Rotselewaert , wetet vorwaer, Si hadden goeden wint ende weder scone ; Si voeren so lange, datsi in dien doene Eens morgens te Rotsele quamen; *zoIe gy *nicht 'ne zolt *be(lregen *eneto •deen ^gescheen •»ette dat 'wo *"trrckede ''irston ' *ten 25210 Daer landen si ende sloegen te*' samen Hacr* ^ tenten ende logierden daemaer. Niet lange en warensi komen daer, Merlgn en quam toten koninck Arture , Dies** herde blide was ter ure, 25215 Ende dander** twe koninge mede, Ende heer Gawyn oec ter stede; Dese daden hem grote feeste daer, Doe gingensi hem rasten*^ naer. Hier la tic dese rasten*' nu 25220 Ende sal van Leonse tellen iu Ende van Pharyne , daer gy af hiervoren, DoeMerljn van hem sciet, nrocht* * horen, Die hem gesecht** hadde herde wale Van Ponces (ende) Anthonis altemale 25225 Ende van Frolles ende van Claudas, Also ic u te voren hier las. Nu hadden Leonse ende Pharien Hem hiertegen aleo vorsien . Datsi die heeste ende al dat goet mede 25230 Hadden doen voeren in borge, in steden , Ende Pharien dedo oec mede alsoe. In dat lant van Gannes mede daertoe Haddi*" nu vergadert tien**du8ent man, Ende es daermede getogen voertan 25235 Tote Leonsen te Bonewycwaert** ; Hi hadde sine stede wel bewaert Ende sine caatele beset mede; Ende Leonse, die oec aldus dede, Hi hadde tien**du8ent man wel te harnas. 25240 Doe Pharien ende Leonse vergadert waH, Lagen** si met horen** heer te samen Totedat haer viande quamen, Die daer logierden in dat lant, Ende gingen bemen al te hant, 25245 Maer si en vonden niet te nemene daer. Dat was al gevluchtet** vorwaer; Ende doe die vorderste** niet en vonden, Doe keerden** si in dat grote heer** ten [stonden , Ende vrageden wat si doen mochten nu. 25250 Doe wordenai te rade, seggic iu, Datsi vor Trebe wouden** varen; Doe voerensi** derwaert** sonder sparen, Ende logierden in enen** velde daer Onder den caatele, die vorwaer *• mochten '•gesegct * "hadde hc **tyn "^wart. bcwart **legeu **oren **gcvloechiit ••vonisten overe ^'slogen to '*er **dc des ^•anderen *'rc8ten ' *^kierdcu * "her ** wolden •"voren ze • Marwcrt '* ene. 281 25255 Herde hoge was, ende oec daerby Alombe een groet maras sy, [weet, Ende hi en hadde maer enen wecb, God Ene halve myle lanc ende niet breet. In dene syde logierden^ Pontes (ende) An* 25260 Ende Frolles Tan Aelmanien die es [tones, Gelogiert bander'syde mede, Entie koninck Claudas in die derde stede , Entes koninges liede Tan Gales Over die vierde, syt seker des, 25265 Die geleide Bondoil', sgn drossate, Die stont was ende ongemate. Aldus was die casteel van Trebes In vier syden belegen, s^t gewes, So nauwe nu in dit begin, 25270 Dat daer nieman en* mach wt noch in ; Aldus menensi den casteel winnen Ende verhongeren die daer s^'n binnen , Want negeen ander dinck mochte hem [vromen , Want si en mogen daer niet toe* komen 25275 Ombe dien maras', die daer ombe ginc. Dus lagensi daer lange na die dinc , Entie ^ koninginne Ëleine,die daer ter stede Binnen was, ende haer suster mede Hadden groten anxt, dat sy 25280 Verraden mochten werden iergent by Och te* gevangen, ende weenden sere Dickewile doe ombe horen* here. Dat elc so lange merret^* mede. Graciaen troestese sere ter stede 25285 Ende zeide, si zouden, sonder waen, Goede verlosinge hebben saen. Dus troeste hi die vrouwen fijn; Hi^' hadde enen sone, biet Ban^n, Ende sgn pete^' was die koninck Ban, 25290 Ende hi was eeu scoen ioncman, Ende hi was Leonces maech mede. Ende doe Leonce wiste die waerhede, Dat die casteel belegen was. Ontboet hi Anthianne nadas, 25295 Den drossate, dat hine kome spreken nu ; Ende hi quam tot hem, secgic in. Doe hiet hine al hemelyc^' varen Tote Breoske in den foreest , twaren , 'logierde 'in ander 'Eng. JBoim^//^ *neman * nicht to *den moras. Van dezen en de volgende 825 vers- regeU werd een nederlandsch a&chrift door Stallaert uitgegeven in Hei Nederlandsch Mveevm voor 1880. 'unde de *oflPle *oren ^*mirret '^onde he *'pade Metten sinen, »ende ontbeitonsnaer^^ 25800 Opter** fonteinen, ende ensecgetdaer Nieman af** van al uwen lieden Werwaert gy snit henen*' riden". Doen zeide die drossate saen, Dat dit wel soude sgn gedaen. 25305 Doe voer hi henen hemelyc** daer; Ende Leonce nam Banyne daemaer, Sinen neve, ende sendene nu Tote Pharine, dat secgic iu, Ombedat hi quame toter stat 25310 Daer si geviseert hadden voer dat, In den foreest, daer hi wael wiste, Ende dat hi ember niet en miste, Hi en voere hemelyc** nu daer; Ende Leonce voer daemaer 25315 In den foreest, daer die fonteine stoet, Daer die drossate beide, des sgt vroet; Dese stat hadde hem Merl^n vorwaer Gewast, datsi beiden souden daer; Daer beide oec Leonce ende Anthian 25320 Totedat Phar|jn quam ende sine man. Dus lagen** si daer alle alsoe Tote smaendages na Sinte Jans* * dage toe. Doe Merlijn wiste , datsi vergadert waren, Ende datsi ontbeiden na soccoers**, twa- 25325 Dat hi hem gelovede te brengene daer,[ren, Doe ginc hi an Gawyne daemaer, Ende zeide dat hi dierste* * batalie leide, Ende met hem name** daer gereide Die nu we ridders entie' veertich mede, 25330 Entie' van Carmelyde quamen ter stede , »Ende nemet haerre*^ so vele mede dan, Dat gy hebbet* ^ tiendusent man, Ende doet ülfine voeren iu baniere'\ Ende heer Gawyn dade also sciere 25335 Alse hem Merlgn hevet geheten**, Ende trac* * met sinen lieden, als wy weten, Over ene syde. Daema dade Merlgn Den koninck Ban den andren*' zgn, Die heer Gawyne Tolgen sonde** naer 25340 Met tiendusent ridderen**, wet vorwaer. Doe riep Merlgn den koninck Bohoerde Ende hiet hem, dat hi nu voerde Die derde batalie, »ende nemet met in "•heimelflc **daniaer **op de '•neman "zolen hene * 'legen '•auntc Johana •"hulpe **de iratc ■■neme ■'nemen er »* hebben ■•gehieten ■•treckcde ■'andem ■•ritteren. 36 282 Die driehondert ridders, die gy brachtet* nu 25845 WtkoninckAmans lande, ende nemet daer Tote tien*dui»ent oec nu ter stede [mede Van den riddren die quamen van Carme- Doe hiet Merlyn voert tien tyden [lyde**. Den koninck Artur: »here, gy selt* 25350 Die vierde batalie leiden met gewelf, Ende met iu sullen nu syn ten stonden Die ridders van der tafelronden'*. Doe riep die koninck (Artur) ter stede Hervine* ende Nasciens mede, 25355 Ende hiet sine liede hem doen gereiden, Ende si dadent doe sonder beiden. (Ende) doe nam Merl^n den drake Ende gaven* Keyen na die sake, Ende zoide, dat hine voerde daernaer 25360 »Want dat es iu recht vorwaer, Ende hoedet iu wale, dat radio nu, [iu; Dat ridderscap niet en werde genedertby Ende wety* wat gy doen sult' ter stede, Als gy onder die viande kornet daermede. 25365 So voeret dat altoes in uwer hant". » Dat sal ie wel doen'\ zeide Keye te hant. Merlgn hiet den drien* koningen doe Ende heer* Grawyne, datsi dapperlike alsoc Te Trebeswaert voeren** gereit, .25370 »Want hi es in vier sinnen beleit, Ende elc prinse, die daer leget an, Hevet onder hem twintichdusent man, Ende elke batalie van den onsen mede Sal een van den horen anstryden ter stede". 25375 Doe zeide die koninck Artur: »Merlgn, Hebbensi meer liede** dan hierzjjn**? »Ja sy, here, die helchte**; seggic iu , Maer wy sullen een scoen soccoers* ^hebbeu Wael van twintichdusent man, [nu 25380 Die ons sullen komen an. Die liegen in den bosce** van Briokes". »Hoe sullen sflt** weten welc t|jt dat es"? Zeide Artur. »flere", zeide Merign doe*' »Ic sal se halen tyde** genoech daertoe* ', 25385 Ende Blioberis sal voren varen nu, Want hi weet die pade wel, secgic iu . Ende recht alset** dagetsuldy** varen; Daer gj een hoern hoert, daer volget nare, Ende gj sult sien enen groten brant * Herviele 1 o, 'brachten *t^n 'solt, gewolt ene 'wete gy 'zolt 'dren 'her '"voren **8in **hellte **htilpc **bu8ch **wo zolen ze dat Mede **lude 25890 In der** locht, daema volget te hant, Want dan sal in soccoers** sgn bereet. Dat ik iu senden sal, God weet; Blivet te Gode , ie vare nu daer". Dus sciet Merlgn van hem daernaer, 25395 Ende quam daer Leonce was gelegen Ende sine gesellen, ende sprac daertegen Ende zeide : »wat ligdy * * hier onder in ? Gy en komet nember so vro nu Te Trebes, die koninck Artur en sal 25400 Daer wesen met sinen volke al". Alse dit Leonce verstoet, vorwaer, Dede hi hem grote feeste daer, Ende vragede ombe beide die koninge(doe), Hi zeide: »gy sult se sien*', ende daertoe 25405 Met groter macht, die si bringen, Maer vaste gereet iu**. Ende na dien dingen Gereidensi hem ende makeden daer Vier batalien, ende dierste*^ daernaer Die leide Anthianes met sesdnsent man , 25410 Ende Graciaen sesdusent oec daeran, Ende Phaqjn hadder sesdusent mede, Ende Leonce sesdusent oec ter stede. Hiermede voerensi te Trebeswaert , Ende alle die wile, datsi waren in der vaert, 25415 Sal ie iu seggen van Arture Ende van den tween** koningen haer [aventure. Den groten strijt tuscen den koninck Ban enten koninck Claudas enlie met hetn waren, Daventure secht, doe Merlgn was Van Arture gesceden, nadas. Dat Artur trac*' doen daernaer 25420 Ende Blioberis voren*' vorwaer, Want hi die wege wiste sonder vragen ; Die nacht voerensi toten dage, Doe quamensi op een scoen plein gereet, Daer ene rivier neven leet, 25425 Die die Loire** hiet , ende si waren daer Den here** nu komen also naer, Men haddet*** te** vgf malen mogen nu Wael overscieten, dat seggic in. Doen' *hieldensi,ombe datsi wouden sien* * 25430 Dat teken , daer hem af zeide vordien Meriyn , dat was van den brande mede *Mo, to *'tyd **aU dat »Me *»hulpe »*ligge gy "seen **de eirste *'twen '•treckede »^vore **L»- vre. Eng. Leire * •her » «hadde dat ' *to * "do » «woUleo. 283 Ende in der locht BOude vliegen ter stede. Ënde van den hoeme, datsi souden horen ; Ende binnendien quam daer te voren 25435 Eén spiere % diese hevet vorsien Ende ginc dat int ander heer seggen met- Ende doe dit die ander vernamen , [tien*; Wapenden si hem ende trocken' tsamen Te yelde ende batalyeerden hem daer, 25440 Ende Ponces (ende) Anthonis trocken daer- An dat inde van enen bosce ter 8tede;[naer Ende daema quam die hertoge mede Van Almanyen; ende daema quamRodoen Ende Claudas van Deserte quam doen 25445 Ende lach met sinen lieden neven den Ende al die wil e , syt seker das, [maras; Datsi dns wtvoeren, quam Mer1|jn, Die hier af wiste algader den fijn, Ende hi blies den horen doe 25450 Ende dede den brant vliegen daertoe. Doe Artur dat hoem hoerde daer Enten ^ brant vliegen sach naer, Sloegensi alle ten herewaert*, Ende Gawyn vergaderde mettervaert* 25455 An Frolles, den hertoge', secgic iu; Entie koninck Ban vergaderde nu An den koninck Claudas ter stede , Entie koninck Bohort veiigaderde mede An Pontes (ende) Anthonysnu ter stat; 25460 Entie koninck Artur vergaderde nadat An Rondone, den drossate van Gales. Ënde dierste* die nu versamelt es*. Dat es* Sagrimor, ende FroUes mede. Die met sulken nyde reden bede, 25465 Datsi bede storten daer neder; Maer si waren bede thant op weder, Ende togen haer swaert ende sloegen * *daer Dene opten ander ^^ slagen swaer. Ende alse Heer Gawyn te voete sach 25470 Sagrimor, sloech hi al dat hi mach Derwaert**, ende ülfijn oec mede. Die sine banier voerde ter stede; Ende bander' *syde quamen^^ daer oec toe Ombe den hertoge' ende bescuddene doe. 25475 Dus vergaderde dene an den andren daer; Daer wart menech spere tebroken vorwaer 'speer •mit den 'treckeden *unde den •herwart •myt den vart ^hertogen 'de irste 'is * "slogen ' *op den tndern '^darwert ''op ander '^quenen '*inanich '*gereddet nu ''deden dat '*Deman "konde *^ik Ende afgesteken menech'^ man, Die niet meer op en stont voertan. Daer wart die strgt sterc ende groet mede, 25480 Doch worden hermonteert** ter stede Die hertoge ende Sagrimor bede, Maer dat was met groten lede. Daer dadent' ' wael die twaelve, twaren. Die nuwe ridderen gemaket waren; 25485 Maer sint dat middach leet, vorwaer, So ne was daer nieman'* die een haer Heer Gawyne iet gelikenconste'* mede; Want hi sloech doet daer ter stede Man ende paert, wat vor hem quam; 25490 Ende Ywen s\jn neve, als iet vernam, Ende Ywen overdoem, dese twee, Dadent*' herdo wel ende noch mee; Galescins ende Gaheries Dadent*' sowel, dat mense nades 25495 Over die beste** hilt daer nu Naest Gawyne, dat secgic iu; Ende Garies ende Agrawein, Ende alle die daer waren int** plein Dadent wel ende kondechlike. 25500 Die koninck Ban oeck desgelike Was tegen Claudas komen ter were, Die dfelste*^ was van al den here; Ende daersi aldus vergaderden dan, Sloech hi metten swaerde den koninck Ban 25505 Opten helm, datter tfier** wt vloech Ende dat hi opt gereide boech; Doe rechti** hem op alse die erre*' was, Ende sloech Claudas opt hoeft nadas Enen slach; maer t swaert scamfelde neder, 25510 Ende sloech den orse alsoo weder Den hals af, ende het viel doe, Ende Claudas met; maer hi spranc alsoe Op , maer eer hi op conste comen daer, Gaf hi hem iij slage daer naer, 25515 Dat hine had byna weder nu Ter aorden doen tumelen**, secgic iu. Ende dat bloet spranc hem ten monde Ende ter nesen** wt ter stonde; Maer hi was van suiker kracht* ' ende ge- 25520 Dat hi hem daer nochtan** onthelt; [welt Doe warp hi den scilt opt hoeft daemaer «•deden dat **de besten *"in den **quadeate **dat dat vner *• richte he *'toernech "•mede *• vallen 'Onasen *»kraflft "«nochtant. 284 Ende quam ten' koninck Bannewaert daer, Ende began op hem te slane na; Maer haer liede* in beiden siden, secgic in, 25525 Quamen daer toe; doe werd daemaer Die koninckClaudas hermonteert,vorwaer, Want hi hadde noch also vele liede Alse die koninck Ban hadde tien tyden, Ende sine liede en hadden niet mogen staen 25530 En had die koninck Ban selve gedaen, Diese aldus hilt durende daer Toten middage, weet vorwaer; Ende banderside street die koninckBohoert Jegen Pontea (ende) Antonys voert, 25535 Die een groet spere hadde in der hant , Ende quam opten koninck Bohort gerant, Ende stac B\jn speer op hem ontwee; Entie koninck Bohort, die hem gevee Was, hi stacken dor den scilt, 25540 Ende dore den arm met gewelt, Ende nagelde hem an die side doe Ende stac hem daer in ene wonde daertoe; Ende hi viel van den orse neder daer Ende lach in ommacht oec daemaer, 25545 Dat men niet conde geweten daerby Weder* hi doet ochte* levende sy; Ende doen^ sine liede* dit sagen* daer. Hadden si anxt ende groten vaer, Omdat haer here doet ware, 25550 Ende reden alle derwaert daemare. Om hem tebescuddenaldaernu; [gicin, Des konincks liede^quamen daer iegen, sec- Met sterken speren; daer wart ter t^t Een groet ende een sterc stryt; 25555 Maer doch wart Pontes hermonteert* daer, Die geen arch (en) hadde vorwaer Van der wonden, ende scaemde hem sere, Ende reet opten koninck met enen kere , Ende sloechen opten helm alsoe, 25560 Dat hi op s^jn gereide boech doe; Entie koninck Bohort sloechen weder Dor den helm ene wonde, dat hi daer neder Tamelen' moeste , ende overreeten daer Eerne die Romeine conden naer 25565 Hermonteren* ; doe beval hi saen Den sinen, datsi hem in staden staen; Doe reet hi in die meeste porse; Daer wart menech van den orso *toD *lude "Off, off *do ^segen •gereddet 'vallen •geredden *derre '^'de des nie en segen "so lach Gevelt; doe wart die koninck Bohoert 25570 Achter gedreven alsoe voert Enen bogescote wel van daer; Dus duerde die strgt alsoe daemaer, Toter noenen sterck ende stuer. Ende al desc wile vacht die koninck Artuer 25575 Jegen Randone van Gaules; Entie koninck Artur, sgt seker des, Entie ridderen van der tafelronden Liepen hem seer op tien stonden, Ende dadense achter in dere* wgs 25580 Tote op Pontes (ende) Antongs ; Ende Keye volgede wel metten drake, Die hem Merljjn gaf vor dese sake, Dien groet vier uter kelen scoet; Dies noit ne sagen'* zeiden bloet, 25585 Het soude Domesdach weaen sciere, Ende vervaerden hem sere van den viere ; Ende sonder twivel ane den drake Lach" betekenesse van groter sake, Want tfier, dat hem wter kelen scoet, 25590 Dat betekende martelie groet Van lieden'* doet te slane ter stede Ins koninck Arturs tyden, mede; Ende dat syn stert gewrongen was, Betekent" grote verraetnesse na das, 25595 Dat in syns selves lieden" was mede, Doe si tegen hem keerden" ter stede, Ende met Mordrette waren" algader, Daer hi oem af" was ende vader. Want hine wan an sijnre suster met, 25600 Die koninck Lottes wgf was, dat wet. Hiema suldy wel verstaen die dinc , Hoe die strjjt tuscen hem veiginc. Nu hoert, hoe Randoen achter tyede Tote op Pontes (ende) Anthonys liede* *, 25605 Daer hem die koninck Artur opjagede doe, Die den koninck Bohort hielden alsoe Gort, dat hi wei hadde te done Soccoers"; ende doe sach datgone Pontes, datsi quamen" gevloen, 25610 Voer hi daer jegen ende riep doen Sjjn teken, ende sloech in daemaer. Doe wart die strgt groet ende swaer, Doe die vier batalien veigadert waren, Want Gawyn dreef oec daemare 25615 Frolles, den hertoge**, op Clandas, "ludcn "beteikent "kierden "weren »«of »»lude "helpe "qaemen ■•hertogen. 285 Die ieg^n den koninck Ban in stryde was, Die nu tonder was. Das wart daer Die strgt sterc, wetet yorwaer; Daer dade Heer Gawyn wonder groet, 25620 Dat en sach nieman' des genoet. Doe geviel* dat Gawyn nadas Vergaderde an den koninck Claudas, Die daer street iegen den koninck Ban Met hondertdusent man* iegen man, 25625 Daer die koninck sere tachter af was. G^wyn verhoef sgn swaert nadas [gen* Ende meende^ opt hoeft* hebben gesle- Clandas, die daer den scilt hielt iegen, Dien* Heer Gawyn sloech al ontwee; 25630 Entie* slach ginc vorwaert mee, Ende hi scamfelde nederwaert alsoe, Ende sloech den paerde den hals af doe , Dat paert ende Glaadas vielen* beide daer; Ende heer Gawyn reet vorwaert naer'* 25635 Want hi Claudas niet en'^ bekande; Hi ontmoete^* Miseresse te hande Dien* hi daer afsloech sfjn hovet; Dese** was vroem, des gelovet, Ende was van Claudas massenieden. 25640 Gawyn toech voert terselver tyden Ende clovede Antorilasse alsoe Syn hovet toten tanden toe; Doe sloech hi daertote^* twintich doet; Sine slage waren daer so groet 25645 Dat siner nieman onthelden dorste daer. Doe dit die koninck Ban sach vorwaer, Dat Gawyn , die so jonc^ * was , So groet wonder dade, dankede hi das Gode, ende zeide te Qt&wyne doe: 25650 >Here, by Gh)de, gy strgt hier soe. Dat gy dat swaert wel verdient hebbet nu, Dattie^ * koninck Artur heeft ^ * gegeven iu Ende oec en mochte hi hebben ter stede Negenen beteren sine liede bevolen mede, 25655 Dan gy sgt, ende ie bidde in heden den dach Dat ie iu nu geselscap sgn mach*\ >Here, ie doe dat geme'\ zeide hy »Ënde danc hebbet, dat gy dat soecket'* [an my, Maer ie moet varen soecken ^ *myne neven, ^neman 'gevel 'numa ^mende ene *cbit hovet 'geslagen 'den *imde de 'vellen ''damaer ^^nicht '•ontmoite "desae '«to "jonch '*datde '^hevet **soket, aoken * 'kieren **iolde, holde '^ilogen 25660 Ende myne broeder, waar si sgn bleven, Ende alsicse hebbe vonden, sal ie tot iu Wederkeren^*". Ende doe zeide hem nu Die koninck Ban, dat hi hem soude** Geme wreken also boude** 25 665 Over den koninckClandas,» dien gy vorwaer Te bant daer nedersloeget* * aldaer, Ende waer** hi doet, so waer** saen Mgn orloge, dat ie hebbe, gedaan". Doe zeide Gawyn: »v7yseten my". 25670 Doe zeide die koninck: »8ieten hierby Met genen wapene, die gy ziet daer, Gebloemet van silver, ende daemaer Den scilt, in midden gedeelt ter stede Van sylver ende van kelen bede**, 25675 Den lewe rampant van sable met". Gawyn zeide nu : » vaste, ende niet en let, Varewy an hem ende proeven daer Onse kracht*^**. Doe zeide daemaer Die koninck Ban: »ic en ger niet meer, 25680 Want hi hevet my gescadet seer". Doe sloegensi haer** orse derwaert, Entie koninck Claudas reet metter* * vaert Tegen hem; doe wart ter tgt Groet ende vreeslyc die 8tr|jt, 25685 Ende heer* * Gawyn entie koninck Ban Daden** daer vlien Claudas man; Ende doe Claudas dit sach aldaer, Vloe hi in die meeste perse naer**, Want hi ontsach dese twe nu, 25690 Diene daer jageden , secgic iu ; Hi wiste wael , ervoeren sine** daer. Dat hi doet waer** vorwaer; Dus vloe hi onder sine liede** alsoe, Ende si volgeden hem ember toe, 25695 Ende en woudene** niet laten gaen En*^ hadde ene aventure gedaen, Die si vonden onder hem ter stede: Want doensi jageden Claudas mede, Vant Gawyn twe siner broeder daar 25700 Liegende ter aerden, die vorwaer Sere tharen** on wille lagen** bede**; Ende Galescins , sinen neve**, hielt mede FroUes , die hertoge , by den breidel doe, Daer wasser wael (tote) twedusent toe , xt weer ^'ondemede **crafft "'er •*mytder ''her **deden **daniaer * 'ze ene ''weer '"lade "wolden ene '^nnde en "to oren "l^n "beide "neven. 286 25705 Ende hadde hem dat hoveta^eBlegen' En waer* Sagrimor, die daer tegen Was ende Gaheries ende Ywein; Ende wael veertich' gesellen opten plein Hielden den Btrgt tegen twedusent man. 25710 Ende doe heer^ Qawyn dit sach an, Sloech hi met sporen derwaert* saen, Ëntie* koninck Ban mede , sonder waen, Ende vergaderden in den stqjt Met 80 groter kracht^ ter tyt, 25715 Datsi den atrgt al bogen daden. Doe si baer* dus sagen verladen, ICakedensi ene plaetse so groet , Dat Agrawein ende Graries , die te voet Waren, datsi sciere daemaer 25720 Gtereddet worden daer vorwaer; Ende Galescins, die tsinen onwille was, Wart daer sciere verloest nadas , Want Gawyn sloech FroUen daer ter stede, Dat hine van den paerde tumelen* dede, 25725 Ende tors'* gaf hi Galescine daer. Die daer opspranc ter stede daemaer, Ende voer in ende woude wreken saen Den lachter'^ die hem was gedaen; Hi reet op Frollen, daer hine sach 25730 Te voete staen , ende gaf hem enen slach. Dat hi weder ter aerden'* viel nn, Ende overreeten seswerf, secgic iu. Doe zeide Gaw^n: »here, en ziedy'* niet Hoe'^ mgn neve wreket sgn verdriet? 25735 Hi kan hem wel geholpen , donket my". Doe zeide die koninck Ban, dat hy Een vrome ridder' 'sonde werden endegoet; Ende binnendien qnam al dat gemoet Van al den stryde slaende daer; 25740 Want die koninck Artur, wet vorwaer, Entie ridders van der tafelronden, Entie koninck Bohort tien'* stonden. Die jageden Pontes liede ende Frolles Ende Bondoens liede mede, sgtsekerdes, 25745 Tote in Claudas liede daemaer. Doe wart dat gerochte'* g^et vorwaer Ende tgeclanc van den slagen. Dat die twe koninginnen, die lagen Te Trebes in den castele binnen, 25750 Hoerden tgerochte'* in allen sinnen; 'afigeslagen 'weer 'viertich ^her 'darwert 'irnde de 'krafft *ze do er 'vallen '^dat ors ^'laster * *9erden * 'ze gy * *wo * •ritter * 'ter' 'geruchte* *aegen Doe liepen si ten tinnen staen, Ende sagen'* beide wtwaert saen; Daer sagen si menegen man stryden Ende si sagen den drake tien'* tyden, 25755 Dien Keye voerde, daer vier'* wtecoet, Dat daer die locht** af was al roet. Doe dit die vronwen ende dander mede. Die in den castele syn, sagen ter stede, Dochte hem dat wonder al te groet; 25760 Doe sanden si nte metter spoet Enen bode, ombe vernemen aldaer, Wat liede dat daer streden vorwaer Tegen die viande ende ombe die sake Wies * ' teken dat waer die vreeslike drake. 25765 Die bode voer ter batalienwaert [vaert, Ende hem ontmoete** een ridder in der Die Bretel heet* * ; doe groette* ^ hine daer, Ende bat hem, dat hi hem zeide naer Wie dese z^n**, »die hier stryden na 25770 Tegen onse viande; ziet, here, vor in Gene vrouwen, gene koninginnen, Die ginder liegen te genen tinnen, Die souden dat geme weten na*\ » Lieve knape, ie seoget iu, 25775 Dat is die koninck Bohort ende koninckBan Ende hebben vor hem gebrocht** daeran Den koninck Artur van Bertanien**, Haer lant te bescermene van calanien Tegen sine viande hier ter stede; 25780 Ende siet ginder sgn teken mede Metten drake, sonder waen'\ Alse dit die bode hevet ventaen, Keerde hi blide ten casteiewaert , Entie koninginnen quamen ter vaert 25785 Tegen den knape**, doe hi qnam daer; Doe quad** hem die knape daemaer, Gel^c hem Bretel zeide te voren; Ende als die koninginnen dit horen, So en sach men nie liede'* so blyde; 25790 Ende clommen weder tensel ven tyden* ' Ten vensteren'* ombe siene" nadas Den strgt, die sterc ende groet was, Diensi'* so lange streden daemare Datsi in beiden syden moede'* waren. 25795 Doe quamen'* die vier batalien geslagen, Die in den bosce met Merlgn lagen, '•voer * •lucht "^wes **ontmote **hiet **grotte **des8e zin * 'bracht '^Britanien * 'knapen *'qaam. Eng. tolde '^ne lade **tyde **vin8teren **to «ene •*ae ••mode ••quemen. 287 Dene na dander gereden ter Btede; Anthian leide dierste' scaer mede Ende dander Pharien, sonder waen, 25800 Entie derde leide Graciaen, Die vierde Leonce tenselven tyden. Doe warens* die van den castele blyde, Doe si se kenden , ende hadden ter steden Uten* castele oec geme gereden, 25805 Hadde men hem gelaten voertan. Na versachse ierst die koninck Ban, Ende zeide tot heren^ Gawine saen: »Heer Gawyn, siet ginder komen, sonder Vier Bcaren, die ons toe horen, [waen, 25810 Nu wetic wael, datsi daer* storen Sullen onse viande ter aren, Oec sullensi onlange mogen duren". Doe seide Oawyn, »laet ons wtryden, Ende onse vriende steken besiden 25815 Ende veigadren* ons; alse dan vlien Onse viande, dat wj se so versien, Datsi hem niet en beroemen hiemaer, Datsi keytive s^n^ vorwaer, Ende datsi hem oec hoeden voertmeer 25820 In dat lant te komene nembermeer*'. Die konmck zeide: »here, ie wille na Al dat gy radet doen, secgic in'\ Doe voeren* si bes jden ende gaderden*daei Drie* ''hondert ridder, die beste* * vorwaer 25825 Die in al dat heer** waren; Ende binnen dat so qnamen gevaren Die vier scaren met krachte** groet, Ende sloegenre in dat vergadren doet Twintichdasent; entese*^ grote scade doe 25830 Brachte die koninck Olaadas al toe, Dat dese liede** in beiden sjden Aldns doet bleven nu ten tyden; Ende dat wart hem oec geloent nadas. Dat hi sint daerombe ontervet was, 25835 Alse ia dit boeck sal secgen hiemaer. Nochtan dor al qaamen** daer Dese vier scaren; sy waren nu Des koninck Artars liede tachter, secgic iu; Sint dat die driehondert ridders niet [waren*' daer, 25840 En kondensi niet vercoeveren daemaer *de irste •weren des "ut den ^herren *dor 'ver- gspdem ^sin 'voeren 'gadderden *»dre 1 •< 'besten **her **kraffl« '^nndedesse **lade * •quemen * 'rit- ten nicht weren * 'holde gy **to sporen *'off **we » 'gerest ■•mer vtrt **8in "by den » 'laden "onde Wantsi droegen al den laet ter stede. Si gingen na alle tonder daermede. Doe quam Merlgn daer die drie**hondert [waren, Ende sprac: >hoady' * hier ombe iu te spa- 25845 Ocht*' houdy hier te gader gevest [ren*'? Ombe siene wie* * dat sal hier doen best ? Cry sgt genoech gerast**, maer vaert** [ter stede In dat heer, want Artar ende sine gosellen Sgn' * seie tonder, ende oec bydien* *[mede 25850 Datsi iulieden*' neigen en sien". Doe sprac hi t Artar eer iet lanc: »Heer koninck,es dit dat loen entie* 'danc, Dien gy den koninck Ban ende s{jn broeder Die** haer Igf ende al haergoet [doet, 25855 Setten in avonturen vor iu, Doe dat iu al afginc vor nu? Nu koemdy** sculen vanbloetheden'*; Dit sal ia noch te meneger steden Verweten werden; iu lief, wat sal sy 25860 Secgen alse vereest*', dat gy Aldus gevaren hebt nu voert V" Doe Artur verstont Merlijns woert , Scaemde hi hem so sere daemaer. Dat hi van angeste swete daer, 25865 Ende oec hadde hi anxt ter stede. Dat hi hem toemen mochte mede. Doe sprac hi op (ïawine ende sine gesellen: »0y heren , die vromecheit, die wy tellen Hoerden hier vor, waer is sy nu, 25870 Die gy plaget' * te doene ? Gy beromet iu, Gy zondet* *in kleinBertanien* ' varen stry- Ende proeven die ridder daer ten tyden[den Nu duncken my si*^ goede ridders wesen, Ende gy niet dorren'* te komen tesen** 25875 Dat gy se saget", maer beiget iu, So groten anxt daden" si iu nuf* Doe sprac hi op koninck Ban ende op [Bohoeri : »Gy heren, waerombe sydy "komen voert? En ziedy" niet iu viande in iu lant, 25880 Ende gy gaet iu bergen hier te hant! Wie" sal vor iu vechten ende vorwaert Ende vor iu die^* doet ontfaen, [gaen de *'de "kome gy "Moetheiden "vereischet "plegen, solden "britanien '^donket my dat ie "dorct "to desen "segen "deden "xint gy » gy *'we **den. 288 AIa gy iu berget ende vliet mede?** Doe zeide die koninck Ban ter stede: 25885 »B7 Gode, Merlyn, ie en doet' om geen dinc Die my vor bloetheden over ginc". Merl^n zeide: » hoe dat ggt* hebbet gedaen , Siet dat gy des iu betert saen'*. Gawyn ontsculdechde hem oec ter stede, 25890 Ende zeide: »ik sal hem doen kennen mede Ochte* ie blode ben !" — Doe vermaende hy Sinen broeder^ ende sinen neve' daerby: » Volget my*\ zeide hi, » ie sal hem doen sien Ochte' ie blode ben*!" — Doeloech mettien ^ 25895 Merlgn, ende ginc te Eeyen te hant, Ende nam hem dat teken wter hant, Ende zeide, hi woudet* voeren, secgie iu, Want des konincks teken en zoude men nu . Niet bergen, maer altoes vor ogen wesen ; 25900 Doe riep Merlgn lude na desen: >Nu sal ie sien wie* my volgen sal, Ende wie* den prga hier van al Winnen sal !** — Doe zeide die koninck saen, Artur, tot'* Bohorte, sonder waen, 25905 Dat in Merline vele dogeden waren Ende vele behendecheden, twaren, Ende vele vromecheden oec mede, Ende hi was sterc genoech omb sine lede Ende groet, maer hi was mager met, 25910 Ende bleec ende haerachtech, dat wet, Ende hi was edel van sg nre moeder mede ; Den vader latewy varen ter stede , Want van hem wetewy genoech; Men wist oec niet, dat Merl^n sloech 25915 In stryde ie iemanne" doet, Maer men vint van hem al bloet. Dat hi met siner borst gereet Man ende paert'* daer neder reet. Doe Merlgn den drake" hevet genomen, 25920 Es hi in die batalie gekomen Ende dorbracse altemale daemaer, Ende quam op Frollen gereden daer Ende op Pontes (ende) Antonys , die daer Die van Logres meenden'^ doet 8laen,[saen 25925 Wantsi waren** op dat sconfieren daer ; Maer hem quam te huipe vorwaer Vgr'hondert knapen van*' Trebes; En waer niet dat, zgt seker des, *doe dat *gy dal •ofiFte *brodercn ■neven 'bin 'lachgede mjtdien 'woldet 'we '"to *'neman **pcrt * 'draken '^menden * 'weren **vieff *'van den cas- ' Si hadden gesconfiert geweest* * ter stede ; 25930 Maer doe die koninck Artur quam, ende [mede Sine gesellen, wart daer so menech* * slach Geslagen, dat eiken gruwelen mach. Daer wrachte Artur wonder groet; Om der persen willen ende om der noet 25935 Warp hi den scilt opten rucge daer, Ende nam dat swaert met beiden handen [naer**, Ende sloech dat al doet ende daer neder Wat vor hem quam, voert ende weder. Dat nieman en dorste sgns ontbeiden. 25940 Dit boec secget oec, na der waerfaeden, Dat daer die koninck Artur sloech doet Twehondert in desen pongyse groet; Entie koikinck Bohort entie koninck Ban Versloegen** daer oec roenegen** man. 25945 Ende Artur ende dander koninge mede Waren** so verre** gereden ter st^de. Dat men niet en wiste waer si waren; Entie** gesellen van der tafelronden, twa- Voeren oec in, dene vor dander naer, [ren, 25950 Entie** veertech** gesellen, wet vorwaer, Entie** ach tien** nu we ridders mede Braken*' die scaren te meneger stede, Ende scieden dene hier dander daer, Dat si en wisten som ter tgt waer 25955 Dat haer** gesellen waren nu; Maer Ywen, des koninck üriens sone, eecgic Ende Heer* 'Gawynstwe broeder mede [iu, Ende haer neven hielden hem ter stede Al den dach te samene vorwaer, 25960 Ende daden** so vele met wapene daer , Datsi gepryset sere waren. Maer boven hem allen dadet daer, twaren, Heer Gaw^n best; want hi vras Alredickest in den meesten kas, 25965 Oec es** hi nu an Rondone komen Van Gaules, ende als hine hevet vernomen, Sloech hine opten helm** alsoe Ene grote wonde, dat hi daertoe Ter aerden viel**; hi reet voert saen 25970 Ende sach Keyen van Strans te voete staen Ende Dodinele,ende hem liepen* * op aldaer Pontes (ende) Antonys, weet vorwaer, tele van **^weflet **manich **manigen **vere **unde de » 'breken »*er ••hem **deden •*i8 «"hel »»vel •*Hep. ••dar •'veralogcr • * viertich ■ • achteen 289 Ende heer Gawyn sloech derwaert* Ende makede enen groten scaert* 25975 Ende halp hem, datsi bescut' waren. Doe hieldensi hem an Gawine daemare So si langest mochten vorwaer; Maer dat en was niet lange daemaer, Want hi was hem sciere ontreden*. 25980 Groet was die strgt te meneger steden ; Daer dadent wel die van der tafelronden, Die Artar sochten te dien stonden, Die hem so verre ontreden* was, Dat hi an Frolles quam nadas 25985 Ende an Pontes; die hadden daeran In haer geselscap zevendusent man. Daer street die koninck Arturherde seer; Daer en was nieman so koene in der weer. Die sines slages dorste ontbiden*. 25990 Doe quam heer Gawyn te dien tyden Ende sach sinen oem daer in der noet Ende dat hem gaven* slage groet Frolles ende Pontes; doe wart wel naer Gawyn wt sinen sinne ende nam daer 25995 Enen ridder ene spiet uter hant, Ende qnam derwaert^ gerant; Ende alsene Frolles komen sach Ontrumede hi hem, al dat hi mach, Alse die siner niet ontbeiden dorste, 26000 Ende reet in die meeste porse; Maer heer Gawyn reet hem naer Ende scoetene metter spiete daer Als hine niet verhalen en moet, Wael dor die scouderen enen voet, 26005 Ende hi vil in onmacht ter aerden' neder; Ende als hi verkomen was weder, Dade hi hem verbinden ende sat op sgn Ende reet weder te stridewaert*. [paert* Ende heer Gawyn keerde* weder daer 26010 Ende ontmoete Ponten daernaer Ende sloechen optie scouder** ter stede, Dat hine ter'' aerden vallen dede; Ende Randone sloech hi op dat hoef, Dor den helm ene wonde groet, 26015 Dat hi optie aerde viel alsoe. Daema begondensi te vioene doe, Ende qnamen" opClandas daemaer[waer, Dien die koninck Artur ende Gawyn vor- 'darwert *acart 'bescud ^onreden * ontbieden •ge- ven 'eerden 'pert, wert 'scierde *"op de scolder **todcr '*hovet "quemen **med **her '*stach Entie koninck Ban ende s^n broeder met^ ^ 26020 Entie van der tafelronden, dat wet, Volgeden al tote in Claudas heer"; Daer settedensi hem weder ter weer.' Doe riep Merlyn: »edelehere, slaet nu! Si sijn gesconfiert, dat secgic iu"; 26025 Ende hi voer vor ende Gawyn naer Ende stac'* met enen spere daer Claudase in die slinke syde. Dat hi ter aerden viel tien tyden'* In onmacht, ende hi o verreeten doe; 26030 Maer sine liede" daden daer so vele toe Dat si se geredden daer. Doe sloech hi in den stryt daernaer Te drien'* steden, wet vorwaer, Ende worpene van den peerde neder, 26035 Doch hievene** sine liede op weder; Maer hi was in so groter noet , Dat hi daer wel na was bleven doet. Doe gingensi alle vlien, syt seker des, Pontes, Randoen, ende Frolles, 26040 Ende Claudas. Dese hadden enen raet, Waer hem best te vliene staet. Claudas zeide: »varewy in Deserte nu, Dat is dat vasteste*' lant, secgic iu. Dat ie hebbe, ende dat outste** mede". 26045 Doe si stonden in deser onlede, Sagen si haer liede scedea ende alle vlien Ende vreeslike** iagen, ende mettien** Sloegen* 'si er sovele doet daernaer; Want koninck Bohortes liede, wet vorwaer, 26050 Reden vor tenen passé nu ; Ende alse dander daer quamen, secgic in, Ende over den pas daer meenden ryden. Sloegen* •si er sovele doet tien tyden, Datsi daer lagen met groten hopen. 26055 Claudas ende Frolles sgn ontlopen Ende Randoen ende Pontes mede Met luttel hoep lieden daer ter stede; Ende aUe die nacht, toten** dage toe, So was ene iagerande daer alsoe, 26060 Daer menech doen es bleven doet Ende gequetset ende in groter noet. Dus waren die vier prinsen daer By Merlijns rade gesconfiert vorwaer. Ende doe die iagerande geleden vras, ''ten tyde '"ludc ''to dren *«liovene "'vastenste *»olde8te *»vreslike **mytden *»slogen **tot den. 87 290 26065 Gingensi in die tenten nadas. Die daer in der prayerie stoeden, Die si bewaert vonden van allen goede ^ , Dat daer die viande hadden gelaten; Si makeden hem blyde wter* maten, 26070 Entie koninck Ban leide met hem daer Den koninck Artar ende Grawyne vorwaer, Entie veertich gesellen mede, Entie ach tien nuwe ridders ter stede, Entie van der tafelronden, 26075 Te Trebes in siuen casteel, tien stonden, Daer mense herde wel ontfinc. Ende oec boven alle dinc So waren blide die twe koninginnen Ombe haer' twe heren, die daer na binnen 26080 Comen waren met stouten* gesellen; Men mocht iu die bliscap niet vertellen. Si waren scone ionge vrouwen, Si panden hem sere, met goeder* trouwen. Den koninck Artur te doene ere 26085 Ende sinen gesellen, in allen kere; Wat mag ie iu hieraf tellen veleV Na vele bliscapen , na vele spele , Ginc men slapen sonder bliven , Entie twe koninge gingen met horen* wiven 26090 Slapen met vrouden groet; [noet. Des nachtes speelden^ si der mynnen ge- Ende optie* nacht, secht dhistorie voertan. Dat een kint wan die koninck Ban An Helenen , der koninginnen, vorwaer, 26095 Dat te groten dingen quam daernaer; Ende optie* nacht, des nemet goon, Dromede der koninginnen een* droom Daer si sere verscrickede af mede; Want haer droemde daer ter stede, 26100 Datsi op enen hogen berge was Ende heeste sach, die weiden gras; Ende als si daer hadde geweest ene tyt, So wart onder den beesten een str^t, Ende liepen overeen ende wouden^* son- [der beiden 26105 Dene den ander^* driven uter weiden; Doe sciedensi hem alle geheel, Ende in dene syde ginc wael die twe deel, Entie geleide een groet Ie we daer ; Ende dander geleide oec daernaer 26110 Een gekroent lewe, maer hl en was Niet alsoe groet als dander, zg t seker das ; Entie gekroende lewe hadde, dat wet, Achtien^* gekroende lewekine met, Ende elc lewekgn hadde heerscap" na 26115 Over ene partie der diere, secgie ia; Entie lewe, die niet gekroent en was, Hadde dertich lewekine, sgt seker das, Die alle gekroent waren vorvraer, Ende elc hadde heencap' * van den beesten 26120 Ende doe si gesceden waren alsoe, [daer. Sachsi ten gekroenden lewenwaert doe , Ende daer vierhondert varren'^ waren, By den halse gebonden, twaren. Met enen yseren ringe, ende aten'* nu 26125 Wt ener crebben gras, secgie ia; [stede Ende ombedat den ongecroenden lewe ter Dochte^*, dat beter weide waer'* mede Toten'* gekroenden lewenwaert, So liep hi hem op metter yaert 26130 Van nyde; doe makede hi daernaer Van sinen beesten drie'* kudden daer, Ende liepen daermede op, secgie ia, Den gekroenden lewe, die hadde na Achtien'* kudden beesten daer ter stede, 26135 Ende in elc kudde so was mede Een lewekgn, diese geleide daer. Doe wart die strgt so groet daernaer Onder hen , dat dochte haer alsoe , Datsi nie so g^ten strgt sach doe; 26140 Maer int inde*' waren* * achter gedaen Des gekroenden lewen beesten , sonder [waen; Ende doe hadde die lewe anxte** groet Sine weide te verliesene** al bloet. Ende al die wyle, datsi vochten alsoe, 26145 Dochte der vrouwen, dat quam daertoe Ute haer doen** een groet lupaert, Ende ginc dor ene valleye ter vaert; Doe dochte'* haer, dat haer benam Een nevel, datsi en wiste waer hi beqoam, 26150 Ende doe sine verloes, keerde** si doe Weder ten beesten, die vochten ember toe, Ende haer dochte' * ,dat die gekroende lewe Te quaet hadde; doe sachsi daernaer [daer Enen lupaert uten wilden wonde* ^ komen, ^goeden *uk der *er ^stolten *myt gader *oreD | '*to den '*dre **achteeD **in dat ende •* weren 'spelden *op de 'enen *® wolden *'andern '*achteen , **aDgest **vorlesene **er do **kierde *'wolde. '*hencap '*vaer, Eng. ^2m **etcn '•duchte "'weer ' 291 261 55 Ende ginc die batalie sien ende begomen. Doon hy sacb dat die gekroende lewe aoe Te qiiaet faadde, doe ginc hy hem toe Helpen, ende liep dander' op ter stede Ende dreefne achterwaert mede 26160 So fierlgc, dat hl nie* sint ter stonde Den anderen lewe* gescaden en konde; Ende doe die ongekroende lewe sach, Dat hi niet overkomen en mach Also lange als die Inpaert tegen hem was, 26165 Doe dade* hi den raet tebant nadas, Dat hi den Inpaert met hem hadde daer ; Doe ginc hi weder stryden daernaer, Ende dade den gekroenden lewe* achter soe Ende doen hi al tachter* was, doe 261 70 Dade* die lupaert den ongekroenden lewe Digider te voete* vallen daernaer, [daer Ende hem genade bidden ter stede. Doe wart die vrede gemaket daer mede Tuscen beiden den lewcn, dat wet, 26175 Die al haer leven duerde met. [tien*, Doe sach die vrouwe na den lupaerdemet- Ende haer dochte^ dat was die wt horen Quam, dat hi dat selve waer*; [dyen Dus lach si al die nacht daer* 26180 In desen drome thent'* dach was; Doe si ontspranc , segende si haer nadas, Ende zeide den koninck den droem nadesen, Die zeide dat en sonde niet' ' arges wesen. Doent'* dach was, stonden si op daer, 26185 Ende gingen beide te messe'* daernaer; Doe bat die koninck Ban ter stede Onsen Here'* met groter ynnechede, Dat Hi hem geven soude die'* doet; Dat hi des begeerde'* waer al bloet, 26190 Hi was een herde gotlick'* man; So lange riep hi Onsen Here'* an Ende op so menege t^t oec mede. Dat hi op ene nacht in ener stede In sinen slape hoerde roepen dese woert 26195 Ene stemme: »in bede es gehoert", Ende oec zeide si hem , dat hi sondegen [sonde In overspele , maer si zeide hem houde. Dat hi hem daeraf niet en sonde ontsien. Doe hoerde hi in den drome nadien'* 'den andera "ne *lewen ^dede, vote •to achter •myt den ^dnchte *weer *meer '"went dat "solde nicht **do dat *'to myaae ** heren '•den '•begerade 26200 Die stemme so vreeslyc kry ten daernaer , Dat hi 80 sere verscrickede'* daer, Dat hi van den bedde welna was Gevallen, ende sgn wgf, s^tsekerdas, Want hi gegreepse in den arm doe 26205 Ende si vervaerde'* haer daeraf soe, Datsi lange lach eer si sprac woert. Doent dach was quam die koninck voert, Ende sprac sine byechte ende ginc daernaer Messe horen, ende ontfinc aldaer 26210 Godes lichaem, ende altoes na desen Tallen achte dagen woudi'* gebyechtet [wesen , Ende ontfinc Onscs Heren lichaem met; Entie" koninck Bohort, dat wet, Dade** oec desgelike nu, 26215 Want hi was een goet man, secgiciu. Aldus bleef die koninck Artur sekerlgc Ene maent in den lande van Bonew^c, Ende daden Glaudas lant al woesten daer Ende arm maken, sodat daernaer 26220 Claudas in langen tyden niet verkomen Maer sint oec over menege stonde [konde; Quam hi met Pontes (ende) Anthonys weder Ende metten** koninck van Gaulesseder, Ende verdervede al koninck Bannes lant, 26225 Ende wan hem dat af metterhant, Alse iu dit boec hier na wel sal Vertellen den strgt, groet ende smal. Nu es komen voert die koninck Ban, Ende sprac Merlyne aldus nu an, 26230 Alse van sinen drome ter stede. Dat hem droemde ende sinen wive mede , Ende bat hem, dat h^'t hem wonde** [ontbinden : »Ach, lieve Merl^n, kondy** iet vinden", Sprac die koninck Artur , »dea biddic iu , 26235 Wat hem beiden gedroemt es nu?" »Ja ie, here!'* zeide Merlgn ter stat, Ende doe begonde hi te secgene nadat Hoerre** beider droem, van woerde te [woerde ; Ende alse die koninck Ban dit hoerde, 26240 Zeide hi, dattet*' algader also was. Des wonderde den koninck Artur nadas Ende here** Gawyne wtermaten sere nu, * ^gotlich ' *TeTscrack ' •▼erveerde * • wolde he * * onde de **dede "myt den '*he em dat wolde **konde gy ■•ore **dat dat ■•hera. 292 Ende dachten daer lange op, secgicin. Doe sprac die koninck Artur tote Merlyne: 26245 » Lieve vrient*, gy hebbet ons in scyne Dese* dromc hier also geseit, Datsi beide lyen der waerheit, Nu secget ons wat si bedieden nu, Want w\jt* geme wisten van iu". 26250 Merl^n zeide : >ic sal ia des secgen een deel Maer niet en zecgic des iu geheel; Heer koninck Ban ie secget iu vorwaer, Dat die Ie we, die niet gekroent was daer , Es een prinse, die herde rjke es 26255 Van goede , van vrienden*, syt seker des, Ende sal met* crachte wynnen dan Negen ende twintich konincrike, ende [voertan Sal hise in z^n geselscap doen komen ; Entie* gecroende lewe, hebbic vernomen, 26260 Bediedet^enen koninck machtichende rike, Ende sal onder hem hebben sekerlike Achtien* koninge, die syne man sullen* zijn Entie vierhondert varren* • fijn Betekenen vierhondert ridders mede, 26265 Die alle, by haerre** zekerhede Ende by trouwen, eicandren toterdoet Helpen zullen* in alre noet; Entie prinse, daer ie te voren af zeide, Sal opten ander* * komen sonder beiden* *, 26270 Ombe hem sijn lant af te winnen daer ; Maer hi sal hem weren daernaer; Ende als die prinse onder hevet gedaen Den koninck, so sal daer komen saen Een ridder, die onbekant sal wesen 26275 Ende sal den koninge helpen nadesen, Datten die prinse niet en * * sal sconfieren; Entie ridder betekent in allen manieren Den lupaert die fier es, ende also sal Die ridder fier syn bovenal; 26280 Ende by den ridder sal vrede daernaer Gemaket werden , wetet voi'waer , Van den tween* * prinsen daer ter stede, Entie vrede sal bliven haer** leven mede. Nu wety*' desen droem al bleet; 26285 Ende ie moet nu varen , want ie des noet Hebbe, oec ben** ie te lange hier nu *vrcnt "dessc *wy *vrenden *myt "andc de ■"bedudet *aehteen *zolen ''vaeren **erre **andern * 'beide **nicht **twen **er ''wete gy **bin **Oflf *®dren **vrendinncn **8unte Johans **er Ie hebbe anderswaer te doene, secgic in*\ Doe vragede hem Artur daemare Ocht* * hi hem dat iet bet soude verclaren? 26290 Hi seide , neen hi. Doe sciet hi van daer Van den drien** koningen ende voer daer- [naer Te siner vriendinnen* *, want gy mochtet [horen , Dat hy haer dat gelovet hadde hiervoren Op Sinte Jans^'dach te komene daernaer. 26295 Aldus es hi komen tot haer* ' , Diene blidelike ontfinc alsoe Ende leidene in haer*' kamer doe, Dat des nieman en wiste. Doe vragede sy Herde meneger hande dinc, daer syby 26300 Leerde menege scone konste ter stede ; Want hi mindese** so sere mede. Dat hi verwoeden meende** ombe haer; Ende doe si des wart gewaer**, Batsi hem, dat hi haer leren woude, 26305 Hoe si enen man doen slapen soude ; [daer, Ende Merlyn wiste haer gedochte*' wel Ende vragede watsi daermede woude naer; Si zeide: »ombedat icDyona8e,minen vader, Ende mine moeder, beide gader, 26310 Woude doen slapen, datsi daerby Van iu niet en wisten** no vanmy, Als ie woude iegen iu spreken iet ; Ende wetet wael, si en lieten my leven niet, Wistensi dat ie spreke iegen iu". 26315 So lange batsi hem, na ende nu. Dat eens geviel**, datsi daemare In enen boemgaert*^ gegaen waren Op ene fonteine; daer dede sine doe Op horen scoet liegen alsoe , 26320 Ende cloydene, ende bat hem te leeme daer Man ende w^f doen slapen naer. Hi wiste haer gedochte* * wel , nochtan So leerde h^t* * haer , ende voertan Leerde hi haer drie** namen mede**, 26325 Dat negeen** man mochte in negener** Met haer te doene hebben daernaer [stede Also lange alsise droege** an haer. Ende van dien dage voert doe, Bereidesi Merlyne altoes alsoe **mynnede ze **mende **gcwar * 'gedachte *• wiste "•gevel '®bomgart **danlvcn '*hedat **dre **Eiig. ke taugH kir iij namcs that thiwrote **geen, gcner * 'droge. 293 26330 Dat hi met haer en mochte niet Gedoen dat man met wyve pliet, Ende bierombe 8echtmen,datwijf daeran Ener konste meer dan die Duvel kan. Dus bleef Merlgn daer achte dage, 26335 Maer men vint in negener^ sage, Dat hi oit^ dorperheit sochte an haer Noch an ander wgf daemaer, Maer si ontsach haer van hem alsoe; Hi leerde haer al datsi woude* doe, 26340 Ende si screef dat al; ende daernaer Nam hi oerlof ende sciet" van haer, Ende voer daer die koninck Artur was Te Bonewgc , die herde blide es das. Ende binnen desen* was Gawyngesant 26345 In Glaudas' lant, dat hi verbrant Heeft* ende verwoestet, sonder waen; Maer Claudas en dorste dat niet wederstaen Ende Pontes ende Frolles ende Randoen Deso waren* thuyswaert' gevloen, 26350 Ende si swoeren' onder wegen daeran, Datsi nembermeer( en) minden den koninck No den koninck Bohort oec mede ; [Ban Ende also vro als si des* stede Gonden gecrygen ende moete, 26355 Si souden'^ hem des lonen onsoete. Ende Gawyn ende sine gesellen mede S^n nu enwech gevaren, ter stede, Ute Claudas lande te Bonew^cwaert Stoutelike ende ongespaert^S 26360 Die nu arm bleef ende mat Ende lange t^t was nadat; Maer hi vercoeverde sint , als iu al Dit boec hierna wel secgen sal , Dat des nu swiget, ende secht ter stede 26365 Van Gawyne ende van Merlyne mede. Van Merlyne ende van ChisandoUs , ende van den Keyser van Rome, Daventure vertelt hier te hant, Doe Gawyn verwoest hadde Claudas lant, Ende hi weder ten drie koningen quam. Dat hi Merlyne doen** oec vernam, 26370 Die van siner vriendinnen quam mede ; Ende doe si sagen die grote ** rychede, *gencr, nc *woldc *9ciede ^dessen *hevet "dessc weren 'to hueflwert 'zworen 'des hadden *®zolen **unge- spart **do **groten **da8 '*dre '"mytden *'ir»t, Die Gawyn brachto wt Claudas lande, Haddensi des blyscap menegerhande. Ende doe dese dinc al was gedaen, 26375 Doe bat die koninck Bohort saen Den koninck Artur ende hem allen nades * * , Met hem te vaeme tote Gannes, Datsi alle daden, sonder waen; Daer hevet hi hem grote ere gedaen. 26280 Dus warensi drie** dage daer Met groter feesten , wet vorwaer. Van daer voerensi te Roetselewaert , Daer si doe scepeden metter'* vaert, Ende Merlyn nam ierst* ' te rade daer nu 26385 Die drie* * koninge ende Gawine, secgic iu, Ende zeide den koninck Artur daer, Dat hi in dat lant van Carmelide vaer So hi aller iersten*' kan, Ende neme met hem vierdusent man, 26390 >Die beste te wapene, die gy hebbet nu". » Ja , Merlyn", zeide hi, >en sal ie niet iu Met my hebben te bruetlocht* * daer ?•' Merlyn zeide : »ja ^j, maer wet vorwaer , Ie moet nu varen ombe oerbaer saen, 26395 Mer wet nu wael, al sonder waen, Dat ie daer scire sal syn tot iu". Dus Bciet** hi van den koningen nu Ende voer in den foreest van Romen met- Dat groet ènde wilt es,horewy lyen.[tien* ", 26400 Ende tien** tyden was een keysermet. Die een w^jf hadde, dat wet, Wael geboren ende si was Die luzurioseste , sgt seker das, Die men wiste in enech lant, 26405 Ende si hadde ene dochter, s^ iu bekant , Van den keyser, horen** man, Entie** sere scone was; ende voertan Hielt die vrouwe twaelf* * joncheren daer In vrouwen clederen, wet vorwaer, 26410 Die by haer lagen tot allen tyden [den; Als die keyser niet en was by haerre* * sy- Ende wan haer** dochte**, dat hem soude Baert wassen, dade*' si also houde Met kalke ende met oprimente bede** 26415 Ende in orine gesoden mede. Dit dade si hem striken an den baert, Dat hi hem niet wassen soude ter vaert, irsten '•brutlacht **sciede * 'Romeinen **to der **oren **unde de **twelff **ere, er **dachtc *'dat **inede. 294 Ende si dade hem lanc haer honden' Ende dat gevlochten ende gevonden', 26420 Gel^c dat joncfronwen plegen openbaer, Ende «loyende cleder, wet vorwaer, Ende met hovet cledren' gewonden; Dus gingensi met haer tien' stonden Ende waren lange dus met haer, 26425 Dat men se niet (en) kende; daemaer Geviel*, dat ene joncfronwe te hove qnam Enes Prinsen' dochter, als ie vernam, Des Hertogen dochter van Almanien met, Ende was Avengnable geheten , dat wet, 26430 Ende Frolles haddese verdreven alsoe, Ende si qnam als een knape te hove doe Van allen sticken', ende si was Groet ende lanc , ende si wart nadas Metten keyser onthouden' vorwaer 26435 Yor enen sciltknape lange daemaer, Ende si diende hem so wale, secgicin. Dat hi se makede meester* nn Van synre herberge, ende haddese daemaer So lief, dat hi se ridder* makede daer 26440 Ende dadese metten andren'* batselieren, Dier" twehondert was; daema sciere Wart si drossate van den lande nades'* Ende dade haer heten'* Grisandoles, Maer'* haer gerechte name was mede 26445 Avengnable. Nu geviel ter stede, Dat den keiser op ener'* nacht doe Een droem qnam in slape toe, Dat hi ene grote soch sach gaen In z^n palae, die so groet wart saen, 26450 Dat hi nie des gelgkes en sach , Ende haer borstle' * dochte* ' hem, daer hi So lanc datsi haer sloy den neder; [lach. Si hadde op dat hovet, dochte ' ' hem weder, Ene goudene' * krone, ende hem dochte' * [mede 26455 Dat hi se anderwerf gesien ' *hadde ter stede Ende haer gevoet* " , maer hi en dorstet sec- Datsi al te male s^jn waer iet. [gen niet, Doe sach hi dat twaelf wolve quamen Wt siner kameren , ende gingen tsamen 26460 Al, dene vor dander naer, Metter soch liegen; doe vragede daer * holden, gevolden "cledern 'ten *gcvel •vorsten •stucken 'ontholden •mester •ritter *°andem *»dar noch meren. '*Eng. and aftermadehirttüoardoffall hithnde **hieten **men **ene * •borstelen *'duchte ^•guldene ^'sjeseen **he gcnoet; doch zie *t Sng. I Die keyser wat men metter soch sal doen. Die daer der wolve so hadde geploen ? Doe seide men, datsi niet waerdich(en)waer 26465 Te wanderne onder den lieden , maer Dat van haer kornet (en) sal men niet Eten, ende verrechten* '8e,als mense* *8iet« Te beraen, entie wolve mede; Doe wordensi alle verbrant ter stede 26470 Tenen hope. Dit dochte hem daer, Ende doe ontspranc die keyser daemaer, Maer niet on woud e hi dat secgen nadat Sinen wive in negener stat. Des morgens ginc** hi messe horen, 26475 Ende als hi quam weder vant hi daer voren In sgn pallas sine hogeste baroen , Ende men ginc die tafele lecgen doen Ende gingen eten, entie keyser aat In ener berde groter gedochte** nadat, 26480 Entie barone merkedent** gereet, Ende was hem allen herdo leet, Maer si swegen des al stille, wet vorwaer. Nu hoert van Merline hiemaer. Die alle dese dinc** van den drome 26485 Wiste: hi qnam vor die stat van Bome, Ende makede van hem selven daer Enen den meeeten hert, wet vorwaer. Dien men oit sach, ende voert stoet An sgn rechtebeen een wit voet, 26490 Ende op sgn hovet vgf tacken mede Herde groet, ende liep in die stede Te Bome echtene** hadde geiaget Al die werlt, dus quam hi versaget; Ende doene die liede sagen komen daer, 26495 Wart een groet gerechte** daemaer; Daer liepen hem na groet ende clene Ende iagedene met staven gemene So lange, dat hi qnam gelopen nadat Daer die keyser sat ende at; 26500 Ende doe die dienres* * dat gerechte* * hor- Ende van den herte geware worden [den, Liepensi wt na hem aldaor; Doe liep die hert in die** sael daemaer, Ende spranc op die tafle,daer die keyser aat, 26505 Ende storte den dranc ende spise ter atat; Ende als hi genoech hadde gewesen daer that he hadde seyn Air other timet and that ke hadde Air norrithed «p ** verrichten •*mcn **g:inch * * enen harden groten gedanken • • dat • * dinch * ' ofiPte ene ••geruchte ••deenres ••dat 295 Spranc hi af ende ginc daemaer Vor den keyser ende knielde nu , Ende zeide: » keyser, waerombe denkestn? 26510 Dat es ombe niet*, dune vindes nieman, Die dinen droem dj gedioden* kan Vordat dj die wilde man Dieden* saF*. Doe ginc hi van dan, Maer men sloet alle die doren toe 26515 Ëntie venster' mede alsoe. Doe dit dhert sach, sprac hi die woert Die te sulken dingen behoert, Entie doren entie venster' mede Vlogen alle op daer ter stede, 26520 So vreesljc, datsi alle breken; Ende hi spranc wt na desen teken , Ende vloe weder dor die stat, Ende si begondene te iagene nadat, Ende hi liep weder wter stede daemaer ; 26525 Doe verloren sine ende en wisten waer, Ende doe keerden die liede weder saen. Doe dit die kejser wiste, sonderwaen, Dat hem dhert ontlopen was, Was di des onvro, s^t seker das, 26530 Ende dade kreieren overal daemaer: Die den hert vinge, hi sonde hem daer Sine dochter geven te wive daeran, Opdat hi waer een edelman, Ende half s^n goet, ende na s^nre doet 26535 Soude hgt^ algader hebben bloet. Doe voer daer menech edel ioncheer Den hert met spieten soeckenseer; Maer dat was al arbeit verloren, Dhert en qoam hem nember te voren; 26540 Si keerden* weder som daemaer, Maer wie dat keerde*, wet vorwaer, Grisandoles en keerde* niet* weder; Hi voer in den foreest voert ende weder Achte dagen; ende na geviel^ dat hj 26545 Geheet* was, ende hi viel* daerbj In sgn gebede , ende bat onsen Here daer Dat hi moeste vinden daemaer Dat hi sochte. Doe quam daer saen Dieselve herte, dien si sagen* gaen 26550 Te Rome, ende zeide: »Avengnable, Dattn iages'° dat es grote fable, Da en machs' * volbringen niet d{jn eesch, 'nicht ^geduden, daden 'vinstern ^he dat * kier- den, kierde 'nicht ^ gevel, vel 'gcbedet 'segen **iageit, machst '*melch "wolt ^'Vaer ^^den Maer voer thujs ende breng verkenvl eesch Metten peper, ende melk* * ende honech 26555 Ende broet , ende al heet , dat wet, [met, Ende bringet vier gesellen met ia, Ende enen knecht mede nu. Die dese spise gereden kan ; Ende dit bringet in desen wout' * voertan, 26560 Ende soecket hierin die wildeste stat, Die gj vinden moget, ende nadat Salstu dine tafle daer maken scier Ende dine spise setten bj enen vier**, Daer sal die wilde man komen nadien* ^ , 26565 Ende gj en sult iu niet ontsien"'. Ende doe liep dhert enwech nades, Entes** wonderde sere Grisandoles, Ende sat op sgn paert aldaer, Ende dachte ombe den hert daemaer, 26570 Ende meende** dat dat een geest es, Ombedat hine noemde , s^t seker des Met horen namen , daer si mede was Kersten** gedaen lange vor das. Doe reet Grisandoles in een dorp daerbj, 26575 Ende nam dat hem behoevende sj, Ende vier gesellen , ende es wederkomen In den foreest, daer hi hevet vernomen Onder ene ejke ene** woeste stat; Daer bereidensi haer spise nadat 26580 Ende rechten** ene tafele berde saen, Gel^c hem dhert dade verstaen; Doe gingensi hem bergen al daernaer, Ende Merl^n, die dit wiste vorwaer, Qaam daer gelopen als een wilt man, 26585 Met enen stocke alombe slaende dan Anden enen boem enten andren** mede. Dus quam hi ten vierewaert* *daer ter stede, Entie** knecht, die tvleesch** briet daer, Vervaerde'* hem vreesljc** daemaer; 26590 Entie wilde man began hem nu Bj den viere** te krawene, secgic ia; Daema nam hi dat vleesch** gereet, Ocht hi verwoedet waer. God weet, Ende attet** al te male alsoe; 26595 Doe nam hi dat honech ende warm broet Ende at hem daer so vol over een, [daertoe Dat hi daeraf** geswollen sceen; Doe ginc hi liegen bj den viere** >'ande des ^ 'mende '^kristen ^*in ene '*richten "onde den andern ''ton vnrewert "onde de '*den hert **verveerde ■•vreslyc **vttre '^at ene **dar. 296 Hem wermcn, ende ontsliep sciere' ; 26600 Ende alsc Grisandoles Hach, Dat hi daer ontslapen lach*, Ginc hi daer ende sine gesellen mede ' Ende bondene met ener ketenen ter Htede Ende an enen haren sele vorwaer. 26605 Doe ontsprano hi sciere daerujior Ende meende op syn gestaen Ende sinen stock j^enemen' saon, Maer hi en konde j doe gebeerde hi daer Alsocht hi al verwoedet waer; 26610 Doe namen nine ende settene op een paert Ende bondene an dat gereide ter vaert, Ende diegene sat achter hem dordas, Die an hem gebonden was, En hieltcn in dat middel mede ; 26615 Doe sach die wilde man daer ter stede Op GriBaudolene, ende locch* daemaer, Ende Grisandoles vragedem hemelyc daer. Waerombe hi locch* ende om ander dinge. Maer hi en zeide hem negene* «onderlinge 2t)620 Dan hi zeide: > verwisselde" ende hoversce Gefenijnde , stinckende, ende bedriegersec Verlochendc dijns namen , ie en »al dy Niet secgon vordat ie den Keyser kome by, Daer gy my voeret'". Doe sweechi daer 26625 Ende en sprac een woert niet daernaer; Des wonderde Grisandoles sere nu Ende voerdene alsoe , dat secgic iu , So lange datsi vor een cloester quanten , Daer vele armer liede* saten tsamen, 26630 Die geme broet hadden genomen. Als ai vor die poerte sijn komen, Doe loech* op hem die wilde man; Doe sprac hem echt Grisandoles an, Waerombe hi loech*; doe zeide hi daer 26635 » Deelde* gepareert, wet vorwaer, Wt uwer figuer*" en berecht** ie niet iu Vordat wy vor den Keyser komen nu". Doe sweech Grisandoles ter steden , Ende sijn also voert gereden 26040 Vor ene capelle, daer men messe las, j Ende Grisandoles becte** nadas [ren; Ende sine gesellen ende gingen messeho- Daer vondensi enen ridder** ende sinen [knape voren, 'schirc *was 'genomen Machgede *gene dinge •verwesselde 'voret "lude •belde **'Eng. t/ma^/e rüpalred and ditiiatHred frv kytuic ''bericht ' *beitc j '*ritter '*iuide des »»dü hc dat »"ginck *'deu Die quam besien don wilden m^n, 26645 Die vaste gebonden was yoertan; Des hadde hem wonder, wat dit was. Entes*^ ridders*' knape gaf doe nahere, hier gevic iu openbaer Enen wilden man, ende houten voertmeer. Want hi es mi suer worden seer Eer icken gekreech, dat secgic iu". Die Eeiser zeide, hi soudet hem lonen nu, 26710 > Enten* wilden man sal ie dat lonen daerby Opdat hi oec bliven wille met my". »Ja ie", zeide doe die ?^lde man. »Ende hoe* mach ie des geloven dan", Zeide die keyser, >dat du met my 26715 Hier wils* bliven?"— »Ic secget dy", Sprac die wilde man, >ic salt nu By mgnre Eersthede* sweren in". ^ Ja, bistu Eersten**?" sprac ^ * die Eeyser »Ja ie", zeide hi, »8onderwaen; [saen; 26720 Maer een wilt man wan my vor das, Daer myne moeder^* verdeelt was In dat wout** van Broceliane; Daer quam haer** een wilt man ane Ende lach by haer ende wan my daer, 26725 Ende daerna onstal sy hem vorwaer Ende quam weder te lande nadas; Ende doe si van my bleven i^as, Dade sy my kersten** doen na dien'*; Ende doen ie groet was gincicspien** 26730 Hoe' ie comen mochte in den wout**, Want myne natuer droech my menech- Na mynen vader; dus liep ie dan [fout* ' In den wout oec als een wilt man 'lachgcdc doch ■bcdregenisse »Eng. Tmage repeyred By der naturen die ie ontfinc an hem; 25735 Nuhebdygehoerthoe'icEer8ten**bem**". Die Eeyser zeide: »ic sal ontbinden iu, Wildy my hier geloven nu. Dat gy my niet en sult ontgaen". Ende hi gelovedet den Eeyser by trou- [wen** saen. 26740 Doe zeide Grisandoles den Eeyser daer Alle die dinc, van voer van naer, Die den wilden waren** gesciet ter stede. Die Eeyser vragedem om sine dinge mede Ende ombe ander, die hi sonde weten [geeme* * 26745 Merl^n zeide: »ic en denkes iu niette [weeme**. Maer ontbiedet hier al uwe baroene**, My en staet** des anders niet te doene* *, Ende vor hem allen sal ie iu maken bekant luwen droem ende ander dinc te hant'\ 26750 Doe ontboet die Eeyser sine baroene**, Dier** daer menech quam te dien doene* *, Ende doe si alle vergadert** waren, Doe vragedensi den Eeyser daemare, Waerombe hise hadde ontboden nu? 26755 >By Gode, gy heren, ie secget iu: My hevet gedrometT vremde** dinge, Entie** sonde my dieden** sonderlinge Dese wilde man, die hier staet nu; Nu en wil lic des niet doen sonder iu 26760 Ende wil, dat gy alle hoert** toe, Ende hierombe heb ie iu ontboden alsoe". Doe zeide die Eeyser ten wilden saen: •Wildy my iet*" laten verstaen Van mynen doene, des biddic in". 26765 »Ja ie", zeide die wilde man nu, »Doet die koninginne komen ter stede Ende al haer joncfrouwen mede". Doe dade** mense alle komen daer, Doe zeide Merlgn saen daemaer: 26770 »Heer Eeyser, gy moet geloven my Vor alle iu barone hierby. Dat gy my vry wilt houden nu Ende quite laten gaen van in, Ie sal iuwen droem ontbinden dan". 26775 Doe gelovede hgt** hem vor alle sine man. **wolt **er **dcn * •speen •'manichfolt **ben **tru- temblauHce of ereature wherby men ben tlayn and ' wen * 'weren **geme, weme **barone, done **8teet diffouled rasour trenchaunt *niyMien *8cen *undeden 1 *Mer »*vergoddert *»vrocmde **nnde de **dad«ii 'WO *wiUe8t •kristeide * «kristen ''sprach "moderl ••horen **ieht *»dede *»he dat. 88 298 Boe zeide die wilde man: »here, by troa- Gy laget* hiervor by uwer vrouwen [wen, Ende iu droemde, dat gy soget* daer Ene Boch met borstelen daernaer, 26780 Ende hadde op dat hovet enen goadenen* Ende zeide also voert al die dinc, [rinc"; Geljjc gy hoerdet' hier te voren. Doe hi dat gesecht hadde al dorentore*, Zeide hi: >heer Eeyser, wat dnnketiu, 26785 Hebbic my iet mesgrepen na?" »Neen gy, een woert niet'\ zeide hi doen. »Here!" zeiden doe die baroen, »Sint dat hi dit so wel hevet geseit, So aal hi iu secgen die waerheit, 26790 Wat die droem bedieden* kan". »Sekerlike", zeide doe die wilde man , »Ic salt iu 80 ontbinden nadien , Dat gyt* metten ogen sult sien". »Nn secht dan", zeide die Eeyser doe. 26795 »Geme, heer", zeide hi, »nu hoert hiertoe: Die 80ch, die gy saget^ ten beginne. Dat es iu w^f, die Keyscrinne, Entie borstole bedieden* ter stede Haer* lange sloiende cleder mede, 26800 Entie rinc , dien sy hadde op dat hovet, Bediedet* iuves wives krone, des gelovet; Ende waert* iu wille, ie swege hiermede". Die Keyser zeide: >quitet iu ter stede Tende uwer** sekerhede". Doe zeide hi 26805 ^Die twaelf wolve* *, here, nu hoert,[voert. Die gy wt uwerkameren8aQ:et* komen, Sjjn** dese twaelf joncf rouwen, hebbic [vernomen , Die iu vrouwe onthout hier nu; Maer si en sgn geen joncferon* ' secgic iu, 26810 Tsyn*^ alle man; nu doetse dan Ontkleden, so wety** die waerheit daeran; Ende wetet wel : als gy hier niet en s^t, So licgensi by haer taller tyt; Nu hebdy uwen droem gehoert". 26815 Die Keyser en konde gespreken een woert, So was hi tonvreden ombe das, Dat hem sgn wgf so ongetrouwe was. Doe sprac die Keyser te Grisandelise : >Ontcledet my dese in alre wyse, * legen, segen 'guldenen 'hoerden ^dorund doren *bedi^en 'gy dat ^er •bedudet 'weert '"undeuwe; £ng.: yow behooeth io sey all at it is yef ye wiU be qtufté of your promytó **walve *»8in **jonferen 26820 Ie wil, dat myne barono den". Entie drossate dadet mettien, Ende doe si ontcledet s^jn daemare, Sach men datsi alle man waren; Des wonderden alle sere daer. 26825 Doe vragede die Keyser daernaer Gemeenlyc alle die baroene, Wat hom daermede stonde te doene, Ende si berieden hem lange omdat; In tlest droegen'* si overeen ter stat 26830 Dat mense bemen sonde openbare Omdatsi horen here ontrouwe*^ waren, >By desen** hebben sjs** verdient wel'* ; Daema en dade** die Keyser niet el*', Dan hi hiet dat vier** maken gaen 26835 In mydden der* ^plaetse. Men dadet* ^saen, Ende hi dade die Keysorinne daernaer Haer hande binden ende werpen daer In dat vier**, ende al dander** mede, Ende dadese daer verbemen ter stede 26840 In mydden den hof na die sake. Aldus so nam die keyser wrake Over s^n w^f ende dander met. Doe wart die niemaer* * groet, dat wet. Over al in dat lant van desen dingen; 26845 Daer prysde menech sonderlinge Den wilden man, ende zeiden aldaer, Dat hi een groet** waersager waer. Daema bat hem die Keyser vry. Dat hi hem secgen wonde, waerby 26850 Dat hi loech** so sere gereet, Doe hi vor die abdye leet, Ende vor die capelle, daer hi oec loech**, Daer die knape ainen here sloecb , Ende oec loech** hi doe die Keyserinne 26855 Quam gegaen ter salen** inne, »Waerombe dit was, des biddic iu, Dat gy my dat «ontbindet* * nu". Doe zeide Merl^jn: »van desen saken, Here, so sal ie iu vroet maken: 26860 Dat ierste , dat ie loech**, here, dat was Ombedat my eenwyf vinc**,8ijt sekerdas, Met hoerre list, met hoerre kracht, Endet** allen mannen daer ontvacht; Ende wet wel, dat dese Grisandoles **Dat 8^0 **wete gy **drogen *'ontrawe **de8M *'ze des ''wal '*uQde de "al ''vuer **de, dedet "anderu "uiemeer *^guet "lachgede "lachgede oech '**teu sale '^oatbinden "veak "imde dat. 299 26865 Een dat scoenste w^jf es Van allen uwen lande, ende es nn Een reine maget, dat secgic in. Ende vor dabdye loech ie mede Ombedat die meeste scat daer ter stede 26870 Licget^ vor der poerten ende daerop saten Diegene die baden* der karitaten, Ende ombedat meer onder horen voeten Goedes, dan op desen dach [lach Dabdye al te male waert es. 26875 Ende Grisandoles, sgt gewes, Die Avengnable hetet* met trouwen , I4a den name van ener joncfrouwen, Si vragede my mede wes ie loech*, Ende ie antworde haer^bedectlike genoech, 26880 Ende liet haer* verstaen ter stede, Hoe* si haer* verwisselt' hadde mede Tenen manne , wantsi een w^f was ; Des versprac* icse hemel oke* dor das, Ende al die woert, die ie haer zeide, 26885 Syn waer; want na der waerhede Es** by wyven bedrogen menech man, Ende menege stat verloren voertan, Ende menech lant gedestraeert; Maer ie en secget niet ombdatmy deert ^6890 Enege dinc an haer, oehte** dat es Enege quaetheit an haer, s^t seker des; Ende gy selve moget dat wel* *merken nu, Dat menech by wyven es, secgic iu, Gehoent; maer en roeket iu niet 26895 Van uwen wive, al es dit gesciet, Si haddes wel* ' verdient, ende om die sake En doet op ander wy ve negene* * wrake, V9^ant die wgf s^n dunne gesayet dan, Si en syn iet gemaseertan enegen man; 26900 Ende embermeer** also lange staet Die werlt ende oec vorwaert gaet , Sal si ergeren ie lane so meer, Ende dat sal sgn van sonden, als ie zeide Die van luxurien komet mede, [eer, 26905 Want dat wgf hevet ene sede: Al hevet si den besten man die es In der werlt, so meentsi dor des Den quadesten hebben , die es mede ; Dit komet al van haerre broeschede 26910 Die in hem es; maer om dit en sgt *leget "beden 'liict *lachgede doch *er *wo, 'verwesselt •vorsprac 'heimelike "•is **oflftc **wal **gene * ^ombermeer **op de '•getruwe *'xin gy Optie** wflf (niet) verbolgen nu ter tyt, Want men sal noch genoech vinden met In der werlt getrouwe**, dat wet, Ende al zydy** bedrogen in ene nn, 26915 Gy sult noch sulke vinden, secgic iu , Die wel waert sal sgn oec mede Keyserinne te s^jne in deser** stede, Ende wildy hier geloven voertan , Gy sult daeran winnen mogen dan. 26920 Ene prophecie secht nu, sonder liegen , Dat die grote drake sal vliegen Wt Rome, ende** sal winnen ter stede Dat konincrike van Bertanien destmeren* * [mede Ende trecken tsiner heerscap, dat wet, 26925 Ondankes der tortelduven met, [al; Diene onder haren vlogelen gevoedet heeft Ende also vro alse die drake trecken sal, Ombe te vaeme op dat grote Bertanien So sal hem tegen komen daemaer [daer, 26930 Een lewe ende tegen hem vechten alsoe, Dat daer een fier varre** komet toe Ende overmoedich**, dien die lewe aldaer Brocht hevet, die den drake daemaer Doet sal steken met sinen hoeme; 26935 Daerby sal die lewe van sinen toerne Delivereort* * werden ; maer ie en sal iu Niet seggen wat dat bediedet* * nu , Dat ie iu gesecht hebbe mede, Want ie en ben' * des niet sculdech ter stede 26940 Tontbindene; maer dat sal gescien** By uwen tyden; nu hoedet van dien Ende van quaden rade, want des vele An iu sal gaen van desen spele. Ende voert dat lachen, dat ie dede 26945 Vor der capellen, en was niet mede Ombe die buffe, die die knape gaf Sinen heren, maer dat was daeraf Dat des*' knapen voet**, sonder waen, Als hi die buffe gaf, gine weder staen 26950 Op enen groten scat , ende ombe die dinc En achte hi des niet alse hi daerop gine; Want die buffe betekent overmoedechede, Ende ombedat men by groter rychede Alles dinges vergetet ende nieman**en 26955 Ja, ombe God** en gevet men twent [kent '•dese •*romenieii de **8tnieren *' verre **over- modech **Toliveriert **bedudet **bin ''gescheeld * 'onder des *• voeten "*neman ••Got. 800 Noch ombe sine moeder niet te' mere Dan die knape dade om sinen here; Ende rochelt maket die liede loes Ende ongetrouwe* mede altoes , 26960 Ende als hem iet gesciet met ongevalle Versweert hi Gode ende sine Heiegen *alle, Ende secht dat Hi des ondanc hebben moet Van dien dat Hi hem doet, Ende dit doet die o?ermoet in sc^n^ 26965 Ombedatsi in dat goet gewortelt s^n. Dander bafie , daer ie om loech* ter stede, Bediedet die rike persemer* mede, Die hem badet in syn goet ter nren Ende gaet scemen op sine geboren, 26970 Ende hi leent geit om wederloen Ende wacht ende beit, dat es sgn doen, So lange dat hine mach gevaen , Ende als hine gevangen heyet,Bonder waen, Wil hi, dat sine hebben ter vaert', 26975 Dan gevet hem diegene dat hi begaert-. Die derde buffe, in allen manieren. Betekenen die valsche pleidieren, Die haer gebaren verkopen mede Van nide, ombedat si, in eiker stede, 26980 Hem wel proeven ende niewer af ontsien; Ende als die pleidiers weten van dien, So soeckensi valsce dinge dan, . Die si hen mogen tyen an , Ende gaense bedingen, ombedat sy 26985 Van den horen* willen hebben daerbj; Daerombe secht men: een quaet gebaer Maket sinen ombesaten haer leven sner. Nu wety van den boffen, twaren, Waerombe datsi gegeven waren; 26990 Maer God, die weet alle dinge, Hi liet dit gescien sonderlinge, Ombedat hi wonde dat die mensce nu Ombe dese dinge merkede , secgic iu , Ende als hi ansage* openbaer 26995 Dosdane dinge, dat hi daernaer Hem'* oetmoedigen soude^' daer ave, Want rychede ende grote have En es niet dan der sielen doet, Want dat bringetse in des Dovels scoet. 27000 Ende wety** waerombe ie loech* mede Doe die Keyserinne quam hier ter stede *nicht de 'ongetruwe 'hilgen ^schien *lachgede *per« Bemart *vart, begert *oren *aiizege ^®om "solde **wet€ gy " Banden **to on werden ** mende '•ore Met twaelf ribanden, secgic iu? Dat ie doe loech, was anders niet nu. Dan ombe haer sonden*', ende haer ton- [waerden mede, 27005 Ombedatsi enen goeden man haddeter Ende si met twaelf ribaoden was, [stede Dien si haren lichaem leverde nadas, Ende si meende** al hore tyt Dus hebben gelevert, des seker sgt, 27010 Dat des nieman en** aoude weten, lude [no stille, Ende dit was my leet dor uwen wille Ende ombe iu dochter , die seker uwe es; Ende wet oec wel, datsi nades Der moeder** niet slachten en sal. 27015 Nu wety myn doen groet ende smal, Ende waerombe dat iet** hebbegedaen. Nu willic enwech varen saen". Die Keyser zeide: >blivet noch by my, Want ie wil weten ocht** datwaersy 27020 Van Grisandolise ende van denscatte*'. Entie wilde man lovede wel datte; Ende men dade Grisandoles ter stede Vor den Keyser nu ontdeden; Doe vant men daer ter waerheit das , 27025 Dattet** een herde sooen wj^f was. Des wonderde den Keyser berde sere; Doe vragede hi den wilden man noch mere. Wat hi doen mochte mettien. Want hihadde hem sine dochter vor dien 27030 Gelovet te wive te gevene ter stede, Ende half syn konincrike mede Ende na s^nre doet al, God weet, »Want ie wil verhoeden** mynen eet*\ Doe zeide Merlyn : «dat sal ie seggen in 27035 Opdat gy mynen raet wilt doen nu, Ende hi en sal iu oec niet quaet wesen". Die Keyser zeide , ja hi ; ende na desen Zeide Merlyn doe: »so radic in Dat gy Avegnablen trouwet** no 27040 Tenen wive, want s^t seker des, Datsy Mathenes dochter es Des hertogen van Salemen mede , Entie hertoge Frolles hevetse ter stede Ontervet, enten** vader enten** sone 27045 Entie** moeder'*, ende ombe datgone **neman '•moder- **ik dat ««off **dat dat •*Tor- hoeden **trawet *^Saleerne **iuide deo ** oude de. SOI Sijn* si in Provincen in ener stat Alle drie* gevloen ombe dat; Nu doet se eoecken* ende doet bem nades Haer erve geven, dat bem genomen es 27050 Met onrecbte , ende gevet den sone dan luwer* dochter tenen wettegen* man, Want hi es vrome ende scone mede''. Doe dit die barone boerden ter stede, Gingensi te rade ende vingen an 27055 Dat bem genet die wilde man. Die Keyser vragede doe, boe' bi biet daer Ende wanen ^ dbert quam daemaer: »Here, swiget des, des biddic ia!" >Zuld7* ons iet meer secgen nu?"' 27060 Sprac die Keyser. »Jaic, here", zeideby »Van den gekroenden Ie we* vry Ende van den wilden drake* fiere Sal ie in secgen een ander maniere, Ombedat in te bet gedenken sal; 27065 Dat es waer die prophecien secgen overal. Dat die grote ever van Rome, die es Betekent (by) den drake*, sgt seker des , Sal tegen den kroenden leve komen daer In dat bloy Bertanien**, wet vorwaer, 27070 Boven dat gebot der tortelduven mede Metten goadenen^ ^ hovede, die ter stede Sal bebben geweset sine amye; Maer dever ende sine partye Sal willen so overmoedicb wesen, 27075 Dat bi in Gkiale sal komen na desen Vecbten tegen den gekroenden lewe* fijn, Die met allen sinen beesten daer sal s^n , Ende daer sal een kint des lewensaen Den ever doden, sonder waen, 27080 Ende daerombe bevele ie ia , by trouwen, Dat gy niet en doet tegen *t gebot uwer [vrouwen'*. Welke t^t dat gy se gekroent bebbet nu ; Ende en doedy' * des niet, dat secgic iu, Dat sal ia scaden dickewile seer; 27085 Nu gevet my oerlof, des biddic iu , beer, Want iet* * nu hebbe gesecbt vorwaer*\ Doe gaf bem die Keyser orlof daer, Ende eer die wilde man enwech ginc , Screef bi an die dore, na die dinc, 'sint *dre 'soken ^inwe *wetegeii *wo ^wtimen *zolegy 'leweo, draken '•briUnie '^goldenen **vro- wen ''doe gy '^ik dat '*den sale '*dade '*den "unde de ''loiede **meit«r *'bniUaeht **gefleie- 27090 Van der salen'* in ebreescer tale: >Ic make kont bem allen wale. Dat die wilde man was Merlgn, Die sinen droem diede* * den Keyser fijn ; Ende oec was bi dbert mede, 27095 Dien men iagede dor die stede Entie'* tegen den Keyser sprac, dat wet, Ende tegen Grisandoles in den bosce met". Doe sciet'* bi van daer, dat secgic iu, Ende ginc te Blasise , sinen meester' °, nu. 27100 Van Merline latic nu die woert, Ende secge iu van den Keyser voert. Van des Keisers bruetlocht*^ van Rome. Daventure secbt, doe Merlyn was Gesceden** van daer, dat nadas Die Keyser dade*' soecken*^ allegader 27105 Avengnablen moedei ende vader Ende boren broeder Patriase mede; Ende te Mompelier, in der'* stede, Vant mense, ende brocbtse te Rome nu ; Des was men daer blyde, secgic iu, 27110 Dat baer avonturen dus syn'* vergaen, Si waren te Rome wel ontfaen, Haer" docbter dade bem feeste groet. Die si meenden'* dat ware** doet; Die Keyser dade bem weder bebben baer* ^ 27115 Oec dade bi sine docbter nemen tbant [lant, Patriase, ende by selve nam mede Avegnablen daer ter stede. Daer was die bruetlocbt* * groet vorwaer, Entie'* vrouwe verdiende* • daemaer, 27120 Datse die barone lief badden nu; Ende binnen der feesten, secgic iu, Quamen" boden van Griecken** gereden, Want die Keyser Adriaen, nu ter steden. En mocbte niet meer riden no gaen , 27125 Ende daer es een groet twist bestaen, Dat bi dat dade berechten** mede; Dat zeidensi den Keyser daer ter stede Van Rome, want dat onder hem was. Doe namen die boden orlof nadas, 27130 Ende quamen ter dorewaert gegaen , Daer si die letteren sagen *^ staen, den »»dede »»w)ken **de ••zmt *^er ••menden were *° verdiende *'qQemen **greken *'berichteQ aegen. 802 Die Merl^Q hadde gescreven daer; Si lasen^se doe, ende daemaer Keerden^ si weder ten Eejaer toe, 27185 Ende zeiden hem ende ontbonden doe Wat die letteren epraken' daer, Ende dat Merlyn was, wet vorwaer, Die hert entie wilde man Die sinen droem daer diede* voertan, 27140 Entie meeste raet ee mede Des koninck Arturs yan Bertanien* ter Doe segende hem die Kejser daer. [stede ; Doe gesciede daer een groet wonder naer, Want also vro alst hem was doen verstaen, 27145 So waren die letteren al vergaen; Des wart grote niemaer* in dat lant Van den wonder, dat men daer vant Gescreyen, dat Merlgn mochte wesen. Hier swiget dit boec nu van dcsen, 27150 Entie Keyser leide Toert een blide leven Van den wive, die hem wasigegeven, Ende sgn docht-er was blyde daeran Oec ombe horen goeden man. Dus laticse haer blyscap drjven 27155 Ende sal iu voert van Merlyne scryven , Die te Blasyse es komen nu , Diene blidelike ontfinck*, secgic in. Daer tellede hi Blasise alle die dinge. Die te Rome gescieden sonderlinge, 27160 Ende hi zeide hem van den x koningen Ende van den hertogen die daer* [naer* Vergadert s^n , ende optie Sennen mede Willen varen vor Clarence, die stede, Ende hi telde hem van den groten stryt, 27165 Die vor Trebes was ter tgt Tegen Claudas ende tegen FroUes, Ende tegen Randone ende Pontes (ende) [Antones**; Ende hoe^ * die koninck^ * Ban enen sone* ' Hevet gewonnen, ende dat diegene'^ 27170 Sal dimmen boven allen desen, Die in sinen tiden sullen wesen. Doe settet** Blasys in gescrifte daer, Ende by hem wetewy dat vorwaer; Maer wy laten** hieraf die tale blyven , Meaen "kierden •spreken *dude *britanien 'ont- fenck ^daer; Eng. and ajler he tolde hym 'daernaer •op de '®hier volgt een overtollige vereenzaamde dichtregel «^dar de dre koninge tegen vochten twaren" "»wo **koninch **8one dacrnare ** degene **8ette dat **latet ''solen **tgn **baronen **wo **8eget 27175 Ende sullen* ' van den twaelf* • koningen [scryren. Van den ttüoel f koningen**^ ende hoe** ri streden tégen die Sennen, Nu secht** dhistorie hier ter stede Van den xij koningen enten** hertogen Doe siquamen*' buten Cambenike, [mede Namen *^ si raet gemeenlike , 27180 Hoe si haer batalien souden ordinieren'*. Dierste*' batalie leide van den heren Die koninck van den C. ridders voertan, Ende hadde met hem achtedusent man; Dander leide van Norgales 27185 Tradeliant, dier sevendusent in es. Die derde leide van Sorgales Belinan, (Sgn broeder, met sevendusent man)**; Die vierde Carados, die koninck, Sevendusent man had hi in waredino; 27190 Die vgfte leide die koninck Brangores, Daer er oec sevendusent in es; Bie seste leide die koninck Clarioen, Hi hadder sevendusent in sgn doen: Die sevende leide die koninck Ydier 27195 Met achtedusent ridders* *fier; Die achtede leide die koninck Uriens mede Met achtedusent man** ter stede; Die negende leide die koninck Anguisant Met sevendusent man** valiant; 27200 Die tiende leide die koninck Loth ter stede, Die B^n wgf verloren hevet mede Ende sine kinder, die so droevech** es, Dat hi liever hadde, sgt seker des, Te st«rvene dan te levene nu, 27205 Want hi hadde groten scade , secgic ia, Wael van veertien* *dusent man* * vorwaer, Die hi hadde eer dat orloch begonde daer, So wasser hem luttel g^t bliven doe. Delfte bataliê leide alsoe 27210 Die koninck Ventres** van Qarlot nadas, Die herde erre ombe sinen sone was, Ende hi hadde oec sevendusent man; Ende die twaelfte leide voertan Dhertoge Escans van Cambenyc 27215 Met sevendusent man** sekerlyc. **Qnde den **quemen **nemcn **ordinierai "'de irste *'Ëng. the eynghB.ofSouth'WaU3,hiMbrother, wUh v{fi* man of arme» **ritter8 **mannen **dio- ▼ech * Wierteen *'maiii **nentre8. 303 Ende doe si alle vergadert^ waren, Droegen 'si overeen daemare, Datsi by nachte wouden* ryden £nde also vor Glarence tyden , 27220 Ende haer viande aldaer bestaen; Want si hebben liever, sonder waen, Alle te stervene daer met eren Dan te levene met onneren. Doe ginc elc te siner tentenwaert, 27225 Ende gingen sopperen mettervaert, Ende bevalen* haren lieden', sonder bei- Datsi hem wapenen ende gereiden, [den, Ende varen enwech met haestecheden. Nu was daer een spiere komen ter steden 27230 Van heren Godebrandes wegen nu, Die al hevet gehoert, secgic iu. Dat die barone hebben geseit. Ende ginc so hemelyc* henen gereit, Dat nieman* van hem en konde verstaen; 27235 Ende hi reet henen haestelyc saen Tote Glarencen vor die stede, Ende vertelde* sinen heren mede Hoe* die prinsen vergadert waren , Ende hoe si overeen droegen daemare, 27240 Datsi hier sullen komen sonder fijn. Doe vragedi, hoe'vele datter mach sgn ? Diegene zeide: »sestechdusentomtrint'\ Die en achten die Sennen niet een twint^*, Ende hadde hem onwaert , dat hem nu 27245 Daer meer soude wapenen, secgic iu, Dat dat vierde' 'deel van haren lieden daer; Maer des nachtes daden si hoede daernaer Ende daer waren twintech koninge tien [tyden , Die hem niet wilden' * wapenen ten stryde 27250 Ombedat hem niet hadde die' ' pine waert. Entie Kerstene'*, die wel be waert Waren, reden so lange stonde, Datsi quamen, op ene morgenstonde, Daer die tenten entie pavelonen nadat 27255 Geslagen waren vor die stat; Ende twas donker genevelt doe, Endet begonde te regenen toe, Sodat die viande om dese dinge Te lange lagen'*, ende onderlinge * bevelen **WVüt *ludeu "fierde 27260 Sliepen, ende was hem om d weder swaer ' • . Ende doe die Eerstene sagen, dat daer Nieman* uten tenten quam nu. Deelden'* si hem in drien'*. secgic iu, Ende sloegen'* met sporen ende velden 27265 Die tenten entie pavelone** vorwaer,[daer Ende sloegen al datsi ervoeren" doet. Daer wart nu dat gerechte so groet, Daer bleef menech Senne doet nu Van dien die dat hoeden, secgic iu, 27270 Eer die ander bereit waren doe**, Die hem gereiden ember toe**; Ende mettien datsi bereit waren, Synsi** optie barone gevaren, Entie barone hem weder iegen ; 27275 Daer wart menech** doet geslegen. Doe dade** groet wonder onder hem daer Die koninck** van den C. ridders vorwaer. Want hi dogede sovele nu. Dat hem en bleef heel, secgic iu, 27280 No scilt, no helm, daer ter stede, Dat en waer** al dorhonwen mede. Ende alle die Keriftene**, sgtsekerdas, Daden** so wel**, dat wonder was. Daer was die strgt sterc ende swaer, 27285 Doe stredensi toten avende daer. Doe hadden die Sennen" onwaert saen, Datsi mochten iegen hem staeo , Ende daden haer businen blasen daer, Ende makeden so groet gerochte naer, 27290 Dat men dat hoerde ene mile wel. Doe kwam hem te helpe'* een koninck fel Met tiendusent* * man ; doe moesten saen Die Eerstene** daer onder gaen, Ende worden gesconfiert alle daer; 27295 Ende en hadde die nacht gedaen, vorwaer, Si waren daer alle bleven doet; Die Sennen jagedense met groter spoet, Tote dattet hem** die nacht benam; Des waren die Sennen herde gram , 27300 Datsi hem dus ontvaren waren; Si keerden weder sonder sparen, [gemake; Ende ontwapenden hem ende waren te** Si en duchten hem nu van genersake, Ombedatsi die twaelf baroene * vergadde rt * drogen * wolden •hiemelyc ^neman •vortelde *wo "■wolden "te "unde de kristenen "legen "Eng. and thei tokc noott Jkedde that etuf pepU thotdö coate "denSeyneu "to hulpe *'mn '^datdat **werento. on hem at toche tijme "deilden '*dren "slogen * 'loten **ervoren **nu, to **»inze **manicli **daer dede "kon inch "'weer ■"cristenen **dedent "wal 3M 27805 Gesconfiert hadden in desen doene, Des warensi verstoutet te* meer Ende dander waren des te* blode weer*, Ende Toeren thuiswaert, elc baroen, Ende en wisten daer wat te doen. 27310 Ende al deee wile dat dit gesciede, Quam die koninck' Artur, ende sine liede^, Tote Rotsele. als ie iu zeide, [beiden, Ende voeren over ende sceepten*, sonder Met vierdoBent man* te Carmelyde daer; 27315 Ende als si quamen* Tomasse so naer In twe milen, doe vernam dat Leodegan, Die tegen hem voer met menegen man, Ende ontfinck den koninek Artur hoveslike; Si onderknsten hem vriendeiike*, 27820 Ende voeren te Tomasse in die stat, Daer men dansede ende reyede, wetetdat; Ende ander spelen waren* daer te samen, Daer si met vrouden tegen hem qnamen, Ende menege maget , scoen ende vroet, 27325 Quam den koninck Artur te gemoet; Entie** batselier joesteerden daer Dene iegen den andren", wetvorwaer, Entes* * koninck Leodegans dochter mede, Jenovre, quam daer ter stede, 27380 Ende als si den koninck Artur sach, Liepsi hem tegen , al dat si mach , Met oplukenden armen, ende helseden daer Vriendeiike*, ende custen daemaer, Ende bieten wellekome** alsoe**, 27335 Daer si alle sagen** toe**; Si biet sine gesellen wellekome* * wesen ; Doe nam sine by der bant mettesen*^ Ende leidene in die** sale daemaer, Ende gingen sitten spreken daer 27S40 Met groter feesten, ende binnendien Ginc men ombe een eten sien. Doe quamensi voert ende men ginc eten, Ende na den etene**, suldy** weten, Vragede die koninck Leodegan, alse boude 27345 Den koninck Artur, welke tjjt hy woude Sine dochter doen onder trouwe daer? Die koninck Artur zeide daernaer: »Ic ben** daerombe komen gereet, Maer* * ie moet een luttel beiden, God weet, 27350 Na enen mynen vriende * * ,dien ie hebbe nu, *de * wesen 'koniuch Mude ^scepten 'mans 'que- men "vrendelikc •werrn *®undede **ftndcm '*unde des **wilkome **alio, to **iegen "willekome Ende eender hem, dat Becgie in, Sone doe ie dat niet geme", seide hi dan. »Wie es dat?** zeide Leodegan. »Dat es Merlgn". Doe zeide Gawyn saen : 27355 >Oem, dat es berde wel gedaen, Ende zekerlyc oec elc van iu heren Souden** hem met rechte nn begeren, Ende hi sal sciere komen, hopic daerby**, Die koninck Artnr zeide: »gelovet my, 27360 Dat hi sciere hier sonde** weeën". Doe zeide Gawyn: »wy sullen** nadesen Beiden achte dage hier alsoe**". Ende binnen desen waren doe Die tafelen gereet, ende men ginc eten; 27365 Ende na den eten, suldy** weten, Ginc men slapen, ende beide daemaer Aldus achte dage na Merlyne daer. Nu laticse beiden aldus daeran, Ende sal iu secgen van den koninc Lot dan, 27370 Die vemomen hevet, dat «gn wgf Te Logres binnen es, sonder bl^f, Ende sgn jonge sone Mordret, Ende dat Gkwyn ende sine kinder met Gesworen hebben, dat hi nembermeer 27375 Sgn wyf en gecriget , hine sal eer Den kooinckArturmanscap hebben gedaen, Ende dat hi negeen** so quadeviande, [sonder waen, En zonde hebben alse hem vorwaer; Oec was hem vertelt daemaer, 27380 Dat die koninck Artur hadde gestreden Tegen den koninck Clandas, ter steden, Ende iegen Pontes ende Randone, Ende iegen Frolles, ende al diegone Sconfierden vor den casteel van Trebes, 27885 Enten** koninck Ban ende sinen broeder Al hoer* * lant hevet weder gegeven ;[nade8 Ende hoe* * hi daervor oec hevet verdreven Den koninck Rione vor der stat Van Deneblase, ende oec** dat 27390 Die koninck Leodegan hem gaf daemaer Sine dochter te wive openbaer, [gaert**. Ende dat hise sal tronwen**, alshibe- Dat wart nn al den lande geopenbaert» Dattet al die barone vemamen 27305 Ende baden Onsen Here te samen , *'myt desen *"dat **eteii **iule gy **if»h bin **mer **vrende ** solden, solde ** solen **iole gy *^geen **unde den **ocr **wo **«• •*truwen. 305 Dat hise te soene brachte ter ure Tegen den koninck Arture, >Dien wy onrecht hebben gedaen, Ende ombe die sonden, sonder waen, 27400 Sgn wy nu tachter aldus, ter steden". Doe baden si met oetmoedecheden^ Onsen Here , dat hi daer tnscen sende by Sulken vrede, dat hem eerlyc sy. Dus waren* si alle tinden' rade, 27405 Maer* die koninck Lot, vroe ende spade, Dachte ombe syn wgf daemaer, Hoe* hise mochte wederkrigen vorwaer. Want hi ne kan niet geyinden daertoe' Hoe* hi den koninck manscap gedoe* 27410 Ocht' hoe hi versoenen mach oec mede ; Doe dachte hi een groet dinc ter stede : Want hi dachte, dat die koninckLeodegan Sine dochter soude senden voert an Den koninck Artur, wetet dat, 27415 Tote Logres in sine beste stat, Ende dan wonde hi daer iegen ryden Met al sinen lieden te dien* tyden, Ende salse met crachte nemen alsoe* Ende met hem voeren in sijn lant daertoe*. 27420 Ende aldus soude hi dan wisselen' * mede Ombe haer sgn wgf iegen Artur tor stede. Dit visierde die koninck' ' Lot daer saen , Maer dat sal anders vergaen Opdat God behoede* * den koninck' 'Arture 27425 Ende here* • Gawyne, sinen neve' *,ter ure. Doe sende die koninck Lot spieres wt, Hemelike'* ende niet overluet, Ombedatsi sullen'* vernemen al Welke tgt die koninck' ' Artur komen sal 27430 Met siner bruet van Carmelyde, Ende hoe* vele liede hi tien tyden" Sal bringen. Dit dade hi al bespien, Ende hi bereide'* hem binnendien Alae gereet daer iegen te syne. 27435 Ende Merlgn, die al dit gesciene Wiste, ende nu by Blasise was, Also als ie hier te voren las , Hi dade nu algader verstaen Des koninck Lottes opset'*, sonder waen; 27440 Oec zeide hi Blasise daer ter stede , *wo 'to 'otmodecheden * weren "to enden *mer gedo 'ofF '10 den 'also, to '•wesselen "koninch **bchode **hem ** neven ^*heimelike "zolen *'ten tyde '■beride '*op6ate ^•ende ik *'manicli *»tru- Hoo men ter brulocht na hem beide, mede; Ende dit bescreef doe Blasys al Ende van hem wetewy dat, groet ende smal; Ende hiermede indic*" dit boec saen, 27445 Daer vele sconer stride inne staen, Ende sal iu voert beginnen te lesen Van des koninck Arturs huwelyc nadesen, Daer menech*' scone str^t inne steet Ende menech" aventure, God weet. Hier hoert oan Arturs huwelyck^ ende hoe hi Jenovren trouwede**, ende van der feesten. 27450 Hier comet voert dat grote jolgt. Dat men pleget in huwelikes tyt, Want in huwelyc es men blyde Alse twe lieven in elke zyde Vergaderen** sullen; nochtan gevalt 27455 Dat dat namals so vergalt**. Dat die blyscap in rouwe vergaet. Die huwelyc storen, die doen quaet, Daer si twe met wette** saten**; Maer sulc en kans niet gelaten** 27460 Daer hi liede siet wel te gader; Ach, God nu scende die quade* ^ verrader, Die w^f ende man te werre maken! Ie soude meer secgen van desensaken, Maer** ie moet van den besten man 27165 Ende van den koensten enten getrouwe- [sten** dan, Ende van den oversaechtsten** mede. Die oit quam in Kerstenhede**, Ende van der hovescster vrouwen met Enter*' goedertierenster, dat wet, 27470 Ende oec van der mildester, wetet dat , Een huwelyc maken hier ter stat. Gy hebbet hiervor gehoert in scyne, Hoe men beide na Merlyne , Eer die koninck Artur, die milde, 27475 Jenovren daer trouwen** wilde**; Ende nu es Merlgn komen vorwaer Dien men grote feeste dede daer, Ende ombe die brulocht, wetet voertan. Was daer doe** komen menech** man wede **vergadderen **verkalt '* witte * 'zitten, gelyten '*quaden **getruwe8ten **onver8agede8tcn '^kristenhede '^unde der '"truwen **wolde **do * *manich. 39 306 27480 Ende Jenovre, die kcveadochter was Des kooinck Leodegans, als ie las, Si hadde vele hoger mage, die seer Den koninck Leodegan haten, horen' heer, £}nde dit waren haerre moeder* mage nu ; 27485 Entese* hate quam, secgic iu, Ombe die scande , die hi hadde gedaen Cleodalise , sinen drossate, sonder waen, Ombe sgn wyf, die hi hielt lange, Met al horen ondanke, by bedwange 27490 Tsiner amyen; nu waren daer Haerre vyftiene*, die waren vorwaer Der ongekroender Jenovren mage, Die spraken* te gader in dien* dage; Maer* hieraf en wiste Cleodales niet 27495 Wat elc daer iaget ochte* bespiet; Entese* droegen* overeen daer nu , Datsi souden spreken, secgic iu, Jenovren meestersce, koninck Arturs w^f, Ende iegen haer verdienen , sonder blgf, 27500 Datsi Jenovren, des avendes saen, Alsi by Artur te bedde soude gaen, Datsise bringe in den bongaert, >Ende alsi daer es , suUewy * *8e ter vaert Nemen ende in een scip doen dan, 27505 Ende voeren' 'se daer se nembermere' *man Van desen lande vememe** twint; Ende dan sal die meesterse nemen omtrint Jenovren onse nichte'* ter ure Ende lecgense by den koninck Arture 27510 In der koninginnen stat; dansuUewy'* Alle heren werden daerby". Si namen** enen die dit doen soude**, Si daden een scip soecken alsohoude*^ Ende an die meesterse daden si oec alsoe 27515 Datsi hem dat alle gelovede** doe, Ende datsgs** seker mochten wesen; Ende Merljjn, die tal** wiste van dese Verraetnesse, zeidet Ulfijn ende Bretel, Ende vertelde hem al haer spel, [daer 27520 Dien des wonderde, ende vrageden hem Watsi daer mochten toe doen naer. Merl^jn zeide: »ic secgetiu. God weet: Gy sult morgen avent sgn gereet Als men geten hevet, ende sult saen *oren *orremoder 'ondedease ^v\jffteene * spreken •den 'mer 'offte •drogen **zolewy ** voren **nom- bermere "vomeme; Eng. that rmver man tholcU! mort of hir tpeke **nifftcn ** nemen * •solde * 'holden '•geloveden '•ze des •*de dit al **heiinelyc **me8- 27525 Hcmelyc*' in den bongaert gaen, Ende sult onder enen boem liegen geieet, Ende wel gewapent onder ia cleet, Ende si sullen negene wapene hebben daer Sonder haer swaert; ende als daernaer 27530 Die meesterse** die koningibne bringt Ende sise hem levert, dan springt Op ende bescuddetse vollike** alsoe**. Want mochtensi daer iet gebruken toe* *, Si zoudense thant hebben nadien 27535 In een scip; so haddensi daer naaien"'. » Wy sullense wel wachten'', zeiden si doe > Datsi des niet en sullen komen toe". Doe zeide Merlgn: »en secget niet. Dat ie in dese dinge dus riet, 27540 Want nembormeer so (en) minde iciu, Zeidy dat iemanne vorwaert nu'\ •Neen wy, here", zeidensi, » sonder waen"; Mettien** scedensi. Doe gingen saen Die ridders** slapen ter herbergen waert, 27545 Ende sandrendages mettervaert Quamen**si weder te hovewaert an, Daer die koninck Leodegan Sine dochter bereiden dade** alsoe, Datse monech** te wonder sach doe [an. 27550 Ombe die grote scoenheit, die haer** lach Daer nam se in dene syde die koninck Ban Ende bander* *syde die koninck Bohoert* ' Ende leidense alsoe ter kerken voert, Entio** koninck Artur entie koninck Leo- 27555 Gingen doe vor alle dander man , [degan Ende vor hem gingen, met twe gondenen [sweerden** Twe ridders* * ,die hem die liede weerden * * ; Ende na don koningen quamen die ridders [vallant Ende ember** twe ende twe in hant; 27560 Entie* 'vrouwen entie* * joncfrouwen mode Quamen** diergelyke oec ter stede, Ende Jenovre hadde op haer** hovet Een gouden sapeel , des gelovet , Ende haer' * haer hinck haer' * nederwaert, 27565 Dattet scoenste es, dat oit gewart, Ende haer' * cleder waren van geslagenen [goude** tersche **voUic]ilike **al80, to **init den **ritteri *'quemen "'dede ^'inanich **dar **in de ander • * bohort * ' unde de * * mede twe guldene zwerde * • lade werden * "omber *'er **golde. 807 I Die haer* sloiden in der monden* Wel twe gelachte lanc ter stede, I Men sach nie bat staende daer mede. { 27615 27570 Haer suster quam na haer, dat wet, i Die leide Lucam , ende Gryflet; Doe quamen alle dander daema Ende ember' twe te gader, aleic versta. Dus quamensi in die kerke nades, 27620 27575 Daer die aertsebiscop Durbrices Na hem daer stont ende wacht, Dien daer Arthur met hem hadde bracht, Ëude oec mede mgnheer Amistans, Des koninges capellaen Leodegans; 27625 27580 Hi stont ende beide daer ter ure Ënde hi kroende daer den koninck Arture, Entie* biscop sanc messe* daemaer; Daer was dofferande groet vorwaer Van den prinsen ende van den beren; 27630 27585 Daer was geofFert met groter eren. Ende doe die messe was gedaen, Gingen si weder thueswaert saen, G^l^c datsi te voren daden, Twe ende twe, met goeder* staden, 27635 27590 Ende hant in hant gingensi alsoe, Thent^ jsi quamen ter salen* toe, Daer menech meester* inne was, Die sgn speP* toende nadas; Wat soudic hieraf secgen vele? 27640 27595 Nie en sach men'^ so menegerhande spele Noch en quam man, daer hi sach So grote feeste op enen dach. Doe worden die tafelen daer geleit, Daer was elc na siner waerdicheit 27645 27600 Geset^' ende gedient oec mede, Gelgc in koninges hove es sede. Die bruetlocht hout ende feeste, Ja, deersaamste entie* meeste Die ie in der werelt** was gedaen; 27650 27605 En levet geen man, sonder waen, Die alle die gerechte konde gevisieren Die men daer gaf in hovescer manieren ; Ende doe men geten hadde daer. Rechte men ene quinteine daemaer 27655 27610 Daer die veertich^ ^ritter speer op braken. Die metten koninck Artur vor die saken In dat lant quamen van Carmelyde, (Entie nu we ridders oec tien tiden); Entie ridders van der tafelronden Quamen** hem tegen oec tien** stonden Ende begondense achter te doene daer. Doe quam niemare'^ thant daemaer An heer** Gawine, die sat ende at; Maer** al te hant, doe hi wiste dat, Eescedc** hi sine wapene ter stede, Ende sine gesellen oec daermede Si wapenden hem ende reden derwaert; Elc nam een scerp speer ter vaert , [saen Ende si makeden ene geselscap onder hem Dat dene den andren' * niet ai en sal gaen, Ende dat sceen wel in den tomoye daer, Want si dadent so wel daemaer, Dat sint op hem die van der tafelronden Grote vede droegen** lange stonden, Dat sint te Logres wel seinen sal, Daer Gawyn doe was geheten al [waer. Tenen tomoye meester* * ende here vor- Ombedat hgt*^ so wel dade daer. Als iu dit boec sal secgen hierna**. Die tomoy was vergadert* *, als ie versta, Vor die poerte van der stat Entaer*^ vergaderde** in hem nadat Mgnheer Gawyn met so groter cracht**. Dat hise alle dreef van der gracht; Entie*' nuwe ridders, sonder waen Worden by hem verkoevert saen, Ende dit toernede herde sere daer Dien van der tafelronden, wet vorwaer, Ende panden hem so sere, secgic iu, Datse dander achter daden** nu. [gaen, Doe Gawyn sach die nuwe ridders achter- Stac hi dat swaert op ende nam saen Ene barde , ende warp den scilt na desen Enwech, ombedat hi lichter sal wesen ; Doe sloech hi daer enen ridder soe. Dat hi ter aerden tumelde doe; Daema sloech hi enen andren* * ter stonde. Dat hem tbloet scoet nten monde Ende dat hi oec daer viel ter aerde. Dus sloech hire vele van den paerde Ende quetsede; ende alse dit sagen Die van der tafelronden, wilden sgs** ver- [dragen *er * molde *ember ^ande de *8anck mysee "goeden ^went dat *ten sale *me8ter; Eng. myn- ftraUei and iogelourt and oiher ^'^spil **man **ge- sat **wcrlde **viertich **quemcn * *to den * 'niemecr **mynen hem **mer "'eyschede **andem ** drogen * 'mester **heet **hieniaer **vergaddert, vergaddeïde *^ende daer, andede **crafft »* deden • "wolden zces. 308 Nembermeer, dat hiquetsede diehaer\ Ende liepen hem nlle op daernaer 27660 Ende zeiden, 8i en wouden* nember tien Tomieren, maersi wouden* 8tryden.[tyden Doe wart daer die batalie bo groet Ende so anxteljc' in der noet, Dat daer groet scade soude syn gesciet , 27665 En hadde Merlgn vorsien niet, Die ten drien^ koningen ginc daema* Ende zeide: >te8* tgt, dat men afsta Des tornierens". Doe gingen si derwaert, Ende doe des Heer Gïaw^n gewaert, 27670 Dat die van der tafelronden alsoe^ Hem opliepen, sloecb hi in bem doe^ Ende dorbracse, wien* lief, wien* leet*, Ende dade bem dat quadeste , God weet. Dat hi mocbte; ende nadat 27675 Reet Minodalis op hem ter stat, Ende stacken met enen speer' alsoe , Dat bi byna was gevallen doe. Des was heer'" (Jaw^n erre ende gram Ende verhief sine barde, ende quam 27680 Opten*' genen ende sloecben daer, Dat hi averecht viel** daernaer. Doe riep die koninck Artur saen : »Lieve neve, gj hebt desgenoecbgedaen'*; Maer hi was verwarmet so seer, 27685 Dat bi vacht ie'* lanc ie'* meer. [bant Doe quam Merlgn ende nam hem metter- Ende zeide: »gy z^t gevangen te hant'\ Doe Qaw^n sach dattet'^ Merl^n was, Zeide hi »goedertierlyc bere*' nadas 27690 > Opdat gy wilt so ben ie gevaen". Doe quam die koninck Artur saen Ende zeide: » lieve neve, na dat gaet Es dat tyt , dat gy tornierens afstaet". Doe zeide hi, dat hgt* • geme lat^n soude' * 27695 Sedermeer dat bi dat woude**. Doe voerensi enwech onder hem viven daer Entie tomoy sciet" daernaer, Ende elc voer te siner herbergenwaert, Ende ontwapenden hem ter vaert. 27700 Maer die van der tafelronden, secgic iu. Waren erre ombedat syt'* nu Te quaet hadden ; maer si zeiden daer, *de er * wolden *ange8tlyc *dren *naer 'dat is 'also, do "wen •sper ' "her * 'op den ' *vel * *io * *dat **heet '"solde, wolde "he sciet '"ze dat '•sol- den *"stect, gcrect *'drnweden **alze se des Si souden'* dat nog verhalen daernaer, Sodat die nuwe ridders, ombe die saken, 27705 Horen scimp niet en sullen maken. Dat hoerde een die neven bemstaet*", Ende voer dat Gawine seggen geraet** Ende Galescine ende heren Twine. Dit hadde berde tonwaert Gawine, 27710 Datsine aldus dregeden*' daer, Maer hi en dades niet gelaet naer, Ochte bi des iet acbtet hadde twint; Maer also vele zeide hi sint, Hi en soudes hem nochtan niet afgaen, 27715 Welke tgt sy tomieren willen bestaen , >Ja, also dicke alsgs** roecken; Oec gevic hem oerlof, dat sy soecken Hem tiene** hier tot die*^ hem etaen In staden, nochtan soudict** angaen*\ 27720 Entese** woert, die bem zeide G^wein, Liet hy bem wel seinen opten plein Buten Logres, daer si sint namen Enen tomoy, daer si te samen, Die nuwe ridders, quamen tien** stonden, 27725 Tegen die beren van der tafelronden, Daer vreeslyc getornieret was Ende menech gequetset, sgt sekerdas, Alse iu dit boec wel vertellen aal Hierna, boet** was, groet ende smal. 27730 Dus reet Gawyn by den koninck Artuer* , Ende tgemene *" volc in der* ' stat tier uer* • , Kiepen: »siet** hier den ridder. God weet. Die den tornoy al onder street*'; Si vrageden Merlyn, wie** hi waer**, 27735 Ende Merlgn zeide tot hem daernaer: »Dat is Gawyn, skoninckLottes** sone Van Orcanien. oec is diegone Des koninck Arturs neve mede". Doe zeiden die liede daer ter stede: 27740 >By Gode, so slacht hy wel daeran Van daer hi af es komen dan'\ Ende doe die gesellen van der tafelronden Hem ontwapent hadden tien stonden. Gleden si hem met clederen diere** 27745 Ende gingen alle te hove sciere Ende sgn tot heren*' Gawyne gegaen , Ende dageden over hem selven saen. **tijne **to de **zoldc ik dat **unde dcse '^que- men ten **wo dat ** Artur, nr **dat gemeine "de ■*ze '*we **weer ••des koninch ••dure •*hcni. . 309 Ende zeiden, dat hyse doe' Swaerlike bereit badde daertoe' 27750 Tesen iersten* tornoy mede, Dat bi vorwaert telker stede Haer meester' ende baer heer mach wesen Dier^ van der tafelronden voert na desen. Heer* Gawyn sweecb daer al stille 27755 Ende liet bem seggen boren* wille; Maer voertmeer van dien* stonden Was bi meester' van der tafelronden Ende geselle, ende twas wel recbt, Want bi was goet ende gerecbt 27760 Ende een berde vrome ridder, dat wet, Ende also lange als bi levede, getrouwe Ende binnen desen dat dit was, [met*. Waren die tafelen bereit nadas, Ende daer wasser drie' sale vol ter stede , 27765 Daer men op eten ginc gerede, Ende daer was gedient wel ter kuer'*, Daer en gebrac niemanne'* ter uer**, Van alles, dat men gebraken konde Hadde daer elc genoecb ter stonde; 27770 Ende doe detentgt was gedaen, Luede* * men teSint Stevene' '-Vesper saeu Ende derwaert gingensi alle doe^^ Hant in bant, geitje alsoe'^ Alsi des morgens ter messe deden; 27775 Si boerden Vesper met goeden** seden, Ende als die Vesper was gedaen Sgn si ecbt ten bove gegaen, Qe]|jc datsi te voren gingen. Doe quam die biscop na dien dingen 27780 Ende wjede skoninck Artnrs bedde naer, Also als dat recbt ende sede was daer. Doe scieden die ridders entie" knapen Ende gingen tboren** berborgen slapen; Ende Jenovre , die koninginne, vorwaer 27785 Was met boerre meesterse** daemaer In baer kamer gegaen ter stede, Entie** verrader, daer ie af zeide, Der andren Jenovren mage**, God weet, Si badden baer verraetuesse al gereet 27790 Gevisiert boe'* si doen snllen daer, Si badden die quene gemiedet' ' vorwaer, Hiermede te doene" al boren wille; *do, to 'to desen irsten 'mester *der 'her 'oren 'den "«etrawe med 'dre **kiir, ur '^neman '*ladde * 'sante-Steff. * *do, also • 'gaeden * 'ande de * 'to oren **orre mesterschen **moye **wo '^gremedet "done » ■ yorborgen • * nififten • * stad * • den koninch * ' drogen Na gingen dese verborgen" al stille In den 1)ongaert ende bergeden bem daer « 27795 Ende leiden die nicbte** met bem vorwaer Ombedatsise der quenen nadat Souden geven , in der koninginnen stat* * Te leiden met baer ten koninge** alsoe. Dus droegen "si overeen daertoe 27800 Enteser was tiene, die sgn gegaen In den bongaert bem verbergen saen; Maer si en badden negene wapene daer Dan baer swaerde, wet vorwaer, Entie valsce Jenovre was met 27805 Entie quade quene, dat wet. Recbte als men slapen soude gaen, Namsi die koninginne saen, Ende leidese in den bogaert daemaer Ombe baer orine te makene daer; 27810 Ende al se die verraders vernamen**, Dat die quene entie koninginne quamen**, Die daer verborgen lagen in den bongaert' * , Doe quamensi bemelyc derwaert'*; Ende Ulfijn ende Bretel oec mede , 27815 Die daer lagen verborgen ter stede. Si ne badden niet vergeten'*. God weet. Dat bem Merlgn badde gezeit' ' ; Si waren wel gewapent daer Ende lagen so verborgen vorwaer, 27820 Dat niemans en" wart geware; Si sagen dat die quene daernare Die koninginne bielt by der bant, Ende leidese ten verradrenwaert te hant, Die se begrepen daer ter stede, 27825 Ende gaven dandre'* Jenovren mede Der quenen", die se nam aldaer. Doe des die koninginne wart gewaer Sacbsi wael, datsi verraden was Ende wilde helpe roepen nadas; [woert, 27830 Doe zeidensi, si doden se, sprake si een Ende mettien so" trocken" si voert Haer swaert al bloet,ende leidense ter vaert Vaste alsoe ter" riviurenwaert , Daer een scip gereet stoet saen; 27835 Maer die bongaerde was hoge, sonder Sodat men maer tener stat [waen. Ter" riviere badde enen clenen pat, **yememen, qaemen **in den bongart legen '*hei- melyc darwert 'Worgeten '^gesecht "des ■*den andem "dar qaemen '*£ng. yef the spake en^ worde the sAolde atta» ie slain , amd thertoith tkey dnmgh fAcir noerdet out "treckeden "ten. 810 Daersise moesten leiden toe; Haddensi daer mogen komen alsoe 27840 Datsise in dat scip badden gebat daer, Si waer embermeer* verloren naer. Ende alse Ulfijn ende Bretel dit sagen', Sprongen si op van daer ei lagen', Ende riepen: » bier* , mordenaers ongebier * , 27845 Trouwen , gy laet die koninginne albier Ende sult daer oec ombe sterven mede'\ Doe si sagen datter maer^ two en was, Doe badde bem onwaert , sgt seker das, Ende vive keerden tegen bem aldaer, 27850 Entie ander* vive leiden daemaer Die koninginne enwecb met allen; Doe si dit sacb, liet si baer vallen Ter* aerden neder; maer diegene Hieven* se op ende droegen* se gemene ; 27855 Maer^ doe si sacb baer volgen naer Ombe baer te bescuddene, ontwranc si daer Met groter cracbt diese droegen* nu Ende liep ten bongaerdc', secgic iu, Ende qoam an enen boem, diensi ombevinc 27860 Met beiden armen , om die dinc. Doe quamen die vive gelopen na baer Ende woudense afbrecken' daemaer, Maer^ si en konden, so vaste bieltsi baer na, Van groten anxte**, secgic iu, 27865 Si togense utermaten sere, wetet weP', Maer si en daden baer nu niet el"; Nocbtan warensi so erre" ombedat, Datsi se welna' ^ gedodet badden ter stat. Ende Ul^jn ende Bretel bebben vernomen 27870 Die vive, die bem nu legen komen Met boren swaerden getogen doe'*; Ende Bretel sloecb den enen soe'*, Dat bi bem tbovet clovede ter stede Ende dat bi ter aerden viel mede 27875 Ende bleef* doet. Doe liepen saen Ul^n ende Bretel , daer si sagen staen Die koninginne, die in anxte was groet, Wantsi was byna opter** doet Daer se die vive baddeii bestaen S7880 Doe si den boem badde bevaen; Si trocken" an baer so vreselyke, Dat groet wonder was sekerlike , 'ombermeer 'segen, legen 'her, ongehur *meii ^unde de andem 'to der 'hoven, drogen ■ten bon- gaerden •oflf trecken '"angeste *'wal * "anders nicht al '■irre **vilna **do,80 **blcven * 'op den **trec- Datsi baer arme niet aldaar üten licbame en trocken'* vorwaer. 27885 Doe Ulfijn ende Bretel sagen mede Den anxt , dien si daer dogede ter stede , Ontfermede bem des sere, secgic ia; Ende doe die vive sagen na ülfine ende Bretel op bem komen , 27890 Hebbensi baer swaerde genomen Ende quamen bem iegen ; doe wart daer Een groet strgt onder bem daemaer; Maer Ul^'n ende Bretel in der noet Sloegensi twe van den viven doet; 27895 Ende alse dander drie'* dat nu sien, Gingensi vaste benen vlien. Doe gingen Bretel ende Ul^n mede Ende namen'* die quene daer ter stede , Ende worpen se in dat water eer iet lanc 27900 Al die roetse neder, daer si verdranc, Entiegene in dat water mede droegen, Die si daer nu doet sloegen. Doe namen'* si die koninginne saen Ende dadense in baer kamer gaen, 27905 Die sere vervaert" was; maersiseiden Datsi nu wel te rasten waer" [baer" Ende si des nembermeer en zeide twint ; Ende si namen die valsce Jenovre [omtrint Ende leidense in baer berberge daemare, 27910 Si (en) wouden des maken negene" mare. Aldus badde geweset verraden saen Die koninginne , en badde Merl^n gedaen. Van desen verradren'* ende gescint, Daer si nocb groet vemoy af sint 27915 Hebben sal , dat iu biemaer Dit boec sal maken openbaer; Want die koninck verdreef* se sint Drie iaer van bem , daer se omdat gint Galiot nam dor Lancelots'* wille; 27920 Entie koninck Artar bielt, lude ende stille, Die valsce Jenovre , ende was met baer' * Oel^c of si sgn w^f waer". Ende op ene tyt, lange daemaer, Qaam baer an ene siecbeit swaer, 27925 Ende Bertelaye, den verrader", mede, Die se den koninge bracbt badde ter stede, keden **de andem drc '^neman * 'verveert ■*er, weer * • geve * * verrederen * * vordreeflf ' * laver ; doek zie 't £ng. M was wUh QaUhtuU for tke love of LaiMiCelot "verreder. 311 Nochtan en wonde haer die koninck laten Totedat hise van vnilheit* rotten 9iet,[niet Ende nochtan dat konincrike drie iaer 27930 Te banne was, dat men daernaer Niemanne* opten* kerchof en groef mede; Ende dit vernoy gedogede daer ter stede Onse Here om der sonden wille groet Die si daden; ende oec bleef daerombe doet 27935 Een ridder*, daer Onse Heer nadien Dese wrake om liet gescien, Dien doet sloegen* qiiade gesellen, Alsic ia ter steden sal vertellen. Doe die koninck Leodegan 27940 Geboden hadde sinen ban Ombe siner dochter brulocht mede, Doe geviel^ daer ter stede, Dat quamen* te hove eens ridders mage Den koninck Leodegan doen ene dage 27945 Over Bertelaye, diene sloech doet. Die koninck hierombe Bertelayen ontboet In sine herberge, daer hi inne was, Dat hi vor hem qname' nadas, Ende Bertelaye qaam vor den koninck daer 27950 Wel gewapent, wetet vorwaer, Onder sine clede al hemelike*". Met vele gesellen desgelike Van ridderen, die hem volgeden ter stede; Hi was hovesc ende wel sprekende mede; 27955 Ende alsen die koninck Leodegan sach, Vragede hi hem, so hi iersten ^' mach, Waerombe hi den ridder sloech doet? Doe zeide hi : >here, elc es hem ter noet Scnldech te bescndden van venraetnesse nu 27960 Van eiken manne diene bcroepet,secgiciu, Ende oec weten vele liede*. God weet , Dat hy mynen neve dode gereet; Ie en secge oec niet ie en sloege ' *hem doet, Maer ie ontseide hem ierst^^ al bloet, 27965 Ende hi sloech minen neve al stille Doet, ombe sines wives wille. Die hi hem onneerde al te male, Ende elc man mach van rechte wale Sinen doetviant letten ende deren, 27970 Als hi hem ontsecht hevet met eren". Doe zeide die koninck Leodegan, Dat hi hem niet wel en wrac daeran, 'vulheit *neman *op den * deden •ritter 'slogen 'gevel 'quemen *queiiie '"beimelike * Graten **lude *»8loge **ir8t **werc, mochtegy "hadden '^moget >Maer waerdy** komen, ende haddet** [dan my Geclaget, ende en haddic ia daerby 27975 Niet gerechtet, so mochty** dan lu bet hebben gewroken daeran; Maer dat en hadde ia so waert niet. Dat gy my geclaget haddet** iet". >Here, gy moecht** secgen iuwen wille, 26980 Maer ie en dade niet iegen ia, lade no stille. Noch doen en sal, of God wil, mede". »Wet wel", zeide die koninck ter stede, »Ic wil, dat hieraf recht gescie". »Here", zeide Bertelay, »nu danket** my, 27985 Dat ie in uwen handen moet sgn na"'*. Doe geboet die koninck, dat secgic ia, Den mannen, datsi te samene gingen. Te dien rechte, te dien dingen, Was die koninck Artar ende koninck Ban, 27990 Entie koninck Bohort ende G^wyn daeran, Ende Ywen ende Nascien ende Sagrimor, Adragans , Herviel, ende Gwinemor; Dese droegen** overeen na die woert. Die si na daer hebben gehoert, 27995 Dat men hem onterven sonde daernaer. Des koninges lant soude hi rumen open- Dene tale zeide daer die koninck Ban,[baer. Die was een welsprekende man; Gel^c dat hem geboden was, 28000 Sprac hi dese tale nadas. Dat s^t* ' alle hoerden , die daer waren ; Hi sprac aldns: »heer koninck, twaren, Dese barone, die hier by in wesen, Wt andren landen ende oec wt desen, 28005 Wysen , dat Bertelay die rode, vorwaer, Sgn goet verboert* * hevet, ende daernaer lu lant ramen sal embermeer voertan, Ombedat hy syn recht selve** nam dan; Ende bander**syde es dat noch, secgic ia, 28010 Binnen uwen gebannen hove na, [mede. Dat** die ridder* geleide soude hebben Ende elc die woude toekomen ter stede Ende keren mede. lu ban daer gaet** wt; Dit recht gevewy hier overluet". 28015 Bertelay sweech stille ende en dorste niet Tegen die manne daer secgen iet; Want dat waren *^ die hogeste** mede "donket "Eng. 1 se weü that I moste 6e at yowr polunte * 'drogen **zc dat **verbort **8elven **op ander **ande dat **geet * 'weren **hoge8ten. 312 Van der werlt, die over trecht* stonden [ter stede; Maer haddent ander liede gesecht , son- [der waen, 28020 Hi haddes' wel dorren' pine bestaen Te wedersecgen, hi was so koene^. Dus sciet* hi enwech na desen doene^ Ende voer henen in dat lant, Daer hi die yalsce* Jenovre vant, 28025 Daer se die drossate gevoert hadde an , Als hem beval die koninck Leodegan. Daer bleef Bertelaj lange tgt byhaer* Ende pensede ende dachte vele naer, Hoe* hi hem mochte wreken ter ore 28030 Opten koninck Leodegan ende Artnre, Die hem dos hadden oerdeelen doen Ombe dese sake; om dit ocsoen Hadde sint die koninck Artor onraste groei Tascen hem ende sgn ^qjf al bloet , 28035 Dat iu dit boec hier namaels al, Alse dat gesciet, rertrecken sal; Maer ie moet na voert daventure Secgen van den koninck Arture, Die met sinen wive wil varen 28040 In dat lant van Logres, sonder sparen. Hot* die koninck Artur syn tcyf te lande voerde^ ende hoe die koninck Lot metten koninge Artur street. Ons secget daventure ter stede Doe koninck Artnr,ende sin e gesellen mede, Achte dage hadden gewesen daer In groter feesten , wetet vorwaer , 28045 Entie* brulocht entie* feeste nadas Al te male doe geleden was , Wonde hi hem te landewaert gereiden; Hi riep Gawine, al sonder beiden, Ende zeide, dat hi siner gesellen name'* 28050 >So vele, dat er my blyve** maer [daer Vyfhondert, want ie wille varen nu So ie hemelycst'* kan, secgic iu, Ende gy sult varen in mjjne stat Te Logres , ende sultse*' vorsien nadat 28055 Van spisen , van wyne, van allen dingen, Want ie wil honden sonderlinge *dat recht 'hadde des 'doren *konc, done 'sciede 'valschen 'er 'wo 'unde de *"neme '*blevc **hei- meiikest ^'solt '^kristenheden '*here ie "weer Den meesten hof enten eerlycsten mede. Die nie was gehouden in Kerstenheden^^ Tesen balf-Oegste, secgic in**. 28060 Gawyn zeide: >ic" denke na Dat ia ieman mach oplopen, here, Ombedat gy vaert met cleenre were* •". »De8 ontsiet iu niet'*, zeide die koninck' *, * Maer haestet iu henen boven alle dine' *". 28065 Dus sciet heer Oawyn ende es gegaen Tot sinen gesellen , ende zeide hem saen, Datsi hem wapenden, si moesten'* varen In Bertanien'*, sonder sparen. Doe g^ngensi alle te samene dan 28070 Ende namen' * orlof an den koninck Leode- Ende an die barone van den lande [gan Ende al diegone die elc daer kande. Doe si orlof hadden genomen, Sgn si thoren" paerden gekomen 28075 Ende saten" op ende reden tsamen, So lange datsi te Logres kwamen.' Maer her Gawyn was herde swaer Ombe sinen oem, dat hine daer Achtergelaten hadde, twaren, 28080 Want hi verre moeste'* varen Dor siner viande lande eer hy Quame" daer hi nu seker sy; Des vruchte hi sere sgn verlies*^, Ende hi haeste hem te seerre'* dies'^ 28085 Sgns oemes gebot te doene daer: Hi geboet in den lande, verre ende naer, Al den lieden, hebbic vernomen, Datsi tArturs hove souden komen Te half-Oegste. Doe gereiden hem daeran, 28090 Daer'* eerlyc te komen, menech man; Ende manheer Gawyn dade'* gereiden Wyn , wilbraet, wetet vorwaer , [daer Ende alle dinge die men visieren konde Dade'* hi daer bringen te dier stonde, 28095 Ende wat dat men gedenken kan, Daer des menscen begeerte mach liegen an. Van etene, van drinkene dade' * hi komen Dat die stat so vol was daemaer, [daer : Dat men en wiste waer liegen doe. 28100 Ende alsi'* dit bereit hadden alsoe, Doe reet hi iegen sinen oem ter stede Want hi groten anxt hadde mede , ** kon inch, dinch '•mosten, moste ''brytanie ••ne- men 'Ho oren ^'seten "qneme ^^verlues, diu * •serre '•ombe daer "dede ••alae xe.. 313 Dat hi daer berooft mochte werden nu. Binnen desen dat dit was, secgic iu, 28105 So was die koninck Artur gereet Ende trac^ na des Saterdages, God weet, Doe Gawyn was enwech gereden; Ende hi nam orlof daer ter steden An alle die heren, die daer waren, 28110 Entie* twe koninge, sonder sparen. Die koninck Ban entie koninck Bohoert, Voeren* metten* koninck Artur voert, Entie* twehondert ende y^ftich ridders [ter stonden, Die men doe hilt van der Tafelronden. 28115 Die koninginne hadde gebeden here' [Amistans Hoers* vader capellaen, heren Leodegans, Dat hi met haer soude varen ; Hi dadet^ geme , oec bleef hi daemare Haer* capellaen menegen dach alsoe. 28120 Si bat Gwinemaer, haren* neve, doe. Die een goet ridder'" was ende vry, Ende Sardone, den broeder' \ die ouder [was dan hj, Entie* borchgrave'* van Deneblase was , Die bat si met hem te vaeme nadas; 28125 Entie* koninck haer vader ,Leodegan, [man. Voer met haer wtwaert* * met menegen Ende geleidese drie dachvaert* * daemaer Ende doe sciet'* hi van haer daer, Ende bevalse alle Gode ende voer thues- 28130 Doe quam Merl^n mettervaert [waert. Toten koninck Artur ende zeide: »Here, ie moet nu varen, sonder beiden' *, Te Blasise, minen meester", siet, Want ie en sachen in langen tjden niet 28135 Ende io hebbe uwen oerbar wel gedaen". >Hoe^\ zeide die koninck Artur saen. En suldy'* te Logres tmynen hoveniet >Ja ie, here!" zeide doe Merlgn, [sgn?'' >Ic sal daer sjjn eer dat sceet vorwaer". 28140 Doe** nam hi an hem orlof daer, Ende doen** en wistensi sciere niet Waer dat hi van hem nu sciet, Entes** selven avendes quam Merl^n nu Daer Blasjs was, dat secgic iu, 'treckede *unde de "voren ^mytden •hem 'ores 'dede dat 'er •eren "ritter *'broder '*borch- greve *"wtwert **dachvert '•sciede * 'beide * 'mes- ter nu "lole gy ''do **undc des **8chied **8olexi 28 1 45 Diene in langen tyden niet(en)hadde gesicn; Nu was hi herde blyde van dien, Ende Merl^n telde hem al daventuren Die gesciet waren van der uren , Dat hi lestwerf van hem sciet* ' , 28150 Hi en lietes een woert achter niet. Hi telde hem, hoe die koninck Lot es Behendelyc gevaren, s^t seker des, In den foreest van Serpine mede ; Oec telde hi hem ander dinc ter stede , 28155 Die noch gescien sullen** na des In den konincrike van Logres; Ende Blasys screef dat daer, groet ende Ende bj hem so wetewy dat al. [smal, Ende binnen desen dat dit was, 28160 So quam die koninck Artur nadas Met v^jfhondert mannen gereden nu Ende met sinen wive, secgic iu, An den foreest von Serpine. Eer si dat iet* 'wisten, waren die somer sine 28165 Gereden , daer die koninck Loth lach an Ende wachte Artur met sevenhondert man; Ende als die knechte worden gewaer Datsi gewapent s^n openbaer, Wistensi wael, datsi ombe ar ch waren *^ 28170 Ende hielden alle stille daemare, [daer, Ende ontboden den koninck Artur tien** [stonden , Datsi gewapende liede* * hadden gevonden. Als dit die koninck Artur verstoet. Onthelde hi siner liede* 'ende beete te voet, 28175 Ende ordineerdese alle daemaer, [daer, Ende ontboet veertich ridders* ' vor hem Ende beval hem die koninginne doe, Datsise in behout** voerden alsoe. Sagen** si dat anders gaet** dan wale; 28180 Doe saten** si op haer orse al te male, Ende reden voert ende vonden houden- de** dan Den koninck Loth met sevenhondert man; Ende als dene den andren* 'hevet gesien* ^,^ Sloegen** si te gader alle mettien'* 28185 Met groten nyde ende braken*^ daer Haer* * spere; doe trocken* *si alle daemaer Haer'* swaert, ende gingen houwen ende [slaen *'icht »*weren »*ten **lude » Mertich ritten **be- holt ••zegen '"geet "seten '*holdene "andem '^geaeen ■•aiogen ••mytden '^breken '*er **trec- keden. 40 314 Op holmo op sriUlo, ondo braken* ao saen. Dacr wivrt dio btitnlio nu ho proet 28190 Dat Di(»n nic* ontsach des gcnoet Van luttel lieden*, alse daer was. Nu geviel*, dat die koninck Artur na das Dorbrac den atryt so verre doe, Dat hi quani opten koninck Loth alsoe, 28195 Entie koninck Loth op hem weder daer ; Elc hcaddc een flterc speer* vorwaer, Entie koninck Loth op Arthur nu stac Dat sjjn speer* in sticken* brac , Entie koninck Artur stacne weder soe, 28200 Dat hi ter aerden moeste' vallen doe, Ende keerde die bene opwaert; Maer hi spranc weder op ter vaert, Alse die herde vromech was, Ende deckede hom metten scilde nadas ; 28205 Maer hi was so rouwech ter stede, Dat hi afgesteken was mede, Dat hi welna* ontsinnet was daer ; Entie koninck Artur keerde* daemaer, Ende quam weder opten koninck Loth doe 28210 Ende stac na hem; ende doene alsoe Dio koninck Loth sach komen themwaert, Ontwinkede** hi den steke mottervaert, Ende daer Arthur neven hem soudo lyden, Sloech die koninck Loth, tien** tyden, 28215 Des koninck Arturs ors also wael** Dor den rucge, dat viel* te dael, Entie** koninck Artur mede vorwaer; Ende sine bene bloven onderden orse daer Ende lach hem daer oppe so vaste doe, 28220 Dat hi hem niet en konde gerocren* * alsoe. Ende als dat die koninck Loth sach daer. Groep hine metten helme daemaer, Ende spranc op hem ende wranc mede, Ende track en** herde sere ter stede 28225 Ende quetsedene , ende pjjnde hem saen lloe* • hi hem dat hovet mochte afslaen ; Ende en hadde daer dio koninck Ban niet [gewesen Entie*' koninck Bohort, die quamen te [desen , Daer soude groet scadc gesciet syn tien [stonden , "breken *ne * Inden * gevel, vel *8pcr •sturkcn 'mos- ten 'walna •kierde *®ontwenkcdc **tcn **wal "iinde den, de **geroren **treekcdo ene "wo ''undede **de88e **quemen '"op ander **oren **ir8t **aUe ze 28230 Entie*' ridders van der Tafelronden Dese* ■ quamen* • hem alle te holpe daer ; Ende bander** syde quamen daemaer Des koninck Lottes liede, omdat by Horen** heren oec wouden staen sy ; 28235 Aldus wart die strjjt groet, secgic iu, Eer si beide bescuddet worden nu; Ende als si gereddet worden daemaer, Begondensi van ierst* * te strydene daer. Alsi**^ dus gestreden hebben lange, 28240 Entie atrjjt was groet ende strange , Sagen** si waer Gawjjn quam gereden Ende Keye,die drossate, met haestecheden, Ende brachten vierdusent gesellen daer; Ende Keye haeste hem sere daemaer, 28245 Alse die een stout ridder** was Ende groet mede, sjjt eeker das, En hadde sine quade tonge gedaen Ende syn scempen**, sonder waen, Daer hi sere gehatet ombe was 28250 Waer hi quam, syt seker das; Maer hi was een getrouwe*' ridder mede Ende en dade nio** ongetrouwechede*' Noch verraetnesse dan ene bloet: Dat was dat hi Leoncen sloech doet, 28255 Des koninck Arturs sone , van nyde met , In den foreeet Perilleuse, dat wet, Ende by den Waloys Porsevalen Was hi gewroeget** te dien male Te hove, gelyc hem dade verstaen 28260 Deremite, diene hem doet sach slaen. Doe die koninck Artur Gawine sach komen, Was hi blide , hebbic vernomen , Ende reet an*" den koninck Ban, Ende zeide: »kendy * *iet den voresten man, 28265 Die dat grote speer bringet ter stede Enten scilt metten** lazure mede, Daer die lewe inne staet rampant , Knde metter"" kronen van sylverte hant, Ende metter'* (banieren) in bellonc** [geset?'' — 28270 »llere, ie en kennes niet, dat wet, Dan also verre** my dunket daerby, Dat Heer Gawyn, iu neve, sy". »By üode", zeide die koninck, >gy secget [waer, **8cgen **ritter* •schimpen *^gctruwe,ongetruwichede »"ne *»Eag. and for that P. hij Galoifs tcas accutad with yrete wrong ^"tote an '*kenne gy *'mytder mytder "belunc **al8e vare. 3li Ënde ie secget iu hier al openbaer, 28275 Dat ons dese liede' nu ter quader tp Op hebben gelopen, in desen strgt; Want al waerder* noch also vele, Dat gaet met hem hier uten spele Opdatne God behoede' voertan". 28280 »By Gode'\ zeide die koninck Ban, >Si sjjn 8ot beidensi hier, secgic ia, Totedatei in hem vergaderen* nu". Al die wile, datsi spreken daer, Qaam mijnheer Gawyn gereden naer*, 28285 Ënde sach waer syn oem soccoers* hevet Doe sloech hi in met haeste groet, [noet; Dat hi einen vader neder stac^ tien tyden Ënde quetsedene al luttel in dene syde Ënde overreeten driewerf ochte* viere, 28290 Hy haddene gedodet byna sciere; Doe spranc hi van sin en orse saen, Ënde ginc boven sinen vader staen, Ënde wranc den helm wt enten koliere Ënde trac* Calibnmus, s^n swaert, sciere, 28295 Ënde zeide,hi woude hem dat hovet afslaen, Hi en geve hem vollicke** daer gevaen. >Hebbet m^ns gerade",zeidebi,» edel man, Want ie en mesdade^' iu nie daeran So vele, dat gy doden sout'* my". 28300 >Gy doet: als gy oplopet", zeide hy, Mynen oem, so mesdoedy^* daeran". Die koninck Loth zeide : >wie zgdy** dan Dat gyne oem hetet* •?" — > Wat roeket iu Wie** ie ben?" zeide Gawyn nu, 28305 >Ic en secges iu niet; maer doet gereet Dat io iu hete, ocht* * ie sla iu doet, God [weet!" ~ » Secget my", zeide Loth, > des biddic iu By der trouwen**, die gy sjt sculdech nu Den liefsten* •, dien gy levendech hebbet 28310 Wie** gy geheten sijt" ter stede", [mede, >Maergy, die des my vraget, wie zjjdy**"? Zeide Gaw^n, >dat secget my". [Loth, >By Gode", zeidi* *, »ic hete' ' die koninck Ëen onsalich* * koninck, also helpe myGod, 28315 Dien dat altoesmesvalt**, waer hykomet [toe". Doe dat heer Gawyn hoerde, zeide hi doe : *lade *were er 'beliocle *vergadderen 'daraacr •hulpe *atach •drewerflfof •treckede ^'vollich *>my8- dede **8olt '"mysdoe gy '*wesingy '•hietet '"we * ^hicte off * "truwen * •levesten * "gehieten si nu * *xe- »Ende ie hete* ' Gawyn, skoninck Arturs [neve , Dien ie sal dienen den dach dat ie leve". Doe dat die koninck hoerde daernaer 28320 Spranc hi op ende begreepne daer, Ënde helsedene vriendolike ende zeide doe : >Ie ben iu onsalige vader , dien gy alsoe Scandelyc ter aerden staket** nu". »Mijn vader en z^jdy** niet, secgic iu, 28325 Noch mgn vrient** oec nembermeer Tote desmaels dat versoent sy eer Tuscen den koninck Artur ende iu mede, Ënde gy hem genade hebbet gebeden ter Ende gy hem daema manscap doet; [stede 28330 Niet anders en betrouwet** iu te my goet Dan an der*' doet, ende wetet thant Gy en laet hier negeen ander pant Dan iu hovet". Doe die koninck dit hoerde, Viel** hi in ommacht van den woerde ; 28335 Ënde als hi weder doe verquam, [nam Zeidi: > lieve sone, ie geve my op", ende Sfln swaert ende gaf hem dat vorwaer , Ënde zeide, hi woude doen daernaer Al dat hi woude vorwaert meer. 28340 Doe ontfermcde des Gawyne herde seer Ënde weende , ombedat hi, daer ter stede, Synen vader gequetset hadde mede. Doe satensi op haer orse beide daer* Ënde gingen haer liedesceden** naer*; 28345 Ende doe sise aldus daer hadden gesce- Voer Gawyn tsincn oeme ter steden;[den* *, Ënde alscn s^n oem hevet vernomen, Zeide hi : > lieve neve, sjjt wellekomen* * I Hoe** quam dat gy hier komen sjjt? 28350 Wisty** iet dat wy hadden desen strgt?" )»Ncen ie, maer ie quam dus iegeniu; Maer** ie dankes Gode sere nu Van desen stryde , want dat es m^jn vader, Daer wy tegen nu vergadert** s^jnalgader, 28355 Ënde gelovet sjj God ! hier es so gedaen, Dat hy iu te genaden komet saen , Als tsinen** heer, van al siner mesdaet , Ënde te beterne na uwes selves raet; Ënde ontfaeten vor uwen man, [tan". 28360 Want hi es** dat te wesene gereet voer- gedehe **onselich "'myevalt •* steken **vrent ■•be- truwet "■'den *'vel **8cieden '"gescieden "* wille comen **wo **wiate gy **mer **7ergaddert "'to sinen 37 hc is. di6 Doe dit die koninck hoerde daer, Dankede hi des Gode sere daernaer, Der eren, die bi hem hadde gedaen; Daema qaam die koninck Loih gegaen 28365 Met al sinen lieden % ende hadden daer Al haer* hel me afgedaen vorwaer Ende haer* coffien alle mede. Doe zeide Gaw^n tsinen' oeme ter stede : >Here, hier komet n^jn vader gegaen 28370 Ombe iu manscap te doene^ saen". Endealsen die koninck Artur komen siet, Beette hy ter aerden* ende en lette niet; Ende al sine barone heetten daer, Entie koninck Loth viel ter aerden* naer 28375 Over sine knien* ende gaf hem syn swaert, Ende sprac aldus ten koninck Arturwaert: >Here, ie kome te genade iu, Want ie hebbe iu dickewile voi nu Gekrenket ende gelachtert* seer; 28380 Nu koemic ende m^n volc tot iu, heer, Dat gy met* ons uwen wille doet Van al dat iu selven dunket' goet'*. Doe wart hi daer des koninck Arturs man Met al sinen lieden'* vorwaert an; 28385 Doe hiefene'' Artur op nadien [knien Ende zeide : i>here , gy hebbet over uwe So lange gelegen, gy s^t' * so goeden man. Dat men iu met rechte voertan Sal vergeven ene grote mesdaet ; [staet, 28390 Ende al (en) waer' ' des oec niet, dat ver- Ende ie iu toter * *doet hatede, gy hebbet nu Sulke kinder, die my hebben, secgic iu, So gedient, dat ie iu niet Haten en mochte, wat des gesciet; 28395 Ende ie wille, dat al m^n goet tehant. Dat ie hebbe , ende al mgn lant Tuwen gebode s^ om Gawyns wille, luwes sones, dien ie, lude ende stille Liever dan ieman hebbe, die levetnu; 28400 Nochtan s^n' ' hier twe koninge, secgic iu, Die ie te rechte minnen soude'*, sonder [waen, Want si my soccoers'^ hebben gedaen, Ende geholpen in groter noet,GK>d weet!"— Doe stont die koninck Loth op gereet Muden *er 'to sine ^done •eerden *kneen *ge- lastert 'myt •donket *®luden **hoefene **8ijd 'weer **tot der **zin * •solde *^holpe '•manich i». '•fitter **8eten **to **mo8ten **andem **imde I ••giflften **en. 22405 Ende dankede sere den koninck Artuer; Dus was die vrede gemaket ter ner, Des menech" ridder" blide was, Ende si saten'* op haer ors nadas Ende reden te*' Logres te*' samen; 28410 Ende doe site*' Logres binnen quamen, Dade men hem grote feeste daernaer. Daer was menech'* gekomen vorwaer Tsinen hove, datsi nadat Al niet konden gegaen in die stat, 28415 Ende moesten** daer buten haer tenten Des was so blide, sonder waen, [slaen ; Die koninck Artur, dat hi daema geboet, Des andren** dages, al*^ sine genoet, Ombedathi hem tetene woude geven daer, 28420 Datsi tsinen hove quamen** naer. Des andren* * dages quam daer menech' * Ende doe si vergadert waren daeran [man, Gingensi messe horen daer nu; [in, Ende daer dade* * die koninck Loth, secgic 28425 In der kerken** sinen eet voertan, Embermeer* * te sine skoninc Arturs man, Yor alle die liede** die waren daer; Dus blevensi altoes vriende* * daernaer. Ende na messe g^nc men eten saen, 28430 Daer wel gedient was, sonder waen. Van allen des, des wies* ' opter aerden* ' Ende eiken man na siner** waerden**; Ende na den etene gingen besien Die ridder die tenten mettien** 28435 Enten ■• bosc** entie* * riviere mede. Die daer scone stonden ter stede. Dus waren** si achte dage daer, Ende dat volc quam ember naer, Want die koninck hadde ontboden alsoe, 28440 Dat hi groet hof woude houden** doe, Ende dat hi ende sgn w^f oec mede Grone souden dragen daer ter stede, Daer oec die koninck scone gichten* * gaf, Daer hem die heren beloveden af. 28445 Ende beleefden si hem iet alsoe Van sinen gichten**, die hi gaf doe, Si beleefden hem** noch also sere Van der koninginnen , die, in allen kere, Gaf cleder vrouwen ende ioncfrouwen met al ■•guenen **dede *'de kerke **oinbe meer ■•lude ••vrende •»wo8 ■» eerde, weerde ** sinen **myt dien ••unde den, die ■•busch •* weren ••wolde holden 317 28450 Ende armen batselieren, dat wet, Ënde riddren* ende knapen so mildelike Airebande scoenhede, datsi sekerlike So lieftael wart onder hem allen daer, Ënde datsi se minden sere daernaer. 28455 Ende doent* quam te half-Oegste opten* Daer die meeste feeste op gelach» [dach, Quamen al die heren gecledet daer Met horen dieren clederen*, wet vorwaer ; Entie koninginne quam gopareert' scone, 28460 Ende hadde opten* hovede ene crone, Ende haer* joncfronwen quamen rykelike Gepareert ende oec fierlike, Entie koninck Artur droech krone mede. Aldus gingen si te messe ter stede, 28465 Die die biscop Drubrices dade daer; Ende na die messe ginc men daernaer Eten blidelike, s^t seker das, Entie koninck Ban ende s^n broeder*, die Droegen* oec krone daer ter stat[daer was, 28470 Ombedat hem Jenovre, die koninginne,bat; Ter hoger tafelen, daer die koninge saten Was wel gedient u termaten. Daer dienden toe manheer Grawein Ende Eeje ende Lucam ende Ywein, 28475 Griflet, Sagrimor, ende Dodinans, Eeyedyn, Ecgyn, ende Eeye van Strans, Galegwint^'n , Agglavael, Galegrenes, Blioberis, Agrawein, ende Garies, (^alesconde, ende Ywen van Liones, 28480 Twen van Stail ende Gaheries, Ywen metten witten handen ende Sjnados, Gwinemar, Ofnam, ende Achos, Ende Ales. Dese tweëndetwintich heren Dienden ter hoger* taflen met eren; 28485 Ende veertich* * batselieren dienden daer Ten andren^^ taflen, dat daernaer So wel gedient was in allen stonden, Dat ment niet** verbeteren konde. Nu laticse eten, als gy hoert, 28490 Ende sal secgen van den koninck Artur Van den belove, dat hi nu doet, [voert. Dat al s^n leven in sinen hove stoet. *rittem *do dat *op den * duren cleideren •gepariert *er *broder 'dragen 'ten hogen **viertich **andem **dat nicht **aventiir, artur **Eng. that never from hentforth I thaü not tUie to mete into the time Van des koninck Arturs helove, ende van den heren van der Tafelronden^ ende van heer Gawyns gelove ende siner gesellen. Hier secget voert die aventuer**: Als men geten hadde ter uer'*, 28495 Doe sprac die koninck Artur dese woert Die si alle hoerden weder ende voert: »Gy heren . ie danke iu allen sere ter tgt, Die nu tmynen hove komen sgt, Ende my daermede ere te doene; 28500 Hierombe belovic vor alle dese baroene Altoes , als ie hof houde, na desen dage, Te hoechtyde ende wan ie crone drage, Dat ie niet eer dan en sal eten , Ie en sal eer aventure weten 28505 Waeraf datsg'*, ende oec gelovic mede. Dat icse berechten** sal doen ter stede Die daventuren bringen daernaer, Indien* * datse des te doene hebben daer By enegen ridder die es (in) mgn hof; 28510 Ende ombe ie meerren* ^daermede mgn lof, Enter ridder* * lof van mynen hove met, So willic dit houden**, by mjjnre wet, Also lange alsic leve tien stonden". Doe dit hoerden die van der Tafelronden, 28515 Dat die koninck Artur dit gelovede daer , Doe zeidensi alle, datsi daernaer Haer belof hier moesten** doen, toe**; Daer baden** si Nasciene alle doe**. Dat hi hieraf sprake** haer woert. 28520 Doe quam Nascien vor den koninck voert, Ende zeide so hoge sine tale, Datsise alle hoerden in der** sale. >Here, heer** koninck I'^ zeide Nascien [tien stonden, »Hier sgn die* •ridders van derTafelronden, 28525 Die oec willen doen hier een belof. Dat hier nembermeer joncfrouwe in den Comen en sal om helpe** negene, [hof Opdat tegen enen ridder allene Te doene es , daer en sal een ridder varen 28530 Waer dat sine leiden wille daemare, Ende also vele pinen daerombe dan, Dat men haer recht sal doen voertan **in that I here some strattnge tidinge * •berichten den *^mcrren **unde der ritter **mo8tcn **to, do **heden * "spreke ••den »*her **8indr« **halpe» 818 Van den onrechte, dat haer es gedaan". Doe vragede die koninck Artur saen, 28535 Oclitsi* dat sekeren wonden* alle alsoe, Al se daer Nascien hadde gesecht doe. Si zeiden, ja si, alle daernaer; Doe zwoeren 'si te hondene daer Allegader toter* doet toe; 28540 Daer was grote blyscap doe. Ende als heer Gawjn hoerde dese dinge, Ginc hi tsinen gesellen sonderlinge Ende zeide , wonden* si hem volgen daer, Dat hi hem raden wonde* daernaer, 28545 »Wy souden* des alle hebben ere Waer men des gewoge ember*mere'\ Si zeiden alle, ja si, nu. Doe nam hi haer sekerheit, secgic in; Ende deser' was tachtentich ter stede ; 28550 Doe leide hi dese alle mede Tote Yor die koninginne , ende zeide nu : > Vrouwe! ie entese ridder* komen tot in Ende bidden iu, dat gy ons onthout' Alse iu ridder* te sgne met gewout', 28555 Van masnieden, ende datsi voert Sullen** secgen in elke poert, Waer si komen, iu ridder wesen". Doe die koninginne hoerde van desen, Zeide zgs** Gawyne groten danc mede 28560 Ende alle den andren'*, ende zeide ter »Ic onthoude iu alle*" gereet [stede: Vor myne heren ende vrient**, God weet, Ende God moete** my laten leven So lange , dat ie iu des danc moge geven, 28565 Des behetes enter** eren mede, Die gy hier nu mede doet ter stede". Doe zeide Gawyn: »nu es dat inscyn, Vrouwe, dat wy uwe ridder syn; Nu willewy iu doen een gelof, 28570 Dat nieman*^ sal komen in uwen, hof. Die iu ansoeket ombe encge noet Van enegen onrechte, dat men hem doet, Daer en sal een uwer ridderen** dan Varen, opdat iegen enen man 28575 Te doene es, waer dat oec sy; Ende oec sullen* 'si mogen nemen daerby Welken ridder si willen vorwaer. *Off ze "wolden "do zworen *tot der 'wolden, wolde, zolden 'iemer 'deaser "imde dese ritters "ontholt, gewolt '"solen **ze des **aiidem * 'allen **inyne vrent **inote **unde der '^neman **rittere **so- Ende hebbene* " also lange daernaer Alsi** des te doene hebben iet; 28580 Ende en quame** hi in ener maent niet , So soudewy"ne alle soeken varen, Ende dat soude duren daemare Een jaer ende enen dach. Eer hi te hove wederkomen mach, 28585 Ende dan sal hi vertellen sine aventuren, Die hem gesciet syn** binnen derre uren, Ocht si quact, eder goet mede; Dit sullensi ten Heiegen" sweren gerede Te varene ende te komene ten hof*. 28590 Doe die koninck Artur hoerde dit gelof \ Dat m^nheerGaw^ngelovede tien tyden' *, Was hi des utermaten blyde , Entie" koninginne was van desen gelove Die blydeste ene van den hove. 28595 Doe Artur die koninginne sach so blyde, Zeide hi: » Vrouwe, nu willic tesen tyden * *, Dat gy deser'* geselscap hebbet te* * bat; Want ie wil, Vrouwe, datgy al mynen scat In uwer hant hebbet ende doet daermede 28600 Al dat iu dünket' * goet ende oerbaerlyc- Want sint iu God hevet gegeven [hede ; So scone geselscap in iuwen leven, So willic dat gy des deelerse" sjjt, Ende dat gyne deelet' ' als iu dunket tyt". 28605 Als dit die koninginne verstoet, Knieldesi vor den koninck te voet, Ende dankede hem der eren daernaer. Doe riepsi heren'* Gawyne tot haer" Ende zeide, datsi nu woude, 28610 Dat men vier clerke nemen soude , Ende datsi souden syn daertoe'* Datsi scriven souden voertmeer doe'* Alle daventuren, die nadien Den riddren' * van den hove souden gescien, 28615 Dat men also lange als die werlt sal wesen Daventuren moge vinden van desen. Dus waren" vier clerke genomen daer, Daventuren te scrivene daernaer; Tote noch hevetse Blasys bescreven, 28620 Dat Merlgn hevet wtgegeven, Ende nu voert van deser uren Scrcven die clerke daventuren. len ** hebben "ene ** alse ze **queme **zoldewy **zin **hilgen ■•daroff *'ten tyde **imde de ■•todessen tyde "desser '*de ••donket "deilersche, deilet •*hem "to er **darto "'ritters '^*werün. 319 Doo gelovede Grawyn noch voort, Dat hi en hoerde nember woert 28625 Van negener* aventaren, hi en zondese dan Varen soecken, ende sine gesellen daeran, So lange, datsi souden voert Daeraf bringen gewarige woert. Dit geloveden sine gesellen alle daer, 28630 Entie* van der Tafelronden oec daemaer ; Ende van dien* dage voert v^as Gawgn Ende sine geselleu geheten* fijn Der koninginnen ridder voertmere; Ende hieraf quam oec die ere 28635 Minen heren Gawyn altenen gader. Dat menne hiet der avonturen vader, Ombedathi daventuren brachte toe Van den gelove, dat men daer dade alsoe. Doe al dese gelove* gedaen waren 28640 Ende men geten hadde daemare, Toende daer elc sjjn spel*, die woude'; Daer quam Dagenet, met groter vroude, Van Carlioen ; hy dade" daer grote feeste, Dat daerop sagen* minste ende meeste ; 28645 Hi was wel half sot diegene: Hi tumelde , hi sanc , hi riep gemene , Met luder stemmen riep hi daer: »Morgen moete*®wy soecken*' vorwaei Daventure te velde hier buten; 28650 Laet sien, wie* * sal nu liegen in muten ? Heer Gawyn, suldy * * daer dorren komen ie t Met uwen ridderen? neen gy, niet; Gy heren van der Tafelronden, Suldy* * my i^t dorren volgen tien* *ston- 28655 Morgen, daer ie vor sal varen? [den, Neen gy, gy en hebbets herto niet, twa- Aldus so riep daer Dagenet , [ren!" — Die herde blode was, dat wet, Ende sonder twivel , hi wapende hem sint 28660 Menechwerf ende voer omtrint In den bosc, ende hinc sinen scilt mede An enen boem, ende sloech daer ter stede Sinen scilt met sinen swaerde alsoe, Dathyne** cloef entie* verwe afginc doe; 28665 Ende dan quam hi tehove met groter noet, Ende zeide, hi hadder* • enen ridder* * ocht [twe doet; Ende haddi** enen ridder** gesien ryden, Ge wapent ende op hem roepen tien** ty- Hi hadde gevloen al sine macht; [den, 28670 Oec hadde hi dickewile bewacht Ridder , die reden ende dachten soe [doe* *, Ombc cnege dinc , dat hem gesciet was , Dan voer hi al swigende an hem saen, Ende nam hem motten breidel,sonder waen , 28675 Ende bracht hem, hoe** hine vangen had- [de doe, Ende zeide daer dan grote woerde toe. Van deser** manieren was Dagenet**, Ende hi was een scoen ridder met** Ende van groten geslachte , sonder waen. 28680 Hieraf laet ie dese tale staen, Ende sal iu van enen tomoye secgen. Dien die ridder onder hem daer lecgen. Van enen tomoye, daer Heer Gawyn meester ende geselle van der Tafelronden van wart, Doen** detentijt geleden was, Entie feeste oec nadas, 28685 Quam Keye , die drossate , voert ge gaen : » Wat, gy ridder, hoe sie** ie iu dus staen Talso groter feesten, alse dit es nu? Hier soude men tornieren, secgic iu". Doe zeide Sagrimor, thant daemaer: 28690 »By Gode, Heer Keye, gy secget waer, Die niet en tornieret, hi es gelovech** [mede. Doe vragede Heer Gawyn daer ter stede , Hoe men tornieren soude** nu? Mynoras sprac: »ic secget iu, 28695 Wy sullen tornieren tegen die ridder [der koninginnen , Ende wy sullen daertoe doen in allen [sinnen , Dat elc vjjf hondert ridder hebbe ter stede". Heer Gawyn zeide : »ic love dat mede". Doe zeide Synados**: » hier en esgeenbei- 28700 Die dach die gaet, laet ons bereiden !**[den, Doe liep elc tsiner herbergenwaert, Ende gingen hem gereiden ter vaert, Ende quamen** wt in tween** partien. *gencr *unde de 'den *gehieten •gelovede 'spil pensyf^ that tpake no worde *®wo **de89er **d8ge- 'wolde 'dedc •zegen *"mote ^'sokcn **we '*zole ' noet **oec **do **wo se **Eng recreaunt *^8oldc gy **tcn **lie '"hadde dar, he ''rittcr **tcn **Pynado8 ■•qucmen *®twen. **£ng. yef he mette eny hwyght errataU that were I 320 Ende vorgaderden hem bj der prajerien, 28705 Datter in beiden sjden daer was Tote tien' hondert ridder, B^t seker das. Doe creyeerde men den ban also boude*, Ende elc voer doe daer hi wonde* Onder sine banier. Doe quam Gawein 28710 Ende Herviel, ende deelden* opten plein Die ridder; doe begonden ter steden Die heralden* sere te roepene* mede: »Hier es dere der* wapene al Van der werlt, groet ende smal, 28715 Nu sal men sien, wie dat wel sal doen*'. Dus vergadert waren die baroen. Doe ontboet die koninckArturGawine daer, Dat hine qname' spreken daernaer Ten venstren* van der* sale, secgic iu , 28720 Ende heer Gawyn reet derwaert nu, Ende voerde met hem Ywene endeGriflette. >Doe hi daer quam, sprac sonder letten Die koninck tote Gawine ende zeide: »Neve, nu biddie op hoveschede, 28725 Dat gy den tomoy verhoedet alsoe. Dat nieman** den andren arch en doe, Ende dat negene* 'bolgenscap daergescie". »Here", zeidi, »80 verre** alsetgaetanmy So en sal negeen** arch gescien, 28730 Maer al en kan icse gehoen niet van dien ; Maer ziedy * * dat die tomoy fel wert* * ter [steden , So komet daer ende helpeten sceden; Maer willen iu ridder myne gesellen stou- Dat moetic ember helpen weren".[teren** 28735 »Here", zeide doe die koninck Ban, »Heer Gawyn secgot alse een goet man; Doet van onsen lieden** wapenen nu, Ende es des te doene, datsi met iu Gereet s^jn te vaeme, ombe sceden 28740 Desen tomoy tuscen hen beden". (»By Gode", zeide Artur, »dat sfl alsoe")* •. Hi * • dade daer driedusent wapenen doe, Ende Heer Gawyn keerde weder nadas Daer die tomoy begonnen was, 28745 Daer dierste daeraf was, te dien stonden, Pynados , een ridder van der Tafelronden Ende Agrawein Gaweins broeder met. *t\jn 'holde, wolde 'deilden ^geralden *toropene •de to. Eng. Cy eii lonoura darmet 'queme ■vinstrcn •den * •ncman * *gene * *vere * *engeen ' *ze gy * •wirt ^*tM\Axen.\lSsig.diffoiileandoverlede ** omber **Eng. Dese** quamen tegen oen, dat wet, Met tween scerpen speren ende groet, 28750 Elc stac den andren** in dat gemoet Dor den scilt toten halsberch toe**, Daer die speren op wederstonden doe**, Datsi al te sticken braken; Ende daer si voert leden, na dien saken, 28755 Quam dene opten andren** soe Rivelerende, datsi beide doe Metten orsen ter aerden vielen daer. Doe quamen in beiden syden daernaer Toegereden die ridder met crachte, 28760 Ende braken alsoe daerhaerscachte*^; Ende binnendien es (}awyn daer komen, Ende hevet sinen broeder ter aerden ver- [nomen , Maer hi wart sciere hermonteert** nu; Entie*' van der Tafelronden, secgic iu, 28765 Pynden hem 8ere,hoe* ^si mochten daernaer Der koninginnen ridder tonderbringen [daer; Entier** van der Tafelronden washon- [dert man Ende vgftich mede , ende dander voertan Was tachtentich; dit was ongedeelt spel* *, 28770 Nochtan weerdensi hem so wel, Dat wonder was; maer heer Gawein Halp hem so wel daer in den plein; Maer dat en konde hem niet in staden staen, En hadden des koninck Lottes ridder ge- 28775 Si waren*' sere tachter bleven ; [dacn, Daer was menech** slach gegeven, Ende menege ioeste daer gedaen, Ende menech afgesteken saen; Daer liepen dorse achtervelde, 28780 Daer waren* • die van der Tafelronden [met gewelde Achter gedaen. Doe quamen hem daer Hondert ende veertich ridders thelpe Doe haddensi dat weder te goet [naer** ; Ende dreven dander** over voet. 28785 Doe began daer een groot gehu Ende een groet gerechte**, secgic iu. Doe Heer Ywen vernam, twaren, Dat sine gesellen dus tachter waren, In Oodis name io sAall ii he '*dit '•desae '^andem **to, do **andem **8caflFte **gcr«ddct **imde de *'wo **andc der ^•ongedeilt spil ••weren ■*mt- nich **to holpene damaer ••geruchte. 321 Doe zeide hi tot heren* Gawyne gereei: 28790 »Wy merren nu te lange, God weet, Want ouse liede* ejjn gesconfiert". >By Gode, hier es te lange geviert!" Zeide Sagrimor, »nu varewy in; Laet sien , wie^ in sgn begin 28795 Den prijs hier beiagen sal mede". Gawyn loech*, ende zeide ter stede; >Nu volget my, ie vare voren!'' Doe sloech hi s^n ors met sporen. Heer Gawyn quam vliegende met suiker 28800 Gelijc dat die sperwer doet [spoet Na den lewerken, als hi honger hevet groet; Al derregelyke quam in dat gemoet Heer* Gawyn sine wedersaken; Daer mochte men horen die spere kraken; 28805 Si staken' er vier daer neder doe, Ende dorbraken* den tomoy alsoe, Dattet* gehu al achter bleef, Ende mense daer niet vorder en dreef. Si daden sovele met wapene daer, 28810 Datsi bekant worden daernaer Van dengenen , diese noit en sagen ; Doe wart benomen daer dat iagen. Der koninginnen ridder trocken * ® ter stede An Gawyne, ende koninck Lottes ridder 28815 Die herde goede ridder waren; [mede, Daer dadet Saorrimor so wel, twaren. Dat sine metten vingeren wgsden. Die ten venstren lagen, ende sere prgsden, Ende zeiden, dat Sagrimor waer** diego- 28820 Die welgemakede entie** scone, [ne**, Nochtan es hi beter ridder daerby; > Diegene, die hi mint", zeiden sy Mach haer beromen datsi mint ter stede Den besten van den hove mede, 28825 Ende dat en waer negeen * ^ hoveschede Die sulken ridder'* minne ontseide". Ende Griflet ende Galescins, dat wet, Ende heren * • Gawyns drie broeder* ', met, Dese dadent daer so wel, secgic iu, 28830 Dat mense sere pr^sde nu; [den. Ende mijnheer Ywen dadet wel ten ston- Ende doe die ridders van der Tafelronden Sagen, dat sise wederstonden soe, Pgndensi hem utermaten sere doe, *hcrn *myrrcn 'lude *we *lachgede 'her ^steken •dorbreken 'dat dat *°treckedeii *'weer ^^datgene **unde de **weer geen **rittcr **herii *'dre 28835 Datsise mochten verdrivon daer. Maer manheer Guwyn, wet vorwaor, SJns gelyc en was daer niet. Want daer hi die perse dickest siet, Daer reet hi dor , wien* • lief wien*'leet ; 28840 Hi ende sine gesellen dreven gereet Die van der Tafelronden, met groter [cracht**, An dat water tote op die vestgracht. Dit boec sccht, dat daer neder waren Gesteken tiene , die beste van der scaren , 28845 Daer dene af hetet** Mynores, Ende Natalis** ende Mynades, Bloaris*', Carisman ende Ladynus , Grandonies, Ladinel, ende Pertynus Ende Trahelus; dese tiene, twaren, 28850 Met crachte*' daer afgesteken waren Ende gevaen, ende gesent daerbinnen VanHerenGawyns wegen der koninginnen, Want si hieldene** vor horen **here daer; Si hadden recht, want openbaer 28855 Was hi der besten ridder* • een ter stede. Dien** men wiste levendich mede; Entese*' tien ridder hadden gelo vet by [trouwen »• broder **wcn '•crafft **hiet * 'natalie >*Blaaal I scocnhede »*ne ••als ze »*iiochtan. Ter koninginnen te varene, haerre** [Vrouwen ; Si quamen tot haer*", ende gaven** hem [daer 28860 Van mjns heren Gawyns wegen gevaen Doe onfincaise met feesten mede, [naer**. Ende gaf hem van haren scoenheden**; Doe gingensi daer liegen mettien Ten venstren metten andren wtwaert sien. 28865 Als die ridder van der Tafelronden Haer tien gesellen verloren hadden, tien [stonden , Waren si droevich ; wantsi en waren Noit** also veriaget, twaren. Van den velde, alsi** waren doe; 28870 Nocht en** haddensi die wyle alsoe Gestreden iegen noch also vele liede* Als daer hem dit nu af gesciede. Doe quam ene grote batalie derwaert Van der brucgen, die se ter vaert 28875 Achter sette , ende dander, wet vorwaer , ••craffte **ze bilden ene ••oren '"den •'undedese ••tmwen ••erre ■•to er •* geven ••darnar ••orrc 41 322 Stoutelike bescudde daer, Ende daden sovele datsise opten plein Dreven, daerse afiagede Gawein. Maer heer Gawyn quam daer iegen saen ; 28880 Doe ginc men houwen ende slaen. Daer wart die tomoy staende doe Tot over die none recht alsoe. Doe wart Gawyn dobbelerende saen In siner cracht', ende ginc slaen; 28885 Ende brachten echt in die econfiere Die van der Tafelronden tot optie riviere. Doe zeiden die van der Tafelronden, Datsi voert souden doen ten stonden, Dat quadeste , datsi konden gedoen mede 28890 Grawyue ende sinen gesellen ter stede. Daer namen* si sterke spere doe Ende settense in haer godsette* alsoe, Ende dat es een groet anxt^, wetetwel, Want tomoy soude sonder ny t py n ende fel: 28195 Ende aldus gingensi hem toe. na desen Ocht*dathaer dootviande hadden gewesen. Dus voerensi met horen speren in Ende staken daer af, in dat begin, Twintich', die goede ridder waren 28900 Maer si waren voUick' op, twaren, Ende weerden* hem met horen swaerden Tegen dander, die se begaerden Sere te vane, haddet mogen gescien; En hadde Heer* Ga wijn niet komen te dien 28905 Ende* * weer genomen terre* * scalheden , Daer waer groet scade gesciet ter steden ; Maer hi voer doen in die porse, Ende Sagrimor met sinen orse. Doe zeide Heer Ywen: »nu ziedy wel'* 28910 Dat dit es een lelie spel, Datsi nu doen op onse gesellen '\ Doe her Gawyn dit hoerde tellen, Zeide hi sinen riddren, datsy*' Daden alse goede liede** daerby, 289 15» Want wy en sullen* •des niet gedogen nu"; Doe riep hi tot hem, secgic iu, Gwerriet van Lambele ende Gwiuomaren, Ende hiet hem, datsi souden varen Toten heren van der Tafelronden, 28920 Ende hem secgen, nu ten stonden , *craflFt * nemen 'Eng. and pufte hem in fewire *£ng. and that ia the gr et test crewelte, that oon may do *off*dartw **8ie gy wal 1 1 'vollich ■werden 'her *"cn * Ho derre se **lade * •solen * 'heropen *'do Datsi haer doerheit laten staen, Die si begonnen hebben saen, »Ende secget hem, wy beclagen ons mede, Datsi ons hebben gedaen scalchede, 28925 Ende sullense daeraf, in ware dinc, Beroepen'* vor minen heer, den koninc. Secget hem, hevet hem ieman iet mesdaen, Wy sullen hem dat beteren saen'\ Doe voeren** si na dien* "stonden 28930 Toten heren van der Tafelronden , Ende daden haer boetscap al nadas. Geitje datsi hem bevolen was; [daeraf, Ende si antwoerden hem, si en hielden niet Ende en Btonden dor sinen wille* * niet af. 28935 Ende die hem toernen wille, die doe dat nu, Wy sullen** hem meer doen, secgewy ia ; > Aldus secht Gawyn , ende sine gesellen; Oec moget** gy hem dit vertellen. Dat men te hant sal sien ter stede , 28940 Waer die vroemste ridder sgn mede". Doe diegene hoerden die overdade**, liedensi theren Gawine met staden, Die al die wyle her monteert* * hadde daer Sine gesellen, die si vorwaer 28945 Af hadden gesteken met nide ; Doe zeiden die ridders tien tiden*^ üeren Gawine die boetscap voert, Also als gy nu hebbet gehoert. Ende doen* 'heerGawyn dat hoerde alsoe* * 28950 Was hi des utermaten erre*' doe**: »Ja'\ zeide hi, »eest** hem in emste dan, Ende willen si dor ods niet doen voertan, Nu willic wel datsi weten al fijn, Sint dat wy ten hatene komen syn**, 29855 Dat wy dat proeven sullen herde saen** Welke ridder beter syn, sonder wuen". Doe sciet'* uten tomoye heer Gawein, Ende syn broeder ende Sagrimor ende Ende Gtilescins ende Dodinas met,[Ywein, 29860 Ende Keye van Strans ende Griflet ; Dese nam hi over ene side daer, Ende zeide hem die boetscap daemaer , Die die heren van der Tafelronden Hem ontboden hadden tien** stonden, 29865 »Ende ombedat wy ons koenlyc weren. voren **den ** willen * 'zolen **moge **overdaden **gereddet '^ten tyde **do **aUo, do "'tornich **i8 dat **8in * "sonder waen *'8ciede **to den. 323 So pinenei, hoe* si ons mogen deren, Ende menen' gewonnen hebben nu , Ënde tonen haer quadesie, secgic iu ; Nu doe elc halen ayn harnasc ter stede, 28970 Daer hi te stridene pleget mede , Ende tbeste, dat hi hevet, sekerleke*, AIbo dat hem niet en gebreke''. Ende si daden dat halen alle daemaer ; Doe trocken^ si in den tomoj aldaer, Ü8975 Die doe herde vreeslyc* "was; Ende doen haer* wapene quaraen' nadas Wapendensi hem al hemelyc* nu; Daer was hoerre* groet gebrec, secgic iu , Van horen* gesellen, wantsi waren 28980 Sere tachter gedreven , twaren ; Ende manheer Gawjn es derwaert gereden, Ende sine gesellen, die nu ter steden Sochten die haer**, hier ende daer. Die hem ontvoert*' waren daemaer, 28985 Datsi se daer niet vinden en konden, Want doe haddense die** van der Tafel- So tachter gedaen , dat sise niet [ronden Vinden en konden. Alse Qawyn dat siet, Sloech hi in den tornoj met suiker felhe- 28990 Dat hi ende sine gesellen mede [den, Menegen** velden ter aerden daer, Ende sulken, die niet meer(en)opstont naer. Alse dit sach Adragant, ende Nascien, Hieldensi daer al stille mettien**, 28995 Ende zeiden thoren gesellen daemaer: »Wy hebben quaet gedaen vorwaer, Dat wy dese hate hebben ter stede Opter koninginnen ridder mede, Ja, ombe niet; wy rieden** wel nu, 29000 Dat men tomieren liete, secgic iu, Eer daer quades afquame** meer. Want des koninges neven toernen hem seer Ende sinen gesellen , ende si sullen met Quaet onder ons doen, dat wet, 29005 Ende ember toe* ^ esser een doet ter stede; Ende twaer* * beter , dat bleve hiermede , Dan daer meer af komen sal nu: Want daer syn sulke twintich, secgic iu. Die onser veertich* * sconfieren souden saen 29010 Opdat si des wouden** dus bestaen, *wo *mcynen ■sekerlyke *lreckeden •vreslyck *do er ^qnemen •heymelic •orre, oren **cr **ont- foert **dicke *'maiiegeii **mytden * •reden Ënde dat sijn jonge dapper liede met, Ende van den hoechsten van den lande , [dat wet". Dander zeide: vdat es nu tontyde , Iloede hem die wille in elke syde, 29015 Dat en mach nu niet anders wesen*'. Doe sloegen** si in vaste na desen, Ende die tachtentich gesellen mede Vergaderden** an hem ter stede. Doe wart die tomoy anxtelyc**, [kerlyc 29020 Des koninck Lottes ridder merkeden se- Den haet , dien die van der Tafelronden Hadden op hem nu tien stonden; Si trocken in syden ende walopeerden daer, Ende quamen^ an heer Gawyne naer^ 29025 Ende zeiden : >rydet in sonder enech keer , Want wi en begeven iu heden** meer, Wy sien wel den hate, sonder vragen, Dien die van der Tafelronden tot** iu [dragen, Enten** es geen wonder, als^jnsimede 29030 Boven, wantsi hebben ter stede Hondert ende vgftich ridders** vorwaer, Ende gy en hebbet maer* * tachtentich Des d ankede hem Grawyn sere doe, [daer". Ende dadese by hem houden alsoe. 29035 Doe riep hi enen knape** ter vaert: »Rjjt haestlyc tmynen oemewaert, Ende secget hem, dat* * hem niet leet en sy, Dat ie, ende myne gesellen, were my Tegen die ridder van der Tafelronden 29040 Van der sotheit, die si nu ten stonden An ons hebben begonnen ter stede, Ende tellet hem alle die dinge mede, Hoe* * si komen sjjn* * van beginne toerde". Doe Galesconde verstout Ghiwyns woerde, 29045 Voer hi ten koninck Arturwaert, Ende zeide hem sine boetscap ter vaert Also alset** hem bevolen was daer; Ende binnen desen** hadden daemaer Die van der Tafelronden achter gedaen 29050 Dander**, ende van den velde gedreven Ende doe manheer Gkiwyn dit sach, [saen; Quam hi daer tegen , al dat hi mach , Metten riddren* * van sjna* * vader lande* * i« qae- me **omber to **dat weer **viertich * •wolden •*8logen **vergadderdcn ••angestlyc •*hudden ••to ••unde en *'ritter8 **men ••knapen ••ditdat ''wo ••gy ••als dat •*des8en ••de andem ••mit den rittera •'syn ••Eng. alU the kn^ghtet ofhitfadrC4, 324 Die hi groet ende getrouwe* kande; 29055 Ende heer Gawyn riep in dat begin : »Gy, edele ridder*, nu slaet in, Doewy hem kennen haer hatie'/^ Doe heer Gawyns gesellen die scone partie Hem volgen sagen*, doe keerdensi meed'; 29060 Haerre* een Gawyn, die voren reet. Die voete opwaert keerde daer. Dat* hi ter aerden viel vorwaer; Ende sine gesellen riepen: »hiesdoet!'* Doe wart daer dat gerochte groet, 29065 Ende liepen hem op in allen syden Ende m^nheerGawyu sloech, te dien tyden, Enen andren ene wonde in dat hovet In dene syde , des gelovet , Dat hi moeste vallen ter erden*. 29070 Doe sloech hi optie scoader' den derden , Dat hi se hem ontcleedde daer, Ende viel oec van den orse naer. Doe quam hi an Nasciene saen Ende meendene opten helm slaen, 29075 Ende doe hi den slach sach komen ter vaert, Toech hi sjjn ors achterwaert, Ende toech syn swaert enten scilt op dat Want hem duchte sere, des gelovet, [hovet, Dat hi hem mochte geven enen slach. 29080 Ende alsene heer Gawyn also sach Bereit staen, verhief" hi dat swaert Ende woudene slaen metter vaert*; Maer dat swaert keerde hem in der hant, Ende Nascien heveten daer bekant, 29085 Ende zeide: »Heer Gawein, Heer Gawein, Gy en ayt niet komen in dit plein Tornieren als een hovesc man , Want gy hebt iu strydewapcne an; Ie*® en houde' * iu nembermeer vorwaert 29090 Vor also hovesc, dat secgic iu, [nu Al 8 ie dade; want hier ter stede Strydy * * ocht wy waren* * iu viande mede. Ende hebbet iu goede swaert bracht met Ombe ons doet te slane , dat wet , 29095 Dat iu noch verweten sal wesen Anders dan hier". Doe sprac na desen Heer Gawyn: »in**weet van dienverwyten Maer woude my ioman betyen iet, [niet, *gctruwe * edelen ritier *8egen *erre •do 'eerden 'op de scolderen ■verhoef 'myt der vert *®ich '* holde ' *strijdet **offwy weren **icken ** heropen **we * 'offtc drc **hescheinet **hegondcn, wolden ' Ende daeraf te campe dorste beroepen * 'my, 29100 Ie sondes my verweren, wie** dat hisy, Ja, ander twe och te drie*' mede, Dene na den andren, wetet gerede; Maer gy ende iu gesellen , secgic in , Hebbet hier valsceit bescenen** nu, 29105 Want gy desbegondet**, endeicgesent Hadde an iu te bidden omtrent Boden genoech , dat gy ter stede Hovesclike soudet** tornieren mede, Wy souden hovesclike tornieren saen; 29110 Ende hadde van ons iu ieman mesdaen**, Wy l)oden iu dat te beteme naer**". Nascien zeide: »here, wetet vorwaer. Dat was gecklyc begonnen, secgic iu, [nu, Ende oec waer** t^t dat wjt** lieten 291 15 Waert** iu wille ; want sulc, diet nu ter- Opbrachte, licget hier doet gewent; [stont Maer ie biddiu ombe God,dat gy se sceet**, Eer hier meer scaden af sciet ocht leet". »Ic en weet", zeide heer Gawyn doe, 29120 Wat scaden hicraf sal komen toe, Maer van miner wegen en wert dat niet Gesceden**, wat scaden daeraf gesciet ; Ende nembermeer voert, in negenen [stonden , Waer dat komen die van der Tafelronden, 29125 Daer si scalcheit willen beginnen Tegen ons, dit doe ie hem bekinnen**. Dat icse ierstwerf beginnen sal, Tegen hem, dit secget hem al; Ende ombedat gyt hem sult secgen nu , 29130 So sal ie hier verdragen iu". Nascien zeide doe »Here" saen » Anderwerf hebdy*' my hovescheit ge- Des ie iu en gedanken kan iet, [daen. Want gyne hebbet des te doene** niet; 29135 Ende dat gy hier secget nu ter stede, Dat gy ons strides genoech sult mede Geven, daeran sechdy** waer gereet, Want gy zyt machtige liede**. God weet, Ende wyne hebben die macht niet tegen iu, 29140 Wildy** ons crenken ocht* * letten nu". Doe sciet Gawyn van Nasciëne, Die te voet bleef staende na datgene, Ende sloech in die plaetse daemaer, *®my8daen **damaer ** weert **wy dat **8cied * •geschieden **hekennen *'hehhet gy **to done *'35egge gy **liide "wil gy **oflf. 325 Ende dade met sinen gesellen daer 29145 So vele , dat hi na ten stonden Verdreef die van der Tafelronden Tote op die riviere, die diep was, Bat^ si menegen daerin nadas Tnmelen daden hoers* ondankes mede. 29150 Daer mochte men vlieten sien ter stede Scilde ende speer, ridder* ende paert*, Metten* strome nederwaert*. Doe Heer Gawjn sach datsi dus vloen, Ende niet verkoeveren mochten doen, 29155 Stac hi dat swaert in sine scede naer Ombedat hem dochte dat hi ieman* daer Doet mochte hebben geslagen ter stede; Doe sach hi die van der Tafelronden mede Datsi op die cautsyde' hielden daer. 29160 Doe nam hi enen boem daernaer, Die over een vonder lach alsoe, Ende warp sinen scilt ter aerden doe, Ende nam den boem met beiden handen, Ende zeide, hi soudese verdryven thanden; 29165 Doe sloech hi onder hem ter stede Ende sloech enen dat hine tnmelen dede, Enten* andren* enten* derden met Enten* vierden mede, dat wet. Doe si sagen ^® dat hise sloech alsoe, 29170 Liepensi hem alle op daertoe, Want sine sere hateden mede; Si sloegen hem an in eiker stede Ende doden sijn ors onder hem daernaer ; Hi spranc op, want wet vorwaer, 29175 Dat hi licht was ende dapper seer; Doe trac* * syn swaert weder wt die heer, Ende makede van sinen bome een scilt daer, Ende zeide: » hebben moestensi een quaet Diegene, die gepryset willen syn [iaer 29180 Vor goede ridder* ende ^n, Die nu van anxte , dien hadden sy, Myn ors doet staken onder my. Doe liep hi op hem met stouthede**, Ende dorsloech haer* hel me ende scilde [mede , 29185 Ende hals berge ende hande af, dat wet, Ende hovede daer, ende orse doe met, Dat^ * hi dat al daer neder sloech , ^sodat *ore8 *ritt€r *pert, wert •mytden 'Eng. eny man umoar ^kant side; doch zie 't Eng. on the chmchie "unde den *andem ^''segen ^'treckede »»8tolthede »«8odat »»legen >»hem »«beblodet ' Dat hi gerakede, na sijn gevoech. Dat hi haer, eer iet lanc daernaer, 29190 Meer dan twintich also sloech daer, Datsi ter aerden lagen** gewont. Doe quamen sjjns vader ridder terstont Die hem volgeden al den dach daer, Ende sloegen in diegene vorwaer. [staen 29195 Daer vondensi heren** Gawyne te voet Ende tswaert in der bant, sonder waen , Sere bebloedet**, want hi in der noet Veertich paerde geslagen haddo doet; Doen hermonteerden* 'sine weder ter stede, 29200 Doe stac hi dat swaert in sine scede, Ende nam sinen boem met beiden handen, Ende liep hem vreeslyc op thanden, Ende sloech in den hoep alsoe, Hem en roekede* * wien hi gerakede doe ; 29205 Hi ende sine gesellen drevense daer In die poerte van der stat daernaer, Ende sconfierdcnse alle daer ter stede; Maer die op ter* • rivier bleven mede , [nu. Die waren tegen der koninginnen ridder* 2921 Mjjnsheren* ® Gawyns gesellen, secgic iu , Dier** bleef nu so luttel goet daer. Dat dander** verkoe verden daernaer, Ende drevense weder ten pleinewaert, Daer menege ioeste in der vaert 29215 Gedaen was, dat die vrouwen Entie* * ioncfrouwen ten vensteren scou- Die daerin wtwaert sagen [wen, Den enen enten** andren jagen. Doe** mynheer Gawyn wart gewaer**, 29220 Dat daer verkoe vert was dander scaer**, Ende sine gesellen tachter hebben gedaen, Doe riep hi van sinen riddren*' saen Twintich, die met hem daer waren, Datsi ten genen souden varen 29225 Ende bescuddense. Doe voeren** si daer Ende daden met wapenen sovele daernaer, Datsi se sconfierden alle nadat Ende drevense daer tot in die stat, Ende in die straten iagedensise daer, 29230 Ende sloegense af ende overredense naer Met horen paerden**, want, sonder waen, Sine wouden*** daer enen doe niet vaen * 'redden **rokede **op der *®her **der **de andem **unde de, den **unde **dar gewar **8car *'rittem * 'voren **oren perden ••wolden. 826 Ombe die grote overdaden mede, Die si ierst* werven begonden ter stede. 29235 Ende bander*9iden heer Gawyn, aecgic iu, Ënde sine partie, die hadden nu Verdreven die ridder* van der Tafelronden Tote Sin te* Stevenskerke tien* stonden; Daer blevensi houdende onder hem alsoe 20240 In dat enge van ener straten doe, Ende weerden* hem so si best konden daer; Maer onlange haddet mogen duren vor- f waer , En waer' die koninck Artur niet komen nu. Die koninck Ban entie* koninck Bohoert, [secgic iuy 29245 Die met hem brachten vierdusent man, Die vaste gingen sceden voertan, Ende dadener wel drie'hondert gaen In Sinte* Stevens kerke; ende saen Voeren **8i voert, ende ontmoeten daer 29250 Des koninck Lottes ridder' S wet vorwaer; Ende si menen* * dat viande waren* • dat, Ende sise gewacht hadden ter stat, Ende vergaderden daer in hem ter stede ; Doe began daer een nuwe tomoy mede ; 29255 Doe warden sere tachter gedaen M^ns heren Gawyns geselien saen , Want dene partye vacht tegen dese nu , Dander iegen die van der Tafelronden, [secgic iu; Doe vernam manheer Gawyn daemare , 29260 Dat sine gesellen oevele'* bereit waren, Ende datsi,ic en weet met wat lieden * 'daei Gestreden hadden achter hem daemaer; Doen** hi dat wiste, was hi des erre, Ende reet derwaert sonder enech merren * * 29265 Ende liet sine gesellen daer tien stonden Stryden tegen die van der Tafelronden, Ende reet daer dander nu streden Tegen sine gesellen daer ter steden; Maer eer hi derwaert voer , hadde hi 29270 Goede hoede geset, waerby Die ridder van der Tafelronden Niet wederkeren * • mochten tien stonden; Ende also vro als hi daer quam, Ende hise also strydende vernam , "irst *op ander •ritters *8uiite 'teu •werden »unde en weer "unde de 'wal dre *® voeren **rit- ttre **meynen ''weren **oyele **luden '•do "enige merre * ■nicht wederkieren "'se dat *• solden, holde 29275 Riep hi dat sijs'* ontgelden souden**; Ende doe sine vernemen also houde**, Riepensi: > gevet iu op nu gevaen Ocht*' gy sjjt doet, sonder waen!" Ende als hi hem hoerde dregen soe**, 29280 Wart hi erre ende zeide »hoerenkinder" Ldoe** »Ende verrader! hebdy** hier ons mede Nu liegen wachten te deset stede? Wet wel , uwer en es geen so koene , Gy ne mocht iu liever sien, tesen doene, 29285 Te Rome nu binnen** der stat". Doe trac** hi Calibumuse nadat, S^n swaert, dat al bebloedet was, Entiegene** liepen hem op nadas Met haren gisermen*' ende met haren [swaerden , 29290 Ende hi gincse daer vaste anyaerden, Enten iersten** hi enen slach gaf. Dat hem dat hovet daer viel af; Enen andren sloech hi doet ter stede, Enten** derden enten vierden mede, 29295 Ende makede so grote plaetse naer, Dat hem nieman genaken mach daer, Ende ginc rouwech ende serech vlien, Ende riepen: » vliet, vliet!" mettien, ^ Bier komet die Duvel nu ten stonden 29800 Uter Hellen, ende es ontbonden!" Ende doe HeorGawynbescut** hadde daer Sine gesellen, nam hi daemaer Veertich ridder ende settese ter stede Op dat inde*' van der straten mede, 29305 Ende hiet hem, datsise hoeden saen, >Ende wert** iu", zeide hi, >enege kracht [gedaen , Soe haelt my". Doe keerde hi ter vaert Weder tSinte** Stevens kerken waert, Daer die ridder van dur Tafelronden waren, 29310 Die daer sere vechten, twaren, Tegen die ridder van Orcanie ; Ende Heer 'Gawyn sloech in die partie Ende riep » verrader!^' want hi meende [wel**, Datsi diegene daer ende nieman el**, 29315 Hadden gesent, die hi nu sconfierde daer. * * off * *drouwen do * *hebbc gy * * binnen in * 'treekede '•unde degene '^giaarinen ''inten **ande den ••bescud **ende »»wirt »»to Sunte **mende wil **sl. 827 Op sino gesellen ombe Talscheit vorwaer; Entie van der Tafelronden oec alsoe En wisten -wat secgen hiertoe; Want si meenden, dat h^t^ zeide ton ston- 29320 Ombedateiierstwerf hatie* begonden,[den Dat hem nu berouwet , wet vorwaer , Want sijs* hem sere scaemden daer. Ende Gawyn, die sere verbolgen was, Sloech Adra^ane enen slach 29325 Dor den helm ene grote wonde, Dat hi ter aerden viel ter stonde; Daema sloech hi Pindoluse ter stede Ene grote wonde in die acouder* mede ; ui viel* ter aerden in ommacht na desen 29330 Ende meende doet hebben gewesen. Daema sloech hi Ydonase so wel Ab die kinnebacke*, dat hi ter aerden vel. Alse dit sagen die van der Tafelronden , Dat tegen hem negene^ wapene en konden 29335 Gestaen, hi en sloechse al doet daer, Keerdensi ter kerkenwaert daernaer, Ende Heer Gawyn volgede hem alsoe, Ende quam op Hervy van Riveel doe, Ende m eendene daer wel hebben geslegen*, 29340 Maer Hervy hielt daer s^n swaert tegen, Ende zeide*: »here, gy hebbet genoech [gedaen , Gy mochtes* " iu wel laten genoegen saen, Ende sekerlyke gy doet iu lachte r' ^ mede Van der overdaet , die gj doet ter stede , 29345 Want men plach te secgene nu Doget hier vormaels van iu, Ende nu sal men voertmeer Van iu quaet secgen ende onneer; Want gy soudet* * ons helpen ter stede 29350 Tegen hem, die ons scaden wilden' * daer- Ende gy wondet ende slaet ons doet [medf Die iu niet mesdoen, kleen no groet'\ Heer Gawyn zeide: » wat zegdy * *, Hervy, En haddensi niet meadaen** tegen my, 29355 Alsi met onhovescheden ende met nyde Onse gesellen opliepen met stryde, Ende ie ontboet hem daerna saen, [daen' ^, Datsi des ontbeerden, waer hem iet ' * mes Men soudet hem beteren; ende si ontboden 29360 Si souden des te*" meer doen daerby,[my 'hedat ^irstwerf hate *sedes *8culder *vel •kencb. 'gene 'geslageii 'zege * 'mochten * 'laster **8olden, wolden ' *zecge gy * ^ nicht mysdaen * *icht * 'de ^ 'se des Ende hiermede en lietensgs' 'niet ter stede, Ende hebben ons doen wachten mede'\ Hervy zeide : »here, hebben si mesdaen' ^, Si suil ent iu geerne beteren saen, 29365 Also hoechljjc als gy selve wilt nu, Ende ombe niemans wille'* danomiu, Ombedatsi iu vrienscap geerne nemen,here, Ende uwe geselscap vorwaert mere". » Hervy, my en suUensi beteren niet, 29370 Noch nembermere, wat des gesciet, Sone mynne ie se ; ende wet oec wel , Dragensi hatie ochte'* enech fel Tmynen gesellen , si sullen daerby Voertmeer alle gevedet sjjn van my; 29375 Ende welke tijt datsi willen in felheden Enen tomoy tegen ons nemen ter steden, Onser en es maer tachtentich ter stede Ende haerre** hondertendevijftich mede, Wy sullen daer komen tegen hem gereet; 29380 Ende weet oec wel, dat ie. God weet, Altoes tegen hem voert sal wesen In andren*' landen ende in desen, Daer ie weet datsi hatie dragen'\ [gen Hervy zeide: »here, des suldy** nietgewa-* 29385 Ende gy dadet quaet ende sonde mede, Ende oec waer dat jamer ter stede, Dat dus vele goeder liede**, verstaet. Souden** verdervet sgn ombe dus clene [mesdaet , Ende eer souden** si rumen uwes omes 29390 »Ic en weet", zeide Gawyn te hant, [lant". Ombe mynes wille en sullen s^t** rumen Ende es dat oec so, dat om my gesciet[niet, Waer dat ie vememe, datsi varen, Ie entie*' myne, weet dat twaren, 29395 Sullense soeken'\ »Here", zeide Hervy, »Gy sult uwen moet laten sinken daerby. Want die die hatie ierst* 'ophebben brocht. Si hebbent diere** genoech vercocht, Want si s^jn som herde sere gewont, 29400 Ende som vermenket**, datsi terstont Nembermeer scilt en dragen** mede, Ende dat es jamer,by mgnrcKerstenhede* *, Wantai goede ridder s^n ende koene". Ende recht in desen selven doene 29405 Quam die koninck Artur gereden daer, * "willen **oflFte *"crre **andem **8ole gy **deden **lude * •solden * 'zolen ze dat *'unde de *"ir8t **duxe '"vermenget *'draget * ^kristenhede.' 328 Ende hoerde som haer* rede vorwaer, Ende zeide »Gawyii, lieve neve''! nadat »E8 dit die bede, die ie iu heden bat? By Gode, nu scjjnt wel, dat ^y my 29410 Luttel liefhebbet, want dat gy Tegen mynen wille ende myn gebot mede, Myne liede hier doet elaet ter stede Tmyner*onwaerden, byGode,te8my Icet!'' Heer Gawyn antworde sinen ome gereet: 29415 »nere diet ierst* began, het waer recht Dat hijt becochte, oec secgic echt, [daen, Dat ie tuwer onwaerden nieten* hebbe Ende oec es negeen man, sonderwaen, In der werlt, diet my woude tyen an, 29420 Ie soude my daeraf bescudden dan, Ende also saen , alsi den n^t begonden, So ontboet iet iu by Galesconden, Ende si hadden ons vele lelicheden Gedaan eer wy dat anden ter steden'\ 29425 Doe quam daer syn vader, die koninck [Lot, toe Ende hi nam Gawyne metten breidel doe, Ende zeide: »Gawyn, lieve kint,icbiddeiu. Laet dese doerheit varen nu. Want gy hebbet daer genoech toe gedaen 29430 Ende laet uwen oem secgen saen Sinen wille; want die bolgenscap nu. Die hi keert* hier tote iu, Sal met staden gebetert wesen; Want wy hebben een deel van desen 29435 Hier gesien*, hoe' dat komen es"'. Entie koninck Ban ende syn broeder nades Qnamen* oec te Gawine daernaer, Ende zeiden sovele tot hem aldaer. Dat sine te*" vreden brachten alsoe. 29440 Dus wart die stryt gesceden doe [den. Van hem ende van dien van der Tafelron- Doe voerdene die twe koninge, tien* * ston- Met hem nu te hovewaert, [den Ende Galesconde reet mede ter vaert, 29445 In den tomoy, ende dadene sceden daer Met groter** pinen, wet vorwaer; Wantsi waren** vcrwermet sere. Doe si gesceden waren**, voer elchere In sine herberge ende ontwapende hem [mede , 29450 Ende cleden hem ende gingen ter stede Thove, entie** waren gewont, Bleven in hoer** herberge terstont, Ende daden thoren** wonden sien**; Ende Heer Gawyn ende sine geaellen met- 29455 Gingen hem ontwapenen daernaer [tien In ene camer, die stont vorwaer Neven der koninginnen kamer ter stede ; Ende doe si ontwapent waren** mede, Cleden si hem, daer si doe waren 29460 Herde rikelike gedient, twaren, Van vrouwen ende joncf rouwen te gaer* ', Dier*" daer menege was vorwaer. Daer was Heer Gawyn sere besien, Ende Sagrimor mede, van dien 29465 Vrouwen ende joncfrouwen, die se pr^sden Scone ende vrome, dat secgic ia. [na Dus gingen die tachtentich in die sael Hant in hant, gecledet wael, Daer* * se die koninck Artur wel ontfinc, 29470 Ende stont op jegen hem na die dinc; Hi** nam Gawine metter**hant daer Entie** koninginne metter** andren [naer**, Ende gingen op ene coetse 8itten,8ecgic ia; Entie'* ander ridder**, die gingen nu 29475 Alombe overal in die** sale Ende speleden ende loechen* * van meneger Die dene den andren zeide nadas ; [talc , Maer die blideste van hem allen was Die koninginne, ombe haer ridder mede, 19480 Die den tornoy hadden verwonnen** ter [stede ; Maer bander* 'siden waren droevech tien* ' Die ridder van der Tafelronden, [stonden Ombedatsi so tachter waren** doe, Ende ombe haer gesellen , die gewont [waren**, toe, 29485 Ende bander* 'siden, om Gawine, den here. Dies*" bolgenscap si vruchten sere; In dinde*" hebben si raet genomen, Hoe si te soene** mogen komen, Ende senden Hervi ende Nasciëne 29490 Ende Synados mede om datgene An** den koninck Artur nu, Ombe vrede te makene, secgic iu. *er8t »*ten 'Dicht *kicrt •geseen 'wo '"nnde he **myt der **darnaer **andem ritter grote '* weren **undede **lachgeden **vorwonnen ''op ander *'ten **de *cr *to mynen "is •quemen *°to **ore, to oren **8een *'dc nu daer **der **dat ' "das ende **8ono **tote an. 329 Dese^ gingen ten koninge aaen; Doese die koninck sach komon gaen, 29495 Stont hi op hovesclike tegen die baroen, Als die wel lieden* ere konde doen, Ende hietae groet wellekomen* wesen. Doe hietene Hervi sitten na desen, Dan sonde hi sine boetscap eecgen daer ; 29500 Die koninck sat neder; doe zcide hi naer: >Here, hier e^n nu ten stonden Die ridder van der Tafelronden, Die nu senden an Gawine, den Heer, Ende an mjne Vrouwe , die koninginne, [meer , 29505 Ende an iu , Here, daer dat meest angaet, Want gy zjjt onser alre toeyerlaet, Ende onser alre here mede nu; Ende daerombe biddenei vriendelic iu, Hebbensi enech dinc mesdaen [saen 29510 Tegen mynen here Gawine, dat sijt* hem Beteren willen, ende sinen geeellen daerby In wat manieren dat oec sy, Ende als gy ,Here, ende myne vrouwe mede, Beide visieren wilt ter stede; 29515 Ja, optie vorwaerde, dat alle hatien Afgeleget werden in beiden partien , Ende nembermeer te vermanen woert". Doe sachdene opten andren* voert [stede; Van den koninck enter koninginnen ter 29520 Doe zeide die koninck ter vrouwen mede, Datsi dit niet ontsecgen en sal; Doe zeide die koninginne: »van al Dat daer Heer Gawyn wil doen mede , Dat houde ie herde gaerne gestede". 29525 Ende mynheer Gawyn sweech al voert, Ende en antworde daerop niet een woert, Ende dachte ombe die dinc mettien*, Die hi gehoert hadde verdien. Doe namne die koninck by der hant 29530 Ende zeide: » lieve neve", al te hant, >En penset nu niet meer ter stede Ombe quaetheit ende bolgenhede. Want men biedet in in desen dingen Veel' groetlic sonderlinge 29535 Alse hem die beste van der werlt mere Tote iu oetmoedegen also sere". » Goede liede*'' — zeideHeer Gawyn doe, Messe 'Inden 'willekome *se dat *op den andem •mytdien 'vil •guede Inde 'op de *®hem *Morcli '* dessen ^*geholden **^irt * •vergolden **Seynen »Ja*\ zeide die koninck daertoe; » Si zoudent met rechte syn", zeide Gawein, 29540 Doe sweech hi. Dat sach wel plein Die koninck Artur, dat hi erre was, Ende sach optie' koninginne nadas, Ende zeide : » Vrouwe, biddet Heren* " Ga- Dat hi dese dinge doe dor* * iu". [wine nu , 29545 Doe namsi Gawine by der hant Ende zeide: » lieve neve, laet te hant Desen** toern dor** my nu sincken, Ende en menet daer nembermeer ombe [dinken , Want toemecheit al te lange gehouden* *, 29550 Die wert** dickewileoe vele vergouden**; Nu doet dit dor den koninck ende dor my. Want gy doet daer iu ere by, Ende dit lant es oec in vernoye met Van den Sennen**, als gy wel wet, 29555 Ende uwer en es niet vele nu, Endegy soudet wel te*' gader onder iu Dene den andren helpen endebystaen; Ende wouden** iu vremde liedebestaen Ende iu viande, dien zoudet** gy quaet 29560 Ende ongenadich in allen resen*" ;[we8en Endè metten genen die ombe mynen Here Hem ontliven souden laten ere, Dan si hem lieten mesdoen iet, Ende ombe ene dorheit , die es gesciet , 29565 En zoudy, lieve neve, niet, dor myne bede, Ende dor m^ns heren, des koninges, mede, Die iu des nu sere bidden utermaten, Dese toernecheit hem nu niet verlaten?" Doe sach Gawyn op haer endeloech**, 29570 Doe zeide hi: » Vrouwe**, die leren wil, [mach genoech Leren an iu, ende God sys gedanket nu, Dat wy hebben alsulken Vrouwe an iu, Daer dlant** gebetert by sal wesen; Ende oec al diegene na desen, 29575 Die werken willen na uwen staet, Ende houden*^ willen, dat gy hem raat, Sine mogen nember tachter komen. Myn Here,die koninck, mach hem beromen, Dat hi die vroedeste** vrouwe hevet ene, 29580 Die in der werlt levet gemene , Ende gy hebbet hier gewonnen an my , * 'solden wal to * •wolden * 'solden *®rei8en *'lach- gede oech *'vrowe **dat lant ** holden **vrodc8te. 42 380 Dat ie voert altoes ia eigen bj , Ende gy met mj ende metten mynen [iuwen wille . Altoes moecht' doen, lade ende stille, 29585 Ende manheer, die koninck,ten waer* al te M^n onneer ende tegen myn ere", [sere Si zeide : » die vroawe en waer niet wjs , Die iu dat ansochte in eneger wgs, Dat tegen ia ere soude* wesen, here, 29590 Daten soeckican iu na^nochnembermere". Doe gaf Heer Gawyn op den overmoet, Ende daermede te doene dat haer danket [goet. Doe sendesi Hervi weder, tien* stonden, Ombe die ridder van der Tafelronden 29595 Daer hi ombe ginc,ende zeide hem daemare Hoe* si hadden daermede gevaren; Entie* koninginne ontboet ter stede Sagrimor ende Heer Gawjns broeder mede, Ende Ywene ende al den gesellen naer, 29600 Ende zeide hoe* die soeoegemaket waer*. Doe sprac Heer Ywen ter koninginne: »Die vrede es beter dan die onminne*'. Doe qaamen'* die van der Tafelronden Vor den koninck ende Heren G^wyn,tien* [stonden , 29605 Ende knielden,endeHerv7 sprac dat woert: .Here, hier sgn wy nu komen voert, Die van der Tafelronden, ter genaden ia, Ende bidden , dat gy hem vergevet na Datsi (tegen iu) hebben mesdaen**". 29610 Heer Gawyn spranc op , daer hi sat, saen Ende vergaf dat hem, ende nam se by der Ende dadese opstaen al te hant , [hant , Ende Sagrimor ende Gawyns broeder^* Dadense daer oec opstaen ter stede, [mede 29615 Ende daer vergaf dene den andren, secgic Allen toem ende hatie nu , [iu, Ende voert altoes was, van dien stonden, Gawyn meester ende here van der Tafel- [ronden , Entie ridder , die in gevancnesse' * waren, 29620 Die koninginne scoude se quite, twaren ; Ende aldus versoen densi daeromtrint. Maer si hadden daer vierhondert sint 'mogen *dat ea weer 'solde *no *donket 'ten 'wo •unde de •weer "quemen **Eiig. whfrof wo have agein yow mistaken **broder "gevencnisse *^ heugen **ende **brachtc *^8int *"inere **were Eer daventnre van den belegen*^ Grale Tenen inde** wart bracht** al te male, 29625 Daer si menege pine ombe dogeden [vorwaer , Ende ombe ander aventnre , daer si naer Menechwerf s^n** ombe reden ter stat , Ende ie sal iu secgen nu ombe wat Dat es waer. Daer liep ene grote mare**, 29630 Dat die Grael in den lande van Logres Ende dat ware* 'dat helege* •bloet,[ware* *, Dat Jhesum wt siner syden vloet, Dat Joseph van Aremathien ende mede Nicodemus, die onsen Here van den crace [dede, 29635 Hadden in handen gehat, entie** speer, Daermede gesteken was Onse** Heer. Hieraf liep die mare verre ende bj, Dattet* ' nu in den lande van Logres sy, Macr men en weet waer no te welker stat; 29640 Entie prophecie secget oec dat, Dattet' * nembermeer en worde vonden, Vordat die beste ridder quame*^ tien [stonden , Van al der werlt, (by) dien souden** wer- [den ontdecket, Die grael entie** speer, daer men af [secget**. 29645 Ende doe die heren van der Tafelronden Hieraf hoerden secgen, tien stonden, Dattet by den besten ridder moeste weaen Die in al der werlt was, van** deeen Begondensi tsoekene daemaer, 29650 Ombe proevene wie** die beste waer**, Ende doerreden alle die lande, Ende makeden tornoy meneger**hande, Ende proeveden dat in meneger manieren; Selden woudensi daeraf vieren**, 29655 Ende hoerdensi secgen iergen ter stede Van enegen goeden ridder mede, Daer voeren* *8i ombe te proevene dien**; Ende was hi vrome ende koene* ^ gesien , So brachten sine te hove daer, 29660 Ende makedene haer geselle naer**, Ende was in gescrifb'^ geset ter stede Metten andren ridderen** mede; ** heiige ^'ande dat **imfte **dat dat *^qa«me *»zoldet **unde van •'spreket **we **weer ••ma- niger **viren ••voren ••den **konc '*dAniMr ••andem ritteren. 331 Ende al daventuren, die gescieden Van den ridderen*, onder hen lieden', 29665 Die screef men altoes, alset gesciet was ; Ende ombe dese dinc gesciede nadas Menege' aventure in dat lant. Nu wetj^ die saken al te hant, Waerombe die ridder* van der Tafelronden 29670 Hem aventuerden te meneger stonden ; Doe dus die soene* gemaket was, Daer ie hier te voren af las, Waren des die ridder* van der Tafelronden Alle herde bljde tien* stonden, 29675 £nde pr^sden heren Gawine sere daer Van der vromecheit, wetet vorwaer, Die hi in den tomoye dedé; Si zeiden hemelyc* onder hem mede, Datsi tiene', die beste'*, die men vonde , 29680 Tegen hem niet mochten gestaen ter [stonde , Man tegen man; aldus zeidensi daer,[naer Entie vrouwen «nde joncfrouwen zeiden In horen cameren, daer si inne waren doe, Van hem nog meer onder hem alsoe. 29685 Ende bindien waren die tafelen bereet* ' Ende men ginc eten gereet, [stonden, Enter** koninginnen ridder saten, tien** 6j den heren van der Tafelronden; Entie* * koninck Artur entie* *koninck6an 29690 Entie** koninck Bohoert, ende koninck [Loth voertan, Saten tener tafelen, daer dienden met fleer Qawjn ende Lucam ende Griflet, Ende Heer Ywen, tote veertich wale**; Daer was gedient in der sale 29695 Hem allen te poente**, die daer waren; Wat zoudic die gerechte openbaren Die daer waren gegeven met gevoech? Daer was planteit ende meer dan genoech. Ende na den etene ginc elc die wonde** 29700 Spelen van den riddren houden**, Maer die vier koninge bleven daer Ende gingen ten venstren** liegen naer, Ombe wt te siene die scone prayerie, Die lopende** watere, die viscerie. 29705 Doe si ginder aldus lagen *ritteren 'loden *manige ^wete gy *ritten 'sone »to den *heiiDelyc •tyne '*beBten ''gereitdetaflen **unde der, de * ••eten ten **£ng. and other abotU a gl xponte '*wolden, holden '^vinstren ''lopenden Entie riviere daer besagen , Doe zeide ten koninck Arture die koninck »Her6, woudy een dinc voertan [Ban: Doen, dat ie iu zonde raden , [den, 2971 tEn * * zoude iu noch tuwen lande niet sca- Ende dat sonde des te* * beter wesen , Ende iu herberge oec na desen, Ende oec vele te** meer ontsien, Ende te meer ridder oec nadien 29715 Tot uwen hove komen, God weet". Doe zeide die koninck Artur gereet: >Secget my, here, wat dat es**, Ie sal dat doen, sgt seker des. Opdat iet eneger**wgs gedoen kan, 29720 Ende niet** onneerlyke en sg dan". Doe zeide die koninck Ban ter stede: »Hieraf en komet iu nembermeer mede No verwgt, no lachter**, here: [mere, tEs** dat gy iu hoedet*' van desen dage 29725 Dat gy iu ridder» * in negener* * manieren, Nembermeer tegen een laet tomieren, Want si sgn goede ridder** ende koene** Ende souden hem laten, in negenen** Dene den andren onderbringen ; [doene* *, 29730 Ende also mochte daer werden werringe * * , Dat daeraf mochte komen groet scade; Willensi tornieren vro ende spade , Si tomieren tegen die grote heren vermeten. Dier** genoech ombe iu es geseten**. 29785 Die koninck Artur zeide: >gy raet my Herde wael ende alse mgn vrient daerby, Ende ie salt oec doen vorwaert mere". Doe zeide die koninginne: »Here, Hi raet uwen oerbaer nu van desen, 29740 Gebenedyet so moete** hi wesen, Dat hi iu desen raet nu gaf; Nu es dat goet te siene daeraf. Dat hi iu minnet met trouwen mede'*. Dit latic nu bliven hier ter stede, 29745 Ende sal van den barenen secgen voert, Daer gy hiervor af hebbet gehoert. Die hem tegen den koninck Artuer** Hiervor setten op ener uer**. '•dat en **de **to **iB > «enige **nicht al to *• laster **dat ia * 'hoeden **ritter **gcner, genen • *kone, done • 'werringen * *der * 'mote * * Artur, ur. • i 882 lloe die koninck Tj)th ende heer Gawi/n des \ k'oninck' Arturs hoeUcajt doen toten haronen. Hier scopfct daventuro mehier es*" binnen sulc man , Die dwege wel kent, ende daeran So waer dat oec minrc scade nu , Dat men enen mat^n ridder verloer, secgic 29795 »Dame*"", zeide die koninck saen» [iu". j'Tc kenne die barone so gedaen, Ende so overmoedich'", dat nieman daer Gehoert zoude zyn, wet vorwaer, Die van mynen lande weer". 29800 Doe zeide die koninck Lot, die heer, Dat hi daer dan varen soude gereet Sint si dat overeend roegen , God weet, »Ende ie sal met m\ leiden sciere, God weet, myne kinder alle viere". [tien, 29805 * By Gode", zeide die koninck Bohort met- *So nedt'rfdy** nieman*' die levet, ont- Alse die koninck Artur sach, dat hy [sien". Sine kinder hem woude wesen by, Doe vruchte hi Gawcins herdo seer ; 29810 Doe zeide die koninginne: »heor, En vruchtet om sine kinder niet een twint, Laets»e met hem varen omtrint, Want ocht" God wil, sine sullen daer Negene noet hebben; oec wet , vorwaer, 29815 So gy daer meer vriende* * heb bet mede So si den vrede meer ter stede Jagen sullen met herten nu". » Vrouwe", zeide hi, » ie houdes* *my an iu". Doe zeide die koninck Lot, sonder beiden, 29820 Hi woude hem hemelyc bereiden, Ende hi ontboet sine kinder daer. Doe zeide Artur tot bem daemaer Die dinge, alsi daer waren* • gedaen; lii zeide: » lieve neven, gy moet aaen 29825 Met uwen vader varen tener stede • O mbo uwen oerbaer". Zy seiden gerede. Dat syt'" gorne daden, God weet: Die koninck Lot zeide doe gereet: >Gawein, lieve kint,gy ende iu broeder nu 29830 Te bant gaet ende bereidet iu. Dat ons niet en gebreke daerby". »Hoe", zeide Gawyn, »wat sullewy Anders voeren nu in deser vaert*' Dan onse ^vapine ende onse paert*"? *"ovennodirh ' Morvc gy "off **vrendc **holdea * "weren ; Eng. Ihan Artur tolde hem all at tcas d€vited. *"so dat *'vart ""pert. 333 29855 29835 Wy en sullen voeren somer no malen, Wat zoude' hieraf vele talen, Wy sullen te nacht trecken in den iersten Ende elc bevele daer sinen knape , [slape Dat hi hem bereide alsoe, 29840 Dat men goede dachvaert doe, Te dusdanen oerbaer en sonde men niet Dach no nacht letten , wats gesciet". Die koninck zeide: tneve, gy secget waer*'. Dus sciedensi hiermede van daer, 29845 Ende heer Gawyn ginc ter koninginnen Ende bat haer ende liet verstaen , [saen Datsi sinen gesellen goet waer', Want hi wiste wel al openbaer, Dat hem skoninges ridder onhout* s^n, 29850 > Ende als ie en wech bem entiebroeder m^jn So sullensi enen tomoy willen maken, Ie bids iu, en gestadet niet der saken". Si zeide doe te Gawine , dat nembermeer Tomoy en gestadet voert mjjnheer, Dien dene iegen den andren sal doen , Wat si hier voermaels hebben geploen, Ende dat die koninck hebbe mijn vrient- [scap* met, So en sals niet gescien, dat wet'\ Doe Bcieden si uter* sale ter vaert*, Ende elc ginc tsiner herbergenwaert*, Ende men ginc slapen daernaer. Maer^ wie dat nu sciet van daer, Gwinemar, der koninginnen neve, wet dat, Hi ne voer niet" verre van der stat, 29865 Maer' hi bleef sprekende telkenmale, In ener wardrobe* by der** sale. Tegen Morgeynen, die suster was Des koninck Arturs, zyt seker das. Die daer sat ende makede ter stede 29870 Des koninck Lottes wjjf, haerre** suster Ene huve van gout**draden goet. [mede , Dese Morgeine was simpel ende vroet, Ende herde behagel; maer si was Herde bruen in dat aensicht, als ie las ; Maer si was minlic ende welhebbende met Ende si sanc oec wael, dat wet; Maer si was die luzurioseste" mede. Die men wiste in eneger stede. * solde; Eng. m? here hehoveth ttoon abidinge *weer *onholt *vrenspap 'ut den •vart, wart 'mer •nicht * onder enen wynrebc; doch zie *t Eng. wardrope **den **crre **golt **luxurieu8te '^Eng. and a/ter ' 29860 29875 Ende si konde van astronomien intgevoech, 29880 Want Merlijn haddc haers geleert genoech Ende noch meer leerde (hy)**, alseiual Dit boec hierna wel secgen sal; Ende si was van goude** ende van syden Dat beste wercwyf, dat men tien** tyden 29885 Vant in enoch lant; oec hadde sy*' Dat scoenste** haer nu daerby, Entie scoenste*" handen met, Ende dat soetste** lyf, dat wet. Dat enech wyf hebben mochte doe; 29890 Oec haddesi ander dinc daertoe, Dat ie niet wil secgen iu; Oec was si loes , dat haer wel staet nu , Si was welsprekende mede gereet, Ende si lespete al luttel, God weet; 29895 Ende goedertieren was si boven alle dinc Also lange als dat wel met haer ginc, Maer alsi haer toernde op enegen man, Sone was daer negeen versoenen an; Dat sceen wol an der koninginnen, 29900 Die si minnen soude*' met alle sinnen Met rechte, wantsi hoers* * broeder wjjf was, Ende si dade** haer grote scande nadas. Dat men daeraf sprac al haer leven, Alse iu dit boec wel sal wtgeven 29905 Hierna, waerombe dat was. Nu es Gwinemar comen nadas Te Morgeinen, ende groetese daer, Ende si dankedes hem sere naer; Hi nam die gout**drade in die hant, 29910 Ende vragede Morgeinen al te hant, Wat si daeraf soude maken doe; Ende si begonde op hem te siene alsoe, Ende began haer te behagene wale, Want hi was van hovescer tale 29915 Ende een scoen ridder mede, Ende haer beviel** wael ter stede Sine woert ende al syn wesen. Si spraken** so lange te gader van desen, Ende droegen** overeen so na die dinc, 29920 Datsine vor horen vrient** ontfinc*', Ende ontseide hem voert nadat Negene dinc, die hi haer bat; Daema helsedi*" ende custese mede hi lemed Mr **golde * *8ote8te * •drogen * ®8olde **vrent al ores *'ontfinch **to den »»dede 1 7 se * 'scoensten * 'bevel ** spreken «•helaede he. 884 Datsi daer ontstac ter stede, 29925 Ende hi warpse op ene coetse daer, Die stont bj hem, ende daemaer Dade hi haer dat Boete spel. Dat menech begert, gy wetet wel 80 wat ie mene ter stede; 29930 Si waren' de» willech alle bede, Daerbj was dat te eer gedaen; Dus bevetdenedesandren' minne ontfaen, Ende si bleven voert vriende* groet Ende minnende sere sonder genoet. 29935 Die nacht bleef hi by haer Tot by den dage, ende daemaer Stont hy op ende bevalse nu Onsen Here, secgic ia. Dus ondermindensi hem lange tgt, 29940 Dat nieman^ en wiste, des seker sgt, Sonder Jenovre, die koninginne, Diene sint brachte in solken sinne, Dat hi sint sceden* moeste van haer; Ombedit hatese Morgeine so seer, 29945 Datsi der koninginnen dede Menech vemoy, te meneger stede, Datsi niet en wonde (laten) met* Also lange alsi levede, dat wet, Al^e gy hierna wel sult verstaan. 29950 Ie late dit nu ende sal anevaen Te sprekene van den koninck Lot mede, Ende sinen kindren^, die nu ter stede In den iersten' slape sgn opgestaen, Ende gingen hem gereiden saen; 29955 Si namen vp die beste orse daer. Die in den stalle stonden, ende daden se Die y^f knechte leiden nu, . [naer* Wael met yser verdecket, secgic iu; Doe yoerensi hemelde alsoe, 29960 Ende heer Gawyn vragede sinen vader doe, Al welc si best mochten ryden • >Die passé entie wege tesen** tyden Sgn nu so vol Sennen vorwaer". Doe zeide Heer Gawyn daemaer: 29965 >Wy varen best tAronsteel in Scotlant, Dat is dhemelecste' * wech, sy iu bekant , Dien** wy komen mogen nu ter stede, Entie stat staet in den bosce mede; Treckewy derwaert, dat dunket my, 'weren ^andem 'vrende ^neman *Bcieden *£ng tJüU ever endwred ^kindem 'irsten *damaer **deflen 'Men ' «heimelikeste ^'op de '^tohants '*dre '*ii 29970 Dat ons airebeste nu sy". Die vader zeide oec: «nadien dat staet, Dunket my dat die beste raet, Ende wy sullen dan varen by den castele Van Serpine ende by enen dele 29975 Dor den foreest van Espinoie mede, Ende optie* * rivier van Saveme, ter stede, Ende dor den plein van Cambenic na des , Ende dor die stat van Norgales, Die des koninges es Tradelians, 29980 Ende van daer tAronsteel thants , Dat in drie* * mylen na den Sennen es* ***; Entie kinder lovedent*^ alle nades, Aldus voerensi toten dage toe, Van den enen sprekende aboe 29985 Ende van den andren mede, secgic iu , Ende lagen in bosoen ende in clusen nu, Ende voeren**, zo si hemelecst* * konden, AchtQ dage; doe voerensi tien stonden Tote Rodestock in den pleine; [nen**, 29990 Daer gemoeten** hem twaelfdusent Sey- Die brachten sevenhondert Eerstene ge- Die si gebonden hadden, sonder waen,[vaen Metten voeten onder der paerde bueck [mede, Ende sloegense met stocken sere ter stede; 29995 Entese** voerde die koninck Sorbores Ende Clarioen entie** koninck Ttores Ende Malaqugn ende Salabruyn met; Ende Ysores voerde een (ors) Gringalet , Dat men also hiet, dat ors, dor das** 30000 Ombedat so sonderling^ goet was: Men waloperet wel gereet Tien mylen, eer hem enech sweet Uten lyve ginc, ocht** eer hem daer Die lanken sloegen**, wet vorwaer. 30005 Nu es die koninck Lot daer komen, Entie** Sennen hebbene vernomen, Ende sagen wel**, dat Eerstene waren. Heer Guwyn sprac tsinen vader daemare: »Here, sittewy op onse orse mede, 30010 Ende elc pine hem nu ter stede. Dat wyse mogen breken hiervoer. Dat wy bander*^syde komen doer". Ende dit was omtrent die noene** Entie koninck Lot voer, in desen doene**, *»dat '•voren '*gemoten ••Seyi rioM ende de »*dat **off *• *'op ander **nDaer en sal niet lanck toe s^'n, secgic iu, 30035 Want vaste gevet in op gevaen". >By Gode, dat en es so saen niet gedaen**, Zeide Heer Gawya daer ter stede. Doen si dit hoerden, lieten si mede Opten* koninck Lot lopen daer; 30040 Entie* koninck Lot ende sine kinder vor- Beden op hem met crachte groet, [waer, Ende elc stac daer enen doet Ten iersten* steke, ende daemaer Den andren enten derden vorwaer, 80045 Ende dorbraken'* haer scaer. God weet, Ende reden also enwech gereet, Ende doe si dandren enwech sagen' ' ryden, Hielden'* si op hem sere tien tyden, Ende begondense iagene saen, [staen, 30050 Ende alset die v^f koninge hebben ver- Doe riepensi op haer liede** daer nare, Datsise hem niet lieten ontvaren; Maer si waren wel gereden, Ende ontreden hem so verte ter steden , 30055 Datsi quamen an enen molen naer, Daer een groet water liep vorwaer, Daer broekete ombe was' *; des moesten' * si Te sachter varen, ende daerby 'ande de * degene * voren ^onde dese * mocht gy *gcyoren konden ^op den *unde die 'irsten '** breken "aegen '^liueden *'or lade '^£ng. wAere iher yoat I d pauage at a /arde fltü op cky '^motten '*verwoet '*hene. Verhaelden sy die v^f koninge daer 30060 Ende v^jfhondert Sennen, wet vorwaer, Ende braken ' * haer speer op hem daer nu; Entie koninck Ysores dorstac , secgic iu , Des koninck Lottes ors , dat doet daer vel; Maer die koninck Lot spranc op, also wel , 30065 Ombe hem te werene. Doe Grawyn sach , Dat syn vader te voet daer lach, Was hy byna daer verweet'*; Hy sloech s^n ors, met groter spoet, Ende stac Monadine dor den lichame: 30070 »Nu vaer*', zeidi, »ins Duvels name. Want du hores' ' tharer ' * geselscap groet"; Diegene viel'* van den orse doet. Doe trac** hi Calibumuse, syn swaert*', Ende bescudde siuen vader, tervaert*', 30075 Daer meer dan veertich Sennen over waren; Hi sloech hem die arme af, twaren, Ende hande ende been , ende sloech daer So vreeslike slage, dat daemaer Nieman tegen hem (en) dorste komen; 30080 Die sinen vader meende* * hebben genomen. Dien cloefde hi dat hovet ten tanden toe, Ende gaf sinen vader dat ors alsoe; Ende sine broeder** wrachten wonder Onder den Sennen daer bysonder; 30085 Si quamen toten vader naer*\ Ende doe si vergadert** waren** daer**, Wrachtensi sulke noet onder hem nu. Dat nieman en** mochte vertellen iu. Maer denSennen quam soccoers doe* 'groet, 30090 In allen syden, in groten** hoep; Ende als dit die koninck Lot gesach. Riep hi sine kinder, al dat hi mach. En zeide: »te8** wel tyt, dat wy nu Enwech varen, dat secgic iu, 30095 Ende en es gene wysheit , dat wy beiden ; Want omb enen slach in der waerhedon , Dien wy hem mogen geven, sonder waen , Sullen wyre*' meer dan veertich ontfaen ; Maer laet ons varen henen** ter stede, 30100 Ende es, dat si ons volgen mede, Wy sullen ons onder wylen keren dan,- Alse wy des stede hebben, ende stry- [den an**. **hore8t ''to er ••vel *®treckede *»iweert, vart ** wende **brodere **darnaer **vergadder * 'weren *^neman "'de hnlpe so * 'groter *"dat ia »*er 336 Doe daden* si hem te wegewaert, ] Eode voeren* over dwater mettervaert. 30105 Ende doese die vierkoninge en wech sagen* Waren* si des herde erre, twaren , [varen, Ende riepen: >dieve* ende mordenaren, i 30150 Aldus en zuldy* ons niet ontvaren; | Entio konimk Clarioen , hi sat nu 30110 Op dat paert Gringalet, daer ie af zeide iu Hiervor, dat so goet was vorwaer, Ende v^as vor dander' gereden daer, 30155 Ene bogenscote verre , dat wet » Ende heer Gawyn sach an, dat Gringalet 30115 Daer* vliegende quam als een vogel snel, Ende dat behagede hem so wel , Dat hi hemselven zeide ter vaert*, 30160 Hadde hi nu alsulken paert*, Hi en gavet** niet om die beste stede, 30120 Die die koninek Artur hadde mede; Ende doe begon hi sachte te rydene Entesgenen** al luttel tontbidene; 30165 Ende doe Gawyn sach, dat hi hem by was. Doe keerde** hi hem ombe thant nadas, 30125 Entie** koninek quam op hem alsoe, Ende stac syn speer ontwe doe, Ende heer Gawyn t^loechne weder saen 30170 Dor den helm ene wonde, sonder waen, Dat hi ter aerden * * in ommacht viel ' *daer 30130 Ende heer Gawyn, die nam da«rnaer Dat (paert) Gringalet ende voerdet saen Ten briele**, dnt daer by wasgestaen. 30175 Ende sijn vader reet altoes vorwaert, Ende en dachte niet achterwaert, 30135 Ende sine drie" kinder volgeden mede: Ende heer Gawyn bleef daer ter stedo, Achter hem, sodat sine niet 30180 En konden gesien**; maer Gawyn nu siet Sine knecbte, die daer brachten saen 30140 Haer tellende** paerde, daer hi af, sonder [waen, Sere verblide; doe beete hi ter stede 30185 Ende gaf hem syn ors te leidene mede, Ende sat op dat (ors) Gringalet; Ende hi hiet se varen ongelet 30145 Na sinen vader, want hi woude beiden Ombe te wetene die waerhede** 30190 Waer die Sennen henen* * soaden varen ; Maer** dat was ombe niet, dat hi beide, [twaren , Want doe si vonden den koninek Clarioen* * In ommacht liegende, blevensi doen** O mbo hem alle, ende meenden** daer, Dat hi doet hadde gewesen vorwaer; Si dreven so groten rouwe dordas, Dattet Heer Gawyn hoerde , daer hi was. Dus bleef Gawyn lange houdende** daer In den briel*' om** te siene, ocht** daer- Hem ieman soude volgen na; [naer Ende syn vader reet henen, secgie iu, Tote daer hi in enen bosc soude** ryden; Doe sach hi achterwaert tien** tyden, Ende en sach heren Gawyne doe niet. Doe zeide hi: »wat es my gesciet? Ie hebbe nu al verloren myn ere!" Die kinder zeiden: »wat es iu, here?" Doe zeide hi : > lieve* * kinder, ie secget iu, Gawyn, iu broeder, gebreket my nu, By Gode, hi es doet, ende ie wil mede Alhier nu sterven oec ter stede, Ende en wil na hem leven niet''. Doe zeide Agrawein, als hi dit siet: » Here, ocht God wil, hi en hevet gene noet, En verslaet iu niet, hi en es niet doet". Al die wile, dat hi hem meslaet** alsoe**, Quamen* 'die vyf knechte geryden toe* *, Ende brachten heren** Gawyns ors daer; Ende alse*' die koninek sach vorwaer, Kande hi se wael. Doe sprac Garies Ende vragede, waer syn broeder es: >Here, wy lietene in den briele** ter stede, Daer hielt** hi opten besten orse mede, Dat in der werlt es, dat hi daer Enen koninge af wan. vorwaer; Hi ontbiet iu dat gy henen qit, Hi eal iu te hant by wesen nu ter tyt". Als die koninek Lot hoerde tien tyden** Dat hi levede , was hi des blyde ; Ende heer Gawyn, die nu sach mede. Dat hem dieSennen niet volgeden ter stede, Volgede** sinen vader met gewonde** Ombedat hi hem dat ors togen woude* *, MedcD *voren *8egen *weren *devR 'zolcgy *de riou **do **mendcn **holdene *'bniel **om hen anderu "dat 'vart, pert '*'geve dat *'ande desg. **kierde **undc de **eerden **vel **brule "dre * •geseen **teldcne "waerhedcn **hene '*iner** Cla- '•oflf hem '*solde **ten **lieven **my8laet **al50, do **quemen **hern *'alse **helt **tcn tyde **do V. he *'gewolde **wolde. 337 Ende hi quam daer si dreven rouwe groet; Daer sach hi enen Senne al bloet , Die enen spiet hadde in der hant Die groet was, sij in bekant, 30195 Ende dat yser was lanc anderhalven voet Ende scerp; als heer Gawyn dit verstoet Reet hi derwaert, wat hi kan, Ende nam den spiet daer den man Met suiker cracht, dat hine mede 80200 Daer ter aerden tnmelen dede, Ende reetne doet oec daernaer, Ende ontreet hem ondankes allen daer; Maer also alsi* hem navolgeden doe*, Sloech hire veertiene* doet alsoe*. 30205 Dus reet hi enwech daer ter stede, Entie* Sennen volgeden hem mede; Ende ember alsi' daer quamen te* na, Sloech hire enen doet, als ie versta. Och te* twee. Aldus voer hi daer 30210 Met keeme' ende ridene, wet vorwaer, So lange dat hi gereden quam An den bosc , daer hi sinen vader vernam, Die daer met sinen kindren hout* Ende sgnie daer beide met ge wout*. 30215 Doene die koninck Lot sach komen, Gawyue, ende oec hevet vernomen, Datten die Sennen jagen alsoe* : »Tiieve*kinder,wathoudy**?"zeidehidoe*, »Gy sult derwaert met sporen slaen, 30220 Ende uwen broeder in staden staen'\ Doe reet hi selve** voren daer, Ende sine kinder vol)?eden hem naer; Doe ontmoete hem s^n sone echt**: » Lieve kint", zeidi, »gy hebbet onrecht, 30^25 Dat gy my dus verwerket ende iu broeder Wat Duvel lust iu nu ter stede [mede ; Onder dese Sennen te blivene allene? Meendy** se alle doden gemene? Al sloechdy** telken slage enen doet, 30230 Noch tan en soudy haren** hoep In ener maent niet konnen verslaen. »Here'\ zeide heer Gaw^n doe saen, >Ic hebbe gewonnen een ors ter stede, Ie en geve dat niet,by mynerKerstenhede* *, 30235 Ombe den casteel te Glacedoen; *als ze *do, also •vierteyne *ünde de •quemento •off 'mit kierene "hielt, gewelt •lieven **holde gy **8elven * 'slecht **menegy, slogeg}' ** solde gy eren kristenhede * •kierde ik * 'en geen *"tovarne ^•dat 1 ft Ende ombedat ie dat proeven woude doea, So keerdic** weder onder hem, Here! Nu varewy ende ie en begeve iu heden mere Ombe negeen*^ dinc, dat my gevallen 30240 Als die koninck Lot dat sach, [mach". Dat tijt was te vaeme** mede, » Varewy", zeidi, uwant nu ter stede Es dat** tjjt, want dat es nacht toe**". Daer namen si vier spere doe** 30245 Den Sennen daer, s^ iu bekant, Ende reden also henen te hant. Ende mettien*' datsi dus henen sceden, Quamen** daer seven Sennen gereden, Ende elc een speer ia der hant alsoe, 30250 Ende quamen op Garies gereden toe**; Enti&^ twe stakene in die syde, Dander twe opten scilt tien** tyden. Die derde** twe dor die manicle** met Van den halsberge; die sevende, wet 30255 Stac s^jn ors dor den lichame*' Doet , sodat si beide tsamen Ter aerden** vielen**. Dat sach daer Die koninck Lot, ende meende naer**, Dat hi doet hadde gewesen: 30260 »Ach my!" zeidi, >nu sullen na desen Dese vier broeder sceden nu; Gawyn, dese scade komet van iu: Haddy** met ons enwech gereden, Sone waer* *hi hier niet bleven ter steden". 30265 Die wile dat hi sprac aldaer, So stont Garies op daernaer. Want hi was die vromeste , sjj t seker das, Dan enech van den vieren was Sonder Gawyn; doe hi op was thant, 30270 Nam hi sijn swaert in sine hant Ende ginc hem weren , ende sloech daer Van den sevenen enen daernaer Dor die slinke side alsulc een gat, Dat hi ter aerden doet viel** nadat; 30275 Ende hi sloech enen andren af den arm, Dat hi metten scilde al warm Ter aerden quam gevallen ter stede; Ende heer Gawyn sloech daer enen mede. Dat hi hem dat hovet clovede doe 30280 Toten** tanden. Doe voer hi toe is **to, do **mytden **quemen **do **ten * 'der- den ••Eng. the sleves * 'lichamen * "eerden * •vellen **darnaer '"hadde kv '^weer ''vel '^to den. 43 33S Ende nam dat ors , en de dader ^ op sitten Sinen broeder , ende wet vorwaer [daer Dat die koninck Lot, ende sine ander broe- [der met Dander drie* versloegen', dat wet, 30285 Entie sevende vloe*, als hi dat sach; Ende Garies volgede hem, al dat hi mach, Ende verhaeldene an enen berge mede, Ende stacken doet aldaer ter stede ; Doe keerde* hi weder tsinen vaderwaert. 30290 Als hi daer qnam, rodensi ter vaert Enwech; wantet* was den avende by. Doe die Sennen sagen*, datsy Enwech reden, keerdensihaestlyc doen*. ; Ende quamen gereden daer Glarioen* 30295 Lach ende hadde doen * binden sine wonden : Doe vragedi hem tenselven stonden, 1 Ocht* si die glotoene hadden gevaen. Die hem sulken scade hadden gedaen; Si zeiden neen si, niet ter stede; 30300 Des was die koninck rouwech mede. Dus keerden' "si tharen gesellen waert , Entie koninck Lot voer enwech ter vaert, Ende sine kinder met overmoet; Haer wapene waren ' ' al bebloet , 30305 Ende haer orse van bloede** nat, Ende in haren scilden menech gat; Diese also hadde ryden gesien, Hem mochte wel al gruwen van dien. Dus redensi tote achter dat boscel^jn, 30310 Daer haer knapen metten rossiden sgn ; Doesi daer quamen redensi alsoe Tn den bosc vorwaert doe, Tote in die nacht , in langen doen , Entie maen sceen berde scoen; 30315 Si quamen** tenes fore8tiers**huse doe** Die drie sone hadde toe**, Ende een w^jf hovesc ende vroet, Ende dat hues sterc ende groet; Ende daer ginc ene grachte ombe w^t, 30320 Al vol waters, oec wasset ter tjt Wel geplankiert, ende met domen mede So dicke ombeset, dat daer ter stede Nem bermeer nieman*' hadde gemoet, Dat daer een hues binnen stoet. *dede daer *dre *7er8logen Wlo * kierde 'want dat 30325 Daer quam die konmck Lot ter poerten toe, Ende cloppede so lange daervor doe**, Dat der* * f orestier s* ^sone een quam naer* * Ombe te** siene wie** clopte daer**; Ende hi vragede wie** si waren, 30330 Ende si antwoerden hem daernare: »Wy zyn ridder** van desen lande, Ende varen aldus nu te hande Ombe ene boetscap te doene, God weef'. Hi hietse wellekomen** endeontdade*' [gereet 30335 Die poerte, ende lietse inkomen alsoe; Doe beetensi neder , ende men nam doe Haer paerde, ende dadese wel te gemake. Want daer was genoech van alrehande Si waren' * geleit in die sale* ^ saen, [sake ; 30340 Daer si wel waren** ontfaen Van den forestier** ende sinen wyve mede; Si brachten warm water daer ter stede, Daer men die heren mede gincdwaen; Doe brachte men elc enen mantel saen, 30345 Die men hem ombehinc doe si waren Ontwapent, ende daernare Ginc men eten, daer hem nadas Herde vele gedient nu was. Die forestier** hadde twe dochter scone, 30350 Die daer dienden wel te lone Van den wine , ende haer broeder* * mede Dienden ter taflen, wel ter stede, Vor den koninck Lot ende sine kinder, Ende vor den waert* * ende sy n wgf ginder, 30355 Die saten** ter taeflen, syde an syde. Men was daer over den etene blyde ; Ende na den etene zeide die waert**: »Gy heren, een dinc hebbic sere begaert**, Waer dat iu wille nu ter tgt, 30360 Te vragene waer gy vaert* *ende wie gy zgt; Dat gy my woudet** berechten** nu". Die koninck Lot zeide: »so biddic iu, Dat gy my ierst secget daerby Wies** dit foreest** ende dit lantsy". 30365 »Sekerlyc , here !** zeide hi te hant, [lant, » Dat es koninck Clarioens van Nortomber- Ende ie ben* * s^n forestier* * ende syn man Ende hoedet** van syner wegen dan. •oflf * 'kierden * 'weren ** blode •*ondede **den sael **foreester **vor«ter **brodcr **weert ••seten * 'weert, begert **vart **wolden ^aegen 'don, Clarion **do qaemense '*vor8ter8 **do, to "neman *^to, 1 •"berichten **wc8 ''desse boBch **bin * 'hoede dat do **de8 **dar, darnaer *"we **ritter8 ''willekome ! S3d Entese^ knape, die hier dienen nu, 30370 SJn myne 8one; oec secgic iu: Dese twe ioncfronwen mede, God weet , S|jn myne dochter''. Doe zeide gereet Die koninck Lot: »heer waert, datwet, Die koninck Clarioen en mochte niet bet 30375 Dit ambacht bestadet hebben nu , Dan an iu kinder ende an iu, Want si seinen hovesc ende vroet". » Trouwen", zeide die waert, »8i eyn goet. Dat sal hem vromen; oec hebben sy 30380 Mage, es* datsi daer slachten' by. Si mogen daerby tere^ komen; Oec s^nsi some, hebbic vernomen, In des koninck Arturs hof, in trouwen , Metter koninginnen, mjjnre Vrouwen, 30385 Onthouden*, ende syn haer ridder' mede; Ende men zeide my oec gerede. Dat heer Grawyn ware hovetman, Des koninck Lottes sone, nu voertan. Over al die nuwe' ridder* daer". 30390 Doe vragede die koninck Lot naer*. Wie*' hem bestonde daer alsoe : » By Gode, here, ie secget iu", zeide hi doe, »Mgn w^f -es suster, s^t seker des, Miranges van Porlegues, 30895 Ende si es nichte Ecgerikes met, Ende Keyadgns, des clenen**, dat wet, Ende Ywen van Lioneel es Mgns omes sone, sgt gewes**. Des borchgraven** van Crenefoert**, 30400 Ende ie selve hadde landes mede voert Genoech te veroerberne nu, Maer die Sennen, dat secgic iu Hebbent** my verwoestet alsoe". Die koninck Lot vrugede hem doe, 30405 Hoe*' hi hiet*', ende hi zeide nadas: >Here, ie hete*' Mynoras [lant". Van den nu wen* ' casteel van Nortomber- > Trouwen", zeide die koninck Lot tehant »Alle die gy genoemt hebbet nu, 30410 Die kennic wael, dat secgic iu Dat goede ridder sgn ; oec woudic mede, Dat die koninck Clarioen , hier ter stede, By my saté*' als gy nu doet'*. Doe vragede die waert metter spoet, *imde dese ^ïb 'slechten ^to eren 'ontholden *er ritter 'neuwe *ritters 'darnaer **we **cleyneii ** gewis **greveii "*Cpenefort **dat *'wo **hiete 30415 Ocht hi met bero bekant daii weer, ^So begaer*' ie meer van uwen heer, Te wetene, dan ie eer dede, Wie gy sgt". Doe zeide ter stede Die koninck Lot: »ic salt iu sccgcn saen* *: 30420 Ie ben die koninck Lot , sonder waen , Entese* vier syn** myne sone nu". 9 Ach my, here !" zeide die waert, »ic secge Dat ie my seame utermaten seer, [iu, Dat ie iu niet en hebbe, heer, 30425 Meer eret nochte meer gefesteert*'. Doe woude opstaen die weert, Die daer sat by synre syden doe; »Sit al stille'', zeide die koninck daertoe , »Gy hebbet sovele gedaen ter stede, 30430 Dat gy ons verwonnen hebbet daermede Ember*'meer, ende iu masniede met Sal des te** bet varen, dat wet". »Help, here", zeide hi, »watsoecdy** in [dit lant?" >Ic kome hier*', zeide die koninck te hant, 30435 9Sprekene tegen die baroene, Ombe te makene ene soene , Ende ombe overeen te dragene ter ure Metten stouten" koninck Arture, Datsi die Sennen uten lande slaen". 30440 Doe vragede Minoras den koninge saen , Waer hi die barone sal vinden nu? »TAronsteel in Scotlant, secgic iu, Daer sal icse vergadren alle nadas". »By Gode"", zeide doe Minoras, 30445 »Ic salt mynen here wel*' secgen open- Wistic te wat dage dat waer". [baer, Die koninck zeide also, dat hy In Sente** Bartholomeus dage daersy; Doe" gelovede hem daer Minoras, 30450 Dat hi die boetscap sal doen nadas. Daema sgnsi opgestaen, Ende men ginc doe ombe slapen saen. Want die gast^** moede'* waren Van vechten ende van ryden, twaren; 30455 Si sliepen toten dage ter stede. Nu laticse liegen slapen mede, Ende sal iu van den koninck Pelles Ende van sinen broederen secgen nades. *'nenwen *'setc ""beger **daii * "sint *• omber ** de **8So staet iu lange ie beidene dan", Zeide die vader. Hi sprac: >in* weet, Ie Hal den ridder* wel proeven gereet An myncn ome, an sinen wonden. Die nieman en* mach genesen ten stonden. 30475 Dan die beste ridder* een, Desgelike en vint men negeen, Daer sal icken leiden ombe des". »Neen", zeide die koninck Pelles, »Dat en verstondy^ niet een twint, 30480 Hymoetby der aven turen komen omtrint Ende moet selve* na den Grale vragen, Eer hem des ioman sal gew^agen, Dat mijn dochter hoedet vorw^aer, Die noch maer* en hevet seven iaer, , 30485 Ende oec moet werden gewonnen eenkint Van den besten ridder, dien*® men vint; Ende daer moeten * * sy drie toe * * sjjn overal, Daer men den heiegen* * Grael winnen sal, Ende ay moeten suver ende rene wesen". 30490 > ïlere", zeide dat kint na desen , »Ic wil ryden te koninck Arturshove; Men secget ray dat daer van den meesten Ridder sijn* * van der werlt, dat wet, [love Ende daer es oeo myn neve met, 30495 Heer Gawyn, des koninck Lottes sone, sec- Die der bester ridder een es nu [gic iu , , Die in der werlt levet ter stede, | Tot hem willic varen ende dienen mede, | Opdat hi des gehenghet**; ende es hy 30500 Alsulc, als men secget my, | Van allen dogeden , sonde r waen , *vijfftecn *ritt«T *(lre *so Lieve vader'', zeide die sone terstont, 30515 >Wy sjn alle in der aven turen, Wy en mogen niet eer der doet verbueren Vor die tyt, dat Onse fiere nu Ons gehouden** hevet, secgic iu, Ende oec en sal ie sterven niet 30520 Eer si komet'*. Ende alse dit siet Die vader, zeide hi: » lieve sone, Ie sie** wel, gy wilt trecken na datgone Daer gy nu anekomen syt, Ende dat es my lief nu ter tyt, 20525 Dat gy na hem trecket gereet, Ende bander* 'syden eest** my leet, Dat gy derwaert wilt varen nu , Want ie en mene nemberlevendich sien* * iu Nu secget my", zeide die vader daemare 20530 »Wie wildy dat met iu sal varen?" » Ilere, ie en wil maer** enen knape mede, Die my geselscap boude ter stede; Maer gereet my wapene goet, Ende een ors sterc ende groet". 30535 Doe zeide die koninck Pelles : >God weet, Hier es tuwer behoef genoech bereet". Des andren** dages en woude tkint** Langer beiden niet een twint , Entie** vader gaf hem daer 30540 Goede* * wapine ende een ors naer**, Ende een tellende** paert, dat hi reet, Ende enen vrome knape, Go vaste, rjjt an! Sal ons nu ontgaen een man, 30645 Die ons desen scade* hevet gedaen?" Doe sloegen' ai raet sporen saen; Nu moetene* God helpen uter noet! Beringensine, hy es gevacn ochte* doet, Maer Onse Here staet altoes by 30650 Sinen vrient , waer dat hi sy, Die ane Hem gelovet ter ure: Hier sende hem God scone aventure, Ende daerombe secht men, ludeende stille, Wien dat God helpen wille, 30655 Hem en mach nieman scaden een twint ; Want, rechte alse nu omtrint, Quam hem die koninck Lot te helpe* * saen, Als ie iu hier sal doen verstaen , Die met Minoras, den fore8tier**,lach, 30660 Als ie iu hier vor dade gewach. Des andren dnges was die koninck opge- Ende sine vier kinder, sonder waen, [saen Ende wapenden hem, ende namen' * orlof An den waert ende an die waerdinne toe[doe 30665 Ende dankeden hem sere ; ende Minoras Reet wtwaert* * mede een sticke* * nadas , Met sinen vier sonen mede gereit**, Daer hi doe** was herde gemeit; Entie v^f scillknechte reden vor doe, 30670 Ende haer orse leiden ende droegen toe (Haer) helme, scilde, ende speren, Die Minoras hadde gegeven den Heren. Doe hi een sticke** hadde gereden daer, Dadene die koninck Lot keren*' naer, 30675 Ende beval hem, dat hiin negenen doene* • El liete, hi en sprake den koninck Cla- [rioene**, Ende zeide hem sine boetscap gereet. Minoras sprac: »ic en latet* •niet,God weet, Ie salse herde getrouwelyc** doen" 30680 Doe nam orlof die baroen 'vragedc he 'we *8e ene *nu •nicht 'dessen Bcaden 'slogen 'mote ene •gevangen off ^''hulpe **vor«tcr **nemen **utwert **8tucke * •gereet **do * 'kieren "•done, CUrione ^•secget *"ge- ' ••ncman. Ende roet thueswert met sinen kindren* * [doe; Ende doe hithuesquam, sende hi toe** Sine sone den koninck Clarioene, Orabe die beetscap daer te doene**, 30685 Ende si daden die boetscap also daemaer, Dat die koninck gelovede te komen daer. Ende doe die koninck Lot g^esceden was Van Minoras, reet hi nadas Dor den foreest so lange nu , 30690 Dat primetijt was , secgic ia , Eer hi daer wtquam; doe quam hy Op een scone velt daerby, Dat tote Rodetock duerde*' naer; Eude doe si vortquamen.gemoeten* ^si daer 30695 Lydonase, des kindes knape, Daer ie hier voeraf hielt sprake, Die tegen die Sennen vacht ende street; Nu brachte dese tegen hem gereet Des kin des som er ende syn rosside mede, 30700 Ende weende jamerliken ter stede, Ende zeide: > Marie, edele Vrouwe, Heipet ons nu wt** desen rouwe!" Dit riep hi herde dicke daer, Ende sloech sine hande te gader naer; 30705 Entie koninck Lot ende sine kinder mede Worden des gewaer ter stede , Ende hem ontfermede des sere doe ; Ende Agrawein reet voert alsoe Toten knape ende vragedem daer, 30710 Waerombe hi makedealsulc** mesbaer? Hi zeide: »herc , ie nvene dus sere Ombe enen den scoensten ionchere. Die in der werlt levet, God weet, Dien*^ ou die quade Sennen gereet 30715 In gener valeyen hebben bestaen , [saen Ende , God en helpe hem, si sullen hem** Doet hebben !" — Doe vragede hi daemaer, Agrawein , werwaert hi opten wech waer? 9 Here, tArturs hovewaert, ter stede, 30720 Ombe hoer Gawine te dienen mede", Daer men hem vele dogeden af hevet [geseit , Ende also dat hi wü, in der waerheit, Dattene nieman** ridder en make nu Dan manheer Gawein, dat secgic iu. truwclyc **kindern **to den **durdc **gcino- tcn **ut ••zulke *'den **xolen ene **op den 343 80725 Ende doe riep hi weder : »ach, arme Here! Ie weet wel, ie en siene' nembermere !" Doe vragedem Agrawein daernaer, Wt* wat lande hi geboren waer'? Hi zeide, Listonas, na datgone, 30730 Hi 69 des koninck Pelles soiie Van Lystonois. Doe zeide Agrawein: » Hoert, lieve broeder, heer Gawein, Wat Bcoenre aventuren beidet na iu!" »Ic hebbet wel vers taen'\ zeidi no. 30785 Doe bondensi haer helme naer^ Ende saten* op haer orse daer; Doent Lidonas* sach, vragede hy, Wie^ ay waren. Doe zeiden sy, Datei van Artars masnieden waren, 30740 Hi* zeide, Lidonas, twaren: >Sone willic niet vor ryden, Ie* en aal bo lange eer ontbiden^^, Dat ie sal sien hoe*' dat vergaet**''. »Sone doeV, zeide die koninck Lot ge- [raet'*, 80745 »Maer vaert' ' buten wegens houden saen Thent** gy siet , hoe** dat sal vergaen". Die knape zeide: »ic sal doen alsoe". Ende bindien** datsi spraken**, doe Sagen** sjjt** kint komen gevloen, 80750 Ende sgn swaert al bloet hebben doen In sgnre hant ; ende hem volgeden naer Wel twehondert Sennen, diene iagen daer; Ende hi keerde** onder tyden ombe alsoe Ende dien** hi dan gcrakede doe, 30755 Dien** sloech hi, dat negene wapine** Helpen en mochten daer in scine; Ende als hi een sticke' * dan was gereden, Bleef hi weder houdende** ter steden, Ende sloech op hem. Dus leidise**t8amen 80760 Thent** si opten koninck Lot quamen; Ende doent *^ dese vive komen sach Al gewapent , riep hi, al dat hi mach : »Doer** God, gy heren, heipet my, Gy siet wel, dat des groet noet sy, 30765 Ende laet iu mgns ontfermen mede !'' — >Gyne hebbet gene noet", zeidensi ter stede. Doe sloegensi in, ende Agrawein Sloecher daer enen so opten' plein Dor den scilt ende dor halsberch mede, 30770 Dat hi doet viel** daer ter stede; Ende Garies stac enen dor den lichame. Dat hi viel doet in des Duvels name; Entie** koninck Lot zeide te Gaheries Ende te Gawyne: >hac8t iu na des, 30775 Siet, waer beide iu broeder** sgn In den strijt". Doe zeide tjonkerljjn: »Here, wie zijdy**, die heipet my, Entese** heren, die iu staen by?" »Ic bent, die koninck Lot", zeide hi ginder, 30780 Entese** vier syn** myne kinder, [nu, Ende siet daer dengenen, dien gy soeket Ombe te dienen ende ridder te maken iu". Des was die ionchere herde blyde , Ende leide sine hande te gader tien tyde , 30785 Ende dankede Gode sere, tien*^ stonden, Dat hy heren Gawine hadde vonden. Doe vragede hi, hoe hyt** wiste, daemaer »Dat ie Gawiue soecken vaer?", >Ic weet wel", zeide hi, ende tier'* tgt 30790 Sloech hi vorwaert in den stryt, Entie** jonchere volgede hem naer, Ende elc stac enen doet aldaer. Doe die koninckLot,ende sine kinder mede, Haer spere tebroken hadden ter stede, 30795 Trocken * ' si haer swaert, ende streden daer Alse ontbondene liebaerde**, wetvorwaer; Entie** ionchere volgedc» ember toe, Ende manheer Gawyn hadde getogen doe Caliburnuse , daer hi mede sloech voert, 30800 Ende makede onder dieSennen groet moert; Ende Gaheries met Agraweine Hadden geiaget twintich Seinen'* So verre**, datsi quamen nadas Opten*' koninck Pinoras, 30805 Die met hondert Sennen quam daer; Ende doe hi vernam openbaer, Datter maer* * twe en was , doe reet hy Op hem met sinen lieden**, ende sy Reden weder in hem alsoe, 30810 Ende sloegen** doet twe Sennen doe. Doen omberingeden tien*' Sennen daer Agrawine, ende sloegeo** naer Alle op hem, dat sine mede 'weer ^darnaer 1 1 *8e nc *ut *we •hey 'ich **mer vart **8e dat * 'kierde '•den *®wapene ***8tucke **hol- * *ontbiedeii " wo '*went ** binnen den * 'spreken, segen •seten 'do L. dit ** vergeet, gereet dende * 'leide he se **do dit **dorch "slogen "op den *"vel "unde de "broder **8int gy "*iindeden •*8int '^ten '*wo he dat "ter "treckeden "Ic- barde "Seyne *"vcre **men •'laden *'t^jn. 344 Ter acrden* brachten daer ter stede; 30815 Ende Gaheriee omberingeden daer Tien ander Senncn , wet vorwacr , Maer hi halp Agraweine so seer, Daer nu te voet etont die heer, Die hem weerde metten «wacrdedoe, 30820 Dat hem nieman en* quam «laertoe, Hi en aloechen, dat hi neder viel' daer. Doe quam mynheer Gawyn naer*, Ende Bloech so vreealikc «lage mede, Dat nioman* so koene was ter stede 30825 Dat hi siner elage dorste ontinden*; Ende tkint, dat mede wilde stryden, Van hem sloech sulke* 8lage,met'gerocht4' Dat eiken mensce* helpen mochte. Doe geviel* dat mynheer Gawyn 30830 Daer ontmoete*® Malaquyn, Die der bester ridder** een was mede. Die men wiste teneger stede ; Ende hi hielt boven Agraweine saen Ende haddene gerne daer gevaen , 30835 Ende heer Gawein sloechne opten** helm Ende clovedène toten tanden toe. [doe Als dat die jonchere sach ter stede, Gebenedyede hi den arm mede, Die sulken slach slaen konde; 30840 Doe nam hi tors terselver stonde Ende gaf dat sinen broeder*" Agrawine Die daer op spranc, sonder pine, Ende reet met sinen broeder* " in den stqjt Ende Pinoras, des seker sjjt, 30845 Was nu in droefheden herde groet Ombe sinen broeder**, die was doet; Hi nam die giserme* * met beiden handen, Ende sloech den koninck Lot te hande** Op sinen helm , dat hine storten dede, 30850 Daerna sloech hi Gaheries mede. Dat hi oec ter aerden lach; Doe dit mijnheer Gawyn sach , Was hi so erre ombe deae dinge , Dat hi vei'woeden woudo sonderlinge, 30855 Ende reet op Pinoras ende sloechen daer Dor den scilt ende optie scouder* * vorwaei Dat hine doersloech toten gordele toe*', Ende hi viel* * doet, entie* * jonchere nam * eerden *nemau 'vel *(larnaer * ontbieden 'solke 'peet "menschcn 'gevel ^''ontmote ' 'ritter "op den 1 a Dat on ende brachtet Gaheriee saen, [doe' ' 30860 Die daer op spranc , sonder waen ; Ende doe*' nam hi dat ors nadas, Daer die koninck Lot afgesteken was, Ende gaf hem dat weder daemaer, Die daer scier op sat. Doe reden si daer 30865 Onder die Sennen in den hoep, Ende quetseden er vele,ende sloegen* 'doet; Entie Sennen waren in sulken vresen Ombe huer heren die doet waren, vor desen, Datsi hem niet meer en weerden** daer, 30870 Ende gingen alle vlien daemaer; Ende Wandalis, haer drossate, riep doe*' Waerombe dat^^i vlien alsoe? ^ Wreket beide iu heren an die glotoen ! Hier en esser maer** sesse, in desen doen, 30875 Enter** uwer es noch vierhondert ter uren; Fy**, dat gyse vor iu laet geduren Aldus lange; des moechdy** iu Scamen !" — Aldus dadi** se keren*' nu; Maer heer Gawein ginc slaen in hem doe 30880 So vreeslic**, dat hi daer alsoe Meer dan sevene in dat gemoet Doet sloech ende warp onder voet. Ende doe die Sennen dit gesagen. Dat mense dodet** ende so ginc lagen, 30885 Vloensi in denbosc, dene hier dander daer, Daer ontbeide nieman den andrenvorwaer, Si vermaledyeden dure mede, Dat sise ie gemoeten** ter stede. Want en waren negene liede dat, 80890 Dat waren** »Duvele'\ meenden** si bat, »Uter Hellen, die ons slaen nu, Wanten esser maer** sesse, secgic iu; Dit en gepciede niemanne** raeer, Daerombe syirt Duvel, die ons slaen seer ; 30895 Si en mochten van menscen niet syn Gewonnen nochte geboren, in sc^n. Want negeen** aertsce** mensce en [mochtet doen". Dit zeiden si onder hem , doesi vloen. Dus verdreefse heer Gawein daer, 30900 Ende si ne fineerden oec niet vorwaer", Vor datsi in dat heer alle qnamen Te Clarence, daer dat** lach te samen der ""phy **moi5e gy **dede he * 'kieren "•vreslic * •doet ' "gemoten * ' weren ' 'menden * ' men • *ne- broder '^gisarine ' 'handen **o]) de scolder * 'to, manne '*geen "•erdesch * 'nicht dar **dat her do **vcl **uDdede *'8logen ** werden *' men **imde 349 Den borcbgrave endehaerre' saaier saen Al haer sticke*, ende hoe mense hadde [gevaen , Ende hoe si van hem bescat waren' saen. Ombedit dade men hem een groet ere, 31270 Ende diende hem oec vele te* mere. Die borchgrave vragede daernaer Den koninck Lotte, wie* hi waer? Doe zeide hi : »here, ie ben Lot^die koninck Van Orcanien, in ware dinc 31275 Zgn dese* myne vier kinder mede". Doe spranc die borchgrave op, ter stede , Ende dade ene grote feeste, secgic iu, Ende vragedem« waer hi voere* nu. Hi zeide , hi voer ombe vrede ende soene 31280 Van koninck Arturs wegen an die baroene So lange , dat die Senneu , twaren , Uten lande verdreven waren. Doen hi dit hoerde, was hi blyde Ende dankedes* Gode sere, tien tyden*; 31285 Doe vragodi waer hi ierst** soude varen : >TAron8teelin Scotlant",zeide hi,» twaren, Ende oec soudic iu geime bidden mede. Dat gy nu woudet' * senden, ter atede , Enen bode^* an den koninck, dien men 31290 Metten hondertriddren,dathigereet[heet* * In Onser Vrouwen dage kome daer ie sy , In September, tAronsteel te my, Ende dat hi des niet en late, ter stede. Want ie ende al die prinsen mede 31295 Sullen daer syn". Doe zeide die borchgrave: »In boetscap sal ie wel doen hier ave, Want ie sal morgen senden daer'\ Aldus spraken^* si onder hem naer, So lange dat slapetp was; 31300 Doe ginc men slapen scier nadas, Ende sliepen daer toten morgen vroe; Doent" djoncfrouwe", nades, Wy z^n uten** lande van Logres, Ende varen ombe enen orbaer nu, Die niet te secgen es, secgic iu*'. Dus redensi so lange, datsi quamen 31210 Tes" heremiten hues, daersi tsamen Haer gesellen vonden slapen noch doe; Doe beettensi daer neder alsoe, Ende daden" den orsen den breidel af, Ende Elisier hem grases genoech gaf, 31215 Want des daer binnen genoech was mede; Doe gingensi alle slapen ter stede, Ende lagen" toten dage toe. Die koninck Lot, hi riep iorstwerf* ' doe Garies, dat hi opstonde naer; * wannen 'undedese ridder 'icistem ^q nemen *hiet •ten 'weren 'segen 'erre '"vengen ene '* wolden, verbeiden * "nemen "zegen * *8ochten hirby **ntdcn 31220 Doe sach die koninck liegen daer Ene joncfrouwe ende enen ridder mede Tuscen Gawine ende Elisier ter steda, Die vaste lagen*' ende sliepen nu**; Des wonderdem sere, secgic iu; 31225 Doe riep hi heren*' Gawine saen: » Lieve sone'*, zeidi, »gy snit opstaen , Dat es hoge opten*' dach, secgic iu*\ Entie ridder entie ioncfronw syn" nu Ontsprongen, ende stonden op aldaer, 31230 Entie koninck Lot vragede naer, Wanen* datsi komen waren: >Here*', zeidensi, »wyne weten twaren, Maer si twe hebben ons bescuddet* ' mede, Ende brachten ons alhier ter stede, 31235 Daer men ons wonde' ^ nemen tleven , Dien God dat hemelrike moete geven, Datsi ons so wel bystonden'\ »Welc waren 'si", vragedi ten stonden, Die iu bescudden?'* Doe zeiden si saen: 31240 »Hero, dese twe, die hier staen". Doe vragedi hem daer al te male, Van tale ende (van) weder tale, Hoe" die dinc" waren gesciet. [niet, Doe teldensi dat al, ende en lietens 31245 Van den beginne, hoe" dat quam toe. Daerna satensi op alle doe", Ende reden te Rodestock te samen; Ende doesi daer quamen, Doe sagensi die stat te wonder ane, 31250 Ombedatsi scone was van gedane; Doe leidese die ridder , die gevaen* * was. Toten castelewaert alle nadas, Daer mense nu in hevet gelaten; Daer wordensi ontfaen wel utermaten, 31255 Entie sus ter ruende der Vrouwen toe Ie en weet wat, ende daerna doe Dade hem die Vrouwe grote feeste daer; Entie borchgrave" quam oec daernaer, Ende hietse welkome' ' , ende leidese saen 31260 In ene kamer, daersi af hebben gedaen Haer wapene, ende daerna mede Ginc men eten daer ter stede; Daer was hem berde wel gedient, Gelgc dat een doet sinen vrient"; 31265 Want die ioncfrouwe dade verstaen **to des **deden "legen '•intwerff '"do **hem **op den *'8int **l>Mcud *'woldc "wo *'dinge ■•atso * 'gevangen ••borchgreve "wilkome '*vrent. 8&0 Dat wy hebben , voerdensi met hemS ter [stede Ënde dit was al onse r^cheit te bant, Die ons was bleven in onse lant". Doen hi dus Gode sine bede dede, 31360 Sach hi waer vyf ridder ter stede In die Sennen vergadert waren; Doe riep hi op sine liede* daemare Datsi wederkeren* omtrent, Want Qod hevet hem soccoers* gesent. 31365 Doense dhertoge vergadert hadde daer, Voer hi hem thelpene naer*, Daer die v^f ridder* wrachten wonder, Dat nieman^ van den Sennen bjsonder Ontbeiden en dorste*, so groet waren 31370 Haer* slage, die si sloegen**, twaren, Wantei dodent al dat vor hem was; Ende dhertoge quam an hem nadas Met sinen lieden vergadert daer; Doe wart die strgt groet ende swaer, 31375 Maer en hadden die ses gesellen gedaen Dhertoge en hadde niet mogen staen, Enter' *■ Eerstene maer' * driedusent was Enter' ' Heidene tiendusent, sgt seker das; Ende in den stqjt, daer si dns waren, 31380 Quamen" opten hertoge'* gevaren Die koninck Dodales ende Orientes, Ende Moydas ende Brandales; Dese vier opten hertoge** staken'* Tenemale, dat hoer spere'* braken'*, 31 385 Ende dene stac dat ors dor den bueck weder Dat metten hertoge doet viel neder; Daer wart" die dranc so groet saen, Dat dhertoge wart gevaen, Ende voerdene enwech. Doe dit vernam 31390 Die koninck Lot, wart hi herde gram, Ende sine kinder , ende reden derwaert; Heer Qawyn warp sinen scilt ter vaert Ter aerden, ende nam sgn swaert'* Calibumuse, dat hi hadde waert", 31395 Met beiden handen, ende sloech Moydas Toten tanden toe, sgt seker das, Ende Brandales sloech hi mede Den arm af, aldaer ter stede, 'hebben vor em; doch zie H Eng. and on thtU (dher tide theie faUt untrewe Saimes lede atoey 'Inde •kieren *hulpe ^darnaer •ritter» ^neman •dorsten 'er **8lo- gen "unde der '"men '•quemen **op den hertogen '•«teken, breken '•spem ** waert ''sweert, weert '•unde degene ••her, ber ••bescud ■•zegen ••slogen Entiegene'* vloe doen in dat heer**« 31400 Bytende ende morrende als een beer**; Ende Gaheries sloech Orientes Dat hovet af, ende ei daden nades Sovele, dat dhertoge was daer Bescnt*' van hemlieden naer. 31405 Ende heer Gawyn gaf Dodales enen elach, Dat men hem lever ende longer sach, Ende als die Sennen sagen •• daemare. Dat haer heren alle doet waren, Vloensi, wat si mochten, daer, 31410 Entie Kerstene volgeden hem naer, Ende sloegenre** sovele doet nn. Dat wonder waer*^ te secgene in. Doe die strgt was al gedaen, Quam die hertoge ten koninck Lot saen 31415 Ende bat hem vriendelic**, dat hi naer Hem zeide, wie** hi waer. Doe seide die koninck Lot: God, •Mjjns namen in loechendenoit**, weet Ende gy zoudet** my te rechte weUdnnen 81420 Want in herde menegen sinnen Hebbewy gebat quaet ende goet tsamen : Coninck Lot heet* * men my by namen, Entese'* vier ridder, die hier staen, Syn mine kinder, sonder waen*\ 31425 Doe was dhertoge ntermaten blyde Ende hi helsedene vriendelic^' tien ^- Ende festeerdese ntermaten seer, [den*', Ende dankede ende lovede Onsen Heer, Dat hi hem sulc soccoers* * hadde geaant, 31430 »Want en waerdy** niet komen omtrent Met uwen kindren , ie waer* • ter stede Doet bleven, ende al m^n volc mede; Want gy hebbet hier wonder gewracht Met uwen kindren , die gy hier bracht**. 3 1 435 Dus voeren * * si sprekende onder hem nadat Tote Gambenic in die stat**, Daer si metten vingeren waren* * gewyset Ende van den lieden** sere gepryset, Ende zeiden, datsi geweest hadden aaen 31440 Gesconfiert, en haddensi gedaen. Dus redensi onder hem te samen Thent** si vor die^® sale qaamen, er ••weer ••vrcndelyc •*we •^en locbgende; doch zie *t' Eng. he antverde that hia futmewotntverMdde vor no man ••solden ••hiet ••unde dese "ten tyde •■hulpe ••were gy ••weer * 'voren ••ftsd •*w«ren ••luden ••went ••dei 351 Daer beettensi, ende Elisier Pgnde hem sere te dienen hier 31445 Heren Gawjne, wanthidade^ ter stede Sgn paert op, ende ontwapendene mede , Enten koninck Lot, wet vorwaer. Ende al die wjle, datsi stonden daer, Qaam Elisiers knape van Minoras, 31450 Den forestier', daer hi gesent was, Ende zeide, dat hise groete seer Ende hem allen dankede van der eer, Die si hem hadden gedaen ter stede, Ende sjjn w|jf ende sine kinder mede. 31455 Ende hierbinnen was dat eten gereet, Ende men ginc daer eten, God weet. Daer dade dhertoge den heren te gemake Yan eten , van drinken , van alre sake, Daer hi hem mede mochte doen ere. 31460 Na den eten vragede dhere Den koninck Lot, hoe* sine kinder heten*: > Heer hertoge'', zeidi, »ic doe iu dat weten; Die outste, die hetet* Gawein, Ende dander, die hetet Agrawein, 31465 Die derde Gaheries, die vierde Garies; Entese jongolinc, syt seker des, Es eens edelen koninges kint mede, Ende komet dienen, nu ter steden, Gawyne , mynen sone, ombedat hi leren 31470 Wil met hem wapene hanteren''. »So helpe my God !*' zeide dhertoge doe, »Dit komet hem van hogen herte* toe. Van edeler aert*, ende moet hi noch leven. Men sal hem noch prys geven, 81475 Want hi es vroem ende koene* '\ Doe vragede dhertoge, na desen doene*, Den koninck, hoe* dat komet, »dat gj nu Dus hemelyc* varet onder iu?" Die koninck Lot zeide: »gy sultet** weten: 31480 Gy siet wel, dat die Sennen hebben beseten Al onse lande, wyde ende syde mede, Ende doen ons grote pynlichede, Ende verderven dieEerstenheit * ' ,8ecgic in, Ende mochtewy enegen raet hebben nu, 31485 Dat wy se verdreven, dat waer* * ons goet, Gy wetet wael**, ende sijt mede vroet. Dat wy se niet en konnen verdry ven mede, Want wy hebbens ons twewerfp^jnt gerede, *de "vorster 'wo ^kieten •hiet •herten *art 'kone, done •hcimelyc **zolt '^kristenheit **weer *• wetet wal **CUrione ''spelemaent "zolen '^andem'* geen > sckiei. Ende en halp ons niet een twint; 31490 Wat dunket iu best dat men begint? * Ie hebbe genomen van desen doene* Een perlement van den koninckClarioene' * Ende tegen den koninck metten C. ridders In On^er Vrouwen dage , dat wet, [met, 31495 In Speltmaent^*, ende oec mede So sullen^* komen dan ter stede Alle dander'* prinsen ombe dat, Tote Aronsteel in die stat , Ende daer nemen enen raet, daer wy 31500 Die Sennen mogen verdriven by". Doe zeide dhertoge: »by Gode, Here, Ons en lettet negeen'* dinc mere Dan onse souden , die wy hebben gedaen An den koninck Artur, sonder waen; 31505 Want sint dat wy tegen hem orlogen, Syn'* die Sennen int lant getogen, Ende met minen wille, so suUewy** An den koninck Artur versoenen* * daerby, Ende doen dat wy sculdech s^n nu 31510 Hem te doene, want ie secget iu. Sint dat hi gesacreert koninck es** Ende datten die biscop na des, Entie paepscap, ende tgemene volc met, Gekoren hebben , ende oec , dat wet , 31515 Dat die van Bonewic ende van Gaunes Met hem s^n, sone hebbeu wy des Engene macht, dat wy hem niet Connen gescaden ocht*' ontsetten iet*\ »Hebdy dit gepryset?" zeide die koninck [Lot, 31520 ^ Ja, ie", zeide hi, »also helpe my God !" — »So salt te hantversoenet syn^'zeide hy'* vTuscen hem ende iu, ende my. Want ie en heles iu niet ter stede, Ie ben versoent ende sgn vrient** mede, 31525 Als die hem vorwaert mesdoet van al, Dat hi my dat mede doen mV\ »Hoe", zeide dhertoge, »8|jdy** versoent > Ja, ie", zeide hy, by Sente Jan**" [dan ?" »Ende hoe** es dat daertoe komen?" 31530 Doe ginc hem die koninck Lot nomen Ende zeide hem al die gescienesse** daer, Dat hemgesciet*® was vorwaer, [waren, Ende hoe** sine kinder van hemgesceden * •so sint * "Bolewy * * vorsonen * *i» ■ •oflf * *he • • vrent '•zin gy '*Suntc Johan ''wo * *ge8cheni8se ••ge- 352 Ende haer moeder gevaen' fa addedaemare* 31535 Ende hoe hi daertoe bedwongen was Van Gawine, sinen** sone, sjt seker das, Dat hi wart koninck Artnrs man; Ende aldus telde hijt^ al daeran. Doe spraken^si voert sovele daer, 31540 Dat dhertoge gelovede daernaer, Dat hi tAronsteel sonde komen; Oec hebbensi an hem vernomen, [sal Dat die vrede vermyddes hem niet bly ven Van den koninck Artiir, groet ende smal. 31545 Doe si lange gesproken hadden daer , Gingen die heren slapen naer , Ende sliepen toten dage toe. Doent* dach was, stondensi op alsoe Ende gingen messe horen saen; 31550 Ende doe die messe was gedaen, Zeide die koninck Lot an den hertoge mede: >Dat waer' goet, dat wy senden ter st^de An koninck Uriens ende an ko. Anguissant, An koninck Ventres* ende an ko. Tra- [deliant, 31555 Ende baden ' hem van onser wegen tsamen, Dattti in Onser Vrouwen dage quamen In September tAronsteel gereet» Ende dat wy daer sullen syn, God weet; Ende datsi tegen ons komen, hoe*' dat Igaet". 31560 Dit dochte*' den hertoge een goet raet, Ende men nam boden , die waren snel , Die die boetscap daden wel An al die heren , datsi daemaer Alle geloveden te komene daer. 31565 Ende alle dese wile , dat die boden waren Die bodescap te doene, so es gevaren Die koninck Lot met sinen kindren nu Van Cambenic , dat secgic iu ; Ende dhertoge voer met hem wtwaert 31570 Den wech, sprekende metter vaert, Ende doe koerdi*" weder ende ginc hem [bereiden Alse den koninck te volgene,sonder beiden. Entie koninck hielt sinen wech na des Rechte den wech te Norgales; 31575 Daer lagensi ene nacht alsoe, Des andren** dages stondensi op vroe, * gevangen *damaren 'sine *he dat *?preken 'do dat 'weer 'neutres •beden '"wo *'du('hte '*sodat '•kierde he '*andem **quemen * •legen *^damaer Ende reden so lange datsi quamen** thaot TAronsteel in Scotlant. Daer lagen** si doe twe dage tsamen 31580 Eer daer ienege prinsen quamen, Ende daden hem te gemake daer. Doe quamen** die prinsen alle naer*^, Ende gingen te rade daer, ter stede; Ende heer Gawein , die daer was mede, 31485 Sprac dat woert aldaer ter stat**. Want des hem syn vader; die koninck, bat: >Gy heren", zeide hi, »wy sgn**hierge8ent Van des koninck Arturs wegen omtrent, Daer wy mede syn nu ter stede, 31590 Die iu ontbiedet, ende biddet mede, Dat gy sine vrient** sult syn openbaer, Want hi geme duwe waer*, Ende dat gy hem vrede gevet nu Thent te* * Kerstavende, des biddewy iu, 31595 In der manieren, dat wy die Senen** Mochten verdry ven onder ons gemene** Uten* * lande ; ende gave* * God ons sege, Dat wyse konden verdriven enwege, Conde men die soene** gemak^n dan, 31600 Dat gy daema versoendet** dan. Des'* es gegeven nu ten stonden Dat gewin, datsi van allen souden Ende van mesdaet sullen ^n** Qnyte wesen , die daer ten stryde syn*'. 31605 Alle die prinsen hebben wale Vernomen mynsheren**Gawyn8tale; [den, Doe vragedenai den koninck Lot sonder bei- Wat hi tesen** dingen zeide? [ere Die koninckLot zeide : »het**en wartnie** 31610 Meerre*' doget ontboden van enen here; Wetet wel, dat ics niet en secge daerby Ombedat ie syn geswoeme*' man sy; Want also lange als gy hebbet nu. Tegen hem geweest, es dat mesvallen iu , 31615 Entie Sennen en waren •• oec niet In dat lant komen nembermere iet**, Haddewy wael overeen gedragen; Ende oec hebbewy gehat dese plagen Ombe onse sonden,diewy hebben gedaen". 31620 »Hoe", zeide die koninck Uriens saen , »Zydy** Arturs man worden nu, So hebdy • •ontrouwecheit gedaen,8ecgic iu; '•stad ''sin ■•vrent "went to ** geve "'ut den **geve **8one, versonden **dat **zijn **hem ••to dezen '•nc '*merre •*gcswomen •■weren •*niet ••sin gy ••heb gy. 353 Wautgy haddet' met one gesworen mede'\ Doe zeide die koninck Lot ter stede: 31625 Ie ben niet* ongetrouwe, hiermet, Want ie dades myns ondankes , dat wet, E ode op dien dat ickeu ia node Meest gescadet meende' hebben, by Gode, So dadic hem manscap na datgone, 31630 Ende dat dade my al Gawyn, mgn sone''. Doe telde hi hem sine gescieneBse^ al, Die hem gesciede , groet ende smal. Doe die prinsen verstonden nadas, Hoe dat met hem gevaren was, 31635 Zeidensi, dat hine mochte niet el*; Daer waren*, die wouden, dat hem gesciet Ware*, geljjc dat hem gesciet was; [wel* Doe spraken^ si so lange nadas, Datsi te rade worden daer, 31640 Datsi vrede gaven* daernaer; Ende Gawyn hevet haer trouwe ontfaen, Vasten vrede thoudene*, sonder waen. Doe zeide hi hem den dach daersciere Te komene in den plein'* van Salcsbiere; 31645 Maer si zeiden hem, als die Sennen waren Gesconfiert, dat hem daernare Die koninck Artur tegen hem dnde* * voert. Doen Heer Gawyn hoerde dese woert, Zeide hi hem allen openbare: 31650 »Gy barone , nu horet hare, Als dat komet, dat gy hem arch wilt doen, Ie sal dan hebben sulc ware soen'*, Dat hi des te rechte niet met allen Tc doene sal hebben met iu allen ; 31655 Ende dat dreget** hem siilc oec mede , Die noch blyde sal sgn, by rayner waer- [hede , Dathi sijn gemoede sal verkrygen mogen". Som die prinsen hierombe lachende^ ^togen Van qnaetheit meer dan van ander dinc**; 31660 Maer van den hondert riddren die koninck Niet en dregede** daer ter stat, Hi zeide hi soude komen nadat TAlrehelegen messe'*, dat daer komet Met al s^nre macht te Salesbiere ; [sciere, 31665 Daema zeide elc prinse alsoe. Mettesen** namen si orlof doe ^hadden 'bin nicht *mende ^gevencnisse 'niet, ge- schiet 'weren 'spreken •geven 'to holden '"plaen **dcde **wart8oen »*drouwct "*lacgede **Eng. *owtf ihat lough and aome Jroicned wifhihe Iieede **drou- Ende voeren** thoren landewaert, Ende gereiden hem vaste m etter vaert Tegent** orloge dat komen sal. 31670 Nu swige ie van desen heren al, Ende sal iu voert secgen ter ure Van den koninck Arture. Van den koninck Artur ^ ende van Merlyne ; ende hoe hem die heren gereiden. Daventner secget hier ter stede, Dat Artur ende sgn w^f mede 31675 Leiden een goet leven nadas. Sint dat van daer gesceden** was Die koninck Lot ende sine kinder mede. Die hem nu ontboden ter stede, Dat die vrede genomen waer**; 31680 Des was die koninck blyde daer'*. Ende doe die boetscap komen was**, Des andren dages vro nadas**, Doe die dach was opgegaen, Was Sagrimor opgest-aen, 31685 Ende Galescins ende Dodinas Van Garloth , sgt seker das ; # Entese** wel gewapent waren Ende wouden in den bosce spelen varen , Ombe aventure te soekene daer. 31690 Doesi in den foreest quamen daernaer, Hoerdensi die vogelyne singen, Datsi verblyden van dien** dingen, [mede Ende bander**syden waren drie ridder Van der Tafelronden wtgereden ter stede, 31695 Ende waren* met andren wapenen openbaer Gewapent, dan metten horen daer, Ombedatsi niet (en) wondon syn bekent, Ende reden in den bosc om dat gent , Ocht* 'si der koninginnen ridder iet vin- [den souden** 31700 Orobedatsise geme proeven wouden**. Den e was Agradein**, Lias broeder** Des roden , van vader ende van moeder'*. Die sint den koninck Artur, vorwaer, Orlogede dicke ende menech** iaer, 31705 Alse ia dit boec sal secgen hierna; Dander was Morian, alsic versta, wede * *to alrehilgen misse * 'mit desen ' •voren • 't. dat *' gescheiden **""»*•*» •«»'•» ** **unde dese wolden ■•Aggradcn ■*broder, moder '*manich. 45 **werc, sere **w. k. daer, daernaer >»den **op ander *"off '•solden. 354 Entie* derde was Signoras, Die een herde goet ridder was. Dese voeren in den foreest ter stede . 31710 Wantsi badden dicke horen secgen mede. Dat waer* dwout* van aventuren. Doe quamensi gereden ter uren, Dacr vier wegcsceden stonden doe , Daer sciedensi hem nu alsoc, 31715 Ende elc es enen wech gereden. Bindat^ si s^n in desen steden , Was Merlyn tote Bhisise komen , Diene wel ontfinc , hebbic vernomen , Ende dade hem grote feeste daer; 31720 Doe zeide hi BUisise daernaer, Dat vrede waer* nu ter ure Van den prinsen enten* koninck Arture, Ende datsi alle vergaderen souden* Opten plein^ van Salesbiere metgewondc' 31725 Tegen die Sennen. Doe vrngedi daer, Blasys, Merlyne daernaer Ocht* si liede*' genoech hebben nnV »Necn »i\ sprac Merlyn , secgic iu , »Maer dcse* * sullen hem thelpe* * komen. 31730 Die van Carmelide, hebbic vernomen, Entie* van kleine Bertanien** met, Entie* van Lambale, dat wet, Dat des koninck Amans wus, Dat Gosegose hielt lange vordas; 31735 Ende als die koninck Arturwel**sal varen So willic halen , sonder sparen , Des koninck Bans liede gereet Ende Bohortes liede, God weet, Ende salse alle doen komen sciere 31740 In den plein' van Salesbiere; Ende oec sullen** daer van mcneger**sted( Liede komen, ombc haer sonden mede, Ende oec mede, ie wil gy dat wet, Ombe*' der beleger kerken wet; 31745 Ende men sach nie** so groten strjjt Alse daer sal sjjn, des sekcr syt, Entie Kerstene en** verdrivcnnembermeci Die Sennen, die barone en syn eer Versoen t tegen den koninck Artuer"*". 31750 Doe zeide Blasys tot Merline tier uer'*: » Lieve Merlyn, ie weet wel omtrint *umle (Ie *weer 'de wolt "binnen dat *unde den •solden 'piaen "gewoiden 'off '"lude • Mcsse **to hulpe *'brit. **wal **8oien ^'manigcr *^ande ombe **ne **cristenen **Artur, ur *'lcwen **dat Van ener joncf rouwen, die gy mint, Daer die prophecie op vallen sal, Die gy my hier vorgesecht hebbet al; 31755 Daerby, lieve Merlyn, hoedet iu Van der wolvinnen, die binden sal nu Den lewe**, want ie oatsiet* * herde sere". Merlyn zeide doe: »By onsen Here, Het* * naket den tyden, dat moet geleien"; 31760 Doe zeide hi tot Blasise mettien: • Maket iu dese letter, so suldy*' al Weten, hoe men daermede sal Mogen varen*'; ende hi makedese doe, Entese"* letteren** begonnen alsoe: 31765 »Dit syn daventuren van den lande. Die begonden, als iet** bekaode, By den wonderliken lewe al; Entiegene*' die se scoren sal, Moet syn koninges kint ende koninginnen 31770 Ende moet hebben renechede , [mede, Ende daertoe (syn) die beste ridder met. Die in der werlt es, dat wet'\ Ende dus dade** hi vele letteren** maken, Ende sloechse an den crucen nader**8aken 31775 Die an den wege stonden daer, Daer daventur? soude gescien naer; Entie* letteren** en mochte nieman** af- Dan diegene, diesel ve baroen, [doen Die daventure tiude** sal bringen; 31780 Ombe dit varen te*' wi 1 leger tien** dingen Die ridder daventure te soeken'* met; Aldus wert bedwongen die lewe, dat wet'\ >'Uoe*\ zeide Blasys, >en kan ie dacr anders Toe gedoen?" — »Neen gy, niet**'\ [iet 31785 Zeide Merlyn doen, ende nadien Vragede hi, ocht hyt** soude mogen sien ? »Ja gy\ zeide hi, »ende dander wonder [mede*\ Doe nam Merlyn die brieve** ter stede, Die Blasys hadde gescreven daer, 31700 Ende nam an hem orlof naer, Ende sette die brieve*' an die cruce met- Derwaert daventure soude gescien. [tien** Danen voer hi in Bertanien** clene Tote Leoncen ende tote Phariene, 31795 Die hem grote feeste daden daer; "zole gy »*unde dese "littere "'dat »»ünde de- gene '"dede ''den '"ueman ** ten ende "werende ten '*8oken ■*neit "he dat "breve "mytdien. 3 3 355 Ende si vrageden hem daemaer: »Ic ben komen", zeide hi, »ombe iu; Gy moet varen te Salesbiere nu Over die zee met alao vele lieden*, 41800 Als gy bede wt* mogct gebieden; Daer suldy' vinden menegerhande tale Van menegen lande, secgic ia wale^; Ende daer snldy* over ene syde logieren Ende niet trecken, in negener* manieren, 31 SOS Vor dat ie wederkome tot in daer; Ende doet ember n^aken, vorwaer, Ia grote banier, wit ende mede Een roet cruce in mydden, ter stede, Sonder meer enege ander dinge; 31810 Ende alle die prinsen sonderlinge Sullen* hebben dosdane baniere vorwaer; Ende dene en sal van den andren' niet we- [ten daer, Datsise aldus sullen voeren te* dien, Ende grote betekenesse sal daeraf gescien". 31815 Ende Leonce ende Pharien zeiden doe, Datsi gerne souden doen alsoe; Ende doe vragede* Leonce also houde, Wie** haer lant nu hoeden soude? Merlgn zeide doe: vLambiges, 31820 Phariens neve, sgt seker des, Ende Banys , Graciaens neve, dat wet ; Ende gy sult dat volc leiden met", Ende Graciaen ende Anthiomes, Ende Phariens mede ende Dyones; 31825 Ende onthout** alle diegene mede, Die gy om penninge** vint ter stede". Sy seiden, si 5oudent* * wel doen, God weet; Doe nam Merlgn orlof gereet Ende voer te Nimianen mede . 31830 Die hem grote feeste dede; Entese* * joncfrouwe mynde hi so sere nu. Dat hi haer leerde, secgic iu. Al datsi woude; ende danen** voer hi In dlant van Lambane, ie secget iu vry * '; 3 1 835 Dat was dat lant, dat die koninck Bohoert An den koninck Amant wan, ende voert Sine liede** dade werden koninck Arturs Te Carmelide voer hi dan**, [man. Ende dado sine boetscap hem**alleQ daer 3 1 840 Van des koninck Arturs wegen* * , vorwaer, 'luden "ut *»ole gy *wal *^ener •soleu ^andem •voren to *zegede **we **med ' *ontholt **|)e- ninge '^zoldet '^unde desse '*van daer *'wy Ende hem allen beval hi ter stede, Datsi ene witte banier brachten mede, Ende een roet cruce in midden al; Ende Merljjn beval doe Nabunal, 31845 Die drossate was van koninck Amans lant Dat Gosegosen was komen thant,* Want hi koninck Amans sone was, Dat hi vergaderde syn volc nadas, Ende hise leide te Salesbiere. 31850 Gosegosen bat hi des oec sciere ; Hy zeide , dat hi dat gerne soude doen ; Hi was een berde vroem baroen, Ende hi hadde oec sere gemynt vordas Jenovren, die Arturs wjjf nu was, 31855 Ende haddcse gerne te wyve gebat mede Hadde hi ridder gewesen, ende oec ter stede . Was dat belet omdat sgn vader alsoe Orlogede iegen horen vader doe; . Oec haddene die koninginne daeran 31860 Liever dan enegen andren man, Al die wile, datsi ioncfrouwe was; Ende dicke wile hadde dene den andren vor- Boden onder (hem) daer mede gesent [das Alse dat dene den ander ment. 31865 Dese Gosegoes ende Nabunal mede, S^n drossate, gereiden hem alle bede Met horen lieden berde sciere, Ende voeren in den plein van Salesbiere ; Ende Leonce ende Pharien (mede), 31870 Die nu oec bereit sgn (ter stede), Ende Graciaen ende Anthiomes, Dese hadden veerlichdusent man nades ; Ende doen die tg t wa8,trocken* *si ter stede, Ende voeren over die zee oec mede, 31875 Ende quamen** te Salesbiere gevaren, Daer die tien** Princen komen waren, Met al den volke datsi verkrigen konden. Ende Merlyn was bindien*^ stonden, Doe hi sine boetscap hadde-gedaen , 31880 Toten koninck Artur gereden saen, Ende opten** selven dach, hebbic vereest, Dat die ses ridder voeienin den foreest Ombe aventure, als gy mocht^t horen In den boec lesen hiervoren. 31885 Ende doe Merl^n vor den koninck quam Wart hem grote feeste gedaen, [gaen, **lude qaemen **van dan **to em ** wegene **treckeden, **t\jn **biDnen den **op den. 356 Kntie* koninck da de hem neven hem [sittcn doe. Doe eprac Merlyn den koninck toe, Dat hi sine liede* ontbodo al, 31890 Die hi konde hebben, groet endosraal, >Waut gyne hebbet geen letten, aonder [waen , Endfe weet, dat den orber wel wert * gedaen, Die koninck Lot, ende oec s^jn broeder [mede , Van verren* lande ende van meneger stede 31895 Hebben* liede* getrocken* ombe kome- [ne daer". Doe vragede die koninck Artur naer Wat liede* dut daer nu quanien? Meriyn zoide: »daer komen tsamen Tien* prinsen met al hoerre* macht, 31900 Ende daer sullen komen met hoerre* [cracht Koninck Bans liede*, ende s^jns broe- [der* mede". Doe vragedem die koninck Ban ter stede, By wien*' dese dinge sgn gedaen V Merljjn zeide: »by my, sonder waen, 31905 Ie hebbet Leoncen ende Phariene geheten, Oec hebbensi veertichdusent mao op ge- Des waren die twe koninge blyde. [seten''. Oec zeide hi ten koninge Artur tien tyden * * Dat daer soude komen Nabunal also wale 31910 Uten koninckrike van Lambale, Daer die koninck Amant here af was , Dien die koninck Bohoert doet slocch [vordas. ËndeGosegoes.s^n sone,komet medenades, Die noch niet ridder en es*"; 31915 Ende iu komet die macht van Carmelide Die Cleodalis nu brenget ten tyden**; Entie* koninck Leodegan en komet niet, Maer die ridderscap komet ; — nu besiet , Dat gy my wel loent dese dinc!*' — 31920 >Meriyn", zeide doe die koninck, »Ik en weet wat lone hier geven iu; Maer ie wil, dat gy vorwaert nu Al heer sgt over mjjn lant; Want overmiddes iu, lye ie wel te hant, 31925 Dat ie here ben worden gerede''. »Here'\ zeide doe Merl^n ter stede, »Waorna sacchdy**, doe ichierinqoam »Merliju'*, zeide hy , >dat secgic iu : [nu?** Ic sat^h na drien** nddren, die hier leden 31930 Ende in genen wout vor ons reden; Wety** iet, wie** si syn ter stonden?** >Dat syn drie ridder van der Tafelronden**, Zeide Merlyn , »entie om grote doerheden Nu ten woude syn gereden; 31935 Ic secget iu oec, dat si nie so wale Soccoers** hadden te doene tenen mate Alsi sullen, eer si wederkomen". Doe die koninck dit hevet vernomen. Vragedi Merline, wie si waren? 31940 Ende Merlyn zeiüe doe: » here, tw^iren, Dene es Aggravadein**, sijt seker das. Dander Moriaval ende Si^moras , Ende si sullen** in den woude** vinden nu Der koninginnen ridder drie**, secgic iu , 31945 Diene op sullen**^ lopen daer. Nu sendet hem haestelic ieman naer, Die se scede** eer si doet bliven, Want dene soude den andren ontliven*', »Help!** zeide die koninck, »wie** mach [daer ryden?*' 31950 Die koninginne** zeide doe ten tyden: »Heer**, Ywen ende Keye*' ende Griflet". Merlyn zeide: »gy ne moget niet bet Doen dan die koninginne secht*' ter [stede**. Men riepse ende dade**6e wapenen mede, 31955 Ende Merlyn wysde hem, waer dat sy Ryden souden; voert zeide hy: »Gy sult varen ten iersten* • cnice toe In den foreest, ende daerby alsoe Suldy * * vinden ses ridder vechtende mede 31960 Entie* suldy** solden ter stede**. Doe haest^Ubi hem , ende reden daemaer Ten crucewiiert; maer wet vorwaer Sine komen daer nember so saen, Men en sal daer mencgen slach eer slaen. 31965 Ende alle die wyle datsi dus reden, So sal ic iu secgen voert, ter steden. Van der koninginnen riddren,die nuqua- In den foreest, daer si vernamen** [men** Enen sconen plein**; daer beeten sv *ande de *ludc *wel *veren •sint •getrecket ^tyu ' * 'zolen **buscbc **ritlcr dre **si'beden **we **ko- •ore 'broder '"wen **ten tyden **i8 **tyde **zegc j ninch **her *'keyen **zeget ''dede **ir8ten **sole gy **dren ^'wete gy *'we *"hulpc **Agrenade gy **quemen, vernemen **pla©n. 357 31970 Ombe hem daer iet te tastene * by. Doe zeide Gkilescins: » gave* God mede. Dat heer Gawy n ende sine broeder ter stede Hier waren*, so soudewy vareo sien Die Semien'\ Dodinas zeide mettien , 31975 Daer te vaerne en waer niet goet , Want daer menech pas tuscen stoet, Dat herde quaet te wanderne waer^. Bindien* datsi spraken daer, Qaamen* die ridder van der Tafelronden 31980 Ende ontlicsenden^ van wapenen tien ston- Ombedat mense niut kennen soude; [den, Ende Sagrimor vragede also houde Sinen gesellen, ochtsise kenden iet, Ende si antworden, neen si, niet. 31985 Doe zeide thant Aggravadein* : >lc sie drie* ridder op genen plein, Daer my leet af waer* nu , Behieldensi haer orse, secgic ia*\ Doe zeide Moriaval tier neren 31990 Hi zonder een met hem vaereu; Enter koninginnen ridder saten^* op daer Ende setten* ' haer helme op* * daernaer , Ende reden enwecb, want sine wouden' * Negeen quaet doet nieman'* iet, [niet 31995 Hine begondes an hem ierstwerf dan; Entie van der Tafelronden riepen hem an : » Aldus en suldy** ons niet ontiyden, Otj moet ember joesteren nu ten tyden , Ocht'* gy moet iu perde ons geven, 32000 Dus moechdy keren , behouden iu leven". »Hoe", zeide Sagrimor, vsjdy* 'rovers dan, Dat gy ons aldus spreket an? Ie wane** noch tan, dat gy des niet vele Te** beter 80ut**hebben, dat gy in desen [spele 32005 Op ons snit winnen". »So boet iu mede, Want wy ontsecgen iu bier** vrede". Dit zeiden die ridder van der Tafelronden. Doe reet dene opten* * andren tien* * ston- Ende braken** haer glavien mede; [den, 32010 Doe worden daer neder gesteken ter stede Die ridder alle drie van der Tafelronden; Enter koninginnen ridder beeten tien ston- Ende gingen vechten op hem te voet; [den. Mcht to restene *geve 'weren ^weer ^binnendeu *qaeinen ^litseden; ^wg. dugiscdoj theira armts "Ag- 1 a gradein 'se dre *®8eten op er ors **satten "op dat hovet * 'molden '^neman **zolegy *»off *'8yn gy ^'wenc »*de «•solt »»hyr "«op den »»ten>*bre- Dns stredcnsi op hem met groten o vermoet 32015 Van primetijt toter** nonen toe; Enter koninginnen ridder wonnen doe Dat velt opten andren** daernaer; Ende en waer*' niet gekomen daer HeerYwen,ende8inege8ellen,tien*stonden, 32020 Die ridder van der Tafelronden Waren** daer doet bleven ter stede. Heer Ywen ende Keye ende Griflet mede Sagen** die van der Tafelronden nu So sere tonder**, secgic iu, 32025 Datsi niet en konde geduren. Doe riep mijnheer Ywen tier uren: »De8 es gonoech, ie komo hare** Ombe borge te werden". Doesachdaer- Sagrimor ende kende Ywene saen; [nare* * 32030 Doe zeide hi: »here, sonder waen, Ie soude meer dor iulaten, God weet!" Doe beete manheer Ywen gereet Ende scietse** daer, ende scout* ^ se seer, Ende zeide: »gy doet iu selven groet onneer, 32035 Dat gy dese dinc** nu doet". »Hoe", zeide Sagrimor, »dochteiu goet, Dat wy hem onse orse laten nemen ? Dat ne moete** God nember getemen. Dat wy ons sullen" laten roven, 32040 Daer wy dat ember keren* * mogen,[komen Ende hoe soudewy** vorieman dorren** Ocht** men ons onse orse hadde genomen? Oec** soude** hi oevele dorren verweren Sgns gesellcn, diene soude scereu, 32045 Die sjjns selves niet weren en dorste !" Doe zeide Heer Ywen sonder vorste: >By Gode, here, sine dadent ingerefel- [hede". » Wie sgn si dan ?" zeide Galescins mede ; »Dat sijn die ridder van der Tafelronden", 32050 Doe nande hi sealle drie tien stonden. » By Gode", zeide Griflet, » so dadensi quaet Ende onhovencheit ende overdaet; Want si ons wel kenden openbaer, Ende wy hem niet, wetet vorwaer, 32055 Wantsi ontlicsent** waren** nu". »Laet varen dese tale. biddic iu", Zeide heer Ywen , »ende sit op ter vaert, ken ■•to den "'op den andern "^wecr * 'weren ■•segen ••to under **her •*darnaer "sciedese **8colt '•dinge **uJote ''solen ' 'scieren * 'wo soide- wy * 'doren **ok '■ontlicsct. 358 Ende laet ons varen te hovewaert'\ Doe Baten 'si alle op tien* stonden, 32Ö60 Entie* ridder van der Tafelronden Waren* 8e daer Mijnheer Ywen, ende zeide daernaer: 1^2065 »I)at wafi ene fine gechede, Datsi hadden begonnen ter st^jde**! ' >Laet varen", zeide Keye tien* stonden, > Een anderwerf sullen die van derTafelron- Varen wreken thera gereet". [den 32070 Doe loechen* si alle, God weet. Dus voeren*si te Logres in die stat Entie* gewonde ridder voeren* nadat In haer hcrl)erge ende ontwapenden hem Ende daden hem te gemake naer, [daer, 32075 Wantsi hadden des wol te doene nu; Ende dander voeren* te hove , secgic iu , Daer si den koninck entie koninginne I vonden Ende Merl{jn, staende noch tien stonden, Enten* koninck Uan, die ombe die saken 32080 Vor den veinst ren* stonden ende spraken Tegen Merlyne, ende van menegen dingen; Entie ses ridder, diu gingen Hem ontwapenen daernaer; Ende doesi ontwapent waren daer, 32085 Quam* heer Ywein vor den koninck Ende vor die koninginne, na die dinc, F^ntie koninginne vragede hem, twaren, Hoe*' in den bosce nu waer** gevaren? »Vrouwe*\ zeide hi, »ic salt secgen iu''; 32090 Doe telde hi datjvor den drien ' * koningen nu Ende vor Merlyne, hoe hi daer vant Drie** tegen drie** vechtende thant**. Ende** zeide hoese Keye bescermde daer. Doe loechensi alle sere daernaer; — 32095 Want die koninck Artur waserredes**. »Wety** waerombe dese onminne es?" Zeide Merlijn toten koninge doe; »Neen ic'\ zeide hi. »Ic secget ia alsoe, Waerombe datsi komen es nu; 32100 Dat es van nyde, secgic in, Ombeddt denen beter willen* ' sjn mede *8elpn *tcn *unde de, den * weren ^lacligeden •voren 'gewonden 'venstre 'so quam *"wo **wcpr • *dreD. dfi • *daer te hant '*do segede hc **In 't Eng. uitvoeriger: (Mcrs) lowen thtrat fa4te iuoitgh ,hut sonuf thei leJUt the wordet, for ihei saugh tha kiwfpen- Dan dander; om dese nydichede Proeven* 'si hem, wet vorwaer**. Doe vragedensi onder hem daernaer, 32105 Welc die beste waer ter stede Van al der koninginnen riddren** mede. Die koninginne zeide, dat syn al haer rid- [der ter stonden , Want die ridder van der Tafelronden Rrachte>*i met haer in dat lant. 32110 Doe zeide die koninck Ban te haDt: kDie beste ridder dat es Gawijn, Hi es goet te kennen ^jn'\ Doe zeidensi alle dat waer** waer. Die koninck Artur zeide daernaer, 32115 Tierst** dat Gawynquame** in dat lant Hi zoudene geselle maken thant Metten heren van der Tafelronden. Meriyn zeide ; »gy snit beiden ten stonden Dat die Sennen verdreven sullen** wesen". 32120 Doe lieten si hare tale van desen Ende gingen eten , ende na slapen ; Entes andren dages sende knapen Die koninck Artur al sgn lant daer** Ende dade gebieden terselver ner**, 32125 Al diegene die wapene mochten dragen Dat«i thant na dien dagen Quanieu** in den plein van Salesbieie; Dus daden die boden die boetscap sciere In al dat lant, wyde ende syde. 32130 Ende binnen de^n selven tyden**, Leide Merlyn die drie koninge Toten drien riddren** die daer niewelin- Gewondet lagen in der stat, [ge*' Ende doer^i daer quamen nadat, 32135 Scout* 'se diekoiinck Artur sere, secgic in, Ombe haer doerheit, die si daden nu. Si zeiden, sine kondens hem onthouden** Ende hoe dat toequam dit verdriet; [niet, Entie wyle , datsi dat deden , 32140 En kondensy hem nietgehoeden ter steden. Doe sende die koninck ombe sme meesier* * Die zeiden doe, datsise daernaer [daer. Binnen achte dagen sullen** genesen; Doe beval hise te Gode na desen 32145 Ende hiet, datsi hem volgeden tien* tyden, nf and dohmt ^'wcte gy **wilt '•proven '•rittcra '•to ïrat **queme **xolen **dur, ur *^qaemen **tyde *'dren ritters *'neuwiuge **8choU **onlhol- den *• mesters. 359 Ten iersten datsi mochten ryden. Dns sciet* die koninck van hem, ende qnam In die* sale » daer hi vernam Vele ridder, die fijerne hadden nii 32150 Enen tornoy gemaket, secgic iu, Ombedat heer Gawyn daer niet en was ; Si hadden gerne gewroken, syt seker das, Haer gesellen, die gequetset waren. Doe zeide die koninginne daernare*, 32155 Dat nembermeer en sal gescien* Datsi ondertnscen sullen* nadien Tomieren* dene tegen den andren nu; »By der trouwen^, die ie ben* sculdechiu, Ende mynen* here den koninck mede*\ 32160 Zeiden die ridder doe*" ter stede, So wondensi dat nu laten voertan, Sint dat haer leet waer dan. Daerna geboet die koninck, sonder waen, Hem allen, datsi hem bereiden saen, 22165 Want hi wil varen sciere Ten pleinewaert** van Salesbiere. Doe bereidensi hem alle metter vaert . Entesandrendagestrocken* "siderwaert* *, Entie koninck Artur entie koninginne met, 32170 Entie koninck Ban ende Ryn broeder, dat Entie ridder van der Tafelronden, [wet. Ende al dander* ^ ridder ter stonden Yolgeden hem, ende reden te samen, So lange datsi te Salesbiere quamen. 32175 Daer sloegensi haer getelt alle sciere By ener herde sconer** riviere; Ende Eeye hadde dat groete teken bracht Dat al wit was an enen scacht, Ende een roet cruce daerin mede, 32180 Enten drake daeronder ter stede; Also woudet** Merl^n, syt seker das. Doe die koninck Artur gelogiert** was, Quamen** hem liede** in allen smnen toe Entie nyemaer**, dje ember alsoe 32185 Vor den manne lopet, wyde ende syde , Si quam onder die Sennen ou ten tyden; Die spiere* *, die zeiden, dat die Bcrtoene* * Te Salesbiere waren* *, groet ende smal, [al Ende menech ander prince mede; 32190 Maer sine wisten niet gerede 'sciede *den *darnaren *ge8chcen •zolen *tomiren *truwe "biu *myii "do s. d. r. ' ']»lauewert ' *trec- kedea *'hart **andeni **8conen **wolde dat **ge- **lude **iiyemeer ** speer» **bri« Waerhenen** datsi wonden varen, [nare Die koninck Hargodabrant * * ontboet daer- Die negentien koninge vor hem nadat. Die Clarence hadden belegen, die stat**, 32195 Ende zeide, dat hi hadde vernomen Dat die Kerstene* ^ waren gekomen In den plein van Salesbiere, ende datsy Hem diiden gaderen, »ende daerby So es goet . dat wy ons wachten ,' 32200 Beide by dagen ende by nachten, Datsy op ons niet en komen nadien, Wy ne syn daertegen wel vorsien; Ende als men metten onsen vorder vaert, Datsi dan varen so wel bewaert. 32205 Ende oec met so menegen man, Datsi nieman ontsien** daeran". An desen raet hieldensi hem daer, Ende elc voer tsinen tenten naer**, Ende geboden horen lieden na desen, 322 1 Datsi nach tende dach gereet souden wesen Tegen haer viande, ochtsi iet quamen**. Datsi bereit waren te samen ; Ende dit dadensi weten den Sennen thant Werwaert datsi lagen** in dat lant, 32215 Ende ontbodense, datsi quamen daer; Entie vor Windeberes lagen, vorwaer, Ontbodensi alle, wyde ende syde, Datsi tot hem quamen** tien tyden, Ende si dadent. Dus quamenre daer 32220 Vor Clarence sovele daernaer, Datsi vyf mylen, in dien dagen. Alle ombe die stat lanc lagen. Nu swiget dit boec van desen, Ende sal iu van den Eerstenen lesen. Hoe (Ue Pr ineen* ^ alle vergaderden** te Sales- biere^ ende hoe die vrede gemaket wart tuscen den Pr ineen** enten koninek Artur. 32225 Daventure secht** hier nu sciere Dat in den plein te Salesbiere Alle die princen vergaderen nu. Dierste** daeraf, dat secgic ia. Dat was dhertoge (Escan, wetic, tune losiert ^ *qaeinen ••Godebrant "stad *'uegRotcen ^'ueiuan outseen **damaer ••legen •Worsten ••vergadderden **8egct •^dc ir»te. * 'weren '^waer hen 860 32230 Die hertoge was) van Cambenic*, Die daer bmchte negenduKent man, Wel" gewapent ende vrome daeran ; Daerna quum Tradeliant Van Cornuale al te bant, 32235 Ende bracbte elve' dusent mandoen^; Daerna quam die koninek Clarioen* Met acbte dusent man, ende by Bracbte ene witte baniere daerby En een roet cmce daer ter stede , 32240 Ende so daden alle dandren* mede, Ende bi logierde by den koninek daer Van den bondert riddrcu*, wet vorwaer ; Daerna quam die konïnck Beliant Met tiendusent riddren^ te bant ; [stonden. 82245 Daer (na) quam die koninckCarado8,tien* Die gesel Ie was van der Tafelronden, Maer sint dat die twist ierst began , En woude hi niet komen onder Artars man; Hi bracbte tiendusent man na des; 32250 Doe quam die koninek Brangores, Die daer quam om Onsen Here, [kere, Ombedat bi den Heidenen woude doen Ende bracbte met bem tien'dusent man ; Doe quam Minoras daeran , 32255 Des koninges diossate van Driende, Dien die koninek Lac daer sende, Ombedat perdoen te beiagen, boe dat gaet. Dat wtgegeven badde die legaet Van Godesbalven overal in dlant*^, 32260 Ende hi bracbte met bem, sy in bekant, Sevendusent man, die vrome waren; Dacma quam koninek Pelles drossate geva- Met sesdusent man, die bi daer, [ren Ombe den wille*' Godes sende**; ende [naer* ■ 32265 Quam koninek Pellinors drossate met, Dien die koninek sende, dat wet, Met sesdnsent man, om üod vorwaer. Doe qnam des koninek Aleins drossate daer Met sesdusent man, die bi ter stede 32270 Sende ombo God; doe quam mede Gala&t der Gigantinncn sone , Van den verren eilande was diegone, Hi bracbte ombe Gode tien •dusent man ; 'Eng. the first prince was the duke Esram of C. *wal 'elven *do 'Clarion 'de andereu 'ritters 'ten •tyn ''dat lant * 'willen '*8andc **damacr '*den '^quemen "weren '^elcolas "ik dat "drosaat Daerna quam saen Agigner an , 32275 Die Clamadens drossate was. Met vijfdueent man, sjjt seker das; Ende doe dese ses prinsen alle waren Gelogiert, die ombe Godequamen** ge va^ Doe gingen die tien baroene [ren, 32280 Telken princen , na desen doene, Ende festierdense ende dankeden bem sere, Datsi daer komen waren, ende oec mere Ombe baer lant te belpen verweren. Ende doe komen waren** al dese heren, 32285 Doe quam die koninek Cleolas**, Met sevendusent man, s^jt seker das; Daerna quam dbertoge Bel las. Met sevendusent man, als iet** las; Doe quam daerna Marganores, 32290 Die des koninges drossaet' •van Sorelois es. Met sevendusent man; ende alle dese Quamen** ombe Gode, daer ie af lese. Doe quam Merljjn tArture**, den koninek, Ende zeidc tot bem, na dese dinc: 32295 »Nu, besie, koninek Artur, edel ende vry, Wat God bier gedacn bevet doer dy, Die iu gesant bevet ter stede , Ombe iu te belpene entieEerstenhede**, So scoen soccoers**; te recbt suldy 32300 Hem danken ende loven, waer datay**. Die koninek antwoerde, alse wy dat weten: »God'\ zeido bi, » en bevet niet vergeten Sgns sondaers*', dat segnt wel anmy: Vor ende na, waer dat oec sy, 32305 Hevet Hy by my gestaen in scyn, Des moete Hy dusentvout*^ gedanket syn, Ende nocb sal Hy by my staen, Des gelovic vaste, sonder waen, Want ie my altemale in Sine genade 32310 Sette van allen dingen, vro ende spade, Ende bydien**, dat Hybeboude** mede Myne siele ende licbame, telker stede". Merlyn zeido : »den gueden gelove, diengy Altoes bebbet, sal iu staen by, 32315 Ende ie radiu, dat gy ember"'mere, In uwen gelove** voert vast blivet, here, Ende dat sal iu overal doen verwynnen". »Merlyn'\ zeide bi, >dat moete God kin- [nen»^ **to Artur **nndc de cristenhedc **halpc **8yn sonders ■*dusentvoU **by deme **beholde •'omhe * ■geloven ■•kennen. 361 Dat ie Gode nembermeer af en ga 32320 Hoe dat met my met anxte sta". »Here'\ zeide doe echtMerlJjn, »numoety BesieDf in wat manieren dat gy Dese princen, die hier sjjn komen, Hoe* gy dese nu sult begomen". 32325 Die koninck zeide: »ic8al werken byiu, Want sonder uwen raet, dat wetet nu, En* soudic des wel niet kunnen bestaen". »Here", zeide Merlijn, »gy sult nugaen Ten groten heren, die hier ter stede 32330 Comen syn', ende danken *" hem mede Van den groten troeste, dat sy iu Bracht hebben; endo sonderlinge danket nu Dengenen , die iu man niet en s^n ; Ende God en dade nie'\ zeide Merlyn, 32335 Negenen prince* so vele eren met , Die ie in die werlt quam , dat wet , Dat hi 80 vele goede liede hadde mede, Alse hier vergadert* sjjn ter stede; No nember^meer en komet daerna nu 32340 So menech' goet man , secgic iu , In desen plein*, no hier omtrint, Dan alse doet sal slaen dat kiut Den vader, entie** vader tkint mede; Ende dat sal syn op dese selve stede, 32345 Ende dan sal dlant van Bertaniën al [smal, Sonder haer ende hem bliven , groet ende Ende nembermeer en wert* * die scade ver- . Ende opten selven dach oec voert [stoert. Sullen alle by scope in rouwe verkeren, 32350 Dat en sal syn geen wonder, daer die heren Ende so menech edel baroen Horen inde sullen doen; Ende ie seeget iu oec, syt seker das, Dat nie*" so grote bat-alie en w^s 32355 Alse dese sal syn nu ter stede''. Doe die koninck dit hoerde mede. Dat die vader tkint doet sonde slaen Ende tkint den vader, doe dachte hi saen, Op dese dine, ende wart verseert 32360 Hierombe ende sere verveert , Ombedat dlant (sonder) oer solde meer Bliven voert, ende sonder heer. Doe bat hi Merlyne vriendelic** saen, 'zege *8o en 'sint ^danket *princcn 'vergaddert 'noch uomber 'manich *plaeu *"unde de **i*irt ' *ne **vrendelyc **he dat •*luparde; doch zie 't Eng. iAe lyon uncrowned **dre *'unde de * 'ge- Dat hi hem dese dinc dade verstaen 32365 Claerlyo, want hijt** gerne wiste nu. Merlijn zeide: »here, ie seeget iu: Iu ne staet des te weten nembermeer Dan van den libarde* *, daer ie af zeide eer. Die sonder crone sal wesen, 32370 Ende met hem sal bringen na desen Drie** lewen, entie*' derde en sal Niet gecroent sijn, ende daer al Sullen die drie** doet slaen, ter stede Dat quade geslachte* * van Logres mede ; 32375 Niet** meer en vraget my", zeide hi doe, »Maer vaert"* ten barenen voert alsoe Als ie iu gesecht hebbe". » Gerne^zeide hy ; Doe sat hi op ende nam hem by Den koninck Bohort enten** koninck Ban, 32380 Ende Sagrimor ende Keyen voertan, Ende Ywene den groten ende Gaheries, Ende Galescins ende Garies; Met desen* * voer** die koninck Artur nu Van tenten te** tenten, secgic iu, 32385 Ende dankede eiken prince* nadas Sonderlinge , dat hi daer komen was. Ende al die wile, dat Artur dit dede, Sal ie iu secgen voert, ter stede, Van den koninck Lot, die hadde nu 32390 Die princen vergadert, als ie zeide iu; Ende als die princen komen waren Te Salesbiere, synsi daernare** In des koninck Lottes tenten komen mede, Ende vergaderden daer alle ter stede; 32395 Daer dade** dene den andien feeste groet. Doe gingen daer sitten die genoet Op ene coetse, rike ende diere**; Doe si daer saten in der manieren Ende spraken daerna saen, 32400 Quam Merlijn onder hem gegaen; Ende alsine sagen** stondcnsi op aldaer, Ende hietene wellekomen** daernaer; Hi dankedes hem pnde zeide t^r stede: »God, die overal macht hevet mede, 32405 Moet^** hier geven sine macht nu** Die Sennen te verdriven onder iu, Die iu hier groten scade doen". »By God", zeiden die baroen. slechte ** nicht *''mcrvart * *undc den ** dessen **vor '*to **darnarcn ^'dcde *'dure **8cgen * •wille- kome *"mot4? **hier nu. 46 862 »Dio scade es groet nu van desen'\ 32410 »Ende hi sonde Doch nieerre wesen, En dade dat' scone soccoers* mede. Dat ons God gesent hovet ter stede, Van goeden lieden", die hier sijn komen Ombe Onsen Hero, hebbic vernomen; :^2415 Des z^dj^ hem scnidech te danken nu'\ Zeide Merlijn, >oec secgie ia Dat gy onder in een groet orloge Inden* snit met uwen vermogen Ja, opdat wy alle waren*, ter stede, 32420 Van ener partie, die hier sjjn mede, Ende anders salt oevele vorwaert gaen ; Ende ene goede sake waert, sonder waen. Ons allen , dat die vrede ter ure Gemaket waer' tuscen in ende Arture, 32425 Die onser aller here oec es*, Wy Roudens te* meer ontsien dordes'\ Doe sprac daertoe die koninck Lot: »Gy heren", zeidi, »a1so helpemy God, Merlfjn hevet wel gesecht** opcnbaer, 32480 Want in eerlyc die vrede waer In Gode enter" " werlt mede, Ende nembermeer in gener stede En accordeerdy also eerlyc, secgic iu". Die koninck Üriens verhief** hem nu 32435 Van erren"* moede, ende zeide daerby : »Hoe Duvel, heer koninck, wat segdy**? Wy hebben enen vrede gegeven , Thent** dat die Sennen syn verdreven, Ende al si verdreven waren** vortan 32440 Soudewy doen dat ons goet dochte' ^ dan, Ende gy snit ons met andren dingen Met uwer talen hiertoe bringenV Overmyddes my en doe ie des twint, Ie en weet niet wat dander sullen doen [omtrint, 32445 Maer dadensi dat, ie sonde secgen daerna- Datsi alle monedech** waren gy heren, icsecgetin. Die bolgenscap en waer* * niet goet na*\ 32455 Ende al die wile dutsi spraken Op ende ceder van desen saken, Quam die koninck Artur entie* * koninck Entie koninck Bohort ter tenten an, [Ban Daer die prinsen metten koninck Lot wa- 32460 Entie koninck Lot spranc op, twaren, [ren; Doe hi den koninck Artur sach daer , Ende zeide : »gy heren, siet hier vorwaer Minen here, den koninck Artuer**". Doe sprongensi alle op ter uer**, 32465 Ombedat hi koninck was, maer** wet Dat hi se eer alle gegroet* * hadde met Eer si daer op waren gestacn , Ende zeide herde vriendelike** saen: » Wellekomen* 'moeto**de8egesel8cap we- 32470 Ende si antwoerden alle na desen , [sen !" Dat hem God moeste lonen mede**. Doe gingensi alle sitten ter stede. Ende daer dankede hem die koninck seer* *, Datsi daer komen waren nu meer 32475 Ombe s^jnre veden wille, dordat sy Die Sennen verdriven sullen daerby, »Die groten scade hebben gedaen Der Kerstenheit* * ; nu laet ons saen Tenen inde** trecken ende gereiden". 32480 » Here",zeidedie koninckLot sonder beiden, >Daer laet Merline gewerden mede, Hi sal ons wysen ende wegen ter stede , Dat hi ons hetet** nullewy doen". Doe volgedens** alle die baroen , 32485 Ende loedent** op Merline daer**; Doe scieden die princen daernaer, Entie* * koninck voer te synre tenten doe, Entie** princen geleiden hem alle doe Te synre tenten, ende keerden dan". 32490 Entie** koninck Artur entie** koninck Ban, Entie** koninck Bohort ende Guwein, Ende Merlyn ende heer Iwein Gingen** tenen rade nu staen; Doe zeide Merlyn tot hem saen : 32495 »Gy heren", sprac hi, »ic aecget ia, Dat heer, dat hier komen en nu, Hevet wel rastens** te doene ; 'desse "helpc *gaeden luden *8in fiy ^endeu 'we- i like *'willekomc '•mote "Eng. tkat Ood gev4 Jüh ren ^waer 'is 'solden de **geze^t **unde der goode avtnturt *• Artur ' * Cristenheit ■■ende ■■hiet ^■verhoeff **tornigen '*zecge gy **wen *'duchte "damaren **meenedich ''en ■'weer ■■onde de ■■Artur, ur ■*nier ■•gegrotet ■•vrende- * 'weren , ■*v. des •* loden ■•alle daer ''do kierden xc van dan sa 8in sa restens. 3G3 Nu laet rasten dese baroene Twe dage, ende en maendage vroe* 32500 SuUewy trecken te Clarence toe*, Want daer al die Sennen 8ijn*,8|jt gewes", Die lagen* vor der stat te Windeberes, Entie diegene hadden gesconBert, Si souden dander* onlange geviert 32505 Hebben , sine souden syn gevloen* ; Nu sal iet den' princen weten doen, Datsi en manendage alle syn bereet''\ Hieran hieldensi hem doe, God weet, Ende alle dese wile* sagen* 'si komen sciere 32510 Heren** Gawyns knape Ëlisiere, Des koninck Pelles sone, ende zeide** Tote mynen here Gawine, sonder beiden * ": »Here'\ zeide hi, duu biddic iu, Dat gy myn gelof doet nu, 32515 Dat was alsic iu bade*' die sake**. Dat gy my ridder zoudet** maken. Want ie soude geme proeven** roy Op dese*' Sennen myne ridderscap** vry; Want ie en werde nember ridder, sy iu be- 32520 Gyne maket my ridder metterhant".[kant, Doen Heer Gawyn dit hevet verstaen, Zeide hi tot synen knape sacn: vLieve vrient**, ie salt geme doen nu. Want gy syt des wel wuert*", secgiciu. 32525 Doe makedine** des anderen dages ridder Met groter ere**, wet vorwaer; [daer Entie koninck'* dade hem ere, lude ende Dor synre groter geboert wille [stille, Daer hi af was komen ; oec hadde ge^eit 32530 Heer Gawyn van synre groter vromecheit, Die hi hadde gedaen vordas. Des dages doen hi ridder wordeu was, Dadene Artur ten etene sitten dan Tuscen hem enten koninck Ban, 32535 Daer wel gcdient was met feesten nu. Des andren dages quam Merlyn, secgic iu, Toten koninge, ende zeide hemnaer'^, Dat hi hem thant gereide daer Alse morgen te vaerne**, »ende hoedet iu 32540 Dat gy dat nieman*' laet weten nu, Waer gy varen sult; oec suldy, "vro, to "sint 'gewis * legen *anden) *£ng. al- leen: for thei that noere ai the tiege of Valdetbery be ther alle assemhled 'ik dat de 'bereit •wille "•aagen '*hern *"zegede, bede "bede ^^saken * 'desse * ■ritterscap * 'vrent * 'wal * * groten eren * ■ k . Artur * * dar- »*golden * •proven weert **m he ene Waer ie vor vare , volgen my , Ende ie sal den princen gaen secgen mede, Datsi hem gereiden ter stede*', [wille 32545 Die koninck zeide: » Merlyn, doet al uwen Van al onsen dingen, lude ende stille'' ; Ende Merlyn es ten princen gegaen, Ende dade" hem dese dinc verstaen. Die hem wapenden des morgens vroe**; 32550 Ende elc prince, die daer was doe**, Dadi*^ ene witte baniere*® voeren daer Ende een roet cruce daerin, vorwaer; Ende doesi alle bereit waren, Sat Merlyn op enen loifere**, twaren , 32555 Die hoge was, ende voerde mede Des koninck Arturs baniere ter stede, Ende reet vor al dat heer daer, Ende al die heren volgeden naer**, Ende reet aldus te Clarencewaert , 32560 So hi best konde in der** vaert, Dat die koninck Hargodabrant [thant; Met twiutech koningen belegert hevet Ende hi hadde gesent sine voederaren** Optie** twintech mile, twaren, 32565 Alombe, die dlant** sere roveden nu; Ende ene partie was komen, secgic iu, Vor den casteel van Garlot dordas, Dattie*' beste casteel nu was, Dien die koninck Ventres hadde doe; 82570 Ende vor desen casteel waren komen alsoe Vier koninge metten Sennen daer**, Die vele liede** hadden vorwaer. Die groten roef hadden gerovet; Entie** van binnen, des gelovet, 32575 Waren* * wtgetogen (tot) hem ter stede* *, Ombc den roef te bescuddene mede; Daer blever in beiden syden vele doet, Maer int inde** moesten, dordienoet. Die van Garlot den roef laten 32580 Enten** castelewaert vlien utermaten : Ende doe belagen* *si den casteel ter stat, Entie vier koninge swoeren dat, Datsi neni bermeer en doen keer, Sine hebben den casteel gewonnen eer. 32585 Doe die koninginne dat gesach, naer ■•to vame **neman *'dcdc **vro, do **dc ■•enen witten banier; Eng. atid made the baners f o be bore all white "Eng. gratf courser **em na ■•de ** voderaren ••op de ••datlant "dat de ■•do * 'lude **undc de ** weren **Eng. for thei were come on te to hem ••dat ende ••ande den * 'belegen. 364 32605 Dat men den casteel aldus belach , [stede Haddesi groten anxte^ ende vragede ter Den drossate, wat si daer doen roochte [mede ; Doe was ha er* raet, clatsi onder hem [beden* 32590 Des nachtes nten cast^jle souden sceden* Ende tenen poertekon ryden, ter vaert, Dat daer ginc ter rivierenwaert , Ende souden op een ander hues varen, Dat daer in sea mylen stont nare* 32595 Dat men ten Bescudde hiet doe ; Ombedat daer Vertegier* bescut was soe Van der doet, so hiet hi also nu. Die vrouwe ende haer drossate, secgic iu, Entie twe knape sonder meer, in scyne, 32000 Voeren wt* enen poertekine; Maer die Sennen hadden daer Spieres geset', wetet vorwaer, Ombe den casteel, telker stede; Daer wart die vrouwe gevaen* mede, Entie* drossate geslagen doet ; Ende elc knape daer ontscoet Sere gewont, ende quamen gevloen Op dat heer, dat Merlyn geleide doen Ende doe die knape die baniere sagen' ° Entie* rode cruce daerin gewagen**, Wisten si wel dat Kerstene waren, Ende reden koenlic tot hem diiemare , Ende dreven groten rouwe daer. Doe reet Merljjn an hem daernaer; 32015 Doe hi den rouwe hoerde alsoe, Vragede hi, wat hem ware doe? Doe telden8i,hoe die koninginDe, ter stede, Van Garlot gevaen* es, ende mede Haer drossate geslagen doet, 32620 Ende van den rove, die was groet, Dien die Sennen hadden , sonder waon, » Welken wech varensi ? secget my saen !" vHere al ter** brucgen van der kautsi- [den** toe". Merlyu riep met lader stemme doe: 32025 »Volgetmy, want sine sullen , secgiciu. Die koninginae niet en wech ?oeren nu" ; Ende hi sloech sinen loifre met sporen Ende reet wat hi mochte, voren, 32610 Ende heer Gawyn volgede hem vaste an, 32630 Ende Elisier, entie* koninek Ban Ende koninek Bohort ; ende elc hadde daer Sine batalie met hem, ende daernaer Hedensi so sere, dattti, «ondtT waen, Den roef nu verhaelden «aen , 32035 Die vierdusent Sennen geleiden ter stede. Doe bat Elisier Gawine ene bede, Ende zeide: *here, ie bidde iu, Dat gy my dierste joeste* *gevet nu, [wa»»". Want ie en street sint niet dat ie ridder 32040 Heer Gawein zeide al hichgende nadas : »By Gode, ie wilt geme doen"; Mettien** sloech wt'* die baroen, Ende riep optie* ^ Sennen : »gy , laet hier Den roef, al waerdy** noch al so fier!" 32045 Dit hoerde Diolos, ende reet op hem daer. Dat syn speer brac daernaer, Ende Elisier stac dengenen alsoe. Dat hi ter aerden doet viel** doe, Ende syn speer brac , ende hi nam tswaert, 32050 Ende sloech koninek Hrandons drossate ter Opten helm, dat hine doe [vaert Clovede toten» scouderen** toe. Doe zeide heer Gawyn tot Merlgn: »Onse nuwe** ridder hevet in scyn 32055 Wel** begonnen!*' — »Gy secget waer", Zeide Merlyn, »hi salt noch hiernaer Bet doen dan hi nu hevet gedaen". Doe creieerde Merlyn syn teken saen; Doe sloech heer Gawyn in ter stede 32000 Ende al syn geselscap mede; Daer sloegen* *si menegenSenne** doet, Ende si moesten** laten, dor die noet, Horen** roef, ende gingen vlien, twaren, Te Garlotwaert, daer dander waren. 32005 Daer vor lach die koninek Pignores Ende Pincenas ende Maglores, Ende Brames; dese vier koninge mede Daden den casteel stormen, ter stede, Met groter cracht**, alse die verbolgen [waren ■'. 32070 Doe sagensi komen gevloen, twaren**, Die Sennen; doe lieten si daer Dat stormen, wetet vorwaer, Ende reden jegen diegene die** quamen *augest *er 'leiden, sceidcn *naren *Utegier 1 * 'op de *'wereg)' **vel *®8Coldcren •*neuwe ■*wtl •voren ut 'gesat •gevangen 'unde de '"segen **ge- wegen *'tQ der * 'knntsiden ' *jostc **niitden '•ut •*8logen, mosten **Seynen '•oren ••crafft "weren '•van veren **de dar. 365 Ongebatalgiert altsamen \ 32675 £nde alsi sagen dat volc mede, Dat Merlyn brachte geleit ter stede, Had hem wonder, wanen* komen mochte AIso vele volkes , als hi daer brochte ; Ënde si vergaderden in hem daemaer, 32680 Want si oec vele liede' hadden daer. Ende heer Gawyn entie koninck Ban Ende koninck Bohort ende Elisier daeran Ontfingense herde fierlyc* nu; Daer wart die strjjt groet, secgic iu , 32685 Ende Merl^jn voer van ringe te ringe, Ende riep : » vaert hem toe sonderlinge !" Ende doe die str^t alremeest was, Doe riep die koninck Pigooras [daer, Veertich man van sinen besten riddren* 32690 Datsi die koningiane namen* daemaer Van Garlot, ende voerdense te hant Toten koninck üargodabrant , Die vor den stat van Clarence was. Dese' namen* die koninginne nadas, 32695 Ende voerdense te Clarencewaert ; Entie* koninck Pignores, mettervaert, In den str^t al sloech daer neder Wat vor hem qnam, voert ende weder, Ende dade den Eerstenen* scade groet. 32700 Doe heer Gawyn dit sach al bloet, Zeide hi tot hem selven saen: »Levede dese lange, sonder waen Hi Eoude ons groten scade doen hier'\ Dat hi dit zeide, hoerde Elisier, 32705 Die geme altoes by Gawine was, Hi borte in ende verhief* nadas Sjjn swaert met beiden handen doe; Doe sloech hi Pignores alsoe. Dor den helm , ende dor die coifie mede, 32710 Dat*' hine clovede, daer ter stede, Toten tanden toe. Doe zeide Merlyn: > Diegene hevet vrede gegeven in scijn*'. Dit zeide hi tot heren Gawine doe; Heer Gkiwyn zeide: )»my dunket** alsoe, 32715 God ende Onse Vrouwe moet ons mede Desen geselle** behoeden** ter stede!" Doe sloech hi indie Sennendaemare**, Die ombe horen here droevech ** waren; 'alto samen * wannen dat 'lade *fyrlic •ritters * nemen 'desse *ande de 'Gristenen *'verhoeflf em '*sodat ^'donket ^'gesellen **behoden **damaren **drovich '*den "solde "werden **op den "oflf Entie koninck Ban sloech oéc nadas 32720 Doet den koninck Pincenas. Ende doe Merlgn sach, dat ondergingen Die Sennen, riep hi, na dien*^ dingen, Den koninck Ban ende Gawine scieie Ende Leoncen ende Elisiere, [gevaen 32725 Ende zeide, dat die koninginne voerden Veertich Sennen tClarencewaert saen, » Ende verliesewy se, dat zoude' * ons wesen Dickewerven** verweten na desen; Laet ons na hem nu varen mede; 32730 Vaste varet voer ter stede Wy volgen iu opten** voet gereet". Ende Merlyn , die dus vor nu reet , Hem volgeden hondert ridder goet. Op aventure ocht" hem enech gemoet 32735 Comen mochte van Sennen bander* "syden. Al die wile datsi dus henen ryden, Waren** die Sennen, die voerden nu Die koninginne van Garlot, secgic iu. Wel twe mylen van den heer* * komen, 32740 Ende hebben enen sconen bosc* * vernomen, Daer ene scone fonteine stont Onder enen lauwerboem al ront; [daer, Daer voerensi ombe hem te verkoelne** Ende setten die koninginne af naer*' 32745 Van den paerde opten borne** ter stede; Ende si riep ende weende sere mede Eude makede den roeesten rouwe, Dien ie mochte maken ene vrouwe, Ende nieman** en konde haer* * getroes- [ten twint, 32750 Ende si riep : »koninck Ventres* *!"omtrint »Hier scedet** die grote minne nu. Die tuscen my es ende iu, Ende en mene iu nembermeer sien!" Doe viel** si in ommacht mettien; 32755 Ende alsi** weder bekomen was, Trac** si haer** haer ende wranc nadas Haer bande so ontfermlike** mede, Dat den ridder ontfermede** ter stede Van dén rouwe*' die si dreef nu. 32760 Bindien** es komen, secgic iu. Heer Gawyn ende hoert desen** rouwe, Ende zeide : »gy heren, gy laet die Vrouwe! **op ander •*so weren **her **bu8ch ■•verkolene * ^damaer * 'bronnen * *neman * 'er • * neutret • *8cie- '*vel ■*al8e xe ••treckede **obtfarmelike, ont- det farmede *'ronwen "binnenden **dese. 366 Maer wildy* nu varen uwer strateu Ombedat iii leet scynt utermaten 32765 Haer verdriet, so willewy iu Onbestreden laten varen nu, Ende tlyf* laten ontdragen* na desen, Opdat gyse met ons laet nu wesen*'. Pigoores drossato zeide, Margondes, 32770 Dat hem dit die beste raat es, Dat mense bem geve sonder stryden. Dander* zeiden te dien* tyden , Si souden daer eer alle blyven doet, Eer sise bem gaven* clene ocht^ groet. 32775 »Gy eultse geven", zeide Gawyn doe, «Ondankes iu alle!'' ende eloecb in alsoe Ende trac* sgn swaert, ende gaf daer Den iersten* enen slach so swaer. Dat hem tbovet af viel mede. 32780 Doe liepen hem die Sennen op, ter stede, Maer si en hadden negeen* ® doen daeran, Haerre** en was maer** veertich tegen [hondert man; Dus blevensi daer scier alle doet Sonder Margondes, hi ontscoet 32785 Ende barch hem in enen hage daer; Ende heer Gawyn ende sine genellen naer * ' Gingen ter koninginnen ende troesten se [sere. Die Vrouwe zeide doe: » wie zjjdy * •,here?'" •Vrouwe", zeide hi, »ic ben Gawgn", [na datgone, 32790 »Iu neve, des koninck Lottes sone , Ende dit ander es die koninck Ban, Ende dit s|jn** onse gesellen voertan". Doe was die Vrouwe berde blyde, Ende dankede hem sere tien tyden**, 32795 Datsise verloest hadden daer; Si saten** op een rosside daemaer, Ende voeren met haer also, ter vaert. Wat si konden ten herewaert*^, Dat die Kerstene gesconOert hadden nu, 32800 Ende quamen** vliende, secgic iu, [mede. Op h^ren** Gawyne ende sine gesellen Ende sine konden gevlien te gener stede, Sine moesten'* ember op hem komen; Dier* * was v^fdusent, hebbic vernomen ; *wil gy *dat lijf •ondragen *dc andern *to den * geven 'off 'treckede •irsten *'geen * *er *■ **damaer **we zin gy **ten tydc **8atten wart *'qaemen **hem ••mostcn **der "'ded. ''ge- kiert '«stoltelike '*mo8te '«ritterlike ''dat dat mer »'her. 32805 Maer Brangores, die koninck. sgt seker des, Dickewile" ouibe gekeert" na es, Ende weerde hem herde stoutelike*^ daer; Want wie dat hem quam so naer Dat hine gerakede metten swaerde, 32810 Hi moeste'* besoeken daer die aerde; Ende als heer Gawyn dit sach mede. Dat hi ridderlike'* vacht ter stede, Doe dachte hi dat*' een edel man sy, Een koninck ochte** een hertoge vry. 32815 So reet hi themwaert, ende sprac doe Herde hovesclike den koninge toe: > Heer ridder", zeide hi, »gy syt vroemende Zydy ' 'hertoge ocht koninges 8oen'*?[koen, »By mgnre wet", zeide Brangores, 32820 » Ie ben koninck van Sassen , syt seker des, Als van ere partien, ende neve met Des koninck, Hargodabrant, dat wet, Dat die rikeste es, die men weet, Entie'* machtigeste oec gereet**. 32825 Doe antworde heer Gawein ter stede; oDat scynt" wel an uwer yromechede. Dat gy van edelen geslachte ayt; Maer waerdy" Kersten" nu ter tgt, Dat waer vrome al te groet; 32830 Ende ie secge dat geme, ombedat iu doet Verlenget waer'^; want iu doet my leet [es'*". »Gy spreket my wonder'*, zei deBrangores, » Ie waer' * vry ' ' liever doet, dan ie waer' * Een Kersten "man nu voert naer'"". 32835 >Daertoe suldy'* thant komen", zeide [Gawein doe, Ende hi trac^* syn swaert alsoe, Ende sloech hem dat hovet af daemaer. Doe die Sennen sagen^*, dat daer Haer here doet was, doe waren sy 32840 Alle sere gesconfiert daerby, Ende pynden hem sere te werene nu, Maer en verstout hem niet, secgic iu. Want die Kerstene*' jagedense overal Ende sloegense doet, groet ende smal. 32845 Des dankeden die Kerstene Onsen Here; Daema quam Gawein , die sere Gevochten hadde, entie koninck Ban »«, '•koninch off ''sin gy »*unde de **8cint --wcre gy "cristen ■*weer **i^ '•een woert; doch lie *t£iig. *T, of that thow spekeêi have I merveUe * ' my "xoltdy *»treckede ^ 'tegen **Criatenen. as noieer 367 Ënde MerliJD, ende presenteerden voertan Den koninck Ventres* Rjjn wjjf ter stede, 32850 Ende telden hem hoe" aise besendden medeJ Des was die koninek Venter* blide ; Ende dat heer reet doe ten tyden* Te* Clarencewaert wat si konden. Hier swiget dit boec , ten stonden , 32855 Van den koninek Artur ter stede nu, Ende sal van Margondes secgen iu, Die onder den hage verborgen lach, Alsic hier vor dade gewach. Van Margondes y ende hoe die koninek Artur alle die Sennen sconjiert. Nu secget daventure voert: 32860 Doe Margondes hevet gehoert, Dat hy, Gawein, enwech was Ende sine gesellen, sat* hy nadas Op sjjn ors ende reet te Clarencewaert, Ende doen hi daer quam, reet hi ter vaert 32865 Tote Hargodabrande, ende zeide daernare* Dat die voederare' gesconfiert waren, Die lagen* te Garlot, ende some doet. Doe die koninek dit verstoet. Was hi serech ende rouwech des. 32870 Doe spranc op die koninek Gondofiles Ende sprac: »here, willic varen besien* Wat daer es? — Ende binnendien Quam gereden Simarus mede, Die hem zeide, aldaer ter stede, 32875 Dat die voedercr** gesconfiert waren Entie vier koninge doet, twaren*'; Doe wart Hargodabrant erre** das. Dat hi welna verwoedet was, Ënde hi viel** in oramacht mede 32880 Ombe die vier koninge, daer ter stede, Wantsi sine naeste*^ muge waren; Ende doen hi verkomeu was daernare', Zeidi** toten koninek Gondofiles, Dat hise wreken voere** nades. 32885 Hi zeide, dit woude hi vangen an, Ende nam met hem vyftichdusent man , Ende makede daeraf batalien nu, In eiker batalie tien*'dusent, secgiciu: *neatre8, neater *wo 'tyde *to *8ath •damaren 'voderare ■legen •bcseen ^"voderes ** waren **so erre **?el **nae8ten **zegedehe '•vore *^tijn **de irste **do * •koninge ■*broder *»ende ontmote Die koninek Salibruen ende Margoen 32890 Leiden dierste** batalie doen**; Dhertoge Lavoer entie koninek Orbores Leiden dander batalie nades; Die koninek Grangolis ende Meliadus, Die koninek**, leiden die derde aldus; 32895 Die vierde leide die koninek Brandol^n, Entie drossate Malaqujjn ; Entie vjjfte leide Gondofiles, Ende sijn broeder**, syt seker des; Dese v\jf scaren voeren mettervaert 32900 Den rechten wech te Garlotwaert, Thent hem ontmoete* *dat heer* 'dat Mer- Tegen hem brachte geleit in scjju, [lyn By ener scoenre praierien; Daerhadde Merlyn gevisiert sine partien* * 32905 In se ven te delen** oec daernaer: Daer beval hi dierste scaer Den koninek Venter* 'enten** hertoge Es- En ten** koninge* * Tradeliant, [cant, Met dertich dusent mannen mede; 32910 Dander scaer geleide ter stede Die koninek Lot entie koninek Ban Entie koninek Bohort , ende oec daeran Die koninek metten C. riddren. God weet, Met dertichdusent man gereet; 32915 Galescins leide die derde, dat wet, 'Ende syn drossate Galescinans met, Ende oec die koninek Albas Ende dhertoge Belias; Dese hadden dertichdusent man; 32920 Die koninek Clarioen quam daeran Metter vierder scaren al; Daer was mede die koninek Nabunal Ende oec die koninek Belinan; Dese hadden dertichdusent man. 32925 Die vgfte leide te dien tyden** Cleodalis, die drossate van Carmelide, Entie koninek Carados mede , Met dertichdusent man** ter stede. Die seste leide Aginegeros daer, 32930 Des koninek Clamadens drossate vorwaer, Ende koninek Pelles drossate daerby; Dertichdusent man** hadden sy. [des, Heer Gawyn ende sine broeder**, syt seker hem; doch zie HEng. : fill theimette *'her **8conre * •pertien **to deilen *'neutre **iinde de '•koninch "•ritters '^ten tyde **raannen **manne **broder. 368 Ectie koninck Brangores, ! 32935 Entie koninck LacB drossate, ten stonden, , Entie heren van der Tafelronden Waren* metten koninck Artner* In sire* batalie , die men ter uer* Niet hadde mog^en tellen nu, 32940 So roenich* was daerin, secgic in. Die «even scaren* gemoeten* vorwaer Die Sennen iegen hem komende daer; Ende als die koninck Salebrnen sach Die Kerstene 'jsloech hi daerin,wat hi mach. 32945 Ende dhertoge Escant quam daer iegen Met siner batalien vreeslyc* gedregen ; Daer wart van slagen groet gedane, Wat heipet dat iet roakede lanc? Die Kerstene ^ gingen hem so vreeslyc ane 32950 Ocht'sise genomen hadden doet te slane, Ja, datter van vgftichdusent mede Maer sevenduscnt bleef ter stede; Maer si hadden hem vcrcocht also, Dat des menech Kersten wart*" onvro, 32955 Ende mcnege*' vrouwe gemaket mede Weduwe*", ende oec wesen ter stede, Die onberaden bleven nades. [les Ende doe dhertoge entie koninck Gondofi- Sagen** dat haer liede** waren doet, 32960 Voeren* *8i te zeewaert, dor die noet, Die daer in twe mylen na was. Doe die koninck Artur gewaer wart das Volgedi hem met al sinen heer, Dat hi daer hadde, tot op dat meer, 32965 Daer diegene twe galeyen** vonden, Die hem vi talie brachten tien ' ^ stonden; Daer sgn die Sennen ingegaen, Maer eer si daerin quamen**, sonder waen. Wasser** menech geslagen doet 32970 Ende verdroncken, in der noet; Want die scepe voeren van daer. Si ne dorsten niet beiden vorwaer, Ende voeren**, daer se daventure geleide, Diese wonderlyc hier verspreide**. 32975 Ende doensi aldus nu waren ontreden, Keerde** die koninck Artur ter steden , Daer die str^t hadde gewesen. In enen plein sloegensi na desen *weren *Artur, ur 'sine *manich *8care •gemo- ten 'Cristeuen "vreslich •off **waert '^maneger **weduwen "segen **lude **waren **galeyden * 'ten "quemen **wa8 dar **vorbereidc * 'kierde **vro. Haer tenten ende daden hem te gemake, 32980 Ende aten ende dronken, na die sake, Ende rasten hem tote des morgens vroe'" ; Doestondensiopende wapenden hem doe**, Ende voeren** gereet te Clarencewaert. So lange voerensi in der** vaert, 32985 Datsi haer tenten sagen** ter ure; Doe zeide Merlgn toten koninck Arture**: »Here, heden es die dach komen, Daer een inde af wert** genomen: Ocht* al gewonnen ocht* al verloren. 32990 Laet sien, hoe suldy*' uwen toren Wreken optiegene die iu Menegen scade** hebben gedaen vornu; Heden sal men sien daeran Wie** met speren gesteken kan, 32995 Ende wie met swaerden kan houwen; Men sal heden wel scouwen Wie hier goet ridder sal wesen; Daerombe biddic iu alle na desen, Dat gy iu so proevet ter stede, 33000 Dat tgoede** lant van Logres mede Sine ere niet en verliese daerby". Ende gemeenlic alle gelo?eden sy" Datsi des haer** macht souden doen« Merlyn zeide doe vor al die baroen: 33005 »Ons sal goet gescieu noch heden** Maer ie wil, dat gy nu ter steden**" Zeidi tot al den baronen naer**, >Dat gy my hier gelovet openbaer , Entie** koninck Artur te voren mede, 33010 Wat ie wille, te doene*' ter stede". Si zeiden , si wouden dat geme doen ; Daer gaf hem syn trouwe elc baroen Entie** koninck Artur, dat elc soude Doen wat hi gebode ende woude. 33015 Doe zeide Merlgn: » dit es die dachinscyn, Dat dlant** van Bertanien**gede8trueert God en helpe ons, Onse Here ! [sal syn, Ende onse viande en werden nembermere Verdreven, gy ne hebbet gemaket ter ure 33020 Gerechte soene**jegen den koninck Ar- Ende tes* * oec myn geloef van iu, [ture* *, Dat gy soene** iegen hem maket nu'\ Doe dit verstonden die baroene do * •voren **de ** Artur **wirt **8olegy **8cade **we '"da. g. »*do sy «"er '*hude ■*»tedc »*dar- naer ^'unde de; Eng. th^ hf^^ Arttmr finU of alle »»to done •*dat l **britanien **8one **dit is. 369 Was sulc blyde van desen doene , 33025 Ende sulken wasset* leet ; maer nochtan Ilieldensi s^'n geloef daeran, Ende versoenden* alle ter stede, Ende worden Arturs man oec mede, Ende ontfingen hner' lant daemaer; 33030 Doe was grote blyscap daer. Doe dit gedaen was, doe redensi Te Clarencewaert , dat stont daerby, Daer nu die Sennen stormden sere*, Entie* van binnen setten hem ter were*; 33035 Daer waren* xl dusent man. Merlijn was nu komen daeran Met s)jnre banieren in die Sennen doe^; Hi dade hem in vier syden riden toe', Ende dade die tenten al slaen daer neder 33040 Overal in den heer*, voert ende weder. Entie* Sennen , die nu vor der stat waren, Ende hieraf niet en wisten, twaren, Si hoerden dit gerechte* ter stede Ende haer* tenten vallen mede; 33045 Doe wordensi verscricket saen, Ende lieten haer stormen staen, Ende liepen derwaert met groter gere* *, Ende riepen hiier teken** alle sere**; Daer began die strgt sterc ende stout**, 33050 Daer vergaderde met groter gewout** Dene in den andren naer; Si braken hare spere daer, Doe gingensi houwen metten swaerden**; Daer wart menech* * geslagen ter aerden* * 33055 Daer bleef menech* * doet, sjjt seker das, Ende tegen enen Kersten* *, die daer was , So waren* daer vier Sennen, God weet; Nieman** en quam , daer men street Also vreeslyc, als men daer dede; 33060 Daer wart afgesteken ter stede Menech Kersten*' in der noet; Daer bleef oec menech Senne doet, Ende oec man ende paert dorhouwen ; Des was Hargodabran** in groten rouwe, 33065 Ende nam een sterc speer in die hant, Ende reet op Cleoles te hant, Den koninck, die stout* * ende koene was, Die tegen hem oec reet nadas; *wa8 dat *ver8onden 'er *8eer, wer *unde de •weren 'do, to 'her •geruchte ***ger, seer * Heiken '* stolt, gewolt **sweerden, eerden **manich * •Gris- tenen ^•neman * 'Gristen '•her Godcbrant **breken ••vellen **dat de ••legen ••gercddet ■•unde der Daer stac elc opten andren alsoc , 33070 Dat haer speer braken** doe, Ende si sockeerden metten lichamen, Datsi ter aerden vielen** tsamen Metten orsen; doe blevensi daer Lange liegende, wet vorwaer, 33075 Dattie** orse op hem lagen** nu; Oec waren* si in om macht , secgic iu. Doe wart groet die batalie mede Ombe te bescuddene dheren bede; Ende als die Sennen vergaderden daer, 33080 Entie Kerstene** mede daernaer, Daer wart hermonteert* 'Hargodabrant**; Maer dusent Sennen, s^ iu bekant, Worden eer geslagen doet. Enter** Kerstene** hondert, in der noet, 33085 Eer si Cleoles hermontecrden** mede. Die sinen arm brac ter stede, Daer hi van den orse viel** ter stat; Sine liede*' waren* droevech** ombe dat, Ende voerdene uten heer daemaer. 33090 Doe bat hi sinen drossate** daer, Dat hi met sinen lieden maer** [waer**, Int** heer rede ende haer leidesman Dus redensi int* * heer den drossate volgen, Ombe haren here** seer verbolgen, 33095 Wantsi braken** doen in den hoep, Ende si sloegen enen koninck doet; Si wraken** so anxtelic** horen** here, Dat mense daerombe pr^sde sere. Die strijt wart groet ende sorgelyc, 331 00 Entie Kerstene* * dadent so wel* * sekerlyc, Dat men daer ember*' af spreken sal. Ende Merlyn, die dese batalie al Troeste, ende voer hier ende daer, Hy** zeide: »gy heren, nuesopenbaer 33105 Die dach, daert al gelecget an; Nu sal men sien, wie** vrome es dan". Ende als die ridder Merlyne horen, Dade** hem elc nu daer te voren, Ende gingen slaen daer vreeslikeslage; 33110 Ende als die van der stat dit sagen, Datsi getroestet worden nu , Trocken**si alle wt**, secgic iu, Ende sloegen** iu die Sennen naer'*. ** geredde ••vel •'lude ■•drovich ••drossateu ••meer, weer •*in dat "'eren heren ••wreken •*en- gestl^yc ••oren ••wal •'omber ••unde ^'we **dedc * * t rcckeden * • ut * • slogen * * darnaer . 47 37(» Endo wnichton wonder met wapene daar; 33115 Maer si vonden die Sennen van groter [weer*, Ënde sloegen* doet menegen Eersten heer, Ëndc sine hadden niet mogen duren. En hadden die princen gedaen ter uren, | Die 80 vrome waren* mede, 38120 Ëndc 80 vreeslike slage sloegen* ter stede, Datse nieman en^ mochte ontstaen. Ende Mcrl^n stokedese alle saen Overal, ende lietse niet geduren; Hi hadde een hout* ter uren 33125 In der haut, ende reet metten orsc, Ende dorbrac altenen* die porse, Ënde riep so lude, dat ment tier* uer Horen mochte alt heer duer*: » Heden, gy heren, es* die dach, 33130 Dat hem elc ridder proeven** mach, Wat hi nu waerdich mach wesen'*. Doen** die ridder hoerden van desen, Ginc daer iegelyc** togen** sinecracht. Maer so wie*' dat daer wel vacht, 83135 Die koninck Artur dadet** noch also wel ; Want sine slage waren so fel, Dat hi man ende ors mede Overmiddes clovede daer ter stede, [den, Ënde heer Gawyn entie* * van der Tafelron- 33140 Entie* * nu we ridder* ' oec tien* * stonden, Ende alle die barone dadent soe. Dat hem die Sennen niet meer doe En konden geweren, ende gingen vlien. Daer bleven doetgeslagen mettien 33145 Alle die koninge , die daer waren , Met Hargodabrande' *, sonder vive,twaren. Dat was Oriens en Franxabres Ende Toruicans ende Trapixes Dammirael, eude Trebehan; Ende Hargodabran** met dertichdusent Dese vloen gescon6ert ende mat [man, Ende quamen** optie** zee nadat, Daer haer scepe stonden vorwaer, Entie** Kerstene** iagedensc tote daer 33155 Ende hieldense so kort opter** zee j Datsi die helchte** versloegen ende mee , ' Sonder*^ dat daer verdranc, secgic iu, 33150 *wer *8logen * weren *neman •holt (Ier •dore 'so is * althenen 'to ** tonen Eersi gescepen kooden nu; Ende doesi gescepet waren daer, 33160 Voerensi met rouwe enwech naer Ombe haer groet verlies**, sonder waen, Datsi in den stride hadden ontfiEten. Na Bwiget dit boec van desen, Ende sal van den koninck Artur ieeen, 33165 Ende van den princen oec ter stede, Die daer waren ten stride mede. Van den koninck Ban ende van den koninck Dohorty ende hoe** Hestor getoonnen tcart. Dhistorie seghet: doe die Seynen Verdreven waren uten pleine**. Dat Artur logierde nadaa 33170 Opten plein**, daer die strgt was, Entie barone alle mede; Doe dadé die koninck Artur, ter stede, Den baronen tgoet delen** naer, Datai gewonnen hadden daer, 33175 Dat** des hem selven niet es bleven; Ende doent** al enwech was gegeven, Redensi met blyscapen in die stat. Daer rastensi hem vfjf dage nadat, Entes** sesten dagcs sciedensi daer, 38180 Ende elc prince voer tsinen lande naer, Ende scieden van Artur met groter eren, Ende daer bleven dander** heren. Die koninck Ban entie koninck Bohoert Entie koninck Lot also voert. 33185 Heer Gawgn entie van der Tafelronden Reden metten koninck Artur, tien stonden, Te Carmelot, daer si waren ontfaen Met groter feesten, sonder waen. Van der koninginnen Jenovren , agt seker 33190 Ende van al den volke dat daer was. [das, Doe quam Merljjn ten koninck Artoer : »Here", zeidi, »gy hebbet nu ter uer Iu lant geanvert van den Sennen quaet, Ende iu lant es in vrede , dat verstoet, 33195 God zys gelovet hondertfout*^, Gyne dorret ontsien kracht no gewout**. Des moechdy** wel laten varen dan Den koninck Bohort enten** koninck Ban **helfte **onder **verlue8 **wo **pleynen **plta[i >*dat8 deilen *»sotiat '*do dat *«ande des **de 'proven **dodit **ielich , __ '*we **dede dat '*undc de *'newe ritters ^'tcn . anderen '^hondertfolt ■*Kewolt **moge gy *^uiide ' 'heren Godebrande *®qQemen *'op de ** Gristenen den. 371 Tbaren* lande waert, als gy datgebiet, 33200 Wantsi ne quamen* in langen tjden daer [niet, Ende si en sagen haer w^f noch kinder mede Lange niet*; oec hebbensi ter stede Enen quaden feilen viant, Die geme ve)*derven sonde haer* lant, 33205 Dat es die koninck Clandes es hem gevee, Ende si moeten lyden nu die zee Ende sullen waemementharen' lande^\ Die koninck Artur sprac te hande : >Meriyn, mochtet* wesen, dheren vry 33210 Bleven my liever hier met my Dan si enwech voeren* ; want , dat wet , Nieman* en mochtet verdrieten met* Yan suiker geselscap thebbene nu". Merlgn zeide: >here, dat secgic iu, 33215 Dat moet ember aldus wesen'\ Dus sciedensi van den koninge mettesen, Ende namen* orlof ende voeren* van daer, Ende Merljjn, diese minde vorwaer, Voer met hem ende geleidese alsoe. 33220 Ende opten iersten'* aventgevieP^ hem Datsi tenen castele quamen* ter uren [doe, Die besloten was met sterken^* muren, Die dick waren", ende faerde hoe^*; Daer stonden inne drie' * sterke torre* *doe 33225 Ende wel gehordiert al ombe, vorwaer; Entie gracht was vol water daer, Die ombe den casteel ginc ter tgt, Ende wel hondert voete oec wfjt; Ende daer ginc ombe een maras 33230 Herde diep, dat twe mylen lanc was; Ende nieman* mochte ten castele komen Dan tenen wege, hebbic vernomen, Die 80 smal was ende so enge, Datter maer*' twe sonderlenge 33235 Neven een in konden geryden; Die wech was gemaket, tien tyden, Ter** stat met stenen, ende ter** stat Met groten planken, ende onder dat Liep (een) groet water, dat men daer 33240 Niet over (en) mochte ryden, vorwaer**, Hadde men die planken afgedaen; Daer liep een groet water , sonder waen, *to eren 'qaemen 'nicht *er 'mochte dat *Toren ^neman *med *neinen ' ^op den irsten '* gevel' 'star- ken '* weren **ho, do "die **toeme **mer **to zolker '*wet v. '*grone, aoone "plane "andede Maer dat en droech gene scepe ter stede ; Ende an den voete van den wege mede 33245 Stont een p^nboem, herde groen**, In enen pleine**, groet ende scoen**; Entie** p|jnboem was wgt ende breet. Dat daer** onder hadden gereet Wel** hondert geseten, in ware dinc; 33250 Ende een yvoren hoem hinc An enen telge van den pyne, Met enen ketene** sylverine; [wesen, Entie** joesteren ocht** geherberget wilt Hi moet dat hoern blasen ombedesen. 33255 Entie koninck Ban entie koninckBohoert* ^ Ende Merljjn, die quamen voert, Ende haer geselscap, tot an den p^jn, Ende besagen dat hoem fijn. Doe zeide daer die koninck Ban: 33260 »tEn es** sonder sake niet, wetetdan. Dat dit hoem hanget hier". Si sagen den casteel, die was fier** Ende sterc ende sere goot in scyne; Doe vrageden die twe koninge Merlyne 33265 Ocht** hi iet wiste, hoe dat heet nu? Merlyn zeide: >hi heet'*, secgic iu, Die casteel van den marasse, ende es Eens herde* * vromen ridders, sgt gewes**, Ende heet Agravadein", die swarte man". 33270 >By Oode", zeide doe die koninck Ban, > Van Agravadein'* hebbic dicke gehoert; Hi mach wel s^n van groten accoert. Die so scone herberge hout" mede; Ie woude' * wy geherberget waren ter stede, 33275 Opdat den heren lief waer'^ alsoe". Merlgn zeide: » daer komewy wel toe**, Maer engeen vremt* * ridder mach daer ko- üi en hebbe dat hoem ierst genomen [men, Ende geblasen". — »So willic dat dan 33280 Blasen", zeide die koninck Ban, » Opdat g^t** radet", zeidi te Merlyne. »Daer le^et iu an engene pyne, Nocht oec angest", zeide Merl^jn doe. Die koninck Ban zeide nu daertoe: 33285 »Nu licgo daeran dat mach mede*', Ie sal dat hoem blasen ter stede". Doe nam dat hoern daer die here, "80 dat daer wal '*wal "ketenen "off "bohort »*dit en is **^jr '*hiet '^harden "gewis "Agra- nadem '^Aggrandidan "holt "wolde '^wecr "also • «wal to *'?Tomet; Ing. êtraunge * *gy dat * 'ter stede. 372 1 1 Ënde blies dat so lude endo bo sere, Dat ment in den casteel hoerde doe; 33290 Ende anderwerven blies hi alsoe, Ende derdewerven oec daemaer; Want die casteel was verre van daer. Dit hadde onwaert* Aggravadine, Dat hi 80 haestelic blies in scine, 33295 Ende heescede* aine wapene saen , Ende wapende hem, sonder waen, Ende es toten pyne gereden, Daer die koninge hielden ter steden, Ende vragede van verre' wie* si waren. 33300 Die koninck Ban zeide daernare: »Wy syn ridder* ende bidden iu, Ocht gy ons herbergen moget nu, Ende waert* iu lief, wy souden gerne mede Onse paerde wateren' hier ter stede". 33305 > Wanen* zjjdy*?'* zeide doen Aggravad^jn: >Wy sjjn*' zeide doe Merlijn >Som van Gaules, dat men hout Van den koninck Artur metgewout**". »By Gode , gy hebbet enen goeden here", [zeide hy, 333 10» Ende enen den stoutsten * ' koninck daerby Die nu levet ende oec es mjjn heer, Ende om sinen wille sallic iu nu meer Goede herberge doen". »Ende fijn Danc hebbet, here", zeide Merlijn. 33315 Doe keerde** Aggravadein ter stede, Ende biet, datsi hem volgeden mede. Daer leidise tote den casteel toe, Daer si voer heetten alsoe , Ende hi nam die koninge by derhant, 33320 Ende leidese in ene camer thant, Daer si hem ontwapenden saen. Ende al die wile quamen daer gegaen Drie * * scone joncfrouwen, daer dene af was Agravadeinu dochter, syt seker das, 33325 Ende dander* • waren sine nichten* ' mede; Elke brachte enen mantel ter stede, Scarlaken gevoedei-t*' met herminen, Ende si gaven horen heren den sinen, Ende eiken koninge enen daeran. 33330 Doe merkede sere die koninck Ban Die joncfrouwen , die scone waren , * onweert 'eyscede 'veren *we •ritters 'weert 'weteren 'wannen 'zint gy *''8in **holt **gewolt; Eng. i^ei holde theirc londes of God and of kynge ArthuT * 'stoitestcn ** kierde **dre ^ 'de andern "niflFten *"gevodert * •merkede he *'heb er **nu [ Maer boven dandren merkedi * * daernare Aggravadeins dochter, wantsi was Die scoenste verre, sgt seker das; 33335 Ende Merlyn besachse sere doe, Endesi behagede hem so wel daertoe, Dat hi zeide: >en dade Nimiane, Daer ie minen sin gelecht hebbe ane, Ie soudese minnen boven alle wyf, 33340 Ende ie soude noch te nacht haer * " scone 1 Jf Handelen ende in mynen arm lecgen; Maer ie moet my*' selven wedersecgen Ombe die minne van myner vriendinnen**; Maer sint icseselve niet (en) mach minnen, 33345 Sal icse doen minnen den koninck Ban Ende sinen wille*' oec hebben daeran". Doe makedi** een espriment ter stede, Daer die koninck begonde minnen mede Entie joncfrouwe hem weder alsoe; 33350 Ende bindien** datsi daer stonden doe, Bekande Aggravadein die koninge bede ; Doe dadi** hem grote feeste mede, Ende hietse wellekomen** wesen; Dat eten was ber^et binnen desen, 33355 Ende men ginc etenin der** sale nadas. Die** wiJt ende groet ende scone was; Entie koninge namen'* haren waert doe, Ende settene tuscen hem alsoe, Ende syn wyf, die scone was, mede; 33360 Entie drie joncfrouwen dienden tersteocht* ie nu al naket 38385 In sinen arme lage! Ach, my! Wanen* quam my dese gedochte , owi! Dat ie optesen* gedinc* nu achte!" — Des lelde* si daer nu al haer gedachte An den koninck Ban, sonder waen; 33390 Ende dit hevet Merl^n al gedaen. Ende bander' *8yden oec die^ ^ koninck Ban Mindese weder, dat hi voertan En wiste, wat hem was gesciet: Hi sat ende dacht, ende en at niet, 33395 Hi was droevech** ende erre mede, Dat hi Bo minnen moeste ter stede Die ioncfrouwe, ende hi en wiste niet wi* * Hoe hi an minne nu komen sy; Hi hadde ene ionge scone vrouwe, 33400 Dier** hi gerne woude houden trouwe, Ende bander**8yden was hi wel ontfaen te [gader Ende geherberget metter ioncfrouwen va- Die hem grote ere hevet gedaen; [der, Ombe dit dochte* hem dat sere mesdaen, 33405 Ende oec dochtet hem grote quaethede, Sochte hi an haer dorperhede: » Niet meer onneren en konde ik hem gedoen Dan ie hem sine dochter ontspoen'* 1" — Dus vacht hi tegen hemselven daemaer, 33410 Ende zeide hi woude hem hoeden vor haer, Dat hire negene** dorperhede An soude steken; ende Merlyn zeide tWaer*' ombe niet sgn gedochte** nu, >Dat en sal niet gaen", zeide hi, »an iu, 33415 Wantet waer scade in allen sinnen, tKint**, dat hi an haer sal winnen, Bleve dat achter; want dat sal Dlant** van Bertanien verhogen al Met sijnre groter'* vromechede". 33420 Dit zeide Merl^jn tegen hemselven mede. ^op den ^dachte 'vil to ^enenden *off *wanneii ^desse gedank 'op dessen 'Icgede **op ander '*den ' *drovich "we **der '^onspoen ''he er gene ''dat weer "gcdanke »»datkint ««datlant * 'groten ' ••van dan •*manige. Doe die taefle waren opgedaen , Sgnsi ten vensteren gestaen Ombe wtwaert te siene, want daer scone Daema gingensi slapen scier nadas [was; 33425 By der salen in ene kamer geraket, Daer die ioncferen hadden •• twe bedde [gemaket , Scone ende rikelic gepariert mede; Daer gingen die twe koninge slapen, ter Entie waert* * ginc slapen saen, [stede. 33430 Entie ioncfrouwen sgn te bedde gegaen In ene camer, die stont alsoe. Dat men daer des waerts* * kamer ginc toe. Ende alsi dus (gaen) slapen waren, Begonde Merlgn sine coi^juracie, twaren, 33435 Ende dade alle , die daer waren, slapen Binder* • sale, ridder ende knapen, Sonder die koninc entie ioncfrouwe saen ; Dese waren met minnen so bevaen, Datsi slapen niet en konden; 33440 Ende Merlgn quam bindien** stonden In die camer daer die ioncfrouw * *inne was, Ende namse by der bant, ende zeide nadas: >Staet op, scone, ende gaet met my Toten genen die so begaert nu dy, 33445 Dat hy geduren niet en kan'\ Ende si spranc op ende dade doen** an Een hemede ende enen pelles diere**; Ende Merlyn leidese uter** kameren sciere Vor hoers** vaders bedde heen, ter stede, 33450 Ende vor der ander ridder** bedde mede; Maer hi dadese so vaste slapen, met allen, Al hadde men den torre* * ombe doen vallen, Sine hadden niet ontsprongen van desen, Aldus haddeae Merlgn belesen. 33455 Doe leidese voert Merl|jn dan'* In die camer daer lach die koninck Ban, Daer het berde clare in was. Doe zeide Merlgn tot hem nadas: »Siet dese ioncfrouwe, heer koninck Ban, 33460 Daer gy nu sult winnen an Enen sone, daeraf komen sal Menege** aventure, groet ende smal". Doe die koninck die ioncfrouwe sach saen, Ende Merlgn aldus hevet verstaen, ••ioncfroawen; Eng. wh^re the ma^denyt hadde made ••unde de weert •* weerdes "binnen ken ••joncfrow •'dede do **dure •■ut der ••ores •'ritters ••torn 374 33465 Nam hy die ioncfrouwe' by der hant, Ende leidese by hem al ie bant, Want hy ne konde dat ontsecgen niet, Hine wiste, wat hem was gesciet; Hadde hi gewetet wel in sinen sin, 33470 Hi en haddet gedaen ombe geen gewin; Ende Merl^jn ginc wter kameren daer, Entie ioncf rouwe dade wt* daemaer Horen pels ende hoer hemede mede, Ende hi namse in sinen arm ter stede, 33475 Ende si hem weder, ende helseden ende Als diegenen*, dien des wel luste*, [kusten Ja, ende also vrylike in sc^n, Alse ochtsi tien* jaer hadden gesyn Tsamene. Dus haddese Merlijn daer 33480 Begadet ende betovert, vorwaer; Dus lagen* si toten dage toe. Doe qoam Merl^jn weder alsoe Ende zeide, dat t|jt waer^ saen, Datsi weder op soude staen; 33485 Si nam haer hemede ende horen pels Ende dadet* an, si ne hadde niet els*; Doe nam die koninck een vingerl|jn, Ende gaf dat doen der ioncfrouwen fijn , Ende zeide, dat sijt hielde ter stede, 33490 Ende ombe syner vrientscap' * oec mede ; Si nam dat ende stact in haer hant, Ende Merlgn leidese in haer camer thant, Ende si ginc op haer bedde saen. Daer haddesi enen sone ontfaen, 33495 Daer sint Lancelot mede dreef nadas Grote feeste, ombedat hi was So goeden ridder, als dit boec sal Hier namaels secgen , groet ende smal. Ende alsi te'* bedde hadde geleit 33500 Die joncfrouw, ginc hi mede gereit Op sgn bedde, ende dade daemaer Al die toverie , die hi gedaen hevet daer, Ende doen ontsprongensi alle saen; Die dach was hoge opgegaen 83505 Entie*' knape stonden op ter vaert** Ende gingen trossen ende sadelen die [paert**, Ende Merlyn es ten koninck Ban gegaen, Die nu ter stede es opgestaen, Ende verkomen es van synre toverie, 'joncfrowe *ut 'dengenen ^wal lasten *off ze tjjn * legen ^weer *dede dat 'anders nicht als ^'vrenscap ''ftack dat >*als he to '*ande de ^^vart, pert 33500 Hem hadde groet wonder van sgnre vrye- Die hi des nachtes hadde gedreven ; [ne**, Syn groet wille, die hem was gegeven , Die was hem nu al vergaen; Ui dach te dat hem Merlgn hadde gedaen 33515 Ombe der ioncfrouwen wille, want hi en [wet niet, Hoe ' * dat toe quam, ocht hoe' * tes' ' ge- Doe die koningo op waren gestaen, [sciet. Quam die waert tot hem gegaen, Ende alle drie'* die ioncfrouwen mede , 33520 Ende groeten die koninge daer ter stede, Ende si dankeden hem weder daemaer; Entie koninck Ban sach op sine amie daer, Ende si op hem weder alsoe, Haer hovet nederwaert geslagen doe, 33525 Als die haer sere scamede das. Dat haer des nachtes gesciet was, Omdatsi sinen wille so geringe dede; En hadde gedaen die toverye mede, Sine hadde s|jns willen niet gedaen; 33530 Ende van dier uren voert, sonder waen. Minde sine meer dan ienegen man, Ende zeide iegen haer selve'* dan: >Sint my een koninck nam mgn ere, So en geraket my man nember**mere, 33535 Die sider es, dan hi. God weet; Endesi behielt wel horen eet; Want haer en genakede nie sint man. Doe namse vriendelic* ' die koninck Ban Metterhant, ende sprac daemare: 33540 » Joucfrou", zeide hi , >ic moet na varen , Ende waer ie ben* *, des hebdy verdient. Dat io in ridder ben** ende vrient**, Ende (iu) minnen sal m^n leven voertan ; Nu hoedet iu voert vor alle man, 33545 Ende denket op my , des biddic iu , Want gy hebbet een kint ontfaen nu, Daer gy af hebben sult* • blyscap ende ere, Want dit sal werden een groet here". Dit hadde hem Meriyn gesecht wale. 33550 Die ioncfrouwe antworde met bloder tale*\ Ende scaemde haer , ende zeide doe* * : >Here, sint dat my staet alsoe**, So moete** my God daer blyscap mede Geven dor Sine ontfermechedo '•vrye **wo "dat es ''dre **8clven *®nember *'vrcndelic *»bin **vTent »*iolen **do, also **mote. 375 33555 Meerre* dan ie hebbe te sceden* van in, Want 80 swaer minne en sciede nie eer nn ; Ende sint wj sceden moeten dan, Sal ie my troesten so ie beste kan, Ende God moete my troesten voertmeer. 33560 Ende es dat ie te IJve blyve, heer, Als ie van den kinde blyve dan, Sal' ie enen spiegel sien* voertan An dat kint in gedenenesso van iu**. Metter tale namse die koninek nu 33565 In sinen arm, al suehtende mede, Ende nam orlof an haer ter stede; Entie* twe koninge ende Merljjn Dankeden den waert' der herbergen fijn. Dat hise lieflyc hevet ontfaen. 33570 Dus seiedensi van daer nu saen, Ende reden so lange, onder hem tsamen. Datsi toter zee quamen; Daer scepedensi over ende voeren* mede. Doe redensi so lange daer ter stede , 33575 Datsi quamen* te Bonewie binnen, Daersi waren* ontfaen met minnen. Doe blevensi aehte dage onder hem daer ; Des negenden dagesquamMeriyndaemaer, Ende nam an die koninge oerlof, 33580 Ende an al die daer waren in den hof, Ende voer te siner lievenwaert ter stede , Die hem grote feeste nu dede, Want ele den anderen minde seer; Ende hy wgsde haer** nu noeh meer 33585 Ende leerde, dan hi iemanne dede. Dus bleef hi aehte dage daer ter stede, Doe seiet hi te hant van haer Ende voer te Blasise daemaer, Sinen meester* * , daer hi weikomen* * was; 33590 Ende Merl^'n telde hem nadas Al dat sint gesciet was, die dine, Sint hi lestwerf van hem gine; Ende Blasys settet*' in geserifb mede. Hier swiget dat boee van hem ter stede 33595 Ende van allegader*^ den gesellen, Ende ie sal iu nn voert tellen Van groten stryde, alsie versta, In den boeke**, dat komet hierna. *inerre *to scheiden 'so sal ^spegel zeen *mit der * andede 'weert •voren 'quemen, weren "er *' mes- ter **wilkome * 'zette dat '*alleg. al **boke **Car- melot "bohort * 'holden **kome **we '* se allen Hier begint dat boec van den koninek Artur ende van den koninek Rione^ ende van Merlyne mede. Hier seeht voert daventure 33600 Van den koninek Arture, Die nu laeh te Carmeloet**, Hi ende sgn w^f met blyseap groet: Doe die koninek Ban entie koninek Bo- Van hem seieden , als gy gehoert [hoert* ' 33605 Hebbet hiervoer wel horen lesen, Begonde te naken binnen desen Dat koninek Artur te houden** plach Hof op Onser Vrouwen dach. Doe zeide Gawyn, dat hi woude 33610 Dat hi hof houden'* soude; Doe zeide Artur, die koninek vry: »Nu willie dat hier komen** te my Al myne barone, des sgt vroet. Die lant van my houden** ende goet; 33615 Ie wil weten myne maeht, Ende wie* * onder my es ende op my aeht; Daerombe willie, dat ele'* ontboden sy Hi wone** verre oehte by, Ende dat ele syn wyf bringe mede 33620 Oeht* * sine amye , hier ter stede". Heer Grawyn zeide ; »nu behaechdy* * my, Dit komet wt enen goeden herte** vry; Nu biddic u, sint gy hebbet wille Dese dinge te doene, lude ende stille, 33625 Dat gy dat so angaet voertmere, Dat gy des hebbet** lof ende ere". »By Gode, neve", zeide die koninek, »Ic wil so begaden dese dine, Dat men daer ember* ^meer af sal spreken 33630 Totedat die werelt sal gebreken". Doe dade die koninek letteren** seriven, Ende en liet nieman** aehterbliven , Noch baroen noch ridder mede, Hi en ontbodene te komene ter stede, 33635 Also** lief alsi sine minne hadden nu, Ende sine vrientscap'* thebbene, secgiciu, Datsi in Onser Vrouwen dage tsamen In half Ogeste tsinen hove quamen Te Carmelot, ende ele in sinepartie** **8C wonen **off **behage gy * 'herten "hebben litteren ••neman '"alse "vrenscap "omber **pertie. %• 376 33640 Syn wgf brachte ocht' sine amye. j Entie boden reden doen* ovenil, Ënde daden haer bodeacap groetende smali Toten' princen enten* anderen heren, Die alle geloveden te komene met eren ; 33645 Doe gereide hem elc daemaer Alse ten hove te komene daer So si eerlicst mochten ende konden, Ende elc voerde 8\jn wjjf tien* stonden Met hem, die ene hadde ter stede, 33650 Ende die engene hadde , die voerde mede Sine amye; dus quam er so vele daer, Dattie* tiende deel, wet vorwaer, In die stat te Carmelot^ en konden Niet* geherbergen te dien stonden, 33655 Ënde moesten* haer tenten slaen mede In den plein, buten der stede"*; Entie koninck Artur entie koninginne Ontfingenso met herde groter minne, Ende gaven** hemgichte** mcnechfoude 33660 Beide van sylver ende van goude, Ende clcder ende sydene lakene geroet. Nadat elc waert** was. God weet. Ende in Onser Vrouwen avende, twaren, Doe die vesperen gesongen waren 33665 In Sente** Stevens kerke daerna sacn. Es men te hove eten gegaen Van der nonen, syt seker das, Ombedat Onser Vrouwen vastene was; Maer die koninginne entie hoge barone 33670 Aten** doen alle in haren** pavelonen, Ombcdatsi in die stat niet (en) konden [komen. Entie koninginne Jenovro hevet genomen Haer suster des koninck Lottes wyf ter Entes koninck üryens wyf mede, [stede, 33675 Entes koninck Ventres desgelyc; Dit waren Arturs suRter sekerlijc Van synre moeder*' halven, secgic in; Des koninck Bans wyf ginc mede nu Entes koninck Bohortes wyf van Gaunes, 33680 Ende hertoginnen ende gravinnes nades Ende vrouwen ende joncfrouwen mede. Hiermede ginc sitten in ene stede Die koninginne Jenovre, syt seker das, *off 'do *to dtn *unde ten *ten 'dat de 'Car- doel ■nicht •roosten * "steden ** geven * ^giffte >* weert **8unte **cten '■eren "moder *"meystro * 'weren *'greven **wal **tozolcken * 'holden deden Daer hem wel gedient was; 33685 Occ waren daer ten hove komen Alle die menestreel**, hebbic vernomen, Die daer wonende waren** in den ryke, Clene ende groet, arm ende ryke ; [ven"* Ende daer dienden oec hertogen ende gra- 33690 Die rike waren** van goede, van haven ; Dit was wel** recht ende sede, Dat te Rulken** hove , dat houden dede** Die koninck Artur , die so machtig was, Sulke liede** dienden ten hove dordas 33695 Ombe hem ere mede te doene* * ; Na den etene gingen die baroene** Ende corteden daer die tyt harentaer** Thent** men slapen ginc** daemaer. Des andren daechs doe si op waren gestaen, 33700 Die barone, syn** si gegaen Te messe'" in Sente** Stevens kerke, Daer hem hoechtyt songen papen ende Van Onder Vrouwen, ende daer was [clerke Dofïerande groet, syt seker das; 33705 Entie koninck Artur entie koninginne Droegen** kronc, oec waren daerinne Ses ende twintich croncn in der kerken nu. Onder koningen ende koninginnen, secgic Want die koninck Artur was daer [in, 33710 Self dertiende** van cronen vorwaer, Coningen die onder hem waren ter stede Sonder hertogen ende graven** mede, Ende ander barone menegerhande , • Die daer waren in allen landen**, 33715 Die men van Artur hielt vorwaer. Doe die messe was gesongen daer, Ginc die koninck Artur in sine** sael, Entie koninge altemael Volgeden hem entie koninginnen, 33720 Ende al gekroent als vorstinnen Met goudenen cronen herde diere**. Die tafelen waren bereit sciere** Entie koninck Artur es daertoe*' geseten, Ende twiielf koninge by hem vermeten, S'M2h Ende elc sine crone op dat hovet, Ende haer wijf mede, des gelovet; Ende elke koninginne voertan** Was geset by horen man; '*ludc '*done, baroiu' **hicr t-ude daer * 'went dat "•ginch ''sint '"raysse '*drogon * *druttetïnde "lande '*8inen **diire ''schire *^is darto **was v. 377 Entie hertoge entie graven^ vermeten 33730 Waren tener ander taflen geseten, Entie ander princen entie barono Moesten eten in den pavelone* ; Want daer waren* so vele heren nu, Dat mense niet gesetten konde, secgic iu. 33735 Daer makeden die menestrele* sovele Van horen* melodien , van horen spele, Dat men nie en hoerde desgelyke Op negenen* hove in ertryke. Ende doe Keye, die drosFate, brachte daer 33740 Dat ierste gerechte', sach men daernaer Waer vor die tafle quam gegaen Die scoenste forme, sonder waen, Die si ie sagen*, van man, Ende hadde* van samyte enen roe an, 33745 Ende een gordel daerop gegordet smal Van syden, mot goude^® beslagen al Ende met gesteenten * *■ , die claerheit geven Gelgc planeten an den trone verheven ; Ende sjn hovethaer* * was cresp* * ende [blont , 33750 Ende ene goudene ^^ crone daerop stont, Als (van) een koninek ; ende hi hadde ane Scharlakens koussen ' *ende van corduwane Twe witte scoe**, alombe ter stede Gebreemt' ' met goutboerden , ende mede 33755 Met gespen** van goude ^*n; Hi droech ene harpe silveqjn Van dieren'* gewerke, entie snaren Van gonde'* alle getogen waren, Ende daer stont an menech diere* ^ steen; 33760 Entie man so utermaten scone sceen, Dat men nie sach syns gelykes eer; Maer hi was blint , dat ontsettene seer ; Nochtan haddi dogen graw ende claer, Ende een wit hondekyn leidene daer 33765 Met ener corden van goude**, Daer diere** stene inne stonden menich- En dit hondek^jn brachtene na [foude**; Vor koninek Arturs tafle, secgic ia; Ende als hi daer was vorgestaen, 33770 Harpedehi enen rey daer saen In Bertoens**; dat lade so wale Dat hen allen dochte** in der** sale 'greven *paalone •weren ^mester *ere 'genen 'irsten gerichte 'segen *hi h. '<*golde * ^gesteende **liovet "crisp **goldene »»colt8en * *8co * ^gesteent * *gaspen » 'duren * 'manich dure * 'manichfolde • «bry- Dat eenrehande hemelse gelaet waer**; Ende al dat daer was, hoerde daernaer. 33775 Dus laticse na haer feeste driven, Ie sal daer iu hierna meer af scriven, Want ie moet nu, in desen doene**, Voert secgen van den koninek Rioene**. Hoe die koninek Rioen dat lant van Car- melide ipynnen woude*''. Daventure secget hier iu 33780 Van den koninek Rione nu , Doen hi quam in syn lant nadas Van Leodegan hi gesconfiert was, Daerne die koninek Artur verdreef**, Ende al sjjn volc verslagen** bleef; 33785 Doen hi thues quam, swoer hi daernaer, Dat hi nembermeer blyde en waer, Hine haddet*' gewroken op Leodegan; Doe sende hi sine letteren** voertan Tot allen dien, die onder hem hoeren** 33790 Entie wapene mochten voeren, Datsi quamen'* tot hem ter stede. Doe quamen** daer negen koninge mede, Ende al haer macht met snelre vaert; Daermede voer hi te Tomassewaert 33795 In dat lant van Carmelyde; Onderwegen namen si haer pryde, Ende beraden** ende roveden dat lant Ende Cleodales, die was valiant. Des koninek Leodegans drossate, 33800 Hi hevet vernomen dese ommate, Ende es met twintichdusent man Hemelic** nu gekomen an , Ende street hem stoatelike** an daer, Ende nam hem al horen roef daernaer, 33805 Ende voerdene** te Tomasse in die stat, Ende sloet toe die poerten nadat; Entie koninek Rioen belach die stede Alomme met sinen lieden mede, Ende dade pavelone*^ ende tenten slaen 33810 Ende die stat doe** stormene saen; Entie koninek Leodegan, die daerinne was, Ende Cleodales, si voeren nadas Hemelike** ute tenen winkette. toens **duchte **den **weer **done, rione **wolde * *Yordreeff, Torslagen ** hadde dat ••littcrcn ** waren **quemen * 'branden '^heimelike **stoltelike **y. den *'dede paolone **to. 48 378 Ende een deel liede' met hem, sonderlet- 3381 5 Ende quamen* op SoÜDan tenten daer, [ten, Die si ter aerden' worpen daemaer; Ende namen gout^ ende silver tien stonden Ende al datsi in den tenten vonden, Ende voerdent in die stat voertmeer; 33820 Des waren dan der toernech* seer. Doe swoer die koninck Rioen mede, Hi soude so vaste beliegen die stede, Dat hi se winnen sal, ende voertan Tsinen wille hebben Leodegan'. 33825 Doe togen si achterwaert na dien doene Ende gingen liegen in baer paveloene^, Ende lieten haer stormen staen; Dus lagensi v^jf dage, sonder waen, Datsi ter statwaert niet en doen. 33830 Bindien* vernam die koninck Rioen, Dattie koninck Artur hadde verdreven Alle die Sennen, ende sere ware* verheven. Ende dat hi hof soude houden nadat In Onser Vrouwen dage in der stat 33835 Tote Carmelot, ende al sine baroen; Doe zeide weder die koninck Rioen: »Nu laetse hoven, maer wet van dien. Dat ickene sal varen besien, Tierst' ® dat ie Leodegan hebben gevaen, 33840 Met sovele lieden**, wetet sonder waen Dat hi niet (en) sal konnon geduren ; Maer woude hi komen tot my ter uren, Die wile dat ie hiervore bem** Ende bade my genade, ie soude tot hem* * 33845 Ontfermnesse*^ hebben, ende ontfinge dan S^n lant van my ende worde m^jn man". >Here'\ zeiden sine liede* *doe saen, [staen »Sendet daer boden ende doet hem* * ver- Dat hem beter es, dat hi iu man blivet, 33850 Dan gyne dodet och te slants* * verdrivet'*. Daer dade een letter* * maken die koninck Dat hi dade** besegelen doen [Rioen, Met sinen segele, ende oec mede Met tien** koninge segele, ter stede; 33855 Doe nep hi enen ridder** aldaer, Dien hi wel getrouwede** vorwaer, Ende dade hem sworen, dat hi sal Den koninck Artur geven bovenal *lade *qaemen 'eerden ^golt 'tornich 'denkoninch L. 'er paulone * binnen den *were *<*to irst ^*luden **bin **to in * *ontfarmcni8»e **lede ** hem dit *'8laen8 *«litter *»dede «"tyen **ritt©r **getru- Die letteren in die hant alsoe 33860 Ende nieman* ' anders ; dit swoer hi doe. Doe nam hi die letter ende ter vaert Reet hi daermede te Carmelot* *waert, Ende een knape voer met hem daer; Entie koninck Rioen bleef daemaer 33865 Voer die stat van Torenasse, secgic iu ; Hi geboet sine liede te wapene nu Ombe te stormene die stat, Want herde onwaert** hadde hem dat, Datsi se houden souden enege t^t, 33870 Dach ochte ure, des seker sgt; Want hem dochte** dat hi hadde daer Meer ridder in den heer, wet vorwaer, Dan in den lande algader voer waren Man ende wyf ende kinder, twaren*', 33875 Al waren** si alle vergadert mede. Oec zeide hi tsinen ridderen ter stede Dat al te groet lachter waer**, Datsi die stat belagen'* daer**, Ende datsise opten eersten dach 33880 Niet en wonnen eer mense belach, »Ende te min sullewy' * gepryset wesen Hier ende in ander lant na desen, Ende men salt houden vor blodechede'*. Doe dit die prineen hoerden ter stede, 33885 Scaemden**8i hem des herde sere, Wantsi vruchten, dat haer here Se vor blode soude houden naer. Doe gingensi hem wapenen alle daer, Ombe te stormene nu die stat. 33890 Entie daer binnen waren, wetet dat. Waren* * vroem , ende goede liede mede, Ende weerden ** vromelic haer stede, Ende worpen daer menegen** doet, Ende scoeten wtwaert** in den hoep; 33895 Entie koninck Leodegan ende Cleodales, Gwinemar, Herviel, ende Mares, Ende Brune, dese ses barone, [Bione, Voeren wt** striden iegen den koninck Die gewonnen hadde ene barbacane, 33900 Ende vyftien* ' seriante* * voerde danen* * , Die si gevangen hadden optieu^* dach. Doe Cleodales dit gesach, Liet hi lopen s^jn ors tier^* stonde wede **noman **CaredoI * 'onweert **dachte "wi- ren * 'weren *'weer, meer "belegen '*folewy "tchameden "werden '^manigen "ntwert ''nt "vyffleen "teriaiide "dane *'op den **ter. 379 Ende etac op Argante, wat hi konde, 33905 Dat hine dorreet ter stat Metten speer, ende hi viel nadat Ter aerden doet. Doe sine liede* dit sagen, Wart daer tgerochte' ende tclagen Sc groet ombe horen here daer, 33910 Datsi haer wonnen lieten naer; Ende Cleodales ende sine gesellen mede Bescudden die xv seriante ter stede, Ende voerdense in die stat alsoe, Ende sloten haer poerten toe; 33915 Ende dander droegen' Argante daer In koninck Rioens tente daemaer, Die des herde droevich* ende erre* was. Nu latic dit, ende secge nadas Van den bode', die te koninck Artur reet, 33920 Die so lange reet, God weet, Dat hi in Onser Vrouwen dage quam Te halver' Ogest, als ie vernam, Te Carmelot* in die' sale saen, Doe Keye quam* ' metten gerechte gegaen. 33925 Ende doe die blinde scone man Vor den koninck Artur harpen began, Daer ie iu hier voer af zeide. Nu quam die ridder, zonder beiden*', Ende vragede Keyen welc Artur waer**; 33930 Ende Keye w^sdene hem daer*'. Hi ginc vor hem ende sprac doe, Daert alle diegene hoerden toe, Die in der* sale waren geseten: » Koninck Artnr'\ zeide hi, >ic late dy we- 33935 Dat ie niet en groete hier dy, [ten, Want mynhere en bevalt niet my; Maer ie sal secgen wat hi ontbiedet iu, Ende als gyt wetet, doet daermedenu Dat dgn herte dy wysen sal; 33940 Ende wout«ta doen mynen raet van al , Daer soude dy af komen groet ere, Ende wilstu*^ dat doen min no mere, So moetstu* ' ende dyn volc verdreven syn". Artur loech* • ende zeide »bode ^n !" — 33945 «Lieve here'\ zeide die blinde speleman, En hout*' iu een twint hier niet an, Etet ende laet ons blyde wesen, [sen'". Ende als men geten hevet, so hoert na de- *drovich * "quam k. 'tomicli ** beide *lade *dat gernchte 'drogen 'boden 'to balven 'Caredol *den *'weer *'om de heer »*wulta **mosta **lachgede ^'holt "lacbgeden ^'spelman ^^miacbien **al van Cristenbede *«Ujn "tyde »*er barde »»Eng. he Doe loechen** si alle die daer waren 33950 Ombe den blinden speelman**, twaren; Doe zeide Artur ten bode na des: »Secht iu boetscap, die iu bevolen es, Iu en sal daeraf niet me8ci6n**'\ Doe began diegene mettien, 33955 Ende zeide: «koninck Ai-tur, my sent te dy Die meester van al Eerstenhede** sy, Dat es die koninck Rioen, wetet dat, Die nu belecht hevet Tornasse, die stat, In den koninckryke van Carmelyde, 33960 Met tien** koningen nu ten tyden*', Ende van den negenen heeft hi ter stede Haer baerde** metten vellen mede"; Nu ontbiedet dy mgn here , dattu* * dan Tot hem komes*' ende werdes" sgn man, 33965 Ende hi sal wesen aldus d^n here, Ende dat sal dy s^n groet ere". Doe hi dit gesecht hadde daer. Gaf hi hem die letteren naer, Ende zeide, dat se hem 8|jn heer sende nu; 33970 Doe gafse die koninck Artur, secgic in, Den aertsebiscope Durbrices, Diese opbrac ende las nades So hoge, datsyt alle wale Hoerden, die waren in der** sale. 33975 Dus began die letter in dat gemene**: »Ic ben koninck Rioen, die here ben al- Groet ende smal, van al Occidont; [lene**, Ie doe te wetene eiken omtrent, Die dese letteren hoeren lesen, [sen", 33980 Dat ie (met) negen koningen in myner vre- Ende met al horen volke, wetet dat, Hebbe belegen Tornasse, die stat; Entese" negen koninge hebbic mede Gewonnen met mynre vromechede , 33985 Ende hebbe haer baerde metten veile met Onder enen mantel geset Van roden' *samyte, ende hebbet* ' gedaen, Ombedat men daerby sal mogen verstaen, Dat icse verwonnen hebbe ter stede; 33990 Ende nu es mgn mantel gereet mede Sonder één snoer; des willic van dy, Dattu dinen baert nu sendes'^ my, Want du edel ende machtech best' ' nu, haih fiayn of tkeire hoerdes '*dat dn * 'kome, werde "den ••gemeyne, alleyne ••resen; 'Ëng. and wUh me be ix kynget of my meyne **ande dese '*enen; doch zie *t Eng. a mtmteU of reade tamyte "dit beb ik *^tendest '^mecbticb biit. 380 33995 Enen snoer; So willic van dinon baerde, secgic ia, want dat aal syn, Ad myne hande ende an m^n aensc^n , Dat openbaerlikeste an mynen live es; Ende ombedattu' oec scone best, Also als die liede* sccgen van dy, 34000 So sende dynen bacrt tenen snoeremy, Met tween ochte drien den lie vesten* te Die gy nu hebbet in al iu lant ; [hant , Ende dan kornet selve^ ende werdet myn So moechdy* iu lant behouden dan [man, 34005 In rasten ende in vreden mede; Ende en wiltu des niet doen ter stede, So rume dijn lant ende makcdy henen dan; Want als ie verdreven hebbe Lcodegan*. So sal ie te dy ember' komen, 340 10 Ende dinen baert nemen te diner on vromen, Want ie salne dy af doen villen Dines ondankes, ende niet dines willen, Ende dit moet ember van dy wesen". Doe die biscop dit hadde gelesen, 34015 Gaf hise den koninge, die erre was sere, Ombedat hi dit ontboet den hcro. Die bode zeide: >wat wiltu doen nu? Wiltu doen dat myn here ontbiet iu? Secget my dat ende laet my varen". 34020 »By Gode", zeide Artur ten bode, twaren, *Du machs* wel varen nu voertmere, Minen baert en kriget hi nembermere, Also lange alsic leve vorwaer'\ Die blinde speelman sprac daernaer: 34025 » Vaer henen ende verlaet ons dy n gedingen Ie sal uwen here den baert doen bringen, Eer hi des woert sal weten dan , Dat* hi nembermeer voertan Baert en begaert van ieman el; 34030 Dese truwant* * benemet ons al onse spel ; Vare henen ton Duvel bevolen saen 1" — Dus es die ridder van daer gegaen Ende reet te Tornassewaert te hant, Daer hi den koninck Rioen nu vant, 34035 Dien hi sine bodescap zeide saen, Gelyc dat hyse hadde verstaen. Doe swoer die koninck Rioen mede, Also vro als hi gevaen** heeft ter stede ^datdu *lude •levesten *8elven •mogegy 'den ko- ninch L. 'omber 'machst •aodat *'trufant '* gevan- gen '*ter ur **crafft ** Artur **vange **8eten, eten *'8ynre **myt der *• besegen "'ministrele '* wannen Den koninck Leodegan , hi aal tier uer' ' 34040 Met suiker kracht*' varen op koninck [Artner** Dat hine vaen** sal ochte verdriven. Dit latic nu aldus bliven, Ende secge iu van den etene voert, Daer gy hier voer af hebbet gehoert. 34045 Die koninck Artur, ende sine barone mede, Saten *■ * ende aten ^ * met fijnre' ^ blgthede, Ombe die tale, die zeide vortan Toten bode die blinde man , Die metter" harpen stont noch daer, 34050 Ende began therpene voert daernaer, So scone ende so wel u ter maten, Dat sine besagen**, die daer saten Te groten wonder on syn spel; Si hoerden so nauwe daema, wetet wel, 34055 Datfli op dander menestrele** Een twint niet en achten van horen spel^ Ende Artur wonderde sere daeran; Wanen** dat quam sulc speelman**; Noch tan soude hine te rechte wel kinnen**, 34060 Want hine hadde**, in menegen ainnen, Vor desmaels dicke gesien. Ende doe men geten hadde nadien, Entie taflen waren opgedaen , Quam die blinde man vor Artur gegaen ^>4065 Ende zeide : »here, ocht dat iu wille sy no, So gevet niy mynen loen, biddic ia. Van mynen dienste **".—» ByGode,datiy'', Zeide die koninck, »wat wiltn vanmy? Secge my dat, ie salt geven dy nn, 34070 Ocht ie dat met eren mach geven iu'\ »Here*', zeide hi, »gyne sult hebben van al Gene onneer van dat ie iu bidden sal, Want ie bidde iu, dat gy luwen staadaert laet voeren my ^{4075 Int ierste* * orloge, daer gy ault komen in^\ Die koninck zeide : » vrient* ^, meer no min Sone mochte dat na niet gcscien**. Want gyne konnet niet gesien**, Ende ten waer** my eerlyc niet, 34080 Dat een blint man, die niet en siet, Minen standaert voerde met gewonde**, Die al dat heer mot rechte sien sonde* **\ **speleman * 'kennen **he ene **den8te **ditir- ste *^vrent ^'gesoheen **konnen niche geseen **dat en v(eer '*gcwolde, solde. i 381 >Ach, here!^' zeide die blinde na des, >God, die een geware leider es, 34085 Sal my geleiden , die my voer nu Wt menegen anxte* geleit. heeft, secgic ia, Ende wet wel, het* sal iu vrome wesen". Hem allen wonderde sere van desen; Doe besach hem die koninck Ban seer 34090 Ende hem gedochte* van wanen* eer, Hoe hem Merl^n gedient hadde vordas Als een jongelinc scone ten* maras In den casteel; doe dachte hi daer*, Dat nieman el' dan Merl^n waer*; 34095 Doe zeide die koninck Ban tot Artuer : »Here, doet sine bede na ter aer, Want hine scinet der mannen niet, Dien* men sonde ontsecgen iet*". »Hoe'"", zeide die koninck Artur, » wat [sechdy*'? 34100 Wat vordele mochte ons liegen daerby, Dat een speleman, een blint man, Onse baniere soude voeren voertan, Die hem bewegen en kan no bekeren? Dese bede ontsecgic hem wel met eren, 34105 Want ten es^ * geen dinc, dat men soude [doen Niemanne geven, men kende den persoen''. Doe dit die koninck gesecht hadde daer, Haddensi den harper verloren naer, Sine wisten , waer hi gevaren was. 34110 Des was Artur erre dordas, Want hi wiste wel dat was Merl^jn; Hem was leet, dat hi die bede sgn Niet en hadde gedaen vorwaer; Ende al diegene, die waren daer, 34 1 1 5 Hadden hem wonder, waer hi gevaren was. Die koninck Ban zeide tot Artur nadas: »Here, gy soutene^* met rechte openbaer Kennen in wat manieren hi waer**". »Gy secget waer", zeide Artur ter stont, 34120 Maer hi dade^* hem leiden enen hout, Ombedat so en kande icken niet* * alsoe*'. » Wie was dat?" zeide Heer Gawyn doe. »Dat was Merlyn, onse meester", zeide hy. »Ic geloves wel", zeide Gaw^n daerby, 34125 Want hi he?et hem dicke ontmaket mede, *manigen angeste *dat * gedachte ^wane *to;£ng. of the marasse "seer, weer ^neman anders *ieet •den *"wo **9ecge gy ** dat is ** solden ene **weer *'dede **ick ene * ^spreken **mer **grotte "'an- Dat doet hi al ombe spelechede". Die wile datsi dus spraken**, saen Quam daer een clene kint gegaen, Dat al graw hadde dat haer, 34130 Ende sonder baert, wet vorwaer, Ende quam fierlyc in sinen ganc, Ende en was maer** derdenhal ven voet Hi brachte op sinen hals daer alsoe [lanc; Ene grote roatsne gedragen doe, 34135 Ende ginc vor den koninck Artuer**, Ende groette** hem ende dander** tier Ende zeide: »gereit iu,koninck koen,[uer* * , Te varene tegen den koninck Rioen, Ende gevet my iu teken** te voeme,here!" 34140 Die by den koninck stonden loechen sere* *, Doe si dit hoerden van den kinde. Die koninck zeide doe met geninde, Al lachgende: » scone iongelinc! Ie orlove iu gerne dese dinc, 34145 Dat g^t nu voert, s^jt seker das". Hi dachte wel, dat Merljjn was. >Danc hebbet", zeide tkindekgn**, > Want dat sal an my wel bestadet s^n''; Hi beval se te Gode, ende ginc dan**. 34150 Ende nam weder sine forme an. Die hi thebbene altenen** plach; Doe voer hi henen, al dat hi mach , [met* '; In koninck Bannes lant ende Bohortes Ende hieraf en wiste nieman**, dat wet, 34155 Dat hi dese dinc dus dede; Daer sprac hi Lconcen ende Pharien mede, Ende beval hem beiden te samen , Datsi met al haren lieden** quamen Te Carmeloet*'. Doe zeiden die baroen, 34160 Datsi dat gerne zouden doen; Doe voer hi in skoninck'* Uryenslant Ende tallen den baronen mede thant, Ende zeide horen lieden altsamen** Datsi binnen viertien dagen quamen 34165 Tote Carmeloet** gewapent wale. Doe sciet* * Merl^jn van hem na der tale, Ende voer enwech te Carmeloet** alsoe, Ende was daer eer vespert^t doe; Das haddi** tuscen none ende vesper nu 34170 Alle dese boetscap** gedaen, secgiciu. dem **ter ur, Artur **teiken **lachgeden **dat k. **van dan **althencn **mede **neman ■•laden *»Caredol **de8 k. »»aUen to s. »*8ciede «^hadde he ' ^bodetcap. 382 Ende et vor den koninck Artur gcstaen , Die hem daer nu vragede saen, Waerombe fai hem hadde ontmaket soe , Datten dat bondeken lelde doe? 34175 Merl^n zeide: »al barch ie ra j omtrent , Gy soudet* my met rechte hebben bekent". » Gy secget waer", zeide die koninck alsoe, > Haddic kenneBse in my gebat doe ; Maer neen , ie en dachte op iu niet daer'\ 34180 Doe* levedenai met vrouden daernaer; Ende sanderen'dages dadi^ al te male Die princen komen in die* sale, Die koninck Artur , ende zeide hem mede Dat elc prince , doe gebieden ter stede, 34185 In 8|jn lant orloge, ende vergadere dan Van sinen lieden so hi meest kan, »Want ie moet te holpe varen Den koninck Leodegan, sonder sparen, Myns wives vader, der koninginnen'\ 34190 Doe dadem* Merlyn daer bekinnen', Dat fai te Gaunes ende te Bonew^jc, Ende al der princen landen* desgelgc, Hevet gesecht dese dinge nu, »£nde si sullen alle hier komen tote in". 34195 »Welke tgtdady* dat?'' zeide die koninck: » Rechte nu, here, in ware dinc Come ie danen**, ende sint etentyt Hebbic overal geweest, des seker syt". Doe dit die koninck entie princen hoer- [den"', 34200 Wonderde hem sere van dien woerden , Ende bleven met blyscapen groet daernaer Totedat haer liede** quamen" daer, Ende thent'^ si alle vergadert waren. Nu latic hieraf die tale varen, 34205 Ende sal iu hier nu secgen voert Van dat den stryde toebehoert. £/oe** die koninck Artur den koninck Rione doet sloechj ende van Merlyne, Daventure seghet na desen doen**. Die koninck Artur ende alle s^n baroen' * Varen te Carmelidewaert* * 34210 Met menegen ridder** onvervaert**, Ende Merlyn voerde syn teken** daer. 'solden 'dos 'des a. *dede he *dat *dede em ^bekennen *lade; doch zie *t Eng. allg the londet *dede gy **dannen * "horden **ludc *'qaemen **tot dat **wo **doiie, barone ''wart, vart **manegen ritter **tciken * 'voren **to samen **pleine, Oawyne Dus voeren **si so lange daernaer, Datsi in ener dachvaert nu quamen Daer die koninck Rioen lach tsamen** 34215 Vor der stat te Tornassein den plein**. Doe zeide Merl^n heren Gawein** Ende Ywene ende Sagrimor: »gy, Waer ie ben**, syt altoes by my". Si zeiden , datsi dat geme daden**; 34220 > So volget my**, zeide hi, >dan met staden, Gy ende al dat heer ter stede, Thent** wy ter batalien komen mede". Doe qnamensi an dat heer gereden Ende Mcrlyn die sloech in ter steden, 34225 Die die** banier hadde in der hant, Daer die drake an stont valiant. Die vlamme ende vier* * so groet wtgaf. Dat des koninck Rioens liede daeraf Worden sere versaget** dordus ; 34230 Ende Heer Gkiwein , die by Merlyne was. Die een speer hadde in der hant, Hi gemoette koninck Pharioen** thant, Ende stacken dor den lichame soe, Dat hi ter aerden doet viel doe. 34235 Doe zeidi : >dese hevet gegeven ter stede Myns oems baerde nu ter stede**. Doe vergaderdensi in beiden syden; Daer wrachten* * wonder in dien* * tyden HeerGawein ende sinebroeder,ten stonden, 34240 Entie ridder** van der Tafelronden. Maer die koninck Rioen, die nu ter ore Nieman en begeert dan den koninckArtnre, Entie koninck Artar , wetic wel , Begeerten oec meer dan ieman el, 34245 Dene versach den andren in den rinc; Doe sloech dene opten * *andren,na die dinc. Met haren orsen, watsi konden, Ende braken haer speer tien** stonden; Doe trockensi haer swaerde** daernaer, 34250 Ende ondersloegen** hem so lange daer, Dat haer helme ende haer scilde mede Te sticken vielen" alle bede, Ende dene sloech den andren, tien' * ston- Dor den halsberch grote wonden, [den, 34255 Ende faaerre** negeen en'* was Hi ne was oec moede, syt seker das; "gy drie; Eng. loke ye Ie over mygh ahonte me '^bin •* deden **den "ver "vortsaget »*Pharinej doch zie *t£ng. '•wrachte **den "unde de ritters *'op den '*tcn "zweerde "slogen ■* vellen *^tm •*van hem en. 383 Ende alse die koninck Rioen «ach, Dat hem Artur so sere op lach, Ende hem bo wel weerde tegen hem daer, 34260 Doe wart hi verteaget daernaer; Want hine meende niet* dat enech man, Die tote doen ie l|jf gewan , Hadde mogen vor hem duren iet; Hi zeide themselven, als hi dit siet, 34265 Dat hi nie so goeden ridder en sach; Ombedit hi hem nu sere ontsach, Ende zeide : » koninck Artur, tes* scade van Want nie (en) vacht ridder tegen my, [dy, Die 80 goet was in der heerlicheit mede 34270 Als du best", dunket* my ter stede, Ende dgn koene herte sal dy nu Hier doen sterven, secgic in, Dat van dy groet scade* es; Ende daerombe biddic dy dor des, 34275 Ombe dyne grote vromechede by, Dat du dy opgeves* verwonnen my, Ombe dgn leven te behoudene^ al bloet Optie vorwaerde, die ie dy ontboet, tEs*, dattu my dinen baert sult* geven, 34280 Want ie haddene liever in dyn leven Dan als du doet best", nu ter stede, Blevestu hier doet ende al dyn volc mede". Doe die koninck Artur dit hevet gehoert, Scaemdi*^ hem sere deser woert, 34285 Datse hoerden sovele edeler liede'S Ende zeide: »my en lustin negenen tyden' " Bet te vechtene dan my doet nu; Soudic my verwonnen geven iu, Dat waer*' wonder al te groet; 34290 Maer weert** iu , ocht** gy zgt doet, Dat secgic iu al ongespaert**'\ Mettien hief** hi op sjn swaert*' Ende meendene opten helm slaen, Maer hi winkede** besyden saen, 34295 Ende metten slage , dien hi na hem gaf, Sloech hi den orse den hals af, Ende si vielen bede ter aerden** neder; Ende doe koninck Rioen opstaen woude* * Gaf hem Artur enen slach, die liep [weder, 34300 In die scouder** vier vinger diep; Entie koninck Rioen viel** weder naer** Van den slage. Doe dit sach daer Artur, spranc hi vor den paerde**, Ende nam hem, daer hi lach opter aerde* * 34305 Metten helme , ende bracken hem wt , Ende verhief** dat swaert ende spracover- Hine gave"* hem op daergevaen, [luet, Hi soude hem dat hovet afslaen; Doe zeide hi, hine gave* * hem nembermeer 34310 Verwonnen, hi soude oec sterven eer, Dan hi des Hen soude nu mede. Als die koninck sach, dat hi ter stede Niet verwonnen hem op en gaf, Sloech hi hem sijn hovet daer af, 34315 Daer alle diegene toesagen"', twaren. Die daer in den velde waren. Doe dit dander"* koninge sagen"', Die daer metten koninck Rione lagen**, Dat haer here dus es versiegen**, 34320 En woudensi niet meer strides plegen, Ende gaven" * hem op ende al tvolc" *mede. Dat daer belegen hadde die stede, Ende worden koninck Arturs man, Ende ember*"meer te blivene voertan, 34325 Ende ontfingen haer goet ende haer lant Al te male van siner hant, EndQ keerden weder in rasten" ende in Thoren landewaert, thoren 8teden,[vreden Ende voerden methemdenkoninckRioen* *, 34330 Ende groevene daer na sinen doen**, Ende met wene ende met serechede. Entie koninck Artur voer in die stede Te Tomasse met feesten groet, Ende sine princen ende sine genoet 34335 Waren •• blyde ombe dese dinck; Si daden** ontwapenen den koninck, Ende daden** besien sine wonden Ende wel*' verbinden te dien"* stonden, Ende bleven in der stat nadas, 34340 Thent** hi al genesen was. Met groter feesten, secgic iu, Ombe die victorie, die hem nu Onse Here hevet gegeven daer. Ende doe hi genesen was naer , 34345 Voer hi weder te Carmelot**waert; Daer voer met hem twe dachvaert *«i 'mende nicbt *dat is "bist *donket * schade •op- ""scoldercn *"vel * ^daernaer **perde, eerde ••geve gevent ^to beholdene *dat is "sait '''schaemde he ^'segen **de anderen * "legen '"verslagen "* dat volc * 4ude **tyde *"weer **wert '*oflF **unge8part ; ""omber ''resten ** rione, done ** * 'zweert **hoef^ verhoeff '•wenkede ""eerden »*wolde ' "wal '•to den • "totdat *"CaredoL »• deden 384 Die koninck Leodegan, dor sine ere; Doe keerde* weder die grote here Ende nam orlof an Artur, sinen sone, 34350 Ende daema an al die barone. Ende doesi das gesceden* waren. Es Artur te Carmelot* gevaren . Daer die koninginne .Tenovre wiis Ende dander* koninginnen, syt seker das, 34355 Die daer ontbeiden hore* manne nu, Die met Artur quamen, secgic iu; Daer dreef men nu feeste groet Vier dage dor, sonder genoet, Ende opten vyften dach sciedensi daer, 34360 Ende elc voer tsinen lande daernaer, Ende syn wgf met hem ende syne amye. Entie koninck Artur ende sine partye Voeren in die stat van Logres, Daer hi lange inne bleef na des, 34365 Met sinen wive; daer waren* tien stonden Die heren van der Tafelronden, Ende heer Qawein ende sine gesellcn met, Ende Merl^jn was daer mede, dat wet. Daema quam Merljjn, op ene ure, 34370 Ende zeide toten koninck Arture »Here", zeidi, »nu vorwaert suldy' Myner wel ontberen , ie secge iu wi* : Iu lant es wel in trede nu Ende ombe dit mach ie wel varen van iu". 34375 Doe die koninck Artnr dit hoerde, Was hi droevech* van den woerde, Want hine lief hadde, alse recht was, Ende bat hem sere te blivene dordas; Merl^n zeide : » ten* • mach nu niet wesen", 34380 Maer hi soude** wederkomen na desen. Welke tgt, dat hijs*» hadde te doen**. Doe zeide Artur, die koninck koen**: • Merl^jn, ie hebbe uwer te doen** al [tenen**, Ie woude gy niet meer van my voeret'* [henen , 34385 Ende sonder iu en kan ie gedoen niet", Merlyn zeide: »here, en ontsiet iu niet , Ie sal tuwen oerbaer tyde genoech sgn". Doe sweech die koninck een** luttelkgn, Ende dacht** daerombe; doe zeide hy: 'kierde *ge8ciedcn 'Caredol *de andem •ore *wcren 'zole gy *we •drovich *"eD * 'solde 34390 » Lieve Merlgn, nu berochtet** my Te wat orbaer suldy** te tyde komen, Woady** dat orbaer my no nomen, Ie sondes** te bet te gemake wesen**. »Here", zeide Merlgn nu na desen, 34395 »Ic salt iu secgen: een lewe**, die es, Ener berinnen sone, s^jt seker des, Entie een lupaert wan. God weet, Sal lopen in dlant** van Logres, gereet ; Dit es dat orbaer, dat ie mene** nu". 34400 Ende hiermede sciet** hi enwech,8ecgicia, Sonder meer te secgene daer; Entie koninck bleef daernaer Tongemake, ombedat hi van desen Dingen niet (en) wiste, wat** mach wesen. 34405 Nu swiget dit boec van koninck Artore, Ende secget van Merlgn voert ter ure. Van Merbjne, etide van den koninck FluaUs*'*, ende van den koninck Artur ^ ende van anderen dingen. Hier seghet daventure voert nadas, Doe Merlijn van Artur gesceden was, Doe voer hi te Jerusalem, ende lette niet, 34410 Tenen koninge die Flualis hiet. Die machtech** ende groet was mede, Maer hi was een Sarrasyn ter stede; Entie koninck hadde vergadert** nn Alle die wyseste** van den lande, secgicin, 344 1 5 Ende zeide: » gy heren, ie hebbe ia ter 8t«de Ontboden , ende gy z|jt hier komen mede Ombe myn gebot, ende gy en wetet niet Waerombe ie iu ontboden hebbe iet, Ende ie salt iu secgen, waerombe dat sy : 34420 Ie lach op ene nacht, ende doe docht* * my Dat ie die koninginne hadde vorwaer Vaste in mynen arme aldaer, Ende doesi in mynen arme lach [sach Docht* * my, dat ie twe vliegende serpente 34425 Ende elc serpente hadde twe hoet**, Ende si waren vreeslyc ende groet, Ende eiken voer at«r kelen mede Een groet brant daer ter stede, Ende al myne sale verluchte daer; des done, cone voeren »*he >*en 'Machte '•bcrichtel '•zolc gy ••wolde gy *'aol- des dat *'duchte * «hoeft. *Mcw «*dat lant »*me>Tie •••chiede **wit **fiaali8 **mechtich **rergaddert **wyBestcn 385 34430 Ende denc serpent nam my daernaer Met sinen voete in mjnelanke* binnen, Ende dander nam die koninginne, Die in mjnen arme lach alsoe, [doe; Ende voerden ons in den vorst* van der sale 34435 Ende doesi ons gedragen hadden daer, Trocken'si ons die bene daernaer, Entie arme wten lichame mede, Ende worpense neder daer ter stede. Dat ene hier, tander ginder alsoe; 34440 Ende doesi ons ontledet hadden, doe Quamen^ daer achte clene' serpentekine Ende droegen 'onse lede,docht my,in scine' Opten* tempel, ende trockense daer Al te sticken', ende daernaer 34445 Lieten ons die grote*" serpente doe Opter salen** daerboven alsoe, Ende ontstaken** daema die** sale, Ende verbemden ons al te male Tascen , entie wint mede 34450 Droech dascen in elke stede, Die in deessiden** der zee was. Dit was myn drocm , ende dordas Dat hi my vreeslyc dunket** nu, So hebbic hier ontboden iu , 34455 Ende bidde iu, ocht** hier ieman es. Die my vroet kan gemaken des; [de, Waer* ^ ieman, die mijt** bedieden**kon- Ic woude hem sweren hier ter stonde. Dat ie hem myne dochter wil geven 34460 Ende half mjn goet in mjjn leven, Ende na myner doet altemale omtrint*'; Ende hevet hi een wijf, die m Jt* * ontbint, Hi sal sjn here over mijn lant daerb}»^ , Also lange alsic leve, ende over my". 34465 Als dit die vroede liede** hoerden bloet, Den droem entie gicbten, die hyboet, Haddc hem des wonder, wat mach wesen ; Dene zeide een dinc van desen Dander een ander, als hem dochte, 34470 By geljjke dat wesen mochte. Nu was Merl^jn oec onder hem daer, Maer nieman en sach ene, wetet vorwaer, Ende hi sprac so hoge dese tale, 'lande; doch zie 'il^ug. by f^e flanJttfs * verst 'trec- keden *do quemen *cleyne •drogen 'schinc *opden; Eng. aiove tke tempk of JDiane 'to stuckcn * •groten **op den sale "'ontsteken *'dat **de8side **donkct * 'off * 'weer * 'my dat * "bedudcn * •omtrent * * vroe- denlude **scdat **den **horc **wedatwecr **8egen Dat sijt** alle hoerdon in der** sale: 34475 »Coninc Flualis, nu hoer** na my Ie sal dinen drocm wel bedieden dy'\ Doe die koninck dit hoerde daernaer, Sach hi alombe, wie dat waer** Die dat gesccht hadde, erde also wale 34480 Sagen** daerna dander*' in der sale**, Maer nieman en kondene gesien , Nocbtan was bi onder hem. Mettien** Zeide hi voert: » koninck, hoer** dinen [droem : Die twe sorpcnte, nu neem desgoem**, 34485 Entie vier hovede hadden mede, [stede, Ende vlamme ende vier* * wtworpen ter Dat zyn** vier kerstene** koninge, die iu Dit lant sullen** verbernen nu; Ende datsi dy eu Je dijn wijf droegen met 34490 Boven in den vorst*, dat wet. Van der* * sale , dat sal sjjn Datsi sullen hebben al dlant d^n Toten** poerten van der stede; Ende dattie*' serpente dine vier lede 34495 Wttogen, ende dinen wive met**, Bediedet* * , dat gy uwer quader wet [naer; Vertyen*" zult*" ende kersten* ' werden Ende dat die achte serpente quamen* *daer Ende dine lede ende dines wives namen* *, 34500 Ende opten tempel droegen tsamen. Dat es, dat dine liede** sullen vlien In Dianen tempel nadien , Ombe hem te behoudene** daer; Ende datsi dine lede scoorden daernaer, 34505 Ende d^jns wives oec ter stede, Dat zijn dine kinder, die men mede Verbomen sal in Dyanen kerke saen; Ende datsi dy ende djjn wijf lieten gaen In dat palas, betekent dat gy mede 34510 Gesuevert sult*" sijn in Kerstenhede**; Ende dat die serpente verbemden die* 'sale, Betekent dat dy te dien*' male [sal Een pennincwaert goets niet en** bliven Van dinen quaden goede, groet ende smal, 34515 Van dat du heves** in dese wet; Ende dat gy tascen verbemt waert* * met, *'de anderen **den sal **mytdien **gocn **vner **zint '*cri8t«ne '*zolen **den **tot den *'dat de **med **bedudet *^zolt *'cnsten **quemen, nemen *'ludc **beholdene **crist. *'den *'toden **goedc8 nicht *'hevest *®verbrant waren. 49 386 Sal 8^0, dat gy gesuvert eult wcsen Van al uwen sonden voert na desen In water van der Kerstenhede*; | 34520 Ende dat uwe asce vloech mede ' Overal int* lant besiden der zee, Dat sal syn, dat gy noch mee ; Kinder sult winnen in kerst^ne* wet, Die goede ridder sullen werden met, 34525 Ende geêert sullen syn in menegerstat; Dit es dyn droem , ie secge dy dat". Aldus aciet* Merljjn doe van daer, Enten* koninck hadde groet wonder naer*. Van der stemmen die hi hadde gehoert. 34530 Ende Merlijn die reet weder voert Te Logreswaert^daer die koninck Arturwa» Entie koniuginne mede, syt seker das, Diene ontfingen met feesten groet; Entie* wyle dat men hier over stoet, 31535 Quam ene joncfrou op enen muel saen Ende brachte met haer enen dwerch,sondc i Den alrelelijcst^n, die ie ge.sien [waen. Was in den hof ende anderswaer tot dien : Hi was crepel' ende loetlyc mede, 34540 Entie* wymbraen groet ter stede, Enten baert swarter dan een rave, Ende sloech hem toter borst daer ave, Ende thaer swart ende lanc som, Entie scouder* hoge ende erom, 34545 Den bulte voer ende achter in een, Die hande groot ende corte been; Entie joncfrou we was ionc ende scoen Ende si heette vor dersalen*, na dien doei >, Ende nam den dwerch in horen arm daer 34550 Ende settene van den paerde daernaer, Ende leidene vor den koninck Artuer**, Ende groetene hovesclike ter uer**, Also alsi wel* 'sprekende konde; Die koninck dankedes haer ter stonde. 34555 Doe zeide die ioncfrou: >here, ie kome tot u j Ombe die grote niemaer* * die lopet van iu, Orabe iu te bidden ene gichte** mede; Want nyemaren* * loepen van iu ter stede. Dat negene** joncfrou falgiert gereet 34560 Van dingen, die si iubiddet, God weet; Want men hout iu vor den besten man *cri8t. *in dat •cristcne *8cie(le •unde den, undc die 'daniaer 'cropel ■scoldcren •den salc *°Artur, Van der werlt; ende ombe dese dinc** dan Ben*' ie gekomen tot uwen hove nu, Ombe ene gichte** te biddene iu ; 34565 Nu siet , ocht** gyse wilt geven my'\ » Joncfrou, biddet wat gy wilt", zeide hy, »Gryne sult daeraf niet falgieren Opdat ment** doen mach met eren". »Here, dat en sal iu g^en onnere syn: 34570 Ie bidde iu, dat gy myn edele minnekyn, Desen ionchere**, dien ie** hebbe by der Hier ridder nu maket al te bant ; [hant, Hi es des wel waeit in allen doen**, Want hi es vroem ende koen**. 34575 Ende van edelen geslachte ende fijn, Ende soude lange ridder hebben g<^8Jjn, Hadde hi gewilt. van den koninck Pelles Van Listenois, die een goet man es; Mjjn lief** en wilt, ende hevet met 34580 üesworcn , dat hi nembermeer, dat wet, Ridder en wert**, here, dan van iu; Ende diU'rmede biddic des iu sere nu, Dat gyne ridder maket voertmere". Die koninck begonde lachene sere, 34585 Ende alle die waren** in der** sale; Doe zeide Keye tot haer dese tale: » Joncfrou, ie rade iu, dat gy iu mynnekgn Vaste by iu hout, want hier syn Diegene diene iu stelen zouden*' hier, 34590 Onibedat hi scone es ende fier**", [man, »Here", zeide si, »die koninck es so goeden Uine sal my geen onrecht lat^n doen [daeran". V ByGode", zeide die koninck, » joncfrouwe, Hier en sal iu gescien geen ontrouwe". 34595 »Hcre", zeide si , »dat love iu God, Onse [Here! Nu maket myn lief** ridder, des biddic [iu 8ere*\ V Joncfrou, ie ben des bereit t«r steden". Mettien** quamen** daer twe knape gere- Die twe scilde brachten van sable met[den, 34600 Ende drie** luperde vangoude** daerin [geset, Ende gekroent met lasure, ende mede Hiuc* * een swaert* * ant artson ter stede ; ** weren ur lê 1 « *'al8 ze wal ^*nyemccr **gifftc *'nyemeren gene **dinge *'bin **oflf * •men dat **ionchcren *'ic hier **doiie, kono **Ievff **wirt „v.v« *'di»u *'zoldcn *"fyer **mytdien '"qucinon *Mrc *'golde *'hcnck **8wccrt. 31 387 Entie ander knape leide een ora daer, Dat Bcone was ende openbaer, 34605 Entie breidel was gouden* met; Ende dreven enen somer vor hem, dat wet, Met tween cofferen,ende quamen*ten hove Ende bonden haer paerde an enen pyn' [in. Die in den hof stont, ende daernaer 34610 Ontsloten si haer coffer , ende trocken wt* Enen halsberch wit als die snee, [daer Want hi was sylveryn , ende noch mee So was hi van dobblen malyen, Ende twe coffien van sylverinen talyen 34615 Ende enen sylverinen helm , al vergout* ; Si gingen in die* sael met gewout', Daer die koninck Artur doe sat ende at. Doese die ioncfrou sach komen, nadat Zeide si: vhere,wildy* niet doen myne bedeV 34620 Ie hebbe hier nu algader ter stede Dat ten ridder behorende es nu ; Maket myn lief ridder , des biddic iu". »Geme joncfrou, gaet sitten eten". »Here", zeide si, »ic doet iu weten, 34625 Ie en ete hier nu nem bermeer, Mjjn lief en sy iu ridder eer". Ende doe men geten hadde daernaer, Trac" die ioncfrou wt enei * "almoniere daer Twe vergulde sporen, ende zeide: 34630 »Here, ontkommert my, sonder beiden. Want ie ben hier al te lange nu". Doe quam Keye voert, secgic iu, Ende woude hem die sporen spannen thant. Die joncfrou gegreep hem metterhant, 34635 Ende vragede wat hi meende' * daermedeV »Ic wilne ridder maken ter stede", Zeide doe Keye, >met myner hant". »Met dyner hant?" zeide die ioncfrou [valiant**, »Ende du best*' die onwaertsto van den 34640 Ende mynnestwaert' *van allen love![hove, Dat en moet nember gescien. Dat men dyne hant daeran sal sien, Ocht' * iemans hant dan des koninges vry , Want hi hevet gelovet my; 34645 En dade hijs*' niet, so haddi mede My verraden ende doet*' ter stede; * gulden *quemen 'Eng. andfheialightanoonunder the pijfietre *treckcden ut •verguit •den ^gewolt •wille gy •treckede *"enen ** mende **faliant *'bi8t * * weert * *off * 'dede he des * 'doed * 'gercinen ' 'weer Nogeon man en soudo gcrineii** nu Also hogen prince, dat secgic iu Metterhant, alse mijn lief es, 34650 Hine waer* • edel koninck, syt seker des". » By Gode", zeide die koninck Artur doen* • »Ic sal hieraf uwen wille doen**". Doe** nam die koninck den rechter spoer Ende spien* * hem den dwerge daervoer, 34655 Entie joncfrou den andrcn. God weet; Die koninck wapendene al op gereet, Ende gorde hem dat swaert ende sloechen In den hals, ende zeide ter stede : [mode t>God moet iu maken (een) goet man". 34660 » Here, suidy daer niet meer toe doen dan ?" Sprac die ioncfrou. » Neen ie", zeide die [koninck. » Ach, here!" zeide si, )»biddet hem een dinc: Dat hi nu voert myn ridder sy". Die koninck bats hem*'; doe zeide hy, 34665 Dat hy gerne soude** doen sine bede. Doe namen** si orlof beide ter st^de, Ende al gewapent ginc doe die clene man Op s^n ors sitten, entie ioncfrou dan** Op horen muel, ende daden daemare 34670 Haer knape thoren landewaert varen; Si ende haer lief *' reden en wech daernaer, Ende quamen rydende, wet vorwaer, In enen foreest onder hem beden. Doe si dus waren henen gesceden**, 34675 Bleef die koninck Artur endeMerlgn mede, Ende Gawyn ende dander** gesellen ter [stede In der'* salen, die sere loechen" saen, Ouibedatsi den dwerch so minde, sonder » By Gode", zeide doe die koninginne,[waen. 34680 »My hevet wonder, datsy haer minne So leetliken creature hevet gegeven, Want ie en sach in al mgn leven So leetlikes niet, ende si es scone sere, Ende wel pryseswaert vor eiken here, [alf. 84685 Ende hi donket* * ray een Duvel ocht* * een Vrouwe", zeide Merlgn, »si en es niet half Bedrogen an siner lelichede. Want sine grote koene vromechede Doet, dat sine lief hevet, secgic ia; **do **also **8pen "bat em deo **2olde * •nemen • 'saen » 'lieff * 'gescheiden * 'de anderen ' "den ' *lach- geden '^dunket. 388 34690 Want 8o koenon* vlecHC en saochdy* [uie vor nu; Ende hi es eens koninges sone wtverkoron. Ende ener koninginnen welgeboren , Ende sine grote vromecheit Verdrivet een deel siner lelecheit, 34695 Ende aine goJa", zeide die keyser, ende riep saen 34760 Sine man , dat sine souden vaen ; Doe sprongensi op ende omringeden daer Heren Gawine ende sine gesellen naer**; Ende heer Gawyn trac** sjn swaert ter Ende alle sine gesellen mede, [stede, 34765 Ende gingen houwen slage so gproet, Datsi daer menegen sloegen*" doet; Maer si waren bedwongen daemaer, Datsi die plaetse moesten rumen daer. Want der Romeyne so vele was; 34770 Ombedit ontbraken** si hem nadas Ende reden haerre** straten nu; Maer dander* * volgeden hem, secgic in , Ende heer Gawyn keerde'^ hem dicke doe Tegen hem ende street hem toe. 31775 Ende biudeson quam Merlyn gegaen Toten koninek Artur, ende zeide saen: > 1 * *stoltelike * ' wirt * *zolde gy * "we * *«pre- **daniacr **lrcckede '"slogen **oiitbre- quenicn ken *'bin keu **ere '*dc andcrn ' * kierde. 389 »Here, twaer* goet, dat gj sendet ter tjjt Heren Gawjne soccoers*, want die strjjt Es* begonnen tegen des Eeysers man'\ 34780 Doe sende die koninck daerheen dan Sesduaent ridder wel te gerake* mede, Die tegen die bode reden ter stede ; Doe sagen* si sovele liede* komen gevaren. Dat al die velde bedecket waren 34785 Yan dien, die die boden jagedendaer; Doesi dit sagen*, redensi daemaer In die Romejne. Doe wart die strgt Sterc ende groet te dier* t^t. Daer was een Romeyn, die Petrinus hiet , 34790 Die den onsen dede groet verdriet; Hj was sterc ende hielt den hoep Van den Romejnen, ende sloech doet Menegen ridder; doe dit sach Heer Gawyn, hadde hjjs* swaer verdrach, 34795 Ende nam sine gesellen bysjden daer, Ende zeide tot hen : > wy hebben vorwaer Desen str^t begonnen ter stede, Gaet' *dat so wel, so hebbew^s* ' danc mede Ende gevallet** anders, so sullewy** 34800 Ondanc hebben, ende daerby Moetewy desen Petrinus doet slaen , Ocht* * den koninck Artur geven gevaen , Ocht** anders so en mogewy niet Sonder groet verlies ontgaen, wats gesciet; 34805 Ende ombedit biddic, dat gy volget my Waer ie vare". Si zeiden: »datsy!" — Doe sloech hi te Petrinuswaert , Ende sine gesellen volgeden ter vaert, Ende finierden niet eer si quamen* * daer, 34810 Ende Sagrimor vergaderde daernaer An hem , ende namne in sinen arm doe, Ende liet hem daer mede vallen alsoe Ter aerden , als die hem betrouwede daer Tsinen gesellen, ende hielten daernaer 34815 So vaste in sinen arm oec met Dat hi beroeren** en konde een let; Ende doe dit die Romeyne sagen, Quamen**si vaste der waert* ' geslagen, Ombe hem te bescuddene daer; 34820 Doe wart die strjjt groet ende swaer. Daer dade Heer Gawyn sovele ter stede. *dat weer *hulpc *is ^darhcn *gereke 'se^en 'lude 'to der *he des *®geet "wc des '"gevallet dat *'zolewy **off **quemen **beroren *'derwert ' • ande de * •riddere * ®errc * • wereu * «drovich * *lude Dat hi Sagrimor geredde mode, Entie** Romeyne sconfierde saen; Daer wart Petrinus gevaen 34825 Ende ander ridder** vele in der noet , Ende vele sloegensi haerre** oec doet; Entiese daer nu hadden gevaen Brachtensi den koninck Artur saen, Die hem des wiste groten danc, 34830 Ende men voerde dese eer iet lanc In dat lant van Bonewyc gevaen, Daer si seker waren**, sonder waen. Nu was die keyser eendroevech** man Ende weende van groten rouwe dan 34835 Ombedat sine liede** waren doet, Ende som gevaen in groter noet, Ende ombe koninck Evander** meer; Daerombe hadde hi groet seer, Ombedat hi niet en weet daerby, 34840 Ocht** hi doet ocht** gevaen** sy; Ombedit dachte hi na wel sero Tegen den koninck te komene mero In stryde, ende hierombe mede Toech hi achterwaert van der stede, 34845 Ende ombe tontbeidene siner liede daer. Die hem noch komen souden** naer; « Maer die koninck Artur volgedem also Al die nacht, dat hi des morgens vro Quam daer die keyser hadde gelegen, 34850 Ende sine tenten hadde ontBlegen, Ende al gereet was te vaeme*' henen; Maer als hi vernam, diegene**. Dat koninck Artur daer was tien** tyden. Wiste hi wel, dat hy moeste stryden 34855 Ochte** vlien, wats hem gesciet, Ende hi ontvloe om al die werlt niet. Doe ginc hi s^n volc ordinieren. Te strydewaert ende batalgieren, Ende quam jegen den koninck Artar doe, 34860 Ende Artur tegen hem weder alsoe, Ende elc sloech daer ten andren waert* *, Wat gelopen konden haer paert* * ; Daer wart menech speer gebroken ontwee, Daer vlogen die pyle so dicke als snee, 34865 Dat daer dene opten** andren*' scoet: Daer blever in beiden syden menech doet, ** gevangen **een ander; doch xic 't Eng. * 'solden *^to vame * •dengenen "'ten *"oflfte **wcrt, pcrd •■op den ••andem. 390 EndpIIerman^die horo vanTryple,der stede. Was in heren Gawyns geselscap mede, Ende Hartvel , dien daer een knecht scoet 34870 Met ener gavelote* dan te doet. Ende doen Artur sach , dat die Romeyne So lange geduerden in den pleine, Wantsi van des morgens toter noene* Gevochten hadden in stouten' doene*; 34875 Doe riep hi met erren* moede* groet: » Wat eest*, gy Bertoene^, dat gy nu doetV Vaert' vorwaert , later negeen ontgaen , Want ie ben Artur, die, sonderwaen, Dit velt en rume om genen man ; 34880 Volget my, ende denket vorwaert dan Om die grote vromecheit, die gy Dicke gedaen hebbet dor my! Dat es al niet , dat wy vochten tot nn ; Dit syn die heren, dat secgic iu, 34885 Die al die werlt willen dwingen Ende onder hiier balgie briugen; Hier mach men pr^'s an winnen ende ere ; Ie en kome van desen velde nembermere, Ie en hebbe victorie optie* Romeine ! 34890 Heden ^ * es die dach , wetet algemeine, Dat ie sterven sal ocht** leven, Eer ie die Romeine wil begeven". Mettien ^* sloech hi in hem daemaer, Ende wat hi gerakede** sloech hidaer 34895 Doet ocht*' daer neder ter stede; Doen* * ontmoete hi den koninck Hestor* * Dien sloech hi daer syn hovet af; [mede, Daerna hi enen slach gaf Den koninck Polipliore van Meden, 34900 Ende cloefdene toten gordele ter steden. Ende heer Gawyn nu** vergadert was An den Eeyser, dien hi nadas Dat hovet af sloech , dat ter aerden vel Enten*' lichame mede also wel; 34905 Ende doe die Romeine dit sagen**. Dat die keyser was verslagen , Ende haer koninge oec ter stede, Gingensi alle vlien mede , Entie Bertoene' ende haer hoep 34910 Volgeden hem ende sloegense doet; Si versloegense doe, wetet vorwaer, *gabelotc *nonc, done 'stolten *tornigon •op de * "linden ' 'oy **C*stor ''de nu *^unde de •ist ^Brytone 'varl den * 'gerakete * *do *mode **mit AIso vele alsi wouden daer. Artur was der victorien blide sere, Die hem gegeven hadde Onse Here , 34915 Ende alle die daer doet waren bleven, Dadi opten kerchof graven beneven'*, Ende in abdyen**, enten Keyser mede Sendo hi te Home daer, ter stede, Ende ontboet den Romeynen overluet, 34920 Dat wïier* * haer tsyns* * ende haer tribuet, »Dien die van Bertanien** daer senden iu. Dien gy hem dickewile hebhet vor nu Geheescet**; aldus komensi betalen; Es ieman die hem meer wil halen, 34925 Men sal hem geven sulc payment Geljjc dat men iu nu sent". Doe hi dit dus hadde gedaen, Nam hi ract an die princen saen. Wat hi doen soudo nu mere. 34930 Die princen baden** hem alle sere. Dat hi Merlyne rades vrage nu; Doe riet hem Merljjn. secgic iu, Dat hi niet vorder en voere*' mede, Maei* blcve houden** opter stede 34935 Drie** dage ochte vier nadien; Daer soude noch ander wonder gescien. Nu swiget dit boec hier nadat Ende secht van Artur ende van ener cat**. Hoe die koninck' Artur street tegen ene vreeS' like*^ catte. Hier secht dit boec; doe waren** leden 34940 Drie dage, zoide Merlyn ter steden: »Here , over gene lac** es uwes te doen** Want daer en es negeen man so koen'*. Die daer dorst wanderen om enen viant, Die in enen berge woent in dat lant". 34945 vHoe", zcide die koninck, »eest maer één Wat soude wy alle derwaert dan ?"— [man, »Neen, here", zeide doe Merlyn saen, » Dat es eone catte, een Duvel,sonder waen, Die 80 vreeslyc es tansino mede, 34950 Men sach nie desgclykes in gener stede". >God, Here, genade!'* zeide die koninck", » Wanen' * mach komen alsulken dinc* *?" segen *'bl weren *"init eren **Eng. and Hryed the deed hodie^ in chirckeê and abbeyes of the coh- treti **wecr *'tins *'brytannyen "geeyschet ••be- den *'vore * "holden*' »*dre '®catte "eync vreslike '*wcren "Eng. /aXw/tf /oMne? (zie v. 34955) •*doiie, konc "koninch, dinch '•wannen. 391 »Here", zeide Merlyn, >de8 es vieriaer, Ter Opvaert Onaes Heren, wet vorwaer , 34955 Dat een viseer ter Loaanen quam , Te viscene in den lac , alsic vernam , 35000 Ende warp sjjn nette in den lac voertmere Endegelovede den iersten 'viscOnsenHere.! Dien hi daer soude vaen nu mede; 34960 Doe vine hi enen sconen snoec ter stede | Die dertich scelünge* mochte wacrt wesen; 35005 Doe zeide hi: »üod, dune sals' niet heb- [ben desen , Maer du sals hebben nu den naesten; Hi warp sijn netto in met haesten , 34965 Ende vine enen betren* dan dierste* was; 35010 Doe zeide hi : noch sal God beiden nadas , Want den derden sal ie hem geven; Echt warp hi s^n nette daer beneven, Ende vine een clene swart kattekjjn; 34970 Doe zeide die viseer: dit (en) mach niet siJn, 350 15 Dat kattekyn sal ie behouden met, Want entrouwen. God, ie wil gy dat wet , Ie hebbe wel te doene der catten , Ic hebbe thues vele muse ende ratten. 34975 Hi* hielt se so lange, datsi verbeet ter [stede Hem ende sijn wijf ende sine kinder mede; Doe liepsi an enen berch in dlant' daer, Daer si'noch sint hevet geweaen daemaer. 35020 Ende verbijt* ende dodet, nacht ende dach. 34980 Al datsi daerop ervaren mach; Ende si* es eislyc ende groot mede. [sted« Gy sult daer varen , ende vertroeaten ter Die goede liede** ende helpen uter noet" i 35025 Dit hadde den barenen wonder groet, i 34985 Ende zeiden, twaer* * een miracle vorwaer I Van Onsen Here, ombedat die viseer daer Niet en dade dat** hi gelovode Gode. Doe hiet die koninck , dat men gebede, i Dat men trossen spude ende laden, I 35030 34990 Ende ten lakewaert varen met staden. ; Dus voerenai derwaert, ende vonden daer ' Dlant' verwoestet , verre ende naer , [lam ; Want daer en dorste nieman wonen int** Doe voerensi tot an den berch thant; 35035 34995 Daer dade die koninck logieren, ter stede. Ene halve mvlo na den borch mede; Daer nam die koninck met hem doe Den koninck Lot ende Gawine daertoe , Ende sine broeder ende Merlyne mede; Si wapenden hem ende reden, ter stede, Opten berch daer die catte was. Doe wysde hem Merl^jn dat hol nadas, Ende zeide doe toten koninck Artaer* * : »In dat hol es die felle creatuer**'*. » Hoe* * saki wtkomen" ? zeide Artur saen; »Si sal sciere** wt komen gegaen", Zeide Merlijn , >maer hoedet iu naer, Si sal iu vreealyc oplopen daer'*. »Nu vaert uchterwaert", zeide iVrtur doe; Ende si dadent*', ende Merlyn ginc** toe, Ende wispelde sere , secgic iu ; Entie catte, die dat hoerde, quam nu Uten hole gnscietcn * • na desen ; [wesen ; Si meende* ", dat* * oen heeste hadde ge- Si haddc honger ende voer ten koninge- [waert. Ende alaet die koninck sach , hielt hi ter [vaert Syn speer daertegen, ende meende **8e [daermede Doorsteken; maer si nam dat yser ter stede Ende tracket** so sere, dat die koninck [wel naer Gevallen was, ende nietten* 'wringen daer, Dat die koninc wranc dat speer alsoe, Brac syn speer af dat yser doe; Doe warpet die koninck uter hant, [hant Endetrac** syn swaert ende deckedemte Metten** scilde; entie** catte spranc [daemaer Op hem ende meende* 'ne verworgen daer; Maer die coninc acoetse** metten scilde Datsi ter aerden viel** doe neder [weder, Maer si was thant weder op hem gevlogen, Entie koninck hadde tswaert*' getogen, Ende sloech haer een sticke afin dat hoet* *; Maer die hernenpanne en hadde gene noet , Want dat was hart, dat hi des niet Ontginnen en konde, wat gesciet**. Nochtan viel** si van den slage neder, Maer si spranc tehant op weder, [gen, Ende namne by den s(Oudren*''na dien din- *ireU»n *8ciUini;c 'salt "hi'tcTn '(l«t irsto "«lit 'dat lant "dat •verbit ' "goetU'ii liulo '*(lat weer '■ombedat * 'in dat **Artur, crcatur "wo ^•achirc ''deden dat ^'ginch ""geselietcn * "menden ** dat dat **treckedet **mvt den ""umie de **seotse **vel *'dat swccrt **hovet "'wat des geschiet '"scoldercn. 392 Dat die clawen dor den halsbcrch gingen, | Ende intie scouder' oec daernaer; j 35040 Ende si scoerde' den halsbereh daer, Datsi wel driehondert maliën mede Uten halsbereh ecoerde" ter st^de, Sodat hem dat rode bloot Wt sinen scouderen ter stede vloet, 85045 Ende dat hj byna gevallen was; Ende hi liep der catten op nadas, Daersi sat haer poten ende lickede mede Van den bloede ; doe sinc sach ter stede Tot haer* komen, scoet si hem toe 35050 Ende meendene vor begripen doe; Maer hi warp haer den scilt togen; Daer hevetsi haer* clawen ingeslegen*, Datsi den scilt al te male dorsloech Enten^ koninck so na haer droech, 35055 Dat hi bjna was daer neder; Maer die koninck hiel ten' so vaste weder, Datsine hem niet konde ontrecken daer; Ende hi nam syn swaert daernaer, Ende sloech haer die vorenste voete'af doe 35060 Ende si viel op daerde ; doe liep hi toe, Die koninck, ende liet den scilt vallen saer Ende meende die catte echter slaen , Maer si scoet hem int* aensicht daernaer, Ende begreepne metten achtersten voe- [ten** daer, 35065 Ende metten tanden, ende beeten doe Dat hem tbloet verspranc alsoe. Doe nam hi tscerpc van sinen swaerde, Ende meendese dorsteken metter vaerde; Ende doesi dat swaert gevoelde saen , 35070 Lietsi haer vallen ende lieten gaen; Maer si bleef metten clawen daer In den halsberge houden naer, Ende thovet hinc doe nederwaert; Doe sloech die koninck mettervaert 35075 Dachtersto** been af ter stede, Entie biiec viel** ter aerden mede, Ende creet so lude , dat ment van daer Hoerde daer dat heer lach vorwaer, Dat ene halve myle was; 35080 Des menegen sere wonderde, s^t seker das. Die dat in den heer hoerden naer, Die meenden , dat die Davel waer' ' ; Doe begansi te wentelen na desen, Ende hadde geme in haer hol gewesen; 35085 Maer die koninck liep haer tegen doe, Ende si warp haer op met crachte^ * alsoe, Ende wonde op ten'* koninck springen; Entie koninck stacse, na dien dingen, Tuscen die dye**, dat al dor ginc. 35090 Doe qoam Merlgn tot hem, na die dinc, Ende dander' ', ende vrageden hoet' * hem [stoet'*? >Wel, want ie en hebbe gene noet** Van den Davel, dien ie hebbe doet; Ie en quam nie in meerre noet 35095 Noch in meerre angest mede, Sonder van den gigante*' ter stede. Dien ie vor Carmelyde doet sloech; Die dadc my oec groet ongevoech, Eer icken dode met geweir\ 35100 Doe namen** die heren sinen scilt [ken, Ende besagen* * die voete, die daerinne sta- Ende in den halsbereh , na dien saken , Ende zeiden , si en sagen** nie desgelike; Doe voeren* 'si ten heerwaert* 'dapperlike, 35105 Daer men feest hadde om der catten doet. Ende doe die princen sagen** so groet Die voete, entie clawen so lanc met. Waren* 'si alle vertsaget**, dat wet. Van den groten wonder van dien; 35110 Doe leidensi den koninck mettien'* In sine tente ende ontwapendene daer Ende besagen** dat gebetene naer, Ende dat gekrassede van den clawen met, Dat diepe in dat vel ginc, dat wet; 35115 Doe wiesc*' men hem dat herde scone, Ende legde hem sulc dinc daerop, na dat- Dat hem tfenyn al wttrac** mede, [gone, Ende hine liet syn ryden niet ter stede, Want des andren dages reet hi te Gaule- 85120 Enten scilt dadc hi in der** vaert [waert; Voeren , daer die voete inne waren ; Ende dander' * voete dade hy daemare** In een coffer lecgen daer Ombe te togene, gevielet", daernaer; 35125 Enten berch, die te voren biet mede Mn de sculdcrcn *?cordc 'to hem *cr 'ingesla- gen 'unde den 'den scilt 'vornsten vote 'in dat *®voten ** achtersten **?el *'weer **crafftc **op den "dee *'andcrtn **woet **8tode *®nodc **gi- gantcn ** nemen * 'besegen ** steken "segcn '•voren *'herwers * 'weren "vortzagct '®rait den '"wesch **iittrerkede '^de '*anderrn "dacrnarcn '•gevellet. 393 Die bcrch van der Losanen, lii heten* dede Den berch van der Gatten voert; Ende ember'meer sint, na die woert. Wart hi die berch van der Gatten geheten*. 351 80 Hier swiget dit boec, als wy dat weten, Van der Gatten nu voert ter ure , [ture. Ende sal secgen van Merline ende van Ar- V€tn den koninck Artur , ende hoe Merlijn beslO' ten warty daer hi nemher wt mach komen. Da venture secget nu vorwaert, Dat die koninck voer te Bonewicwaert, 85185 Daer men die Romeine hadde gesent, Die in den stride Bijn gevaen* omtrent; Ende doe Leonce ende Pbarien vernamen Die koninge komen , ontfingensise tsamen Blidelike, met feesten groet; 85140 Ende doe verteldensi hem al bloet Van den castele van der marsen mede, Hoe si hem opliepen ter stede, Doe si die gevane* voerden daer, Ende daervor souden trecken vorwaer; 85145 »Wy moesten •se met pyne bescudden [ter tyt, Ende hadden tegen hem groten strgt'\ Des was die koninck Artur erre Ende zeide, hi soudet sondcr merren Op hem doen wreken so sere, 35150 Dat en gesciede hem niet mere. Doe riep hi heren Gawine saen, Ende hiet hem varen , sonder waen , Toten' castele van der marsen mede, Ende hi sovele doe ter stede, 85155 Dat hi den casteel nedervelle daemaer, Dat* diegene, die behoren daer, Also gekastyet* werden ter ure, Datsi niet meer en doen tegen Arture, Hem en sal des gedenken daemare , 35160 Datsi daerombe so gekastyet* waren. Doe dade Heer Gawijn opsitten daer Tien'dusent man, ende voer daernaer Vor den casteel, ende wan hem** saen, Ende dadene breken, sonder waen, 85165 Al te sticken'*, ende vinc daer Die daeroppe waren**, ende sendeso naer 'bieten 'ember 'gchieten ^gevangen, «e *mo8ten •to den '»odat 'gekastyet •ten ^^ene *>8tucken '* weren **de '^myadeden * 'dedc hc * •manich * 'vor- Te Bonewic ten koninck Arture, Die hem dade swejen op die** ure, Dutsi nembermeer mesdaden*^ voertan 35170 Tegen hem noch tegen den koninck Ban, Noch tegen den koninck Bohortmede; Entie van Rome oec ter stede Dadi** datselve sweren oec daer; Ende daermede liet hise quyt vorwaer 35175 Ende te Romewaert varen also; Hierombe was daer menech** vro. Ende binnen datsi daer dus waren, Quam een bode tot Artur gevaren, Diene liet verstaen*' daeran, 35180 Dat doet waer** die koninck Leodegan; Ombedit gereide Artur sine vaert Alse te ridene tsinen landewaert, Ende nam orlof an die koninge bede. Daer wcendensi onder hem ten gescede, 35185 Want dene den andren oec nadien Nembermeer daema en sonde sien**, Dat al te groet scade was Datsi al te bant storven nadas, Alse iu dit boec sal secgen hiemaer. [daer, 35190 Doe die koninck Artur gesceden**^ es van Reet hi met sinen lieden* * te Logreswaert, Daer hi diekoninginne vantbeswaert** Ombe horen vader, die doet was; Maer die koninck troestese, ende nadas 35195 Namen** orlof die grote'* heren daer An den koninck, ende voeren* * thueswaert [naer**, Entie koninck dankedem sere doe; Ende Merljjn bleef met hem alsoe Ene lange tjt, wetet vorwaer, 85200 Dat hi en sciet** van daer. Ende alse hi lange daer hadde gewesen, Quam hi voer den koninck na desen, Ende zeide: »here, ie moet nu Tote Blasise varen, secgic iu". 35205 Doe bat hem die koninck also boude**, Dat hi thant wederkomen sonde**, Entie** koninginne bat hem des mede, Ende zeide, si behoeveden siner ter stede, »Want gy hebbet den koninck, 35210 Naest Gode, gemaket in ware dinc". [re* *: Doe zeide die koninck te Merlyne daema- staen *»weer * •solde zien * •geschieden ** Inden ■*bexweert "nemen **grot€n *• voren ■•dar *'8chiede * "holde, solde **undc de '•damaren. 50 304 » Lieve vrient* , gy wilt na enwech varen, Ende in* mach iu niet houden nu Boven uwen wille', dat secgic iu, 35215 Maer wetet wel, dat ie tonrasten sal sjjn, Thent* j?y weder Rult* komen, Merlyn !" — »Hero'\ zeide doe Merlyn nadien, k Hierna en suldy* my nembermeer sien". »Help, lieve Merljjn, wat zegdyV 35220 Hoe' mochty* aldus eceden van my?** »Dat moet aldus 8^n*\ zeide hi, »here! Dat es mislyc* van mynen wederkere". Doe wart die koninck sere verveert, Ende Merlyn voer enwech verseert, 35225 Ende weende sere in siner vaeri*, Ende reet also te Blasisewaert*', Diene vriendelike ontfinc'^ Doe** vertelde hi Blasise aldiedinc**, i Die den koninck Artur enten '^ baroen 35280 Gesciet waren** in allen doen**; Ende doe sette hi dat in gescrifte daer , Ende by hem wotewy dat vorwaer. Ende doen hi daer achto dage geweest [hevet mot*'. Nam hi an Blasyse orlof, dat wet, 35235 Ende zeide, hi nesagene** nembermeer, Want hi moeste bliven voertmeer Met siner** lieve, ende hine soude daer Nember** mogen keren van haer. Noch hi ne soude des hebben macht 35240 Te sc-edene* * van haer, dach nochte nacht Doe weende Blasys sere nu, Ende zeide: »8int so es , so biddic iu, Dat gy daer niet en** vaert ter stede, Ende hout iu by den koninge mede*^. 35245 »Dat en mach niet zyn***, zeide Merlyn , »Die minne,die ie druge in den herte* *myn En sal my niet laten sceden*^ van haer^\ Doe sciet** hi van Blasyse daemaer, Ende es tsiner** lieven*' gekomen saen, 35250 Diene blidelike hevet ontfaen. Daer bleef hi ene lange tyt by haer; Ende altoes vragedise hem daemaer Yan eynre konst ende van sinen done, Ende hi leerde haer des sovele, na dai^ne, 35255 Dat men hem hielt vor enen sot, ' Ende elc man, die dat doet,80 heipe myGod! Ende si sette dat in gescrifte , groet ende Ende doen hi haer geleert hadde al [smal, Datsi hem vragede , groet ende clene , 35260 Doe dachtesi, hoe*' si, na datgene. Hem onthouden mochte embermeer. Doe begansi hem te smekene seer, Ende zeide: »my gebreket een dinc nu , Dat ie gerne leren woude van iu, 35265 Soetelief, gy moet my leren voertan, Hoe ie mochte beslaten enen man Sonder torre** ocht** sonder mnre mede, Ochf® sonder yser, ocht** oec , ter stede, Sonder houtwerc** enegerhande, 35270 Dat hi nembermeer uten lande Komen en mochte, tenwaer** by my". Doe Merlyn dit hoerde, knickede hy Metten hovede ende versuchtede sere. Doe vragedesi: »waerombe verauchty**, [here?»' 35275 » Ach, joncfrouwe*', zeide hi, >ic secget iu: Gy wilt my hier besluten nu, Ende ie ben** so met uwer minnen** be- Dat ie al uwen wille, sonder waen, [vaen, Doen moet'*. Doe namsine vriendelyc** 35280 In horen arm, en zeide: »8ekerlgc, Gy zoudet met rechte myne syn, Want ie ben'* altemale iu eyggn, Ende bebbe gelaten moeder*' ende vader, Ombe iu thebbene allegader 35285 In mynen arm; nacht ende dach, Denkie ombe mynne, ende ie en mach Negene krygen dan van iu, No** blyscap gene mede nu, Gyne doetse my hebben in scyne, 35290 Sint dat ie iu eigen ben** endegy myne; So es** recht, dat ie doe uwen wiUe, Ende gy den mynen , lude ende stille". By Gode**, zeide Merlyn, »gy secht waer! Nu secht m}', wat gy wilt, daemaer". 35295 »Ic salt doen, here", zeide doe sy, »Dat gy leert nu maken my Ene scone stat, daer ie mochte in, By liste van arten, meer no** min. Enen man besluten alsoe** *vrent *cn * willen *totdat •zolet 'rolc gy, mochte gy 'wo •mTslich 'vart *®wart **vrend. ontfench *»da8 **diü«"h **uiiJe den * •weren **done "med "sege ene * 'sinen **nymber **ioheideoe ** nicht er IS * "herten **«cbieden **8chiedc *'totinen **ÜeTe WO **türn '"off *»holtwerk **dai en weer ••v«r- sjchte g\' **bin * •minne **vrend. "moder **noch *•« **alto. 395 35800 Dat daer nieman en^ tnochte komen toe*, Ende dat hi daer nember wt mochte gaen; Daer soudewj, ie endegy, sonder waen, Inne sgn also lange als gy gebiet'\ >Joncfroawe, dit en willic laten niet; 35805 Dit sal ie doen'\ »Neen, here'\ zeide si doe, »Ic wil dat gy my dat leret alsoe, Dat ie dat selve* mach doen mede'\ Doe leerde hi haer dat, daer ter stede, Ende si settet^ in gescrifte aldaer; 35810 Ende doe s^jt* gescreven hadde naer, Was si des blydo, ende toen de hem saen Een vriendelyc* gelaet, sonder waen. Niet lange daema geviel', datsy Spelen gingen, sy ende hy, 35815 In den woude* van Broeeliande mede; Doe quamen*si op ener hage ter stede Van speeldoemen*', die scone was; Doe gingen si bede sitten nadas In den scade , ende Merlyn leide* ' doe 35320 S|jn hovet in horen seoet alsoe, Ende sy began hem te clowene daemaer, So lange, dat hi ontslapende* * wart daer; Ende si stont op ende ontstal hem mede, Ende nam horen wimpel' ' ende ginc omb [die stede, 85325 Ende makede enen rinc ombe Merlyne Ende began te lerene alombe in scine. Alse haer Merl^n' leerde vordien; Si dade haer teken daer mettien Negenwerf, ende ginc al ombe daer, 35330 Doe ginc si weder sitten daemaer, Ende leide** sjjn hovet op horen seoet ; Al hemelde si dit nn doet. Doe ontsprane hi, als hem doehte'^ Dat hi was in den besten torre, die mochte 35335 Wesen in ertrike* • op ener roetsen mede, Daer hi op lach, die hom doehte ter stede Die beste, die hi ie sach mede. Doe zeide Merlijn tot haer ter stede: >Gy hebbet my bedrogen, jonefrouwe fijn ! 35340 Opdat gy met my niet wilt sjjn Altoes als ie iu begerende** sy, Want nieman en** he vet macht dan gy, Dese dinc tontdoene''. Zy zeide nu: 'neman *to 'tel ven ^sette dat *8e dat *vrend. 'jfevel 'wolde "quemen *'8peldornen **legede '*ont- tUpene '»winpcl **duchte **eertrike "**begernde 1 T neman '*ao ne **at der *'neinaii 'Mat 8oken >Soete lief, ie sal hier komen tot ia 35345 Dicke genoech, ende gy snit my In uwen arm leegen, ende doen daerby Al uwen wille'\ Maer nie sint mede En** quam Merlyn uter** stede, Daeme sgn lief besloet alsoe» 35350 Nocht ieman'* mochte hem komen toe ; Maer si ginc wt ende in , daer si woude. Dus hevetsi hem daer in horen behoude Besloten also, na horen wille. Hier swiget daventure stille 35355 Van Merlyne moer te secgene ter ure, Ende sal secgen van den koninek Arture. lioe koninek Artur Merlyne laet soeken* ^ ^ ende van den dtcerge. Ons secget daventure voert , Dat koninek Artur sere was te"* stoert Omdat Merlijn van hem gesceden was , 35860 Ende nembermcer meende sien** nadas; Dus beide hi seven iaer na hem alsoe, Ocht** hi iet sonde komen hem toe; Doe wart hi so met denken ■* overladen [tien** tyden, Dattene nieman en* kon verblyden. 35365 Doe vragede Gawyn den here daer*' Op ene tjjt, wat hem wel waer** Dat hi so droevech altenen es? Die koninek Artur zeide nade^: » By Grode , neve , ie hebbe groten toren* *, 35370 Ombdat ie Merlyne hebbe verloren, Ende mene hi nembormeer en kornet niet; Want doen hi hier van my sciet, Zeide hi, dat leste soude s^n mettien**, Dat ieken ember'*mecr sonde sien**; 35375 Ende hi ne loeeh my oec niet vordat, Ende ombe dit gelove ie des veel te* * bat, Ende, by Gode, ie verlore my liever nu Die stat van Logres, dat secgic iu. Dan ie Merlyne verlore ter stede; 35380 Ie bidde iu, neve, ombe getrouwiehede**, Dat gyne nu vaert soeken** te hant, Ocht hi eigen is in dit lant'\ vDes ben** ie ge reet", zeide Gawyn doe **to ** mende seen **off * •danken; Eng. ^e was f uil pentif **ten *'heer **wecr **toem **mytdien **iember **8olde seen '"vil de **getruwichede ••soken **bin. 396 35385 35390 35395 »Eiide oec sweric iu by riddencap toe, Dat icken een iaer ende eae& dach Soeken sal , ocht' icken iet mach Vinden ende vernemen bindien*". Dit selve swoer Sagrimor mettien' Ende Ywen ende Gaheries Ende Agrawein ende Garies, Ende tote v^f ende twintech ridder^mede, Die alle voeren* te Logres, ter stede, By des koninges wille Merlyne soeken nu. Dus redensi te gader, secgic iu, Totedatsi tenen cruee quamen , Daer drie wege sceden* gingen tsamen; Daer sciedensi hem in drien mede, Ende elc voer sinen wech ter stede. Dus laticse nu varen alle saen 35400 Ende sal iu secgen van den dwerch.sonder Daer ie iu dat hier vor af liet , f waen , Doen hi van den hove sciet, Ende hi ridder was gemaket alsoe. Hi ende sine amyo quamen' doe 35405 In enen wout* gereden daemaer, Ende voeren* daerin haren taer* Van des morgens toter vespertyt toe; Daema quamen 'si bede doe Uten foreeste, daert^* scone was, 35410 In enen groenen plein nadas; Doe quam een ridder" gereden daer, Ende si wjjsdcne den dwerge naer; Doe zeido die dwerch : »en roeket ia, Coenlike rydet henen nu*\ 35415 »Hi sal my willen nemen*', zeide si doe, »Ënde met hem enwech voeren alsoe'\ »En ontsiet in niet", zeide dienaen**; Mettien*" so riep die ridder saen**: » Wellecomen moete myn ioncfrou wesenl 35420 Nu hebbic gevonden dat ie vor** desen Lange tgt hebbe begaert**". Dit hadde den dwerge onwaert**, Doen** hi dese woerde verstoet, Ende autwoerde met reden wel*' beboet: 35425 »Here, en sgt niet te** haeetich nu! Al te sere mochty** haesten iu. Al drjjfdy** dus feeste menechfout**. Noch en hebdy * "se niet in iuwer gewout* *'* •voren *Bchie- *oflf "biiincndieu 'mytdien *rittcm den ^quemen *wolt "hier unde daer *"dat **ritter **mit den * *dwcrch, starch **na * •begeert, onweert »*dat '»wal * «nicht to »»mochtegy *»dreefdy »«folt >Ic mach wel feest dryven nn, 35430 Want ie salse thant hebben , secgic ia^. Ende doe die dwerch dit g^esach , Dat anders niet syn en mach, Nam hi synen scilt ende deckede hem daer, Dat** men hem niet en sach Tomer, 35435 Ende sette den speer* * onder den arm alioe; Entie** been waren hem so cort doe, Dat hem twe gate dor dat gereide daer Gemaket waren, daer*' hi daemaer Dat ors dorsloech met sporen , twaren« 35440 Want hem die bene te kort waren, Datai dat gereide niet en konden gelyden. Doe riep hi opten ridder tien** tyden: >Uoet iu !'' entie ridder scaemde hem das; Ombedat die dwerch so clene** was 35445 Hadde hem onwaert, dat hi soude Tegen hem ioesteren , ende hielt met ge- Sine glavie opwaert met, den scilt [wonde Hielt hi daertegen met gewelt Entie dwerch stacken daer 35450 Dor den scilt , ende reet op hem daemaer Metten scouderen**, ende ontmoetene [soe. Dat hi ende dors ter aerden viel* * doe. Ende metten'* valle brac hi, teretede, Sine scouder**; entie dwerch mede •)5455 Overreet hem ende quetsedene sere , Dat** hi lach al wten kere. Doe riep die dwerch die ioncfrou daer. Dat sine afholpe daemaer; Ende si namne in horen arm alsoe, 35460 Ende settene optie aerde doe, Ende hi toech swaert ende ginc staen Boven den ridder ende trac** hem af saen Den helm , ende zeide hi sonde hem daer Dat hovet af slaen, hine gave hem daemaer 35465 Op verwonnen ; ende doe hi dit sach , Die daer seer gequetset doe lach, Gaf hi hem op , ende bat genade saen. » So moety * * dan varen", sprac die naen* ' »Tcn koninck Artur , ende secht hem dan, 35470 Dat iu daer sent die clene man, Dien hi ridder makede met genende , Ende ie iu in sine gevancnesse sende^*. »»hebbe gy "ge^ol* »*8odat **dat; dochiieHBng. he raite hit êpttre in fewtm **unde de *'dat '•ten * •clcyne * *mit den Boolderen * * vel * "myt den * *aool> der '^aodat '•treckede **mote gy "* dwerch saen. 397 Doe sekerde hi hem dat in trouwen daer ; Doe biet hine opstaen daernaer 85475 Ende derwaert* varen; doe zeide hi saen, Dat hi niet op en mochte staen, »Want ie hebbe diescoader* ontwenu; Maer woudy' varen, des biddic iu, Bander*8yde desen pleine*, ende herber- [get daer 35480 In mgnre* woninge, ende secht* daernaer Minen knapen, datsi mj halen, Bonder [waen." >Dat wil ie gerne doen", zeide die naen*. Doe ginc hi ter ioncfrouwen mede, Diene op sgn ors sette ter stede, 85485 Ende reden ter woningewaert alsoe, Daer si wel ontfaen waren* doe; Daer liepen die knape tegen hem daernaer, Ende daden ^ *se beten ende ontwapendene Ende daden* "se in die sale* ' gaen , [daer 35490 Ende gaven'* hem enen mantel ombe [saen. Doe zeide hem die dwerch, dat haer here In den pleine* gequetset lage*' sere, Ende datsi ne halen. Doe namen * ^si daer Een orsebaer , ende voeren om hem naer, 85495 Ende leidene** daerop, ende voerdene** [mede, Thueswaert, ende ontwapenden hem sine Ende bereidene, so si best konden, [lede, Ende vrageden, wie*' hem dat dade, [tien** stonden; fii zeide : een ridder , hi ne weet niet das, 35500 Hine dorste van scanden niet Hen wiet* 'was Ende dat** hem een dwerch haddegedaen. Ende hi dade daer doe den naen**. Al die feeste, die hi mochte daer. Van etene, van drinkene; ende daernaer 35505 Ginc men slapen, ende sliepen** nadas Totdat hoge opten dach was; Doe stondensi op, entie ioncfroawe saen Qinc ende wapende den naen**, Als diene minde berde sere. 35510 Doe gingen si in die camer toten here, Ende boden hem goeden dach alsoe, Ende namen an hem orlof doe *darwcrt *scolder 'wolde gy *op ander "plane •m3me 'secget 'dwerch saen 'weren '"dedc **dat * 'geven *'lege ** nemen **legeden ene *'vordcn ene *'we *'tcn *'weet "dat dat '*dw. sonder waen Ende dankeden hem van siner herbergen ; Doe gingensi thoren paerden naer, [daer ; 35515 Entie ioncfrouwc nam doe den naen**, Ende settene in sgn gereide saen, Ende reden tEstrogorrewaert nadas. Entie ridder die gequetset was** Dachte sine trouwe** te quytene daer, 35520 Ende dade hem voeren op ene orsebaer TeCaredol waert.daer die koninck Artuer * * Met groter geselscap was ter uer**; Entie ridder dade" hem dragen nadat , Daer die koninck Artur nu sat ende at ; 35525 Hi groete den koninck ende al die daer [waren**, Ende zeide toten koninge daernare: »Here, ombe mine trouwe** thoudene nu, Ben ie van eens ridders wegen tot iu Comen in iu genade, die nu hevet my 35530 Verwonnen". Die koninck vragede, wie [hy sy >Die iu hier sent in gevancnesse mede?" > Here",zeide hi,» ie sie' * wel dat ie tor stede Myne grote scande moet secgen iu; Maer ombe myne trouwe thoudene nu, 35535 Sal ie dat secgen ; want ie mynde, here, Ene ioncfrouwe utermaten sere, Die 80 overscone es Ende eens koninges dochter, sgt seker des; Ende my geviel hiervor, dat ie quam 35540 Al gewapent daer ie vernam Enen dwerch entie ioncfrouwe mede. Die van iu quamen** ter stede; Ende doen* * icse komen sach metten naen , Yerblyde m|jn herte daerombe saen, 35545 Dat nieman** meer met haer was; Ende ie zeide ende riep sere nadas, Datse my God gesent hadde daer; Entie dwerch zeide doe daernaer, Dat ie my niet sere en haeste ter stede , 35550 Wantet** sonde anders s|jn daer mede Dan ie meende**; ende ie, die alsoe Mynen wille meende** vorderen doe, Haeste my, ende reet ter ioncfrouwen- [waert**; Entie dwerch nam tspeermettervaert**, '•abpen "Uch 'Mruwe "Arture "ore "dede "we- ren "truwe "se "quemen "do "neman '♦want dat "mende "wart, vart. 398 35555 Ende reet te my waert, wat hi mochte ; Tc* hilt myn' Rpeer stille, want my doch te Dat onneer waer* ; doe atac hy my, Dat ie ter aerden viel* daerby, Ende mync sconder ontwe mede; 35560 Doe beete hi ende wonde ter stede Mgn* hovet met enen swaerde af 'slaen ; Here , doe moeste' ie my geven gevaen , Ende gelovede met trouwen* daer In uwe gevancnesse te komene dacmaer^\ 35565 »By Gode'\ zeide die koninck omtrent*, »Hi hevet iu in goede gevancnesse gesent ; Maer secht my, wie** hi es, die naen". » By Gode, here", zeide die ridder saen, Hi es sone des koninck Brangores 35570 Van Estrogorre, die machtich** es**. Die koninck zeide: »gy secget waer; Maer my wondert sere openbaer, Dat Onse Here gaf sulke vrucht heme'*. Die ridder zeide: >Onses Heren geteme 35575 Sgn*' wonderlike; want moeder* ' ende [vader Verdienen des dickewile beide gader. Dat hem dus gedane dinc gesciede met* *; Die kinder verdienent oec mede, dat wet ; Want hi was een dat scoenste** kint, 35580 Dat men ieigen vant omtrint, Ende doen hi hadde dertien** jaer, Gesciede hem dit al openbaer; Ende hi es maer xxij jaer out* 'mede, Nochtan scgnt hi veertich iaer ter stede ; 35585 Ende daer hi na heet**, die koninck [Evadan , Secget dat hi niet ouder en** es'Woertan Vragede hem die koninck, hoe dat hem [sciet? »By Gode, here, zeide hi, »ombedathy niet Mynnen en woude ene ioncfrouwe mede, 35590 Makcdcsi hem van toemechoit dus ter [stede ; Maer die dach es getermineert, hebbic yer> [nomen , Dat hi weder in sine forme sal komen ; Nu hebbic myne lofte gedaen. Aldus gevic my iu hier gevaen'\ ^ich 'my 'weer *vcl •mynen •off 'moste 'tru- wen 'omtrint *®we **mechtich **med '*BC0Dste **drittccn *'olt **koninch, dinch **pede **vren8cap **vart **ne > «sint «•hiet * 'moder » •older 35595 >Vrient. ie scelde iu qugt'\ zeide die ko [ninck**, Maer secget my uwen name, ombe die [dinc**. »Here, men heet myTradeliant,8gtgewe8, Ende ben pete** des koninges yanNor- [gales, Die my sinen name van vrienscap** gaf; 35600 Here, nu begeric uwen orlof daeraf , Dat ie hene moge varen nu mere*\ Die koninck zeide: >vaert** met Onsen Doe namone** sine knape sciere [Here !*' Ende droegen* * hem weder in sgn lettiere, 35605 Ende voeren thoren** landewaert saen, Doe wart daer gesproken van den naen** Vele, ende van siner vriendinnen** mede; Die koninck zeide daer ter stede , Dat vrome waer, quame hi alsoe 35610 Weder in sine forme daertoe; Daema** zeide die koninginne: »Ic wane**dit wel weet sine vriendinne**, Ende ombedat mint sine te** meer*\ »Ic gelovedes wer\ zeide die heer. 85615 Hier swiget dit boec van hem nu mede, Ende secget voert van Tweine ter stede. Van heren Ytcene ende van deti dwerge, ende hoe heer Gawyn verwandelt wart tenen** dwergej ende hoe dat hi quam^ daer hi Mirtyne toesprac. Hier secget dhistorie van Tweine; Doe hi geaceden** was van Gaweine, Quam hi, ende sine gesellen daemaer, 35620 Int wtgaen van enen foreeste; daer Gemoeten*^ si ener joncfrouwen, gereden Op enen muel, die daer ter steden Groten rouwe dreef ende trac haer haer Met groten vloeken wt** vorwaer, 35625 Ende riep: >wat sal mgns gescien, Als ie dengenen verloren sal sien, Die my boven al die werlt minde , Ende dor myne vrientscap** met geninde** Sine grote scoenheit hevet verloren?** 35630 Doen** heer Ywein dit begonde horen , men ene * *drogen ene * *voren to oren * 'dwerek ton der waen '•?rendinnen **derwert ''wene •■to eynen ••gescheiden •^diergem. ••ut ■• •cap •'genende ••do. »»de vren- 399 Ontfermede hem des, ende reet derwaert* Ende vragede, wat haer waer*,ter vaert*. Doe zeidesi: »liebt m^ns genade nu, Edele here, ende mgns amyses, biddic ia, 35635 Dien v^f ridder te dode slaen Onder^ genen berge*'. Doe zeide hi saen Toter joncfrouwen: »wie es iu amys?" »Die dwerch, des koninges sone Bran- [gorys", 2^ide die ioncfrou, »dien die koninck [Artucr* 35640 Nuwelinge' ridder makede ter uer*". HeerYwein zeide: »joncfrouwe,8wigetnu! By der trouwen *, die ie ben* sculdech iu, Mach ie daer te tyde nu komen, Hem en wert dat l|jf niet genomen". 35645 »Ach, here!" zeidesi, »groten danc, Maer gy ne moget maken niet lanc Suldy* te tyde komen daer". Doe reet heer Twein vaste daernaer, Ende quam gereden, daer die naen 35650 Yreeslike street , sonder waen , Tegen twe ridder; want hi hadder drie* • Afgeslagen van der partie. Dat er hem negeen ten stonde Van der aerden verheffen** konde; 35655 Want den enen haddi, in der** were, In dat die** gesteken metten spere. Enten andren** in die scouder** mede, Dat hi hem ontledet hinc ter, stede; Den derden haddi, daer te hande, 35660 Dat hovet geclovet toten tanden. Doene Ywen sach stryden so vromelike, Zeide hi, dat scade waer sekerlike, »Dat hi so clene* • es , want hi es koene* ' Ende van goeden herte''*,daerde8este [doene*'"; 35665 Ende heer Ywein reet derwaert seer; Maer eer daer nu konde komen die heer, Haddi den vierden geslagen ter aerde** Ende overreet hem metten paerde**; Ende als die v^fte sach, dat hy 35670 Allene was, haddi angest daerby, Ende woude doe vlien herde saen; Maer hi hielten so kort, die naen, *dtrwcrt *er weer "vart *onde "Artar, ur 'nu- winge 'trawen •bin •solegy *'dre **verhcven '*de > *dee * * unde den andern * •scoldarcn ' •cleine * 'cone, donc *• herten * 'eerde, perde "'i» dat **ik dat Met slagen , dat hine dodet hadde daer, En hadde heer Twein geweest vorwaer, 35675 Die hem hovesclike bat alsoe , Dat h)jt liete varen; want hi daertoe Wel sach wat daer was gesciet. Ende als die dwerch dit hoerde ende siet, Antwoerde hi heren Ywein hovesclike na- 35680 Want hi herde hovesc was: fdas » Here, eest* " iu wille,dat iet* * late staen"? > Jaet", zeide manheer Ywein saen , >Endo Grod danke iu mede daeran". Die dwerch sprac: >gy scy at so goeden 35685 Ie wille gerne iu bede doen nu", [man, Doe quam die ridder, secgic iu. Tot heerYweine ende dankeden naer**, Dat hine nu bescut** hadde daer; [waen, Doe boet hi tswaert** den dwerge, sonder 35690 Ende dander**, die daer leveden, saen. Daer dadese die dwerch alle vier varen In koninck Arturs gevancnoRse, twaren, Ende si voeren van desnaens** wegen daer, Ende mijnheer Ywein sciet daernaer, 35695 Ende sine gesellen van den naen** [saen Ende van der joncfrouwen, ende voeren** Enwech, ende sochten Merlyne thant In meneger stat, in menech** lant. Maer sine vonden van hem gene niema- 35700 Des si herde droevecU*" waven**; [ren** Tende** van den jacr qnam elc nadas Te hove, ende telde wat hem gesciet was, Entie** koninck Artur dadet** al mede In gescrifte setten ter stede. 35705 Entie** wile, daer wy dit af tellen. Dat Y wene dit gesciede, ende sine gesellen, Quam'^ heer Guwyn gereden tener stede, Ende oec al sine gesellen mede; Daer woude hi datsi hem scieden alsoe, 35710 Ende elc allene voertrede doe. Want hine woude also nember varen; Ene doe si alle gesceden** waren, Quam*^ heer Grawein varende allene** In een scone foreest gemene, 35715 Ende hi dachte ombe Merline, na die dinc, So sere , hi ne wiste wat hem overginc ; Ende doe hi twe mile hadde gereden , **damaer **be8cud '^dat sweert "'de andern "•dwerges, dw. saen * 'voren **manich **niemeren, weren **drovicli '^tenende **unde de **dedet '*»o quam **ge8oieden "vamde alleine. 400 Quaiii aav joDcfrou tegen hem ter iteden Op cni) «roms tellende' paert*; 35720 Kncio hft«?r Oawyn »io in gedochte* vaert* I)at hi baerre^ vergat te groetene* doe; I)oe Ml Tor hen hmm* was, k(«orde*fi al»oe Knde xcide : »hy Oode, U^n eM niet waer, Dat men van iu Herg(*t openhaer : Ji572r> Mi'U niT^i't, h(M*r (Jiiwijn, dat gy iyt Die bftNte riddor, die. es ter tyt KntiM \in\i*,H('if** ooc en soe, ii67*ir> Dat gy daer velo sranden ende onneren Af »ult hoblHMi, eer gy weder sult keren , Maer io en necge niet,dat iu altoes 8t\l duren; Kndo dattu nu vaer»'* soeken ter uren, Dat en miHu iut'* konincrike van Logree 8N7A0 Niet vinden; maer» s\jt seker des, Iu olone** lU^rt^nien*' 8uldy*Viaeraf ho- Nu slaet vorwaert va*te met «VH^ren, [ren ; Kuteu'* iersten", dien gy moet et** nu. Dien mot^ty** gxdiken» des onnic*' iu, Ü^^^^ Thent*' gy mv wetler !»iet vorwaer*\ Knde heer iiuwein rtvt benen van daer, Knde hi en wa'< niet* • gt^retien ene myle Dat hi \)utuuH*te'* terselver wvle Den dwergx* enter'* ivMiotVv^uwen minie, . 5^N7t>0 IWr ie hier venif »eide, ter :^tede. Die die xier ridder $ende ten koniuvk Ar- Vj\de nu wü* » op vlo*t* ^elvo uor' *. [tuer ; MrUcttU^ *j*r». >*rt ^dAoVfii •irrw *gr\*tett* •k«i **VjKil*^ea **wv i*i ^♦«on: **fv»>t **ir«God geve in beden saligen" dach!*" Si zeiden weder : > God,diet wel doen mach, (leye in geluck' * ende goede aventore !" — Ende niet lange na der nre, Cjuam die dwerch weder, nadas, 85770 In sine forme, daer hi te voren in was^ Ende van ouder' " tweeëndetwintich jaren Scone ende goet geledet, twaren, Dat'* hi sine wapene wt, na datgene, Moeste** doen, ombe datsi waren** clene. 35775 Ende doe dit syn lief sach, Was si die blideste, die wesen mach; Si namne in den arm te hant daer, Ende custene hondertwerf daemaer ; Si waren *^ blyde u termaten sere, 85780 Ende dankeden** Gode, Onsen Here, Dat hem aldus nu was vergaen; Heren** Gawyne dankeden sgs** sereaaen. Die hem saligen dach ontboet, Daer si blyscap af hadden groet. 85785 Dus redens! henen onder hem daer, Ende heer Gawyn reet oec vorwaer; Maer hi en was niet drie^ ' myle gereden, Dat hem sine mouwe**, daer ter steden. Van sinen halsberch over die hande hinc, 35790 Ende s^jn halsberch , na die dinc , Wart hem te lanc drie^ * voete daemaer, So cort ende so clene wart hi daer; Sine yseme consen** waren** overeoi Twe voete** langer dan die been, 85795 Ende sgn scilt sloech hem mede Toten** voeten. Doe zeide hi ter stede; »Dit ejs dat my die ioncfronwe. cmthiet**; Hi was so erre^*, doe hi dat óet. Dat hi hem welna vervlagen hadde mede; 35801.» Ende in deser groter^ * onverditldecliede Keet hi so lange, dat hi qoaan Uten foreeste, daer hi een cruce Temas. l>Aer een steen bj stont ; doe voer hi deer Ende beete, ende begonde daenaer 85S05 Sinen halsberch te korten ter stede, Ende oec sine moawe** mede« Ende sine riemen van den scilde saet . d»t «"oBtacie **a»ieder **miv "«!:<« «^iit^vckr *»w*I ••o:iHeer* Gawein, en mestroest iu niet van 35825 Dat gevallen moet, dat moet we8eu".[dien: Heer* Gawein sach al ombe na desen, Ënde als hi dit dus hevet verstaen, Uaddi geme dor den roeck*" gegaen, Maer hi en konde , ende doe zeide hy : 35830 »God**,Here! ende wie** noemt hier my Met mynen name, nu** ter stede?" >Hoe* *",zeide die stemme,» wat es dy mede Dattu my nu wils** kennen niet? Wat es dy'', zeide hi, »nu gesciet, 35835 Du plages** ray wel te kennen hiervor, Aldus varet nu al die werlt dor Want van den** dinc, die men niet han- Daer es men voUec** afgekeert, [teert, Entie proverbie es waer, die men seit**, 35840 Want die hof scuwet, God weet**, Dhof scuwet hem weder daerby, Ënde aldus es dat nu met my: Doen** ie den koninck Artur diende Ënde iu, ende ander sine vriende**, 35845 Was* * ie gemint van iu ende andren mede, Ënde ombedat ie den hof gelaten hebbe, [ter stede , Ben ie onbekant met andren ende met iu, Ënde met rechte en soude** men nu My dat niet doen , sg iu bekant, [dlant**. 35850 Opdat trouwe** ende doget regeren** Doe heer* Gawein dese stemme hoerde , *weer *ray8val *clagede he *hoerdehe *ropende 'der- wart ^d. en d. diichte •mytdien •her ***roech **Got **we **hier **wo * 'wille se **plegest *^der **vol- lich ^'zecht '"weit **do **vrende **8o waa **8oldc ••truwe **rcy geren *'w)lde ik *• nicht gescheen Verstout hy wel by dien woerde, Dat Merlyn was, ende zeide nu: >Met rechte soudic** wel kennen iu, 35855 Want eer menige, sonder waen, Hebbic hiervor van iu ontfaen; Ie bidde iu, here, laet my iu sien". »Dat en mach", zeide hi, »niet geacien**, Dat gy my ember * *meer moget* *sien over- 35860 Ochte** spreken voert man negeen, [een, Nadien , dat gy hier scedet* * van my ; Want nieman en hevet macht, dat hy Voertmeer hier moge komen iet. Dan myne vriendinne* *, als sgt* * ge biet. 35865 Ënde tes* * my leet , dat so moet wesen, Want ie en hebbe gene macht van desen, Dat ie daer iet tegen kan gedoen overeen ; Want in der werlt en es torre** negeen So vast, als daer ie besloten ben" in; 35870 Nochtan so en es hi** meer no min Van stene , van hou te* *, van yser mede ; Maer hi es by der lucht besloten ter stede By cracht van arten, ende meer no min So en mach daer nieman wt^* nochtein 35875 Sonder mgn lief, die geaelscap hout my Alset haer genoeget* * ende haer wille sy". »Hoe**", zeide Gawein, ^lieveMerlJnl Hoe** komet, dat gy aldus moet sgn? Ënde en kondy* * iu selve geholpen niet 35880 Met gener behendecheit,die gy pleget,(iet)? Ënde gy waert* * die vroedeste* *, dien men In der werlt , van alrehande liste !" [wiste Doe zeide Merlgn: » lieve here, ie was. Die sotteste van der werlt, s^jt seker das , 35885 Want ie wiste al dit te voren, Ende liet my een wgt so verdoren, Dat ie se liever hadde dan my; Want ie leerde mynen lieve daerby Dat ie gevaen ben**, ende my en mach 35890 Nembermeer verlosen, nacht no dach, Negeen mensche, die nu levet, Thent mgn*' leven inde** hevet". »By Gode", zeide heer Gawein ter stede, »De8 ben ie rouwech, ende mgn oem mede, 35895 Die iu soeken doet, als hi dit weet, Sal hem dat wesen herde leet". "•omber *®8een '^offte **8chiedet "vrendynne **ze dat ••dit es ••torn "'bin ••holt ■•holte **neman ut **geuoget **wo **konne gy ** weren **vro- deste * 'gevangen bin * 'totdat **ende. 51 402 » Ach, mijn lieve Artur !* zeide Merlyn nu, » Nembermeer bo ne sie ick voert iu Nochte gy my; want dat es om niet, 35900 Wie* hem des pynde voert, iemaniet; Ende waerdy* van my gekeert* voertan, Nembermeer so ne hoerde my man Nochte oec wjf spreken gemene Sonder myne vriendinne* allene; 35905 Nu keert* weder ende groet my sere Den koninck Artur , mynen lieven here, Entie koninginne*, ende al die barone, Ende tellet mgn wesen al dengonen' Van den hove, ie bidde iu des; 35910 Gy sult den koninck vinden te Cardoles Ende alle die gesellen oec ter stede. Die my met iu voeren* soeken mede. Ende voert , heer* Gawein, so secgic iu, ^^^ gy iu niet en wantroestet nu 35915 Van dat in hier vor gesciet es. Want gy sult die ioncfrouwe, sgt gewes, In den foreeste vinden; en latet niet, Gy en groetet* * se hovesclike, als gy se siet; Nu vaert te Gode", zeide Merlgn saen, 35920 >Ende Onse Here moete den koninge by- [staen Enter* * koninginnen enten* * gesinde mede Ende al den lande, dorpen**, ende ste- [den**". Doe sciet* *heerGawein rouwech ende blyde: Blyde was hi ombedat hem tientyde** 35925 Merlgn gesecht hadde, dat hy Themsclven soude komen daerby; Ende rouwech was hi als te voren. Dat hy Merline dus hadde verloren. Dus reet hi vaste te Caredolwaert , 35930 Ende quam gereden mettervaert In den wout* ', daer hi die ioncfrouwe ont- Hier voer , die hy niet en groete ; [moete Daer sach hi besyden twe ridder*' staen Al gewapent, ende hielden gevaen 35935 Ene ioncfrouwe onder hem beden daer, Ende gelieten hem, ocht**si se daer Verkrachten souden; maer si ne haddens Negenen wille , dat secgic iu ; [nu , Maer si dadet hem doen ter stede *we dat *werc gy *gekiert *vrendynne •kiert 'koninginnen 'dengenen •voren 'her **grotet **unde der **ande den '•dorpe, stede '*8ciede ^•tcntyde *'bu8ch *'ritter '•off '•provene ••solde, wolde 35940 Ombe heren Gawine te proevene** mede, Ende si wranc haer hande menechfoude**, Ende gebaerde** ooht** men se verkrach- [ten** woude**. Doen heer Gawein dit sach te hant. Riep hi : >gy z^t doet, als gy in dit lant 35945 loncfrou verkrachten* * wilt, dat toehoert Den koninck Artur" ; dus reet hi voert , Entie ioncfrouwe riep doe mettien: >Heer Gawein, nu sal ie wel sien, Ocht** in iu es so vele vromechede, 35950 Dat gy my komet bescudden, ter stede, Van deser scanden". Hi zeide mettien: »By Gode, joncfrouwe, iu ne sal gescien Negene scande, daer iet** letten kan". Dit hadde den riddren*^, van sulken man, 35955 Onwaert**, ende sprongen op daemaer, Ende bonden haer helme, wet vorwaer; Entie joncfrouwe haddese versekert vor- [dien, Dat hem van hem niet en soude messcien* •; Ende alsi haer helme hadden verbonden, 35960 Zeiden si: >onwaerdigenaen*'", tienston- »Ende sotte wicht, gy zgtnudoet; [den, Maer wat soudewy an sulken cloet, Ocht** an also onwaerdigen man, Alse du best**, benyden dan, 35965 Anders sloegewy dy te hant doet!" Ende doen heer Guwein dit verstoet. Dat sine naen*' hieten daer, Ende also verspraken** oec daemaer, Hadde hjjs** groten rouwe ter stede, 35970 Ende antwoerde dus hem beden** mede: >6y Gode, also onwaert iedunke** iu, Ie ben hier komen te scanden nu Ende tuwer groter** onneren mede; Sit op iu orse beide ter stede, 35975 Want dat waer*^ onneer socht ie iu Tors, ende gy te voet sgt nu". Doe zeiden dander* * : >(gy) verlaet iu sere Op iu selven, dat gy ons nu mere Op onse orse wilt laten sitten hier; 35980 Al sydy clene**, gy syt*^ fier In iu woert". Ende Gawyn zeide doe** : »Ic verlate my op Gode, ende daertoe** •'geharde •■verkrochten ••ik dat «^ritters ••on- weert • •nicht solde mysschien •'dwerch ■•hist ••ver- spreken • •he des • ' bieden • •donke • •to uwen groten •*wocr ••de anderen ••syngy clene •^sint ••do, to. 403 Op myne* kracht eer gy hier sult sceden*, I^t'^t gy daema , onder iu beden , 35985 Nembermeer in koninck Arturs lant Wyf en verkrachtet*, sy in bekant, Also sal ie in begaden hier!'' Doe saten op die ridder fier Op haer orse, ende zeiden met overmoede 35990 Tot heer Oawyne, dat hi hem hoede, Hi waer nn doet. Doe sloegen* sy Met sporen theren G^wyne daerby, Ende braken* bede haer spere ter stede ; Heer Gawein stac den enen* mede, 35995 Dat hine tumelen dade ter aerden*, Ende overreeten daer met sinen paerde'; Doe wonde hi den ander metten swaerde [slaen , Doe riep die joncf rouwe : » Gawein, laet [staen! Des es* genoech, en doet daer niet meer [toe*". 36000 iJoncfrouwe", zeide hi, >wildy** dat [alsoe*?" » Ja ic'\ zeide si. Heer Gawein zeide saen : »Joncfron, dor nwen wille latict staen Na meer, en dade" ia bede, Ie soudese doet slaen ocht sy my mede ; 36005 Want si hebben my groten lachter' *gedaen Ende scande gesecht"; wantsi my naen Ende onwaert bieten mede daeruaer; Nochtan zeidensi een deel waer, Want ie ben dat onwaerdeste dat es, 36010 Endct gesciede my in den wonde' * vordes. Dies'* es wel ses maende leden". Doe begonde te lachgene, ter steden, Die ioncirou, entie'* ridder beide*'; Daema si tot heren Gawyne zeide: 36015 »Heer Gawein, die iu mochte genesen. Wat sonde sgn loen daeraf wesen?"' » Joncf rou , die my genase' *, wetet wale , Ie gave'* hem myselven al te male, Ende al dat ie mochte verwinnen daertoe 36020 In deser werlt'\ Si zeide doe: ^ Gyne sult' * daer so vele niet om geven nn, Maer gy moet my enen eet doen, secgic in, 'my 'icieden 'verkrechtet ^slogen 'breken 'eynen 'eerden, perde •es *toe, alsoe * "wille gy *'dede '•laster '*gezeget "*bu8che **des '•undede **bedc » *genase, gave * •stolt * *do * 'done. * *Dit woord is er door den afschr^ver, wiens laatste 't is, bygeschreven ; wat dan volgt is van een andere hand, gelijk ook uit Alsule als ie iu secgen saV\ >Joncfrou, wat gy wilt, ie doe** dat al, 36025 Secht uwen wille, ie ben gereet Daeraf te doene al uwen eet". >Gy sult my sweren", zeide si saen, By dien ede, dien gy hebbet gedaen luwen ome, den koninck Artuer, 36030 Dat gy nembermeer, in negener uer, Daer vrouwe ocht ionefrou uwes hevet te Begeven en sult in genen doene* ' ,[doene* ' , Gyne sult haer helpen na uwer macht. Dat sy dach eder nacht. Amen**. 36035 (Ende) waer gy vrouwe ochte ionefrou ont- Dat gyseembor** ierstwerf groet [moet, Ocht gy kont*'. Doe zeide Gawein saen**: »Jonfroa, dit wil ie iu loven gaen** Alse een wettech ridder gereet". 36040 »Ënde aldus", zeidesi, >neniie** den eet; Maer breeedy" dien ember na desen, Gy soudet** weder aldus wesen". Ende daema las si haer woert, Alse te dien dingen behoert; 36045 Ende niet lange daema, sonderwaen. Braken* al die riemen** saen, Daer sine wapene mede waren gebonden, Ende syne ysemecousen**, ten stonden, Ende hi wart alse hi vor was; 36050 Ende als hi geware wart das*', Beette** hi van den paerde daernaer, Ende knielde** vor die ionefrou we daer, Ende zeide, dat hi hoer** ridder waer Also lange hi levede naer. 36055 Doe dadesi opstaen den heer, Ende dankede hem der hovesceit seer ; Ende dit was die joncirou, sonderwaen. Die hem dat mesval** hadde gedaen. Entie ionefrouwe voer van daer, 36060 Entie twe ridder met hoer** daemaer; Maer heer Gawein** bleef*' noch toe Ende lengede sine wapene doe, Ende herbantse al te male Ende bereide hem al te wale, 36065 Ende sat daema op syn paert**, Ende reet also te Caredolwaert**, de naamsverandering van Gawein in Walewein en an- dere kleinigheden blykt. »*umber »*Walywaen "saen ••neemt; doch zie *tEng. êtake »"brekegy •* solden •*remen *'colBen *Mat8 ■•beiten •'kneelde '^oer •*myt&l ••Walewyn "bleyff ••pert, wert. 404 Ende qaam daer rechte terselver uren, Daer vertelt hadden haer aventuren Heer Ywein, Sagrimor, ende haer* gesellen, 36070 Die hem in der vaert gevellen; Ende alse Gawein* komen was, Wart* daer groot feeste dordaa Onder den gosellen, hebbic vernomen, Om* dat fli alle waren gekomen, 36075 Die Merlyne hadden gesocht mede. Dus es Gawein* oec gestaen ter stede Ende vertelde sine aventure al. Die hem gesciede, groet ende smal; Hi telde van der joncfrouwen saen , 36080 Die hem gemaket hadde een naen, Ora*dat hise niet en groete* ter steden, Daer ei jegen hem quam gereden; Hi telde daerna van Merlyne, Hoe hine vant in ener woestyne, 36085 Daer hi besloten blivet emmermere , Ende hoe* hi groete sinen here, Den koninck , ende sine vrouwe met', Ende al die gesellen oec*, dat wet; Ende hoe*ne een wgf hevet besloten, 36090 Vertelde hi daer al den genoten; Hi seide voeit, hoe* hi verquam, Ende sine formc weder annam , »Ende wart weder, als gy siet* nu**. Des wonderde sere, secgic iu, 36095 Al dengenen van der salen, Ende hadden hieraf*" vele talen. Maer Artur entie** koninginne Waren nu in droeven** sinne, Ommedat sine daer hadden verloren, 30100 Daeromrae*" hadden si groten toren; Si vloecteu sijnre amyeu menechwerven , Datsi quader doet moeste** sterven, Datsine dus besloten hevet. Aldus die koninck met rouwen levet. 36105 Ende alsi** stonden met deser tale, So quam Evadan in die'* sale Van der oude*' van xxij iaren; Ende was een scone man, twaron, Ende so edel mede, tien** stonden, 361 10 Dat men genen scoenren hadde vonden , Ende hielt by dor hant sine vriendinne* *, 'oer Ende quam vor Artuer met sinne , Ende groetene*** hovesclike daer, Entie koninck dankede hem daemaer. 36 11 5 Doezelde Evadan; >here, kendy my iet* *?"' »By Gode, heer ridder**, nenic niet", Zeide die koninck, vic* * en sach iu niet eer. • Entrouwen", zeide die ridder, >heer, Gy hebbet** my gesien vor nu 36120 Al (en) kendy my niet, secgic iu; Maer doe gy my lestwerf saget* * ter stede, Entese* * joncfrou , die hier staet* ' mede, Doe was ie hier in sulc abyt. Die my daer in sach, doe ter tyt, 36125 Ende my sage** nu voertan, Hi soude my oevele** kennen dan". > By Gode", antwoerde die koninck saen , • Vrient***, also verre ie kan verstaen , En sach ie iu niet, dunket my nu". 36130 >Here", zeide hi doe, »gedenket nietiu. Dat hier ene joncfrouwe quam gereden, Ende enen naen brachte ter steden , Dien** gy ridder makedet** alsoe". »Jaet", sprac die koninck doe; 36135 »Hi hevet my", sprac die koninck daer, »Vyf ridder'* gesent vorwaer, Ende in vancnesse, wetet dan. Die hi in stryde al verwan Ende met syner vromecheit onder* *dede*'. 36140 Doe zeide die ridder daer ter stede: • Here**, ie ben die naen**, diesel ve man , Die die vyf ridder verwan , Ende iu sende die also gevaen; Ende oec ben ie dieselve naen, 36145 Dien gy ridder makedet** ter stat**, Ende siet hier* ' die ioncfrouwe, dies iu bat; Ende sonder twivel , ie wasset oec mede. Die iu die v. ridder sende ter stede; Van den iiij sachet her Ywein**, 36150 Die my vant vechtende** ineenpleyn, Opten avent van der Triniteit, Daer icse alle vier** verwan gereit; Men vrages hem ocht hys** iet sach, Hi es, dies** iu berechten*' macli". 36155 Doe lyede des heer Ywein'* al bloet, Ende zeide**, dat hi der enen sloech doet. %i, segen *'unde dcse *'9teet *"de8e '•ovele "•vrent • * den * * ritter makeden • * ritter ' * under • • dwerch *Walewyn 'so wart *ura 'grottc 'wo 'med "mede •seet '"hiraff **iinde de *'droven *'umme **moste **alze **den *'olde *'ten ^'vrcn- ( ''stad "seet ''hyr Ywen '•vechtene dinne *'grottene **ieet **her ritter "ich **hebt hies **dces * 'berichten **8©gede. kO veer * 1 off 405 ^Dio daor bleef* liegende, sp seker das , "Want er vive* over hem doe was, Entie vier* sende hi iu gevaen". 36160 Doe zeide Evadan voert Baen: > Here, des andren dages omtrent myddach Quam ie gereden, daer ie sach Heer Ccawein*, dien ie gemoete daer; Hi groeto* ons, ende wy hem daemaer , J^61G5 Ende zeide, daer hi ons liet daer beneven. Dat 0U8 God salecheit moeste geven; Ende Hi dadet*, want also saen Als hem dat woert uten monde was gegaen, Verkeerde mjjn gedaente ter stede, 36170 Ende quam in dese forme mede, Daor gy my nu siet in staen; Want te voren was ie een naen, Ongescapen^ ende lelyc; Ende ie wane" wel sekerlyc, 36175 Dat my by sijnre tale ende bede Onse* Here wari) wt mijnre scamelhede, Daer ie te voren in badde gewesen; Nu dankic Gode sore van desen, Ende heer Gawein** danckic mede". 36180 Doe vragedem die koninck ter stede, Van wat lieden** dat hi waer, Ende hoe** hi hiete oec daernaer; Ende hi zeidet den koninge also voert. Als gijt hier vor hebt gehoert. 36185 Doe dit die koninck verstout tien tyde**, Ende heer Gawein*", waren sgs** blyde Entie** koninck ontfinckene te dien** [stonden , Vor enen geselle van der Tafelronden, *bleflf *vyre 'veer *Walcwaen *j^rottc 'dedet *ang. •wene 'iinse *°Walewan *Mucicn **wo *'ten tijde * '•weren sies * •unde de * '10 don. — * ^Inderdaad wordt er in 't oorspronkelijke van Merlijn verder geen ge- wag gemaakt , dan dat koning Artur en de zijnen zijn verdwijnen betreurden; wat hier volgt is dus de per- Entie** ioncfrouwe bleef daer bynnen, 36190 Van der uren, metter koninginnen Met vrouden voert al hoer leven. Van Merline (en)vindic niet meer bescre- In dat Walsc*', ende om die saken [ven En willics niet meer in Dietsce maken, 36195 "Want hem hevet een wyf gevaen, Daer hi nemmer** en mach ontgaen, No emmermeer vememet van hem man ; Wat mach men daer meer af secgen dan? Negeen dinc, so help my God, 36200 Dan dat hi was een fijn sot*»; Al heet hi vroet ende conde vele, Nochta^n heeften een v^f, by horen spelo, Datsi hem toende menechfoude**, Bracht int nette daer si wonde**; 36205 Daerby en was met niet so vroet man, Opdat daer wives herte alteen' * leide an, Si en hoendene wel** int leste. Nu moet God ons geven tbeate** Altoes te doene van allen saken. 36210 In Hem so indet*^ mede myn maken Desen boec van Merlyne, Dat ie dichte met mire** pyne; Int jaer Ons Heren, wiens** wondert, Doe men screef dertien* 'hondert 36215 Ende xxvj, opten** witten donredach. Die in der weken vor Paescen gelach, Doe was dit boec geint**, Daer men scone jeesten** in vint. Explicitf Deo graiias. soonlljke nabetrachting van den Velthemer heeroom, naar aanleiding van Merlijns deemiswaarde woftheid, over die van 't manvolk in 't algemeen tegenover vrou- welijke listen en lagen, ^'nammer **8od *®folde, wolde ** althen **wal '*dat beste **endot ••myr**wen8 *'drutteen **op den * •geënt **je8ten. Int jaer Ons Heren , wiens wondert , Doe men screef achtien hondert Ende lxxx\j, op Sente Apollonien dach, Die twee maende vor Paescen gelach, Doe was dit boec geprint, Daer men van Merline ende andren in vint. 3 9015 03006 2437 "N DO NOr REMOVE